Skip to main content

Full text of "Hedendaagsche historie; of, Tegenwoordige staat van Groenland, en Straat Davids, : met betrekking tot derzelver ligging, bewooners, gebouwen, zeden, gewoonten, godsdienst, regeering koophandel, landbouw, landziekten, planten, dieren, en andere zaaken tot de natuurlyke historie dier landen behoorende;"

See other formats









fl-. 



¥Ê^'^':i4id:2k}lk^^''^i'''':, 



■•-l^iiAiM^É^I^ÉiisJ^iiJi^ 



'i^'fi&aW^i^'i'^^uf^^Si 








^.-.;..-s- ^-^ 







lirW Carter iÖrrtDii. 



?^-. 




rf 



■^^i^mmsf^^ssammf'^MmmmË 




HËDENDAAGSCHE HISTOÏ^Ej ^^^ 

OF, \__ "(^^ 

TEGENWOORDIGE STAAT 

VAN 

G R O E N L A N D, 

E N 

STRAATDAVIDS, 

MET BETREKKIÏÏG TOT DERZELVER LIG- 
GING, BEWOOWERS, GEBOUWEN, ZEDEN, 
GE WOONTEN9 GODSDIENST, RSGEERING 
KOOPHANDEL, LANDBOUW, LANDZIEK-* 
TEN, TLANTEN, DIEREN , EN ANDERE 
ZAAKEN TOT DE NATUURLYKE HISTORIES! 
D|ER LANDENBEHaORENDE; 

BENEVENS, 

EENE UITVOERIGE BESCHRY VING 

V A N D E 

WALVISCH- EN ROBBEN . VANGST! 

Met Plaaten en Kaarten. 
IIL D E E L- 



Te A M ST E L D A M^ 

By W, VERMANDEL en J. W. SMIT. 

M I) c c t .:s; :s X ¥ u 



:m^i^Êm^mf^¥^^^mmKT^m^ 



tlET AGTSTÈ ËÖEli 

DER 

GROENLANDSCHE 

HISTORIE, 

VERVATTENDE 

Het vierde tydmerk van de Zendinge der Broeder'^^ 

Kerk 9 dat isy van de twede ViOtatie in V 

jaar 1752^ tot de opregtinge van de 

twede Zendinge in het jaar 1758. 



HET TWINTIGSTE JAAR 
I N H O U D. 

|. !• Men oordeelt ene nieuwe Vifitatie der Zendinge nodig 
te zyn , en daartoe biedt zig de Bijfcbop Johafineé v^n 
Watteville aan^ die ook^ verzeld door den MiJJïonaris 
Stach , dezelve dadelyk aanneemt» 

|. 2. Deszelfs reis naar Groenland^ 

§é 3. De Groenlanders hebben^ door éne buitengewone kou" 
de^ ys ^ en ftormagtig weder ? veel gebrek geleden. Het 
werk des heiligen Qeefies beeft emen onverhinderden 
voortgang gebade 



III Deeh 



S- 4. 



INHOUD 



§. 4* Het hzoeken onder de heidenen in de eilanden heefé 
men met zegen voortgezet. 

J. 5. Vittrekfel uit het Dagverhaal van de Fifitatie en de 
terug reis. 

S. 6. Door ene hefmettelyhe ziekte verliefi de Groenlandfche 
gemeente vele van hare leden. De gemoeds-gefteldheid 
der heidenen hy dit geval. 

%. 7» Ettelyke aamnerkenswaardige omflandigheden van 
twaalf der ontflapenen. 

§. 8. Der Itraren fmart en trooft over dit verlies^- 






fe'J' 



HET 







t 



Met Agtste èoek 

DER 

GRÖENL ANDSCfiE 

HISTORIE. 




Aardien nu een aanzienelyk hoopje van Gfoen- 
landeren door de predikinge van 't Evangelie 
tot Jefus Kriftus gebragt , by een vergaderd ^ 
en door den H. Geeft tor eene Gemeente ge- 
maakt was; en deWyl ze tevens in zodanige 
in- en uitwendige orde gebragt waren , dat men ze, by alle 
hunne gebreken en mis(lagen,ene in der daad levendige^ 
bloeijende en vrugtbare plante , die de hemelfche Vader 
zelve geplant had, noemen kon; des men ook reden had 
te hopen, dat de Heer ook in 't vervolg het nat maken 
inet zynen zegen tot wasdom bekronen zoude ; 20 had men 
op het Synode, in 't^aar 1750 te Barby in Saxen gehouden, 
nodig geoordeeld, deze gemeente door enen daartoe be- 
noemden dienaar der kerk te laten bezoeken , ten einde 
derzelver inrichtingen te beveftigen, en, waar het nodig 
zy , naar het voorbeeld van andere Gemeenten en zendin* 
gen te verbeteren, doch voor al te onderzoeken, of van 
de -ziftingen en ongeregeldheden , die enige jaren herwaards 
in verfcheidene Gemeenten veld gewonnen hadden , doch 
tanè gelukkig uit den wege geruimd waren , ook aldaar een 
onkruids-zaat ingekropen zy , 't welk door gene fchriftely- 
ke vermaningen en wederleggingen zou kunnen uitgeroeid 
worden , (*) maar de tegenwoordigheid vereifchen van 

enen 

(*) Ik moet egter voor af erinneren, dat^ door ene byzoii- 

A fl - ^^'^ : 



Groenlandfche Hiilorie 



VUL B. 



enen der aanzienel^^kfte en in 't algemeen geachte die- 
naren der kerK, die in Haat zy , om het nodige met geeft 
en kragt te verrichten. 

De Eerwaarde Broeder Mag. Augufi Gotlieb Spangen- 
herg , onlangs van zynen poll: in America , in welken 
hy vele jaren had geftaan , en waar hy, door de aldaar 
zynde Gemeenten van Moren en Indianen te beftieren en 
van tyd tot tyd te bezoeken, vele ondervinding verkregen 
had, tot het Synode gekomen zynde , boodt zig hiertoe aan. 
Dan tervfyl hy zig tot de afreis gereed maken wilde, weidt 
zyne egtgenoot ziek en eindigde haren getrouwen en ge- 
zegenden dienft, te Herrnhut in 't voorjaar 1751. Hier- 
door werdt deszelfs afreis vertraagd , tot het te laat was, en 
kort daarna keerde hy weer terug naar deszelfs poft 'm Ame- 
rica, 

De Biffchop ^^^?^^;;;;^^ vanWatteville^m 't jaar 1750. uit 
Noord- America en Weft-Indien ^ alwaar hy de Gemeenten 
der Indianen en Moren in betere orde gebragt had , terug 
gekomen zynde, nam, met toeftemming zynef Gètnaliii, 
Gravinne Benigna van Zinzendorf^ enderzelver Ouderen ^ 
het befluit , om ook in dit jaar de Vifitatie van onze Ge- 
meente in Groenlando^ zig te nemen , en verzogt om den Mis- 
fionaris Matthceus Stach , die zig toen in het huis van den 
Ordinarius te Weflminfter ophieldt , tot reisgezel te hebben. 
Deze had by de Compagnie van Hudfom Bay aanzoek ge- 
daan , om het Evangelie te mogen verkondigen onder de 
tot derzelver Facftoryen of Handels kantoren behorende 
wilde Americanen , doch tot hiertoe te vergeefs ; en wagte 
tans met verlangen op den uitflag van den koophandel, 
welken ettelyke tot de verenigde Broeders in Engeland be- 
horende kooplieden , met voorweten van den Board of 
Trade and Plantations^ onder de Eskimaux in Terra La- 
hrador ftonden te ondernemen. Doch naardien dit voor- 
nemen wegens verfcheidene zwarigheden toen nog uitge- 
fleld werdt , zo nam hy de bezoek-reis naar zyn oud ge- 
liefd Groenland met vreugde aan , en haafte naar Barby te 
komen, waar hy den Biiïcliop Johannes nog meende te vin- 
den. Dan hem daar niet vindende, maakte hy haaft, om 

den- 

dere genade en bewaring des Heihnds , mcii weinig of niets van 
dezen valfchen geell onder de Groenlandcrcn en 'de overige Ge- 
sneenten van heidenen gevonden heeft. 



mk:L^. 






Gefch. van Nieuw-Herrnhqt: 1752. 5 

denzelven over Stetri/7 te volgen, en had ooK het geluk 
over de ooll-zee in zo veel uren te komen v als hy den 
vorigen herfft dagen op dezelve toegebragt had , vondt 
ook het Grocnlandfche fchip tot het vertrek gereed lig- 
gen. 

§• 2. 

Zy vertrokken den $z8ften April met het fchip Bright a^ 
Kapt. Lars Peter fen. De Heer Broen^ die in de plaats 
Van den Heer Drachart naar Godbaab beftemd was, be- 
vondt zig met deszelfs vrouw en hare zufter op het zelve 
fchip. In hope, dat het velen niet onaangenaam zyn zal, 
?al ik het dag- verhaal van deze reis, en tevens de gehele 
vifitatie zo kort doenlyk hier mede delen, en zulks met 
de eigene v»^Qorden van den Biffchop Johannes ^ovtrgQno- 
men uit een aan deszelfs Heer Schoon-vader toegezondeu 
berigt. 

„ Ene grote menigte van fchepen, van welken wy vier 
en feftig telden , terwyl wy velen inhaalden en voorby 
zeilden", liep den eerften May met ons van Helfingór uit. 
Langs de Zweedfche kuft zeilende hadden wy reeds den 
aden May Schagen in Jutland op zy,en kwamen dus uit het 
:?;ogenaamde Katte gat in de Noord-zee. Wy zagen ene 
grote menigte van haringen , waarvan de by een verga- 
derde hopen zig als kleine golven vertoonden. Den 4deii 
zagen wy de kuft van Noorwegen , en zeilden Lindes nces 
voorby. Den 6den raakte Noorzvegen ons uit hetgezigt; 
den 9den zeilden wy het tWznd Fairbillhy Hitland vooy-- 
by, en kwamen dus in de Weft-zee* 's Middags zagen wy 
het eiland Fulo. De drie laatfte dagen hadden wy een 
fchonen ooften wind gehad, met welken wy ten micften 
honderd duitfche myien gevorderd waren. Den i4den 
hadden wy eenen vry zwaren ftorm , zodat wy vier en 
twintig uren voor bylegger dryven moeften. Flet woord 
van heden, uit HandeL XXVil: ^3. Den zeiven nagt heeft 
hy niy geftaafi een Engel Gods , wiens ik hen , welken ook 
ik diene'^ had in deze omftandigheid veel indruk op ons. 
pen i8den zeilden wy op de hoogte, waar het verzonken 
land van BuJfgtXtgtw heeft. Hier omtrent is altoos eae 
holle en onftuimige zee, en gewonelyk mift : weshalveB 
de fchippers ook hier de megftq vreze voor ilorm heb- 
A 3 ben» 



w 




B-:.^ 







é Groenlaodfche Hiflorie VUL B. 

ben. Den!2iften, zynde Pinkfter-da^, kre2:en wv een 
harden ftorm uit het noord-ooften , die de drie feeft-da- 
gen aanhieldt,en flegts nu en dan ettelyke uren een wei- 
mg bedaarde , doch die ons niet ophieldt, maar in tegen* 
deel ter bevordering van onze reis diende. Naar onze 
giffing vaaren wy niet verre van Statmhoek. Den .'2aaen 
vonden wy de twe naar Bhko beftemde fchepen, die m. 
dagen vroeger dan wy vertrokken waren, en fpraken met 
dezelveii. D^^ nagts moeften wy weer voor byjegger dry^ 
yen. Den 24ften zeilden wy voorby Kaap_ FaréwelU U 
Kwamen dus m de Straat Davis. 

^ Den £i5ften zagen wy voor 't eerft ys, en zeilden tus^ 
fchen enige ftukken heen. Den o^ften kregen wy tegen- 
wind met labber koelte. Wy laveerden heenen weêrf en 
hadden tot den eerften Juny zulk een zwaren mift, dat wy 
dikwils nauwelyks zo ver als de langte van 't fchip zien 
konden. De mifl: verdwynende bevonden wy ons naby 
een groot ys-veld, des wy wenden moeften. Den tidtn 
kregen wy een gunftigen zuiden wind , dien wy egter niet 
lang gebruiken konden , alzo wy den 3den vroeg derma- 
ten van ys omringd werden, dat wynog ooft- nog weft- 
ïiog noord- waards enige opening of einde van 't ys ontdek- 
ken konden, en nergens dan zuidwaards open water zagen. 
Den 4den waren wy van alle kanten metys bezet Tot 
den middag laveerden wy tuffchen het ys heen en ween 
Wy zeilden toen langs een ys-berg, die in grootte en ge- 
daante zeer wel leek naar het eiland Hzveen tufTchen Seland 
en betonen. Emdelyk ontdekten wy weer in 't zuid«wes- 
ten open water, de fchipper waagde tuffchen de vs-velden 
ïieen te zeilen, en kwam 'er gelukkig door; vervolgens la^- 
veerde hy by tegenwind, mift en fneuw, tot den uden 
heen en weer, en zogt het ys te ontwyken, 't geen wy in 
den beginne flegts aan de noord-ooft- maar naderhand ook 
san de weft- en zuid-weft- zyde hadden, en dat ons gedu- 
rig nauwer infloot. Van vier uren 's namiddags tot tien 
uren s avonds, zeilden wy tuffchen de grote ys-velden en 
veel duizend kleine ftukken heen, en kwamen eindelyk. 
(onder befchemiing der heilige Engelen, door ene zeer klei- 
ne opening m ruimer water, zeilden egter nog de ganfche 
ïiagttot den volgenden namiddag tuflchen kleine ys-velden 
en iUiKkcn van ys heen. 't Is in der daad ene grote wei- 
daad van God, dat meq in dezen tyd van 't jaar genoeglaam 
gene nagt m de Straat heeft. h^ ^^^^^^ 

Den 



Gefcb. van Nieuw-Herrnhut. 1752. 7 

Den i^den Juny vroeg zag men voor 't eerft land ^ en 
tegen negen uren konden wy de met fneuw bedekte krui- 
nen der bergen zeer klaar zien, waren 'er egter nog om- 
trent twaalf^of vyftien my-len van daan. Tegen tien uren 
vertoonde zig een zonderling verfchynfel aan den hemel , 
te weten drie Neven-zonnen en tevens fes kringen , naaft 
en rondom dezelven. Niemand van 't fchips-volk had oit 
iet dergelyks voorheen gezien. Wy hadden toen ene zag- 
te koelte uit het weften, maar naderhand ene ftyve koelte 
uit het zuiden. Te ver naar 't noorden zynde moeden wy 
den I sden vroeg terug laveren. Tegen agt uren wendden 
wy naar het land. Dewyl wy den ftroom tot ons voor- 
deel hadden, kwamen wy tegen tien uren omtrent de ui- 
terfte eilanden. Aldaar kwam de eerfte wildeen vervol- 
gens ook twe Groenlandfche Broeders by ons , konden 
egter wegens de ftyve koelte niet aan boord komen. Ik 
zag mee verwondering , hoe de Groenlanders in hunne 
Kajaken , by zulken harden wind en holle zee, als de 
Eendvogels op het water omzworven , en wel zo fnel , 
dat zy 't fchip gedurig voorby kwamen , fchoon ze dik- 
werf half onder water waren. Dus zeilden wy tuffchen 
Kangek en de Kookörnen , door het zogenaamde j5Joor- 
der-gat , Bals-Rivier in. De wind gedurig toenemende 
en byna een ftorm wordende , moeften wy het ene zeil 
jia het ander innemen , des niettemin liep het fchip voor 
een half zeil het ene eiland na het andere als een pyl 
voorby. Myn hart fmolt en de tranen kwamen my in de 
ogen , toen ïk ons geliefde Nieuw- Her rnbut gewaar werd. 
Het woord van heden : 0/> y/^/? berg Zions zal ontkomingezyn^ 
en hy zal ene heiligheid zyn'-, Obach vf. 17. " V Is ook een 
van 's Heren hergen ; '' als mede het woord des Heilands 
uit Matth. XXill. gelykeripys ene henne hare kiekenen hy^ 
een vergadert onder de vleugelen ; hadden een zonderlingen 
indruk op myn gemoed , en waren zeer toepaffeiyk op onze 
aankomft by deze kale en onvrugtbare bergen. En het eer- 
fte woord, dat de Broeders zelven , om dat ze het leus- 
boekje niet hadden , op het nieuwe-jaarhadden getrokken , 
was het volgende uit Jef. LVI: 8. De Heer Heer^ die ds 
verdrevenen Ifraels vergadert ^[preekt : ik zal tot hem nog meer 
vergaderen neffens die% die tot hem vergaderd zyn. (*) 'sNa- 

mid- 



(*) Hettêkfteïi-hoekjevan dit jaar kregen de Broeders ia Grö^«- 
A 4 /^^^ 






S Proenlandfehe Hiflorie VUL B. 

middags kwamen wy by harden wind en regen in den ha- 
ven. Nauwelyks was het anker vaft gemaakt, of onze 
^roeder Bek kwam aan boord. De anderen waren niet te 
hms. Ik wilde juift op het dek gaan , wanneer hy de trap 
at kwam , met wetende of ook iemand van de Broedei^s 
mede gekomen zy. Dus Hep hymy in de armen, zo dat 
Ik hem omhelsde, zonder dat hy my kende, doch wanneer 
hymy befchoiiwde, was hy als opgetogen, en begon als 
een kmd te fchreijen: deze ontroering van vreugde veroor- 
zaakte^ dathy de koorts, uit welke hy zo even' opgeilaan 
was, terilond verloor. Öndertuffchen werdt het fchip met 
een touw aan de rots , in welke grote ringen van vzer ge- 
maakt zyn, vaft gebonden, en de ftorm nam dêrmaten 
toe, dat wy in een boot met een touw naar het land moes- 
ten getrokken worden. Dus betraden wy, in den naraq 
Van den Here Jefus, den Groeniandfchen bodem, en wan- 
delden een goed kwartier gaans over land naar Nieuixj^ 
Èierrnbut. 



^*^ 



Dan eer ik van deszelfs arbeid onder de Groenlandereu 
Ipreek, zal het 'met ondienffig zyn te berigten, hoe het de- 
zen winter by hen gefteld was. Want het was een der 
|waarfl:en jaren , die oit ge weeft zyn. De koude, die va^i 
February tot Paafchen zonder merkelyke verandering aan- 
hield, zo dat de Florde weer toegevro^en en vervolgens 
dermaten met ys bezet was, dat men dikwiis geen Kafak 
in t water brengen kon, deze koude, zeg ik, was niet al- 
leen ongemeen fel, maar daarenboven was het weder zeer 
veranderlyk, en dermaten van ftorm-winden, fneuw en re- 
gen verzeld , dat de Groenlanders zelden uitvaren kon- 
den, en wanneer ze uitvoeren, waren zy genoegzaam geen 
dag buiten levens-gevaar, en bragten be vroze handen en 

Ichoon 
by 



aangezichten, maar' zelden een vogel, naar huis 



ifaf^d eerd met clïr fchip. Wnniieer zy 't vnn vreugde over de 
aRnkomfl van Jojjamics openden,' troffen ze bet volgende woprd: 
Geloofd zy de God , dit^ zynen Engel gezonden en zyrie knegten 
verkjl heeft. Dan. Ilf; 28. ,, Die hunne ziülcn gewillig waag^ 
,„ den in zynen dicnflv " 




Gefch. van Nieuw-^Herrnhut. 1752. 9 

kvalle deze gevaren ilegts een jong Groenlander in een 
Vffelvken ftorm door de golven weggeüeept, en met dan 
na drie maanden in zyn Kajak weer gevonden werdt, zyn- 
devan de raven en voffen half opgegeten. Byzulkeenen 
van hevig weêrligt verzelden dwarlwind, was op den blten 
lanuarv het woonhuis en de zaal van de Broeders zo na 
aan 't inftorten , dat het gelyk een fchip by hevigen ftorm 
trilde en kraakte. Weinig dagen te voren hadden m een 
zwaren ftorm , dergelyken nog niemand oit gezien had , 
de golven hunnen nieuwen en grootften boot aan ftukken 
2:eflagen, fchoon hy verre op het land aan ene zuil vaft ge« 
maakt was, en de Broeders, om denzelven te redden, zig 
piet de Groenknders zo verre waagden, dat de golven hen 
dikwils over het hoofd heen üoegen. Zy hadden nader- 
hand verfcheide weken, terwyl het nog fel koud was, aan 
deszelfs herftelling te werken. 

Doch dit was geenzins de grootfte nood : hierop volgde 
bmnen kort ene geweldige koude, in#elkede Groenlanders 
in groot gebrek geraakten , zo dat ze in gevaar waren , 
om van honger en koude te vergaan, gelyk daardoor ook 
öp andere plaatfen vele wilden het leven dadelyk verloren 
Hebben. Onze Broeder^ lieten de Groenlanders beurte- 
lings by menigte in hunne kamers komen , ten einde de- 
'zelven zig ter dege verwarmen konden ; en hadden ze den- 
zelven tevens fpek kunnen geven , om te branden , het 
zoude hen (den Broederen) zo veel te aangenamer ge- 
\veeftzyn. Intuffchen deelden ze onder ettelyke arme huis- 
gezinnen gedroogde haringen en, dezen op zynde ^ hun- 
nen voorraad van erweten uit, vermaanden ook de ver- 
mogende Groenlanders, hunne harten niet te lluiten voor 
derzelver arme en noodhebbende Broeders en Zufters ^ 
maar zo lang mede te delen, als zy wat hadden , zonder 
bezorgd te zyn tegen den morgen : en deze vermaning 
w^as, ten minften by de Avondmaals- leden, van zulk ene 
goede uitwerking, dat ze niet behoefde herhaald te wor- 
den. Nu en dan bragten egter de mannen enige weinige 
vogelen te huis, en tegen Paafch en enen zee-hond. Ook 
vingen de vrouwen en kinderen zomtyds , hoewel zelden, 
enige weinige en kleine viffen onder het ys, waar mede 
zy zig zo l^ng onderhielden, tot dat 'er iu den beginne van 
Maart zo veel opening in 't water kwam , dat ettelyken 
paar de eilanden varen konden. Dan de meeften kwamen 
fciiielyk terug , alzo daar , wegens het flegte weder^ nog 
A 'S ' ^^^^" 



10 



C5roenIandfche Hiftorie 



VIII. B. 






IS 



m^ 




minder dan hier te doen was , terwyl de overigen , wan- 

vf ''t wSt"^,- "r' ^P "ï^r^^^g^"' ''"^ dele door h?t 
ys, t welk zig, binnen en buiten het land, zover als men 
2ienkon, uitftrekte ten dele door enen ftorm, waarcS 
de meeden hunne boten verloren, zo lang afsefneden wer- 
den, tot dat men ze afhalen kon. »i,cuieaen wer 

By zulke zware omftandigheden konden ook de gewone 
vergaderingen zelden m derzelver orde gehouden worden; 
want by flegt weer kon géén menfch uifgaan, en bv goed 
weder ( tgeen egter zeer zeldfaam was ) vloog een ieder 
zeewaards Hoe zeldfaam egter de gelegenheden waren! 
om elkander te ftigten, men befpeulde nogtans geen ge! 
brek ten aanzien van den inwendigen wasdom der genade , 
die alomme en in alle omftandigheden hare kragt bitoonde. 
Het was gelyk de Heiland, Mare. IV: 2Ö, 27. legt • ,^/. 
zo fs bet Koningryk Gods, gelyk of een menfcb het 'zant in 
de aarde wterpe; en voorts fliepe en opftonde nagt en das: 
en bet zaat mtfprote , en lang wier de , dat hy zelve niet 
■wtfte boe; om dat het namelyk in ene goede aarde. geval- 
en was, waar het woord gehoord, verllaan, in een eer- 
Jyk ea goed hart bewaard, en met geloof gemengd werdt. " 

§"4. 

Het flegte weder had ondertuflchen het bezoeken on- 
ïr^-^^i'^""^^*^ t'enemaal doen uitftellen. In January 
geichiedde een dergelyk bezoek naar Kangek. Men vondt 
ïiog altoos ettelyken,diehet woord met oplettenheid hoor- 
en toeftemden , fchoon weinigen zulke harten en 
oren hadden, als de Heer tot zyne leer vereifcht. Hier- 
by word aangemerkt , dat zy deze fpreekwyze : Hf 
heeft ons verlofl ;^ gewonelyk zo opvatten : als of Kriftus 
llegts voor ons huropednen geftorven zy : weshalven men 
met vergeten moeft de woorden, voor Ulieden, 'er bv te 
voegen ; doch deze woorden vercifchen ook , volgens den 
Katechismus, (*) louter gelovige harten. Zeker oud gry- 
faart beklaagde zig, dat hy zulks niet meer leren kon ; men 
zeide hem, dat hy 't niet behoefde te leren, maar flegts te 
geloven: want om zig ais een verdorven menfch, hoeda- 

ni« 



t C^) Te weten, die van Lttther. 



jSefch. van Nieuw-Herrnhut. 1752. ir 

nig hy zifi; zei ven gevoelde, tot den Heiland te virenden, 
en\emom genade en ene volkomene afwaffchingvan zon- 
den te bidden , daartoe werdt geen hoofdbreken , geen 
diepzinnig denken en van buiten leren vereifclit , maar en- 
kel en alleen het gevoel van de hoge noodzakelykheid en 
een opregt verlangen naar redding. 

„ Des zondags (wordt 'er gezegd) had ik een hartelyk 
gefprekmet onze Groenlanders: vervolgens kwamen ette- 
lyke wilden in de Predikatie, in welke getoond werdt, hoe 
zalig men hier reeds in den tyd zyn kan, wanneer men in 
Üen Heijand gelooft en heni boven alles bemint Nader- 
hand vroeg ik zommige mans-perfonen, die reeds lang over* 
tuigd en getroffen zyn geweeft, welke de hinderpalen zyn^ 
die hen beletten, om zig aan den Heiland , die zo veel 
aan hen gedaan had, over te geven. In den beginne wil- 
den zy'er niet aan, eindelyk zeiden ze zo veel, dat men 
zeer klaar befpeurde , hoe zy , gelyk andere menfchen ^ 
zig door welluft, hoogmoed en gierigheid, of ook door 
vreze voor rmaad,en door de bekommeringen dezes levens, 
laten bedriegen , zo dat het woord onder de doornen ver- 
ffikt wordt. Ik zeide, dat , by aldien ze maar den Hei- 
land , die hen zo duur gekogt had , boven alles beminnen 
wilden , hét bloed des Heilands zoude zig wel haaft zo 
la-agtdadig aan hunne harten bewyfen, dat ze de w^ellus- 
ten,den hoogmoed, en de gierigheid, met vreugde zouden 
kunnen laten varen, als zaken, voor welke de Heer aan 't 
kmis geftorven was. 

' Den i24(len Jannuary bezogten wy vyf huizen , die ver« 
der naar ^t noorden lagen. ïn een dier huizen was myn 
hart regt brandend^ en myn mond geopend , om dat in 
het zelve ettelyke begerige zielen voorhanden waren. In 
een ander huis waren zy in tegendeel allen t' enemaal on- 
gevoelig, en fchoon ze myne woorden verftonden , zy 
deden egter als of ze gene oren hadden. Het waren arme 
en zo wel in- als uitwendig deerniswaardige menfchen. 

Den asften bezogten wy fes andere huizen, en hadden 
gelegenheid 9 om den heidenen hunnen Schepper en Ver* 
lofler in deszelfs kruis-geftalte onder het oog te brengen. 
Den meeften , die voorleden jaar van Statenboek herwaarde 
gekomen waren , was 't meer om brood en naalden , dan 
om den Heiland te doen. Doch het fcheelde niet veel, of 
liet was enen van hen, welken ik een verlangen naar de 
onvergankelyke fpys toewenfchte^ en die zig daarover "in 



II 




i& GroenI'indfche Hiflorie VUL B. 

een gefprekniet my in liet, gegaan, als eertyd^^ der Sama- 
ritaanfche vrouwe by de fonteine. Ettelyke oude Kaïf^ 

fermers^ die, 't geen ze geloof noemen, te oppervlakkig 
egrepen hebben, begeerden , wat van God te horen. Ik 
2eide: „ dat God alles gefchapen heeft, is u lieden reeds 
bekend, dan ik zal u nog meer zeggen, namelyk, dat de 
Heiland der ganfche wereld ook zyn bloed voor u lieden 
geftort heeft, indien gy nu dit niet aan uwe harten gewaar 
v/ordt,dan zal uw geloof u niets baten. " Zommigen ver- 
wonderden zig , anderen zeiden volgens hare oude ge- 
woonte en onverfchilligheid : ,, Wy geloven wel zeer ! " 
Des nagts bleven wy by den broeder van Jnna , deze is 
de enigfte van des zaligen Samuels maagfchap , die nog niet 
by ons is; hy zal 't egter, naar alle gedagten , niet lang 
meer onder de wilden kunnen houden , want in dat huis 
zyn ze genoegfaam allen overtuigt, en wanneer ze weer 
verflauwen, worden ze door de vlytige aanfpraak van on- 
ze Groenlanderen, die gedurig by hen aankomen, van 
tyd tot tyd op nieuw^s weer opgewekt. Dewyl het flegt 
weder fcheen te willen worden , haaftten wy den aóften 
naar huis , en bragten twe zielen mede , die een verlan- 
gen, hebben, om by ons te wonen, en den Heiland te leren keu- 
iien. " 

By een ander bezoek in April, 't v/elk voornamelyk ge- 
daan werdt om der gedoopten wille, die zig toen wegens 
den onderhoud it Kan gek ophielden, vondt men weinig 
wilden, om dat de meeften, van wegens honger, verder 
naar 't zuiden getrokken waren , en nog weiniger vondt 
men , die geopende harten en oren hadden. Ene onge- 
doopte vrouws-perfoon , die eertyds by de Broeders reeds 
gewoond had, kreeg van de haren verlof, om weer naar 
hare lera.ars te trekken , terwyl de anderen , onder wel- 
ken ook ettelyke bekommerde zielen waren , naar 't zuiden 
trokken. Van dezen kogt men derzelver oude huizen, oiu 
het houtwerk tot brandhout, waarvan men geen groten 
voorraad had , te gebruiken. 

By het derde bezoek in de Kookörnen ontdekten ze. het 
fehip , durfden zig egter, wegens de ftyve koelte , niet 
uit de eilanden wagen ., en kwamen eerfl; den dag na 
de aankomfl van B, Johannes te huis, ( *) gc^lyk uit 

het 

(*) 7,y badcicn den Grociilauder Nathanael \\\ eeii K^ak na^; 



Gefch. van Nieuw-Herrnniit. ^752. 



h'et vervolg 
zaL 



^naar de orde van het dagverhaal , blyken 
§. 5. 



Natïiy (dus fchryft Johannes') door onze Broeders te 
hebben laten berigten nopens den toeftaod der Groenlan- 
deren zedert het laatfte fchip , bezogt ik met Matthdus 
Stach alle onze Groenlanders in hunne tenten , en ik werd 
ook van hen heden en de volgende dagen vlytig in myne 
kamer bezogt, zy konden hunne blydfchap over onze aan- 
komft niet uitdrukken. -,, /> t. 

\ Avonds hield ik de gewone vergadering. Ik Iprak 
Duitfch , en liet de voordellen na elkander door eep der 
Broederen in 't Groenlandfch vertalen , gelyk ik m't ver- 
volg van myn verblyf altoos heb laten doen. Het getal 
der tegenwoordig zynde Groenlanderen beliep omtrent hon- 
derd en vyftig , de overigen waren ten dele nog niet van 
de haring vangft terug gekomen, ten dele bevonden % zig 
öp hunne gewone zomer-plaatfen in den Zond of in de ei- 
landen. IK: kan niet uitdrukken , wat myn hart gevoelde 
by 't gezigt van ene Gemeente des Heilands' üit dit volk : 
de tederheit van 't hart deedt menig traantje over de wan- 
gen rollen. Ik zag wei haaft , dat men zig geen volkomen 
denkbeeld van de Groenlanderen maken kan, al ziet men 
ettelyken van hen buiten hun land, om dat ze dan ganfch 
niet regtin hun fchik zyn. Naar 't my toefchynt, heb- 
ben ze vele overeenkomft met de Amerikaanfche wilden 
en dezelve verwe van 't aangczigt, des ik niet denken kan , 
dat zy ergens anders dan van de Noord- Amerikaanfche 
kuft naar Groenland gekomen zyn. Ten aanzien van na- 
tuur^ 

het fchip gezonden, om te zien, wie meê gekomen zy. Hy 
berigtte, dat hy Matheferfoak (dat is den groten Mattbaus, om 
dezen van anderen , die denzelven naam dragen , te onderfchei- 
den ) gezien had , en nog iemand , die een zeer lieftallig voor- 
komen had. Waanneer hy hen op hunne te huis reis ontmoette , riep 
hy hen met> blydfchap deze woorden toe i Johannes AJJerfok H- 
kerarpafe: " Johannes de liefhebbende is gekomen om u te be- 
zoeken. Door dezen bynaam is hy na dien tyd van anto© 
naamgenoten door de Groenlanders onderfcbeiden geworden. 



E 



H 



Groenlandfche Hifïorie "^iu. i. 






y^'.i' 



tuur, mborft,en levensvvyze verfchillen zy merkelyk van 
de Jro^ofS in Camda, ten welken opzigte zy met de wil- 
den in Hudfons-Ba'^ wel meer overeenkomft hebben. Ox\- 
ze Groenlanders zyn van Q^npblegmatifch-ranguinifcb tem^ 
perament^ of van natuur koudvochtig en bloedryk De Jro 
kois in tegendeel mblancholifcb-chokrifch of zivaarmoediV 
en oplopende van aart. De laatften zyn oók deftiaer eiï 
met zo onnozel en beuzelagtig als de meeften Groenlan- 
ders , fchoon 'er ook onder dezen in der daad mannelv- 
ke^, ernftige en deftige lieden gevonden worden. 

s Avonds bleven wyDuitfchen nog een geruimen tvd 
by elkander, en naderhand las ik het dagverhaal van dit 
]aar door , ten einde een grondig begrip te krygen van 
den toeftand der Groenlandfche. Gemeente tot hiertoe. 

Den i4den Juny hield ik de vroeg- vergadering over de 
woorden : Ik hengekomen om vuur op de aarde te worpen 
enz. Daarna bezag ik het land rondom Nieuw -Herrnbut. 
m zulk een bar land zou men niet ligtelyk een zo aanse- 
naam plaatsje verwagten. Het land beftaat uit louter ka- 
le rotlen, tuffchen welken niet dan zeer weinig aarde of 
liever zand, gevonden wordt. Niet te min is alles omtrent 
het huis, m den tuin enz. zeer ordentelyk, en x)p het land 
rondom de plaats, waar eertyds geen grasje groeide, ziet 
men tans het fchoonfte gras in het zand en tuffchen ^de 
ftenen groeijen, des Nieuw-Hermbut een tuin des Heren 
m de yffelykfte wildernis kan genoemd worden. ("*) 
^ J^™y^ ,^y h^^ l^"d zagen , kwamen onze Broeders 
Jbobmjcb^ Sorenfen en Ballenborfl van de Kook'órnent^\i\x\^. 
De vreugde, die wy gevoelden , wanneer wy elkander za- 
gen, en de tranen, die daarby geftort werden, kan ik niet 
belchryven. Ook kwamen vele Groenlanders te huis, en 
ik hield nogmaals ene leer-reden over het woord van gifte- 
^^n , Vervolgens hadden wy een ernftig gefprek nopens de 
gefteldheid der Gemeente alhier, en dit gefprek is de grond- 
llag geweeft van alle volgende conferentien^ (of overwe* 
gingen en zamenfpraken der bettierders en mede-arbei- 
dersj en heeft ene gezegende uitwerking gehad. 

Den i5den Juny regende het den ganfchen dag. Tot 
een by werk nam ik voor, gelyk ik in St. r/^ö»;^^ gedaan 

had, 

( *) Ik fpare de breedvoerigere befchryving van ^^zq plaaK 
voer het laatfte boek. 



r-. 



G^fch.van Nieuw-Merrnhut. iys2. 15 

had, het Kerk-boek uit de naam-lyden der gedoopten, der 
Avondmaals-leden , der getrouwden en overledenen, bene- 
vens een korte fchets van het leven en de hoedanigheden 
der overledenen in orde te brengen. Dit was my ene aange- 
name bezigheid, waarby ik tevens alle dag- verhalen vaa 
den beginne af doorlas i ten einde een volkomen denk- 
beeld te krygen van het werk dezer zóndinge. Onder de- 
zen arbeid was ik egter geen half uur zonder bezoek van 
Groenlanderen , die my met hunne vriendelyke manieren 
van doen (want hunne woorden verftond ik niet) dikwils 
zeer verkwikten. De vergaidering der Groenlanderen hield 
ik, zo als reeds gemeld is, en 's nagts hadden wy tot een 
uur conferentie» 

Den lóden deed ik op het fchipen vervolgens by den 
Koopmanen Rliffionaris een aangenaam bezoek, bezag de 
Volkplanting en de inrichting der Groenlanderen. 's Na- 
middags ontdekten wy een fchip buiten de eilanden , en 
kort daarna bragt een Groenlancjer een brief van fchipper 
Jacob Benzen aan de Broeders, met verzoek om hem te 
hulp te komen. Zy voeren terftond met hun boot naar 
buiten , en ettelyke vrouwe-boten en Kajaken mede ne- 
mende, boegfeerden ze het fchip den i7den hier binnen 
in de haven. Zy waren allen nat door den regen. Het 
fchip was veertien dagen voor ons van Kopenhagen ver- 
trokken , en zoude naar de zuider-volkplanting Friedrkhs" 
haah zeilen , maar had in twe ftormen , by 't verzonken 
land van Bm^ en op Pinxteren by Statenhoek^ door wel- 
ken wy ook belopen weerden , deszelfs boten verloren en 
nog meer fchade geleden. De roef en pomp , met een 
woord al w^at op het dek was,' was door de ftortingen der 
zee weggefpoeld, zo dat ze niet een enig water-emmer be- 
houden hadden. Dus waren zy eindelyk genoodzaakt hier 
in te lopen, om hulp te krygen. Het fchip is door ette- 
lyken onzer Groenlanderen by Kangek op ene plaats gel* 
bragt, waar het ankeren kon, voor deze en andere toege- 
bragte hulp toonde zig de fchipper zeer erkennende. 

Den iSden Juny werden de Zondags-vergaderingen in 
de tot hiertoe gewone orde gehouden, 's Voormiddags 
hield ik de Koor-vergaderingen, in welken ik myn hare 
en zin duidelyk en volkomen uitdrukken en aan eik koor 
in 't byzonder verklaren kon. 's Namiddags werdt de ge- 
wone predikatie gehouden over Je f Uil. Waarlyk hy 
heft onze krankÈedsn op zig genomsn enz. la deze verga» 



16 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B^ 



^ 



m 



dcring waren ook zommigen van 't fcheeps-volk tegenwoor- 
dig, 's Avonds was de Liturgie van alle gedoopte Groen- 
landeren, in welke de Litaney gebeden wordt. In deze ver- 
gadering befpeurt men ene ganfch byzondere genade , zy 
heefteen zeker êtlov^ 't geen zig zeer kennelyk en onder- 
fcheiden openbaart. Men kan de Groenlandfche Gemeen- 
te in haren aandagt niet, zonder een gevoel van eerbied, 
zien bidden ; en deze vergadering is hen lieden ook zo 
dierbaar, dat zy^ voornamelyk om deze by te wonen, des 
zondags drie, vier, ja vyf mylen ver reizen, om naar huis 
te komeii, en dikwerf in de[nagt weer vertrekken. Ten be= 
finite bad ik met hen knielende, en onder vele tranen. 
Het flot der Litaney: „ Heer Zehaoth enz. C^) door de ko- 
ren by beurten ( of by wyze van ene Antipbonia ) in \ 
Groenlandfch gezongen wordende, laat zig als een byzon- 
der frai en zeer verheven gezang horen , en de Groenlan- 
ders , vooral de Zufters , zingen inderdaad beter , dan men 
't verwagten zouden Na de Liturgie werdt bekend ge- 
maakt, dat de Avondmaals-leden deze week tydig te huis 
komen zouden, alzo men ter beproeving en toebereiding 
tot het aanftaande Avondmaal met hen fpreken wilde. De 
vreugde , die deze Aankondiging by hen verwekte^ kon men 
uit hunne ogen lezen. 

Den soften voeren drie Broeders naar Kangek , om 
hout , dat zy daar gekogt hadden, af te halen. Wy ove- 
rigen bezogten enige vremde Groenlanders , en fprakert 
veel van den Heiland met hen. Zy hadden hunne tenten 
omtrent duizend fehreden van ons huis opgeflagen, 'tgeen 
my niet onaangenaam^ was, want zy ftoren ons daardoor 
minder, dan men van zulke woede menfchen verwagten 
zoude. Myn hart was omtrent deze lieden even eens ge- 
fteld als omtrent de Indianen by myn bezoek te Neskopeko 
aan de Susquehannah. 

Den 2iften kwamen vele Groenlanders te huis. Ik maak- 
te een begin met hen ten aanzien van het Avondmaal te 
fpreken. Hierby werdt myn hart regt verkwikt. Zy druk- 
ten zig nopens hunne gemeenfchap en verkering met den 
Heiland zeer gevoelig uit , en ten opzigte van het Avond- 
maal duidelyker en grondiger, dan ik het van hen ver- 
wagt had. 

Dew 



(*) Zie pag. 222. het 7de boek. 



Gefch. van Niêuw-Heffnhüté ï75é; if 

Den Q,2Üen woonde ik de oefFeningen hj4 die de joii^^ 

gelingen in hunne Kajaken maken; 't is in dèr daad wori<^ 
deiiyk te zien, op hoe velerly wyzen zy met de Kajakeü 
öniilaan, en zig zelven weer oprigten, hoe zy al roeijen- 
de onder het water varen, weer naar boven komen ,f 
en meer dergelyke oeffeningen'. Onze Broeders zetten al- 
le jonge heden van jongs op hiertoe aan , ten eind^ 
ze gewend worden in de Kajakken te varen , en deze oef- 
feningen zo veel mogelyk leren. Want wie 't niet in de 
jeugd geleerd heeft, die leert zulks . naderhand niet ligt 
of in 't geheel niet. Dit heeft my fiiet minder behaagt 5 
dan dat ze de hunnen allerigskens van de rendier-jagt af- 
wennen -, en tot de zeehond-vangil: aanzetten , waardoor 
zy veel nut verfchaiFen. Onze Mattbceus en ^obanan^éiQ 
in Europa ge weeft zyn, zyn brave Fer wervers geworden,^ 
beiden reeds getrouwd, fchikken zig weer, ten aanzien 
van het uitwendige ^ in de Groenlandfche levens -wyze 
zeer wel, en gaan ten opzigte van het inwendige geze- 
gend voort. By verfchéidene gelegenheden wordt men 
met genoegen aan hen gewaar , dat zy andere Gemeen- 
ten bezogt, en daarmede hun voordeel gemaakt hebben. 

Van onze Groenlanderen kwamen heden negen vrouwe^ 
boten te huis , in zömriiigen waren tien tot twaalf men- 
fchen. Men zag ze met vergenoegen roeijende aankomen ^ 
en zig verblyden , dat ze weer by hunne leraren waren. 
In de vergadering der Avondmaals-leden verkreeg iemand, 
die ene wyl uitgefloten was geweeft , vergevinge zyner 
afwykinge en werdt onder het frorteïi vati vek trs^en wtèi 
aangenomen. 

Den asften werden twintig Broeders en Zufters, die op 
ïiieuws als . aanftaande Avondraaals-leden in voorflag zyn 
gebragt, elk afzonderlyk gefproken , daarna deed ik aan 
hen allen te famen ene aanfpraak van de onuitfprekelyke 
genade, die hen de Heiland in het Sacrament zynes iig- 
haams en bloeds befchoren had. Hunne ogen konden niet 
lang droog blyven. Ook zagen en fpraken wy de genen, 
die in voorflag gekomen waren , om gedoopt en aangeno- 
ïnen te worden. 

De a4fte , zynde. het feeft van Jmnnes den Doper ^ 
was een zeer gezegende dag vöor Nieuw- Herrnhut , op 
welken ons onze dierbare Heiland zyn wandelen in 't mid- 
den zyner gemeente openezeer genadige enkragtdadige wy« 

IlL DeeU B 2^ 



E 



iS^ 



Groenlandfche Hiftorie 



viir. B. 



m^M^ 



[■;..■•:- 



ze deedt gevoelen. Na het gewone morgen-gebed werdt de 
eerfl-e vergadering der Groenlanderen , waarvan meer dan 
drie honderd tegenwoordig waren , te half tien uren ge- 
houden. Na ene uitvoerige leerreden over den doop , beant- 
woordden de Dopelingen de hen gedane vragen met een 
week en gelovig hart. By de drie mans-perfonen verricht- 
te ik met Maithceus Stacb de opleggingc der handen , en 
wy verklaarden hunne zielen vry van alle magten des Sa- 
tans en der duifternis .> als zielen , die den Heiland van 
regts wegen , en als een eeuwig loon van zyn bitter lyden 
en fterven toebehoorden. Hierop verrichtten v^y den doop 
in den naam der heihge Drieëenheid , en de dopelingen , 
als mede allen die tegenwoordig waren, gevoelden , hoe 
krachtdadig de drie getuigen op aarde , de Geeft, het Wa- 
ter 5 en het Bloed, zig in dit ogenblik bewezen. De overi- 
gen arbeiders gaven hen hunnen zegen met oplegginge der 
handen en den kus des vredes. Onmiddelyk daarna werdt 
ook ene Groenlanderin volgens dezelve orde gedoopt. 
Hunne namen zyn: Ignatius^ Johannes , Salomon en Elifh' 

Het Groenlandfche Doop-formulier luidt dus : N. N. 
Koiaukit Atatdh Niarnahlo Annerner^ uhlo Ajunginnerum 
Akkanut , Jefuh Tokkoanut: dat is: Ik doop u in den na- 
me des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geeftes, in 
lefus dood. . . 

Zo voor- als na den middag bezogt ik m alle tenten , 
waar van 'er toen omtrent veertig waren , daarna werdt nog 
metzommigen gefproken, die gifteren avond eerft aange- 
komen waren. 

Ook hield ik 's namiddags de Predikatie , die , zo als ge- 
wonelyk, van voorftel tot voorftel, door Broeder Job an 
Bek vertaald werdt. Ik verhaalde de gefchichte van Joan- 
fies den Doper ^ en voor al hoe hy het Lam Gods, dat de 
zonden der wereld weg draagt, aangewezen had. Ten be- 
fluite werden drie leerlingen met den kus des vredes in het 
getal der genen, die eerlang ftonden gedoopt te worden , 
aangenomen, en in een gebed der kragtdadige toeberei- 
dinge des heiligen Geefts tot den doop aanbevolen. 

Kort daarna vergaderde de ganfche Gemeente tot het 
liefde-maal, waartoe wy het brood uit Kopenhagen mede 
cebragt hadden. 'Er werdt veel gefproken van onze reis, 
van de Gemeenten in Europa , en onder de heidenen in Zuid- 
en Noord'America enz. Ver- 



Cefch. van Wieuw-lËermhöt. 145^; i§ 

Vervolgens hield ik voor de Avondmaals- leden ene 
uitvoerige leer-reden over het heilig Avondmaal. 

Omtrent zeven uren was de gewone avond-vergadering^ 
in dezelve werdt van de vreugde gefproken , door welke 
Joannes reeds in de buik zyner moeder over het kinde- 
ken Jefus bewogen werdt. Hiervan maakte ik ene toepas» 
ling op onze kinderen, en op onze harten in 't alge- 
meen. 

Eindelyk hielden wy het riiaal des Heren én ten bë- 
fluite werden agt Broeders en twaalf Zufters beveiligt tet 
geoietinge van het naafte Avondmaal. 

Hoe \ my by dit eerfte Avondmaal met dé Groen- 
landfche Gemeente geweeft zy , kan ik niet befchryven. 

Den ^5ften,zynde zondag, werden de vergaderingen zo 
als gewonelyk gehouden. Alleenlyk werdt , in ftede van de 
kinder- vergadering, een gezegend liefde-maai gehouden niêt 
alle onze gedoopte kinderen , die een getal uitmaakten van 
vier en veertig jongens en vier en dartig meisjes. Wy Ka- 
techizeerden ze , en zy antwoordden viy wel. Ik verhaal- 
de hen wat van de kinderen aan de over-zyde van het gra- 
te water , en liet elk zynen naam zeggen. Vervolgens brag- 
ten de moeders hare zuigelingen op de armen , en kreged 
ook haar deel van 't iiefde»maal van giftereft. Van dezen 
waren 'er fes en twintig. Ik begon ene afzonderlyke ver- 
gadering met dezelven, die men in 't vervolg voortzetten 
zal, en in welke voor de kinderen ettelyke vaarfen zulleiï 
gezongen, als mede een woord van vermaning aan de moe- 
ders gefproken worden. Ik kufte en zegende deze kinder- 
kens^ Zy waren by deze gelegenheid zo ftil en Éoer^ als 
Engelen. 'C^) De predikatie hield ik over de woorden: 
Maareen der krygÈkmchteh'doorfiak zyne zydemet een [peer 5 
en terftont kwam daar hloed en water uit. De zaal was ' zo 
vol van Groenlanderen , dat 'er geen enkel plaatsje over 
was. 

In de Liturgie der gcdoopten , werdt uit de Litany van 
het leven , lyden en fterven d.^s Heren Jefus gezongen , en 
ten befluite badt de Gemeente knielende. Vervolgens na- 

meiï 

(*) 't Is eiie ongemene vreugde 5 zulk een hoopje van kleine 
Groenhndfche kinderkens te zien , en men heeft vele aangename 
voorbeelden, van hoe zig de Heer een lof uit den mond des 
jonge kinderen en zuigelingen toebereide- 
B i^ 



E 



M 



20 Groenlandfche Hiftorie VIII. B, 

men wy van de meeden , die nu weer voor enige dagen 
ten behoeve van hunnen onderhoud vertrekken moeten , 
een hartelyk atïcheid. Onze Broeders merken het ais iet 
buitengewoons aan, dat ons geheel volk in deze dagen 
by een is gekomen , en dat ook niet een der Avondmaals- 
leden agter gebleven is, terwyl zulks in den zomer zeer 
bezwaarlykgefchiedenkan, alzo het dan detydis,in welken 
zy zig voor het ganfche jaar verzorgen moeten , zynde 
de zomer alhier zeer kort* Daarentegen zyn ze des win- 
ters meer, en de Zufters genoegfaam altoos , te huis. 

Heden vonden wy goed de woorden Communie en Com^ 
tnunicant in de Groenlandfche taal over te nemen, om dat 
de omfchryving, van welke men zig tot hiertoe in de ver- 
talingder gemelde woorden bediend had,onvoegraarawas9 
en by de genen , die nog niet tot het Avondmaal konden 
toegelaten worden , vele verwarring veroorzaakte. Ook 
parten de gemelde twe woorden in de buiging der taal 
zeer wel. 

Behalvcn de gewone bezigheden fpraken wy den isóften 
niet verfcheidene Zuidlanders , waarvan 'er enige boten 
vol in onze buurt gekomen zyn. Den a/ften fpraken wy 
met eenen ouden man , dietwederly vel had, te weten brui- 
ne en witte (Irepen over het ganfche lighaam ; ook was 'er 
een Groenlander van de ooft-zyde , die ons van de land- 
ftreek aldaar veel verhaalde. Zyne landfpraak verfcbilde 
van die , welke hier gefproken wordt , en hy kon onze Broe- 
ders niet ten vollen verftaan. Des moeden ze enige Groen- 
landers uit het zuiden te hulp nemen, die van den Hei- 
land met hem fpraken. 's Namiddags ging ik een ftuk 
ooftwaarts over verfcheidene bergen en valleyèn tot op 
den zogenaamden Rypen-berg^ waar onze Broeders des win- 
ters vele Patryzen tot hun voedfel krygen , doch niet zon- 
der grote moeite en gevaar. 

Den aSften begonnen zy turf te deken ; dit en het hout 
zoeken behoren onder de moeijelykde bezigheden , die zy 
in den zomer hebben. In de eerde jaren hadden ze, den turf 
na by hun huis. Tans moeten zy denzelven ene myl en 
nog verder halen. Ik voer met hen. Wy vonden ook 
wat hout, en kwamen 's avonds weer te huis. 

Den aQden fpraken wy na de vroeg- vergadering met 
enige vremde Groenlanderen , waar van 'er in deze dagen 
velen aangekomen zyn. Na dat wy een uur lang met hen 
gefproken hadden, begon onze Groenlander Andreas hen 

zulk 



Gefch. van Nieuw-Herrhut. 1752. ar 

zulk ene Evangelifche en grondige Predikatie te houden, 
dat ik, na my dezelve ftilletjes door onze Broeders van 
woord tot woord te hebben laten vertalen , dermaten be- 
wogen werd, dat ik my niet van tranen onthouden kon. 
Hy fprak van onzes Scheppers menfchwordinge , lyden, 
fterven en liefde tot hen, zo gevoelig, in zulken zamen- 
hang,en zo gepaft naar de begrippen der onkundige Groen- 
landeren , als ik het noit had kunnen verwagten , en ik 
wenfchtewel, dat velen in Europa^ die met onkundigen 
te fpreken hebben , zulke gaven bezaten. 

De weduwe Louife^ die een geruimen tyd van de me- 
laatsheid gekwelt geweeft is, ging zalig uit den tyd, en het 
huis haars aardfchen tabernakels werdt heden begraven. 
De ganfche Gemeente vergaderde ten dien einde op de zaal. 
Ik hield de lyk-reden , en fprak van het verlangen der ge- 
lovigen , om ontbonden te worden en met Kriilus te zyn. 
Daarna werdt het lyk door vier Broeder-s uitgedragen. De 
Groenlanders hielden ene vry goede orde, volgden ge- 
paart, en fchaarden zig in een kring rondom de begraaf- 
plaats. 

De zalige Loutfe was reeds voor haar doop door de me- 
laatsheid aangetaft, met welke meer Groenlanders gekwelt 
zyn. Zy was in 't voorleden jaar gedoopt, en werdt na- 
derhand in zo verre herfteld, dat ze in de vergaderingen 
komen kon, 't welk haar gene geringe vreugde veroor- 
zaakte. Onder hare hevige en langdurige fmarten had zy 
zig getroofl met de fmarten, die de Heiland voor ons heeft 
uitgedaan , en hare ontbinding reeds een geruimen tyd 
met een blymoedig hart en innig verlangen te gemoqt ge- 
zien, 

Den soften voeren wy met onze en elf Groenlandfche 
boten uit, om den turf af te halen. Wy zogten ook naar 
hout en eyeren , die in dezen tyd geen gering gedeelte 
van de levens-middelen onzer Broederen uitmaken. / 

Den iften July voeren zy weer met negen vrouwe boten 
uit, om turf te halen. Henoch en Abraham , die voor eni- 
ge dagen door den koopman naar Friederichshaah gezonden 
waren , om op de gemelde volkplanting de tyding te bren- 
gen , dat hun fchip hier aangekomen was , kwamen in 
hunne Kajaken gelukkig te huis. Heden en gifteren zyn 
hier tien boten van Zuidlandets aangekomen, die naar 't 
noorden willen. \ Is in der daad geiie geringe zaak , dat 
B 3 2^ 



r 




w^- 



Groeiilandfche Hiflorie 



VIIL B. 



ze hier gewoiielyk ene wyl uitruilen , en ons dus gelegen- 
heid verfchafFeng om hen het Evangelie te prediken. 

Den i2den July , zynde zondag, was de Predikatie over 
de woorden : Ziende op den over ft en hidsmafi en voleinder 
des geleofs Jefus. 'Er waren vele vremde . Zuidlanders 
onder het gehoor. In ene leer- reden voor de Avondmaals- 
leden over de woorden : Want zo dikwils als gy dit brood 
zult eten^ en dezen drinkbeker zult drinken , zo verkon- 
digt df.n dood des Heren '^ tot dat hy komtr^ werdt ook ge- 
fproken van de vrugt der verkeringe met de arme Zuidlan- 
ders? waarvan 'er tans zo velen op een bezoek hier zyn^ 
pn van de verkondiging van 't Evangelie aan dezelyen. 

Den 3den haalden de Broeders het overige van hunnen 
voorraad, dat nog in 't fchip gebleven was, van boord- 
Het landen en lofïen by de klippen , waar de ftroom ge- 
wonelyk zeer fterk is , is een gevaarlyke arbeid. Ook be- 
gonnen ze den turf, die meer dan twintig boten vol uit- 
liiaaktj klein te maken, en op de rotfen te drogen. 

Dewyl ik gaarn de levens-wyze en andere omüandigher 
den van Groenland^ voor zo verre die in de nabyheid kon- 
den befchouwd worden , wilde leren kennen, en ook ge- 
ïioegfaam alle onze Groenlanders in deze dagen op de ne- 
ring uit waren ^ zo voer ik den 4den met enige Broeders 
siaar de KoheFiorde. Aldaar bezagen wy het riviertje , 
wa^r de Salm gevangen wordt , en gingen tufTchen de ber- 
gen op de hoogte , tot dat wy de Amaralik-Fiorde zien kon- 
dep. Wy {liepen des nagts in ene Groenlandfche ten- 
te. Dezelven zyn veel gemakkelyker en beter ingericht , 
^an die in de Boffchen van Penfylvanien gebruikt wor- 
den. 

Den 5den gingen wy linkswaards over de bergen, tot 
^at wy den arm van Bals -rivier zien konden, die naar 
Fijjikjarbik loopt. Wy zagen ook de KoohFiorde en aan 
alle kanten pntelbare met iheuw bedekte bergen en ys- 
velden. 

Den oden 's morgens te een uur roeiden wy weer te rijg 
pn kwamen te negen uren te huis. 

Den 7den werdt een dogtertje van den M\^\QiV\m^ Böbnifch 
gedoopt en Agnes genaamd» De grootmoeder van het 
kind, die tevens vroed- vrouw is , bragt het in de zaal , 
e^^t Groenlanderin yuditb hieldt het ten doop. Daarna 
^ezogtea wy enige zipken^ als mede de yremden Groen- 

lan- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1752. 



?3 



hiideren en vonden in ettelyke tenten opene oren. Hunne 
vrasen en uittingen waren zeer eenvoudig, en hun aait 
over 't geheel was ganfch niet ongefchikt tot het Koning- 
Tvk Gods. 's Avonds fprak ik over het woord van 
dien dag: En ik zal menfchen op u vermenigvuldigen ^m. 
Ezecb. XXXVI: 10. In deze vergadering waren ook ve- 
le vremden tegenwoordig. In de Conferentie van heden 
werdt^ehandeld vandenmaandelykfen Gemente-dag, van 
het vieren van den zondag, zowel in den zomer als des win- 
ters, van de aanneminge tot leden der gemeente, vanden 
doop, van de nodige voorzigtigheid by 't winnen der on- 
gelovigen enz. ^ . ^ . 

Den 8ften bragt Boas hetlyk vanzyn dogtertje, dat m 
de Kookörnen drie mylen van hier overleden was , om het 
by de gelovigen te begraven. Ik hield de lyk- reden, en 
fprak van de zaligheid der kinderen, die in het bloed van 
lefus gewaffchen voor den Throon des Lams in witte kle- 
deren wandelen. Daarna fpraken wy met de gedoopten, 
die nog niet tot het Avondmaal toegelaten zyn, want 'er 
was reeds een menigte volks tot den morgenden Gemeente- 
dag aangekomen. 

ben oden, zynde Zondag, kwamen nog vroeg ettelyke 
boten vol te huis. Te negen uren hield ik ene leer-reden 
van de gemeenfchap van het volk des Heren in de ganiclie 
wereld, en van het oogmerk der gemeence'dagen._ Ver- 
volgens werden vertaalde brieven van de Indianen in Noord 
America voorgelezen. In het twede én derde deel van 
den Gemeente-dag werdt een dag-verhaal van de Indianen 
te Gnadenhutten in Penfylvanien gelezen en tevens ver- 
taald , 't welk ik door vele mondelinge berigten ophelder- 
de , die den Groenlanderen aangenaam waren. Tuüchea 
het twede en derde deel werden de ongetrouwde Broeders 
en aankomende jongelingen na ene korte aanfpraak in hun- 
ne Claffen verdeeld , en vervolgens onder ene byzondere 
kragtige betoninge des Geeftes gepredikt over de woorden: 
Om dat gy bet woord myner lydfaambeid hewaerd beht ^ 
enz; vervolgens werdt ook aan de ongetrouwde Zuders 
en aankomende jonge dogters derzelver Claffen bekend 
gemaakt. Na het derde deel werden twe jongehngen ge- 
doopt. En daarna vergaderde de Gemeente tot hare Zon- 
di^g^-Liturgie-, in welke heden, om dat het tevens een Ge- 
nieente-dag was, het volgende voorkwam, i.) Hield ik 
ene leer-reden over de woorden : Zp zeer begerig na d$, 

B4 ^ ^^^^* 



w 



GroenJandfche Hiftorie 



VIII. B. 



m^» 



':'Ji-i 



^io;^ 



M' 



redelyke onvervalfchte melk en^. In welke ik vooral de sie- 
.doopten, die nog ^rene Avondmaals- leden zyn, hartelvk 
bad, Gat zy zïg toch met ene innip:e begeerte bedienen zou- 
dpn van het voedfel, dat hen onder de Predikinpe van het 
Evangehedopr den heiligen Geeft, als ene onvervalfchte 
pielk aangeboden werdt , ten einde hunnen inwendigen 
jnenfch daardoor te voeden, tct dat zy door den heiligen 
Geeft zouden toebereid zyn , om , in het heilige Sacra- 
went^ ét^ lighaams en des bloeds van den Here lefus deel- 
achtig te worden. Deze erinnering was nodig, alzo velen, 
|die 'er nog met bekwaam toe zyn , ontydig om het Avond- 
maal gedagt hadden. ^. ) Werdt bekend gemaakt, dat 'er 
dagelyks een morgen-gebed voor alle gedoopten zoude ge- 
iiöuden worden, doch dat de avond-Z/V«r^/V niet dan voor 
de Avondmaals-leden zyn zoude. 3.) Werdt onze geheft 
de Broeder Johan Sörenfen na ene korte reden voering, in 
welke ik den Groenlanderen de kerkelyke bedienino-en over- 
genkomftig hunne vatbaarheid verklaarde, tot Diaken der 
Broeder-kerk ingewyd en tevens ingezegend ter waarne- 
mmge van de huishoudelyke zaken. 4.) Werdt gemeld 
dat wy in 't vervolg onze Groenlandfche Broeders, die de 
Heiland daartoe belavaam had gemaakt, meer dan tot hier- 
toe gefchied was , in het houden der vergaderingen als 
pnze mede-helpers gebruiken wilden. Eindelyk werdt nog 
een ftuk uit dé Lltanj gebeden, en hiermede deze dag des 
Heren , een voor de Groenlanders byzonder gezeoende 
dag, befloteh. ^ ^ 

' Den loden July hielden wy, behalven de gewone lio-- 
iiamelyke en geeftelyke verrichtingen , ene zamenfpraak 
pet ettelyke vremde Groenlanders. En dewyl men van 
deze heden de eerfte narigt van de Ooft-kuft, of van 
ïiet zogenaamde oude verlorene Groenland , kreeg , zo 
l^ragt ik den inhoud van hun verhaal in gefchrifte (*S. 

Den uden July voer ik met enige Broeders twe mylen 
tan de andere ^yde van Bals-rivier naar Kannetfin. 't Is 
eèii ftuk van 't vafteland , dat niet zulke grote bergen heeft 
maar flegts rotOge heuvelen , en tuftchen dezclven u^tge- 
ftrekte vlaktens met beken, binnen -wateren en fchone 
grgsryke plaatfen , zo dat het zig in den zomer regt aange- 
naam 

f* ) Dexelve is reeds in het vierde boek §. 10. mede ^re. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut, 1752. 25 

-ïiaam en vrugtbaar vertoont. Doch in dezen tyd van 't 
jaar is 'er ene zo yfielyke menigte van Moskiten^ of grote 
inuggen, dat het ten dien opzigte hier veel erger is, dan 
in St, Thomas en in de Jerfeys aan de Delaware. In deze 
ftreek hadden onze Broeders in vroegere jaren de befte 
jagt van rendieren : maar na dat de Groenlanders zo vele 
fnaphanen bekomen hebben , is deze jagt alomme derma- 
ten verminderd , dat een rendier tans iet zeldfaams is. 
Op de gemelde plaats is ook ene ryke Salm-vangft, zo 
dat de Broeders dikwerf in enen trek vier tot fes hon- 
derd kleine Salmen (ene foort van Forellen) gevangen 
hebben. Hier vonden wy ook ettelyken onzer Groenlan- 
deren. 

Den i3den July werdt het lyk van de ongetrouwde Zus- 
ter Maecba uit den Zond herwaards gebragt en begraven. 
Zy was met haar broeder Laban in 't jaar 1747. t>y de 
Broeders gekomen, in 't jaar 1750. gedoopt, en by 't 
laatfte Avondmaal beveftigd , om het eerft volgende Avond- 
maal mede te genieten* Den laatftledenen zondag woonde 
ze hier nog alle vergaderingen by. Op de terug reis 
klaagde zeoverhoofd-pyn,en zeide, dat zynaar alle gedag- 
ten zoude henen gaan , 't geen zy met vreugde te gemoet 
zag, Zy verloor ten eerften de fpraak, en hare ziel ging 
over tot de Gemeente, die boven is. 

\x\ de Conferentie op den i5den July werdt van de Groen7 
landfche mede-arbeiders gefproken. ik ben van begrip 
dat 'er te weinige aangefteld worden. 

Zondag den lóden hielden wy , behal ven de gewone 
vergaderingen, tot welke de Groenlanders by menigte ge- 
komen waren, voor 't eerft enezamenfpraak metdeGroen- 
landfche mede- arbeiders. 'Er waren elf Broeders en twaalf 
Zufters. Wy maakten hen het oogmerk dezer byeenkomft 
bekend, en tevens waartoe zy geroepen en verplicht wer- 
den, ^y verkregen binnen kort ene gewenfchte bedreven* 
heid, en maakten alïerly nuttige aanmerkingen en erinne- 
ringen, waaruit men «ag, dat zy zeer wel in hun beroep 
paffen. De Predikatie was over de woorden: Hei bloed 
der befprenginge [preekt beter dingen dan dat van AbeL 
Vervolgens werden drie paar aan eikander verloofd, inde 
Litany gemeld , en in de gedagtenis der Gemeente bevo- 
len, Daarnji werdt het aanftaande Avondmaal aan de Avond- 
aiaal^Jeden bekend gemaakt. 

Den 1 7d?n lieten wy onzen Matt'bm^ K^jarnak voor het 
■ ' ^ B 5 * " eer- 




26 



Groenlandfche Hiftorie 



VUL B. 



m. 



eerfte maal de vroeg vergadering houden. Hy fprak har- 
telyk , nadrukkelyk en grondig. 

Den i8den deed ik weer een togtje, ten einde het land 
hierom ftreeks te bezien. Eerft zeilden wy twe mylcn 
tot aan Kangek. Dit is het uiterfte land zeewaards, waar 
menigmaal ettelykc honderden van Groenlanders des win- 
ters wonen ; het zyn merendeels Zuidlanders , die vlytig 
door de Broeders bezogt worden : en by deze gelegenheid 
heeft de Heiland :^eer velen van hen tot een loon van zy- 
nen arbeid en bitter lyden gekregen ; gelyk 'er ook van al- 
le tans te Nieuw-Herrnhut wonende Groenlandfche huis- 
gezinnen weinig of gene zyn, die niet ten minden enen 
winter aldaar gewoond hebben , en 'er door de Predikinge 
van 't Evangelie zyn opgewekt geworden. Ik telde veer- 
tien grote Groenlandfche winter-huizen. Wy namen wat 
hout, dat de Broeders van de vertrekkende Groenlanders 
gekogt hebben, in ons vaartuig, en roeiden langs het land 
heen , tot aan het Hoop- of Baahelland^ waar de Volk- 
planting Godhaah van 't jaar 1721. tot 1729. geftaan heeft, 
en kwamen door den Neplfet-Zond terug. Dit is ene nauwte 
of een eng zee- gat ^ dat tuffen het vafte land en de eilan- 
den loopt, waar de ftroom van beide kanten indringt, en 
door derzelver fnelheid vele zee-honden invoert. Daar- 
enboven is het aldaar zo ondiep , dat men genoegfaam al- 
ommeden grond zien kan, zo dat het tefFens voor de vis- 
fchery zeer bekwaam is. Uit dien hoofde houden zig hier 
, ook des zomers en in den herfft zeer vele Groenlanders 
op, en men heeft opgemerkt, dat de zeehond- vangft in den 
Zond veel gezegender en bekwamer geworden is , na dat 
zig zo vele Groenlanders in die rivier met 'er woon neer 
gezet hebben, dan dezelve ecrtyds geweeft is. Wy be- 
zogten twe zieke Groenlanders , en kwamen 's avonds te 
elf uren te huis, na ten minden zes mylen gevaren te 
zyn. 

Den igden en iibften hadden onze Broeders met den turf 
te doen. ' . 

Den aiften July begonnen de Groenlanders reeds tegen 
den Zondag te vergaderen. Uit de Kookörnen kwamen 
drie en uit den Zond vyf boten. De laatften bragten het 
iyk van den jongeling Koenraad mede. Hy was den G^m. 
January dezes jaars gedoopt. Ene ziekte in 't hoofd, in 
welke by tot vreugde van alle gelovigen, die by hem wa- 
ren , van den Heiland gefproken heeft , baande den weg 

tot 




Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1752. s/ 

tot zyne voleindinge. De lyk-reden was over zyn bemind 
yaarsje: 

Des Heeren bloed-gerechtiglieid 
is 't bruilofts-kleel, voor my bereid^ , 
Daarin ik wil voor God beftaan , 
Als ik ten hemel in zal gaan. 

's Avonds werdt aan de Avondmaals-Ieden bekend ge^ 
maakt, dat morgen het Avondmaal zal gehouden worden^ 
en tevens ene daarop toppalTelyke en gezegende rede-^ 
voering gehouden. 

Den aaften Ipraken wy nog eens met hen , die deze reis 
tot, het Avondmaal Honden toegelaten te worden, en ga- 
ven hen te kennen, wat de Heiland hen heden voor ene 
grote genade toegedagt had. Zy weenden van vreugde. 
By het liefde-maal zag ik alle Avondmaals-iedcn een voor 
een , en fprak zommigeh van hen kortelyk aan. Nader- 
hand werdt het lyk van de zalige zufter Regina^hmswrouw 
van Nathan^ die eerft den ailten November laatftledea 
gedoopt en na dien tyd ongeiloord in de genade voortge-» 
gaan was, begraven. Vervolgens werdt den Avondmaals- 
leden de vergevinge der zonden verkondigd en eindelyk het 
Avondmaal toegediend. Twintig leden, die by het hand- 
leden Avondmaal de beveiliging ontvangen hadden , ge- 
noten het voor 't eerfte maal, en werden ten dien einde 
met oplegginge der handen ingezegend , en tien perfonen 
ontvingen den kus des vredes , ter verzekering , dat zy 
by \ aanftaande Avondmaal deelgenoten van het zelve zyn 
zouden. By twe zieken werdt hun aandeel in de tente ge- 
bragt. Onze harten fmolten en de ogen weenden : en de- 
wyl my n vertrek nadert, gevoelde ik zulk ene aankleving 
aan de Groenlandfche Gemeente, met welke ik tans twe- 
maal Avondmaal gehouden heb , dat ik het niet uitdruk- 
ken kan. 

Zondag , den asften July , werdt in het Groenlandfch 
morgen-gebed uit de Litanj van het leven en lyden des 
Heilands gezongen. Daarna badden wy een gezegend ge- 
fprek met onze Groenlandfche mede- arbeiders, en bevalea 
hen het opzigt op ons volk, wanneer het zelve van huis 
is. De Broeders werden in 't byzonder belaft, alle avon- 
den ene vergadering in hunne tenten te houden 5 en 'er 
'""'■ "■ ■■ niee 



E 



r->4' 



^8 Groenlandfche Hidorie VUL B. 

niet alleen onze Groenlanders , maar ook de heidenen , 
wanneer zy komen wilden, toe te laten. Zy namen zulks 
gewillig en met ootmoed aan. Vervolgens hielden wv de 
koor-vergaderingen in de gewone orde. Voor het koor 
der getrouwden hield ik ene trouw-reden, en na een ^e- 
bed werden drie paar door Stach , Bek en Bönifcb in di^n 
egt verbonden ; van deze lieden hebben wy ene georonde 
hoop, dat ze den Heiland en ons tot ene ware vreugde 
verftrekken zullen. Het koor der getrouwden is hier het 
voornaamfte, en heeft de beft gegronde lieden. Hét be^ 
ftaat tans uit agt en veertig paar. Van weduwenaren zvn 
er llegtstwe, maar over veertig weduwen. Onder dezen 
zyn vele welgeftelde zielen, maar ook zommigen, die wei- 
nig grond hebben, en nog met allerly overblyffelen van 
het wilde wezen befmet zyn : men heeft egter reden te ho- 
pen , dat zy eindelykop de verdienden des Heilands , 
M^aardoor hare harten doch ingenomen zyn , zalig zullen 
uit den tyd gaan. Het koor der ongetrouwde Zufters be- 
Itaat ook uit meer dan veertig perfonen. Deze zyn van 
zulk eenen werkzamen , levendigen en onbevreesden aart, 
dat men in den eerden opflag denken zoude, dit zou beter 
voor mans-perfonen paffen. Doch dit heeft zynen grond 
m harelevenswyze, alzo zy allerly arbeid verrigten moe- 
ten , die in andere landen niet dan van mannen gevem 
worden, by voorbeeld: roeijen, zware laften dragen, hul- 
zen bouwen enz. Zy zyn ook zeer bekwaam om van de 
waarheid by wilde vrouwen te getuigen , dus hebben zv 
reeds vele wilde vrouwen en door deze ook hunne man- 
nen gewonnen. Van ongetrouwde Broeders zyn 'er om- 
trent dartig, waarvan 'er niet meer dan twaalf volwaffèn 
zyn. Onder dezen zyn 'er beveiligde perfonen. 

Na de Predikatie over de woorden : Q'^ zult mme mui- 
gen zyn'^ werdt ene vrouw en een jongeling gedoopt , daar- 
na werdr ene weduwe onder de genen, die eerlang gedoopt 
Itaan te worden, aangenomen. ïn de vergadering der ge- 
trouwden ontvingen, volgens ene door de Broeders eer- 
tyds reeds aangenomene loffelyke gewoonte , vyf paar 
Groenlandfche egte-lieden , den kerkelyken zegen tot der- 
zelver voor hunnen doop reeds aangegaan huwelyk. 

■^^^"/;'^^^^" hielden de drie gifteren getrouwde Broeders 
een atlcncids liefde-maal met de ongetrouwde Broeders 
en de drie Zufters deden het zelve met de haren. In eno 

huis-! 



Gefclh van Nieuw-Herrnhut. 1752. 29 

huishoudclyke ConfenrJie werdt aangetekend , 't geen on- 
ze Broeders en Zullers alhier voor 't aanftaande jaar uit 
Europa nodis hadden. , , . ^ , 

Den a5ften kwam onze Groenlandenn Tabea met twe 
koopHeden uit het Noorden terug. Haar man heeft haar 
reeds voor een geruimen tyd verftoten, en zy had tans ene 
reis gedaan, om haren zoon te halen , nademaal hy , gelyk 
alle kinderen , volgens ene oude en ftandvaftige gewoonte 
der Groenlanderen, aan de moeder behoort: zy had haar 
oogmerk gelukkig bereikt. 

bewyl het den boften , na enige dagen geregend te heb- 
ben, goed weder icheen te zullen worden, zo voeren ve- 
le Groenlanders naar de plaatfen hunner neringe. Tot hier- 
toe hadden wy wekelyks ten minden eenmaal fneuw ge-, 
had , en zulk ene koude , dat men een pels zeer wel ver- 
dragen kon. De vroeg- vergadering werdt weer door enen 
Groenlandfchen mede-arbeider gehouden. De Groenlan- 
landers zien gaarn, dat Broeders uit hun volk nu en dan 
ene vergadering houden. 

Den iBften voeren de Broeders uit, om hout te zoeken. 
Na de avond- vergadering hadden wy Conferentie met de 
Groenlandfche mede arbeiders, in welke ons zommige Broe- 
ders, die deze dagen naar buiten geweeft waren , verhaal- 
den, hoe 't met de aldaar gehoudene vergaderingen gegaan 
zy, hoewel zy't hadden, wanneer zy dus voor den Hei- 
land by een kwamen, en dat 'er ook verfcheide vremden 
tegenwoordig geweeft waren. 

Den soften, zynde Zondag, konden de koor-vergaderin- ^ 
gen wegens den fterken regen niet gehouden worden. Ik ' 
hield derhalven ene algemene leer-reden van het eigenaar- 
dig merkteken der byzondere koren , en hoe zig elk der- 
zelven de namen , die den Heiland in de heilige Schrift 
toegevoegd worden , by voorbeeld: Vrlnd^ Broeder ^ Br ui- 
degom , Man enz. kon te nut maken. In de Predikatie 
werdt van het gefprek gehandeld , dat Mofes en Elias 
met den Heiland over deszelfs lyden gehouden hebben. 
Den giften en enige volgende dagen befteedde ik myne 
ledige uren aan het doorlopen van het Groenlandfche Ge- 
zang-boek , ten welken einde ik my eiken regel van woord 
tot woord licc vertalen, om te zien, of de zin wel getroffen 
zy. De Deenfche, Katechifeerder Berthel Larfen^ die in 
de taal ene byzondere bedrevenheid verkregen heeft, was, 
zo veel het zyne bezigheden toelieten , by dezen arbeid 

te- 



E 



go 



Groenlandfche Hirtorie 



vm. B. 



iv^ 



tegenwoordig , 'er werden verfcheide verbeteringen p;e. 
maakt. 

Den iflen Auguftus fclireven ettelyken onzer Groenlan- 
deren naar Europa. Zomraigen fchreven eigenhandig , an- 
deren zeiden 't geen zy wilden gefchreven hebben^ en lie- 
ten het in 't Hoogduitfch vertalen. Het opftel van myne 
vjfitatie en verrichtingen alhier , 't welk onze Diiitfche 
Broeders van my verzogt hadden ^werdt in ene Conferentie 
voorgelezen , en vele ophelderingen 'er by gevoegt. 

Den aden nam ik vriendelyk aiïcheid op de volkplanting. 
Daarna hield ik niet onze Duitfche Broeders en Zufters 
het affcheids liefde-maaU Wy hadden een aangenaam ge- 
fprek van *s Heilands goedertierene oogmerken nopens 
Groenland. En dewyl wy zedert enige dagen met zeer vele 
Zuidlanders gefproken hebben , zo kwamen wy op de ge- 
dagten, of het niet noodzakelyk zy, ene zending verder 
naar 't Zuiden*, of zelfs naar de Ooft-kuft aan te lee;. 
gen. (*). ^ 

Den sden werden onze zaken aan b(Dord gebragt. Tot 
hiertoe waren weinig Groenlanders te huis geweelt, doch 
tans begonnen ze weer allengskens tot den Zondag en te- 
vens tot den Gemeente-dag te vergaderen. 

Den 5den hadden wy een bezoek van zommige kooplie- 
den 9 die ons een verhaal deden van verfcheidene wreed- 
heden , door de Groenlanders in 't Noorden gepleegd. On- 
der anderen is de bekende Angekok en moordenaar Tetta- 
^^/^doorzyne eigene bloed -verwanten vermoord. Deze 
man werdt in 't jaar 1746, wanneer Bek en Sorenfen^tgt- 
vaarlyke reis in hun boot uit het Noorden naar Nieuw 
Herrnhut deden , door het getuigenis van den Heiland ge- 
troffen: hy verzelde ze als loots , en deedt hen by de wil- 
de en moordzieke Groenlanderen vele dienden. Het vol- 
gende jaar trok hy met meer huisgezinnen, die op de ge- 
melde reis door het Evangelie gewonnen waren , naar de 
Broeders , en was dikwerf zeer aangedaan. Dan nademaal 

'er 

(*) Dit waren goede wcnfclien , dpia de/iderta') waartoe men 
toen nog geen weg of middel zag. En geen menfch zou toen 
geloofd hebben, dat IS^attham Stach , fes jaren daarna, ene nieu- 
we zending twintig mylen Zuidwaards (ligten zoude , en dezelve 
binnen vier jaren zo ver brengen , als Nieuzv Herrnhut in de eer- 
ften veertien jaren. 



Gefch. van Nieiiw-Herrnhut. 1752. gr 

'er hier omftreeks op zyn leven toegelegd werdt \ ver- 
trok liy 9 begon zyn vorig handwerk weer te oeffenen, en 
kreeo- zynen verdienden loon. (*) In de Groenlandfche 
Con fif entte :> heden gehouden , gaven ons de mede-arbeiders 
een uitvoerig berigt van de gefteldheid des lands in 't zui- 
den. Onze Groenlanders zyn genoegfaam alle daar van 
daan. Onze eerllelingo de z^Wgt Samuel Kajamak ^ keeft 
door deszelfs bezoek na zynen doop tufichen drie en vier 
honderd zielen naar zig getrokken , die allen hun vader- 
land verlaten hebben en tans in Nieuw- Her rnhut wonen. 
Niet te min geven zy dikwerf hun wenfch en verlangen te 
kennen, dat de Broeders ook naar hun land met het Evan- 
gelie komen mogten ^ alzo daar nog vele onkundige heide- 
nen zyn, die aan 't Evangelie zouden gehoorzaam worden^ 
en dewyl in ganfch Groenland nergens zo vele menfchen 
wonen als daarom ftreeks. 

Den 6den Auguftus was de laatfte Zondag, dien ik ia 
Groenland vieren kon , en tevens de maandelykfe Gemeen- 
te-dag. Onze Groenlanders waren byna allen tegenwoor- 
dig. Wy lazen narigten uit St. Thomas. Ten befluite van 
de predikatie beval ik de Groenlandfche Gemeente, en het 
ganfche volk dezes lands, in een gebed aan hunnen Schep- 
per en Verloffer. Ene weduwe en ene jonge dogter wer- 
den gedoopt, en voor het overige alles zo gehouden als 
op de Gemeente-dagen gewonelyk gefchied. In de Litany 
•werdt by de woorden : „ Over uwe getuigen en gezanten 
te land en ter zee uwe ogen houden " enz. ons aanllaand 
vertrek in het gebed der Gemeente bevolen. Dit veroor- 
zaakte een ganfch byzonder zugten onder onze Groenlan- 
ders. Vervolgens ontvingen drie paar egte4ieden , die 
voor derzelver doop in het huwelyk getreden waren , den 
kerkelyken zegen* 

Den 7den Auguftus werdt de Kerk-hof volgens myn ont- 
werp in betere orde gebragt,ende graven werden met aarde 
en zoden belegt. Ik was 'er ene wyl tegenwoordig, en de 
Groenlandfche zufters (want de mannen doen in 't geheel 
geen land-arbeid en hebben 'er ook gene gefchiktheid toe) 
arbeidden zo y verig , en met zo veel blydfchap , dat het ene 

vreug- 

(*) Zyne kinderen, die gedurende deszelfs verblyf alluei% 
grondiglyk opgewekt werden , zyn allengskeiis by de gelovigen 
teruggekomen en bekleven. 



S2 



Groenlandfche Hiflorie 



VlII. Bw 






ii 






vreugde was aan te zien. Zv hadden tevens zeer aan- 
gename gefprekken van het ontflapen en de opftandm^e ^ 
daar anders de vreze voor den dood, en de afkeer vaneen 
graf onder de Groenlanders zo- groot is, als ergens onder 
enig ander volk. Ik deed nog eens een bezoek op de volk- 
planting, en nnm affcheid van den Miffionaris en den Koop- 
man, met verzoek, dat zy dezelve vriendfchap, die ze mv 
getoond hadden, ook met myne Broeders, die hier blv. 
veil, wilden onderhouden, en niets tot een aanftoot vooi^ 
de Groenlanders laten opkomen. 

^ Den 8den was ik , gelyk enige dagen herwaards , met 
kies-pyn gekwelt. Dit is het enigfte geweeft, dat ik in 
deze ruwe lugtflreek geleden heb. Wy fpraken met drie 
vremde Groenlanderen , die geopende oren hadden. Twe 
van hen hadden in den Zond ene redenvoering van eenen 
Groenlandfchen mede-arbeider bygewoond , en kwamen 
herwaards, om nog meer te horen. De derde , die een 
hupfch ongetrouwd jongman was , verzogt, hier te moaeii 
wonen. ^ 

Den 9denkon hetfchip, dat reeds lang klaar lag om te 
vertrekken , wegens tegen wind niet uitlopen. Dus ver- 
volgden wy den arbeid aan het gezang-boek , waarmede 
wy heden ten emde kwamen. Het beftaat tans uit de 
Litanyen , ettelyke LHurgien en meer dan honderd ge- 
hele liederen en enkele vaarfen , waarvan de Groenlan- 
ders de meeften door het gedurig gebruik van buiten ge- 
leerd hebben. Onze Groenlanders waren zedert voode- 
den zondag nog genoegfaam allen by een, en wilden ons 
vertrek afwagten. Dan dewyi zulks zo lang vertraagde , 
en t my met ruim was, dat zy zo veel tyds van hunne 
weinige zomer-dagen verliezen zouden , zo verzogt ik ze 
Kaarde plaatfen hunner neringe te varen-. Voor mv was 
het gemakkelyker geweeft, op eenmaal van hen allen af. 
fcheidte nemen , ondertuffchen had het ook eenen byzonde- 
ren en gevoeligen zegen, nu ik my met het ene huisgezin na het 
andere vergenoegen kon. Van wederzyden werdt een vloed 
van tranen geftort , maar voor al zal ik de laatflen o-e- 
fprekkenmet/^^/r^j^ Nathamel , Mattbaus en y^y^drelis 
(♦) en derzelver verklaringen van hun harten zuivere 

aan- 

(*) Deze zyn allen nu reeds by den Here. En in \ algemeen 
melde ik nletgaarn den naam van iemand , zelfs niet van den beften 

Groen- 



èeich* vaiï Nieuw-Herrnhut. 1752J 



SS 



aanklevinge aan den Here en zyne zaak noit vergeten. Ik 
lla dikvvils verbaaft over al 't , geen de Heiland , by allé 
gebreken en misflageh , aan dit volk in der daad reeds ge- 
daan lieeft. 

Den joderi werden op de Volkplanting twe kooplieden 
onder Priefterlyke inzegening met Groenlandefinnèn ge- 
trouwd. Ons huis was 'er verzogt , en drie Broeders 
woonden deze plechtigheid by. In de Conferentie mQt de 
GfoenlandfcHé ïilede- arbeiders ontvingen Wy aangename 
narigten van verfcheidene wilden in den zond, die in de 
vergaderingen komen, en zig geheel en al aan den Heiland 
overgeven willen , waartoe zy reeds voor lang een eifch 
by zig zelven gevonden hebben. By deze gelegenheid 
moet ik nog melden, dat onze liederen by de vremdea 
van velen zegen zyn. Onlangs verhaalde de koopman ^ 
dat li^y, oj^ene reis ten diende van den koophandel ,vyP 
tien mylen van hier, iri ene tente,die ene wyl hieromtrent 
geftaan had, gekomen zy, in welke de kinderen véle lie- 
deren, die ze, hierzynde, van de onzen hadden geleerd ^ 
niet velen aandagt gezongen hadden, en hem düs gelegen- 
heid gegeven, om hen iets tot ffigting te zeggen« 

Den iiden Augüfius fprak ik veel met den Herè over* 
Groenland^ waar ik nu agt weken zo vergenoegd doorge-^ 
bragt heb. Heden kwam 'er veel ys in de Flor de ^ en uit 
Öe eilanden bragten de Groenlanders narigt, da!t de zee 
^.er vol van was. Had de wind uk het zuiden , die 
het ys naar binnen dryft , enige dagen langer aange- 
houden, wy hadden zo haaft nog niet aan ons vertrek 
durven denken. Dan de wind liep heden naar het wefteil 
en 's avonds naar \ noorden, en dreef dus het ys meren- 
deels weer naar de zee. De wind dus tot ons yertrek gun- 
ftig zynde, hield ik 's avonds de affcheids-reden , en ein- 
digde met het vaarsje: Heer Jefus, uwe dood, enz. (*> 

Den ï aden 's ogtents vroeg werden wy aan boord geroe- 

Een. De Groenlandfche Gemeente vergaderde juift tot 
et morgen-gebed , en ik nam na ene korte rèdenvoering 

een 

Groenlander, die nog ïn de tyd en dus niet buiten alle gevaar» 
maar aan ailerly verzoekingen bloot gellelt is , gelyk verffandige 
ouders niet ve-rdragen kunnen , dat men hunne kïnderea , die lïog 
In leven zyn, pry 11 en roemt. 

(*) Ziepag, 150^ 

ItL DêeU G 



E 









l^ 






il 



34 Gfoenlandfche Hiftorle VUL B. 

een teder affclieid. Deze Gemeente is doch gewifTelyk 
volgens het woord van heden uit Num. Vlll: 16. een volk 
\dXi gegevene des Heren^ die hy uit deze natie als eerftelin- 
^en véi'kozen heeft tot een loon van zyn bitter lyden en 
iterven, fchoonin zig zelven 

Een ellendig bloed. 
Een Vliezen, dat arm is, aan et e en goed-' 

Maar niet te min z'^n volk j 

Een volk, daar Jefusnieê kan pronken* 
Wyl Hy 't zo duur verworven heeft 5 

En 't geen ik Hem, zynen Vader, en den heiligen Geefi, 
in een af fcheids- zegen en onder een vloed van tranen heb 
aan bevolen. 

By myn affcheid beftondt het getal der tans in leven zyn- 
de gedoopte inwoners uit drie honderd , terwyl 'er drie en 
vyftig ontflapen waren. By myn verblyf zyn 'er tien , en 
j^edert het vertrek van \ fchip in 't voorleden jaar tot nu toe 
ugt en fefrig gedoopt , daarentegen zyn 'er zeventien ont- 
flapen. Het getal der Avondmaals-leden beliep honderd en 
twintig , en dat der gezamentlyke inwoneren drie hon- 
derd 'en dartig, daar benevens had men van een goed ge- 
tal vremden reden te hopen , dat zy ook dezen herfll her- 
waards komen zouden. 

Eer ik aan boord ging, bezogt ik nog den zieken Groen- 
landfchen Broeder Jofepb , dien ik tot deszelfs ontbindinge 
inzegende. Onze Groenlanders waren gedurig rondom ons, 
en toonden op allerly manieren hunne tedere liefdeen dank- 
baarheid. By 't aan boord varen, waren de klippen vol 
van vrouwen en kinderen , en wy werden door ene menig- 
te van mannen in Kajakken verzeld. Te agt uren zeilden 
we uit den haven, en te negen uren voorby ons huis , be- 
groetten de volkplanting met eer-fchoten , en te tien urea 
namen onze Broeders ,als mede de Groenlanders ^ by Kangek 
affcheid van ons. De ftyve koelte bragt ons Ichielyk in 
de opene zee , doch kort daarna kwamen wy aan 't ys, en 
mocllen in de nagt tuflchen het zelve en het land laveren, 
Den I sden vroeg vonden wy ene opening naar het zuid- 
weften, door w(51ke wy gelukkig heen zeilden, en düshet 

land 



Gefcfi.van Nieuw-Herrrihüt. 1752.' 



SS* 



land uit het gezigt verloren, hadden egter nogtot den avond 
toe gedurig grote ys-bergen ter zyden van ons. Den lódeni 
liadden wy een korten , maar zwaren , ftorm. Den liiften 
dagt ik veel aan St. Tbomas ^ "waarheen heden voor twintig 
jaren dé èerfte zending gefchiedde. Den lisften was de 
wind zeer veranderlyk, tegen den middag kregen wy enen 
ftorm uit^ het Zuid-ooften en naderhand uit hei: N. O. , die 
tot deri !27fteii,en dus vyf dagen en nagten, zonder tuffen- 
pozing aahhieldt, waardoor wy zeventig mylennaar Ameri'* 
ca toe gedreven werden. De zee was tevens zo hol , dat wy 
niet, zonder gevaar valri weggenomen te vrorden door de 
(lortingen , zouden hébben durven wenden» Dus moéften 
wy voor weer en wind dry ven, en het fchip aan 't beftel 
van Herri overlaten, die de heerfchappy voert over dè win- 
den en de golven der zeè. Het volk heugde niet, zulk 
enen hevigen en zo lang aanhoudenden ftorm beleeft te 
hebben. , Daarenboven vreesden ze , tégen de hen onbe^ 
kende Americdanfcbe kuft te zullen dry ven ; \ geen zy on- 
feilbaar verwagtten , by aldien het weer nog enen dag zo 
bleef. Uit dien hoofde hielden ze buitengewone gebeden, 
en elk van hen beloofde naar zyn vermogen iets voor de 
armen» Tot myne grote verwondering werd ik in 't geheel 
niet zeë-iiek; en eindelyk vond ik my met liiyne reisgezel- 
len bewogen, den Vader, die in de hemelen is , in den na- 
me van zynen Zoon om ene verandering aan te roepen. 
Den i7ften begon dé ftorm tegen den middag te bedaren , 
en den aSften kregen wy beter weer, en zagen enen fcho- 
nen regenboog : de zee was egter ettelyke dagen nog zeer 
onftuftnigö Den ^gfteii bevonden wy ons op de hoogte vani 
55. gr. 43. min. en dus feftig duitfche myleii zuidelyker, 
dan wy wezen moeftén. Den 4den September werden wy 
door een der fchepen van de Noorder-volkplanting inge- 
haald , en den 8ften door het twede. By den zwaren 
ftorm waren ze nog in de Straat geweeft, en hadden hem 
niet gehad. Zy berigtten ons , dat na den vorigen harden 
winter vele Groenlanders op de Noor der- volkplanting ge» 
ftorven waren , en de Europeanen aan den fcheurbuik zeer 
gezukkeld hadden. Den i iden zeilden wy voorby het ver- 
bonken land met een gunftigen wind. Den i5den raakten 
wy door een nieuwen ftorrri van de twe andere fchepen af^ 
waarop den jóden eensklaps ene kalmte volgde. De zee 
was egter zeer hoi, en dreigde het fchip fchadelyker te zyn 
dan de ftorm. Den i/den hadden wy weer ftorm, waar- 
C a doof 



so 



Groenlandfche Hiflorie 



VIIL B. 






m 



door hier en daar iets aan ftukken brak. Dit duurde tot 
den I9den. De wind werdt ons gunftig,maar zo hard, dat 
wy weer byliggen moeften tot den a iften, wanneer wy on- 
verwagt het eiland Fu/o zagen. Den ^sften zeilden wy met 
ftormagtig weer om Hit land. Den nóften kwamen wy 
onverwagt zo na v^mNoonvegen ^é^t wy tufTchen het Litb 
^an Bergen en het eiland Uitfcheers heen zeilen moeden. 
De wind dreef ons naar het land toe , en wy namen het be- 
fluit een haven te zoeken ; doch te laat zynde moeden 
wy de nagtin debogtheen en weer laveren : terwyl werdt 
de wind gunftiger, zo dat wy den !27ften LindesfKzs voor- 
by, en vervolgens langs de kuft van Noorwegen zagtjes 
heen zeilden. Den iften OStoher kwamen wy in 't Cattt- 

fat., en den sden ene goede myl van Helfingor ten anker. 
Herzagen wy den sden ene grote vloot van honderd fche- 
pen den zond uit zeilen. Wy moeften wegens den der- 
ken droom fchielyk weer ankeren, en den 4den Oétober 
voeren wy met den Kaptein in deszelfs boot aan 't land, 
en kwamen tegen den avond gelukkig te Kopenhagen 
aan. '* 

Uit dit dag- verhaal zal men zig eentamelyk volkomen 
denkbeeld kunnen maken van de in- en uitwendige gedeld- 
heid der Groenlandfche Gemeente. Dan het verhaal van 
dit jaar daardoor reeds vry wydlopig geworden zynde , zal 
ik tans zwygen van het wederzydfch bezoek der Broederen 
en der wilden , van het intrekken der Greenlanderen en 
derzelver inrichting in hunne winter-huizen, van de geze- 
gende Avondmalen , Gemeente-dagen , Doop-handelingen 
enz.; en dit merkwaardig jaar eindigen met een kort berigt 
van het leven zommiger zalig ontflapenen Grocnlande- 
ren. 

Kort na het vertrek van 't fchip begon onder de Groen- 
landeren ene ziekte te woeden , die met hevige hoofd-py- 
nen en ontdeking op de bord , of in de zyde, verzeld was , (*) 

waar- 

( * ) Zommigen werden door hevige pynen in de oren aange- 
taft, waarby zy ten eerden het gebruik hunner zinnen verloren 
«n fterke trekkingen hadden. Der^^elyke ziekten zyu, na een 

har- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1752. 



Z1 



waardoor niet alleen veele opgewekte heidenen in de na- 
burige eilanden, maar ook omtrent dartig onzer gedoopten^ 
onder welken zig zommigen onzer bekwaamden mede-ar- 
beiders bevonden, naar de euwigheid gingen. Van 't mid- 
den der maand Auguftus tot omtrent het midden van Oc- 
tober was de ziekte op het hevigfte, zo dat 'er eens drie 
lyken te gelyk te begraven waren, des het dikwils gebeur- 
de, dat de leraars by 't komen van de begravinge , ten eer- 
ften weer geroepen werden , om den affcheids-zegen aan 
een dervende meê te delen. Zy hadden dus genoeg te 
doen met de zieken te bezorgen. aan welken ze niet alleen 
geneesmiddelen gaven, maar voor welker bediening en 
voedfel zy ook zorgen moeden , terwyl de meeden van hen 
selven insgelyks enige aanvallen dier ziekte moeden on- 
dergaan. De bediening der zieken werdt egter enigzins 
daardoor verligt , dat de Groenlanders , die toen nog in 
den Zond hun verblyf hadden , de meefte zieken terdond 
naar huisbragten , terwyl de genen, die niet zonder gevaar 
over de Fiordi te brengen waren 5 vlytig bezogt wer- 
den. 

De heidenen maakten by deze omdandigheid hunne ei- 
gene aanmerkingen, en konden niet wel begrypen , dat het 
derven meed onder de iVöö^/^^^ (*) plaats had, en zei- 
den eindelyk, dat hiervan ongetwyfelt dit de reden zyn 
moed , dat ze te veel in den Heiland geloofden en aan 
hem da2;ten ; en zekere fpotder , die niet meer onkundig 
was, zeide: men zag nu , dat ?y \ te ver met het Suaran- 
^oak (t) dreven, en hetzelve al te zeer aankleefden. Dan 
de beurt kwam ook aan haar. De heidenen egter, die een 

vad 



\\ \ 



harden .winter en groten hongers-nood , zeer gemeen onder de 
Groenlanderen. 

(*) Nook betekent by de Groenlandecen de punt of uitheek 
van een land. Dewyl nu Nieuw-Herrnhut op zulk enen uithoek 
ligt, zo noemen ze de Broeders Nookleet ^ dat is, Bewoners van 
étw Uithoek. 

(f ) Is het my geoorloofd dit woord te vertalen? De beteke- 
nis van 't zelve is : het Lammetje. De Spot-geeft komt over al- 
le zulke lieden , zelfs onder de botte Groenlanderen , die meer 
weten dan geloven , die overtuigt en getrolFen, zyn , maar zig niet 
van ganfcher harte aan den Heiland aYergQveii willen , en dea 
heiligen. Geeft wedQrfta.an. 

C 3 



%Z Groenlandfche Hiftorie VIII. B. 

yaft befluit genomen hadden, om zig geheel en al aan den 
Heiland over te geven, lieten zig geenzins te rug houden , 
de Broeders vlytig te bezoeken , en ter zynertydherwaards 
te komen om te blyven , fchoon ze anders en gewonelyk 
ene p aats, waar flegts twe of drie menfchen fchielvk na 
elkander fterven, als ene befmette plaats vlieden; en ont- 
vmgen de Broeders, zo dra dezelven weer uitvaren kon- 
den om te bezoeken , jnet vele vreugde en toegenegen. 



if'.'- ■':' 



§• 7o 

Ik zal flegts van zommigen der dartig ontflapenen iets 
inelden, zo als dezelven elkander gevolgd zyn. 

lO Geertruid ene eerwaarde weduwe en Vroedvrouw 
der Groenlandfche Gemeente, die dit'amt met p-etrouw- 
heid en onder veel bidden en fmeken voor den Here waar- 
genomen heeft. Men zag in haar het beeld van ene be- 
genadigde Zondareffe en liefderyk hart jegens de Broeder^ 
en Zufters; haar einde beantwoordde alzins aan haar flig- 
telyk gedrag en beftaan. 

j ^'r? p^^'^^^^*^^'» anders Okutfut^ ene bejaarde ongetrouw- 
de Zufter, van welke onder het jaar 174a , wanneer zy 
gedoopt werdt, meermaals gefproken is. Zy getuigde met 
levendigheid en yver onder haar volk. Na dat zy tot het 
heihg Avondmaal toegelaten was , heeft men wel ene meer- 
dere bedaardheid, maar ook tevens een inniger omgang 
met den Heiland by haar befpeurd. Zy was de vierdö 
perfoon , die binnen veertien dagen uit één huisgezin ont- 
fliepen. Kort voor haar einde , liet ze nog haar voedfter- 
Img,^ het dogtertje van Simon en Sarah, Maria genaamd , 
by zig brengen , 't welk ze met ene byzondere tederheid 
kulte, en door zeer kennelykc gebaarden (wantfpreken 
kon ze met meer) aan ^^//Z^ , zynde de zufter van ^^ kinds 
inoeder, aanbeval. 

3O ^^^'^^f^'^^^ een onzer eerftengedooptenAvondmaals- 
leden en mede-arbcideren. Hy bezat enenlevendigensceft, 
een in s Heilands lyden verliefd hart, en was een geze- 
gend verkondiger van ^s Heilands verdienften en deszelfs 
wonden, zo dat door zyn getuigenis vele zielen tot den 
Here Jefus gebragt zyn. In al \ geen hem opgedragen 
werdt, was hy vlytig en getrouw. ïen aanzien van zynp 

huis- 



Gefch. van NieuW'Herrnhut 1752. 35^ 

huiffelvke omftandigheden , die vry zwaar waren , zag men 
hem alt©os wel te vrede en geduldig. In zyn aart en ge- 
drac was ene zekere eerwaardigheid, die de liefde en ag- 
tinff van alle menfchen, zo wel van Heidenen als Krifte- 
nen , Europeanen en Groenlanderen naar zig trok. Daar- 
benevens had hy van zig zei ven zeer geringe gedagten, 
eerde en beminde zyne broeders van harten. In een briet , 
dien hy dit jaar heeft laten fchryven , drukt hy zig no. 
pens de gefteldheid van zyn hart dus uit : ,, Ik kus u van 
f, harten en in liefde , om dat de Heiland my gezaligd 
J heeft. Uit en door my zelve heb ik gene zaligheid, in- 
!, dien hy my zyn bloed niet liet gevoelen, myn hart zou 
„ aene vreugde hebben , en ook niets goeds kunnen den- 
;, ken. Hy heeft my uit genade in de gemeenfchap der 
,, genen gebragt, die zyn vleefch eten en zyn bloed drm- 
!! ken, daar over verheug ik my met vele tranen. Ik heb 
' myn hart geheel en al aan hem gegeven , en myne ogen 
„ zal ik nu niet meer van hem afwenden. Ik heb den Hei- 
„ land en zyne wonden zeer hef. Ook weet ik, dat ik een 
„ zondaar ben en wenfche, dat myn hart dit zo beftendig 
„ gevoelen moge: want myn verlangen is, dat het altoos 
„ regt week zy. Ik bid, als een arm kind, dat hy 't altoos 
„ met zyn bloed befproeije. '' 

Zyne ziekte was het zydwee, waarvan het wellcheen, 
dat hy gelyk voor een jaar , weer op komen zoude h daa 
door ene onverwagte ftik-zinking werdt onze hoop eens- 
klaps verydeld. By zyne begraffenis was 'er ene algemene 
beweging, een ieder, die zig maar verroeren kon, zogt 
zyne liefde voor den ontüapenen , door (lenen en zoden 
aan te brengen, te betuigen, en zommige heidenen , die 
door zyn getuigenis getroffen , en toen juift op een bezoek 
tegenwoordig waren, hielpen vlytig aan 't grat arbeiden, 
terwvldit anders geen arbeid is, dat voor Groenlandiche 
mansperfonen paft. De lyk-reden werdt gehouden over 
iTben^. IV: 13. Doch^ Broeders ik wil niet ^ dat gy onwe- 
tende \p van de genen die ontflapen zyn^ op dat gy met 
bedroeft zyt^ gelyk als de anderen , die geen hope heb ten. 
i..) Ketura^ de weduwe van den zahgen JonatiMn^ttn 
<yetuige der waarheid , van welken onder het voorleden 
faar gefproken is. Zy werdt voor negen jaren gedoopt, en 
voor vier jaren tot het Avondmaal toegelaten. Zy kon van 
de haar gefchiedde genade niet lang zwygen, en werdt 
binnen kort ene mede-arbeidfter onder hare kunne. Men 
C 4 ntax 



4 i 



4d 



Groenlandfche Hiftorie 



VIÏI. B. 






■';x*v' 






y'M»-. 



heeft by haar als iet byzonders aangemerkt, datzv bv't 
getuigenis van den Heiland , en wtnneer ze met ons of 
tt\Sr^ rï!^^'^^ T haar hart fprak, zeer ligt in tranen 
^11 , ' ^^^°°^ ^^ ^y ^" nopens alle natuurlyke zaken 
IZ a"^-^ ^" vrolyk was. 't Geen ze onder de open- 
^Zv^'u'^'^f^^ ' "^'^-i" '^^. verkering,hoorde , kon ze zeer 
wel behouden, en wift zulks ook op ene byzonder duide- 
lyke en vatbare wyze by de Groenlanders te pas te bren- 
gen. Zy had een teder hart jegens den Heiland en voer- 
de enen voorbeeldigen wandel onder haar volk. Zy is dik- 
wils aan den oever des doods geweeft, en voor al ftondt 
ze voor ettelyke jaren zeer hevige pynen aan de oren uit, 
die veroorzaakt werden door een wurmpje, dat het gehoor- 
yhes doorknaagd had, en waarby ze ook het gehoor ver- 

ivas" Vn™^ ^^ ^^^^^ ^^'^^^ ^^'^ ^^"^" ^^"' 8^^"'dig 

. 5-} >«^» een onzer eerden bekenden te ir««e?;t,werdt 
jn t jaar 1745 op de volkplanting gedoopt, en kwam by 
t vertrek van den Mijfionaris met 'er woon by ons. Tot 
net H. Avondmaal was hy nog niet toegelaten. Dathy eg- 
ter het ware leven uit Goden eneninnigen ommegang met 
den Heiland gehad hebbe, daarvan getuigen zyne laatfte 
gelprekken van het eten van 't vleefch des Menfchen-zoons, 
en het drinken zyns bloeds. Hy maakte eenTeftament, 
waarbyhy zyne twe gedoopte kinderen aan de opvoedinj? 
, en verzorging der Broederen overgaf , latepde aan de vei^ 
kiezingzynervrouw, ofzeblyvèn wilde, alzo hy Cnaar 
zynzeggen) by haar nog geen ganfch hart voor denHei^ 
land befpeurd had. Wanneer hy in ene ylheid gefproken 
had van ene menigte van kleine vifTchen, die zig voor de 
root-vilichen aan den oever tragten te verbergen, en noff 
plaats genoeg voor anderen over lieten ; zo pafte hy 't na- 
derhand, toen men 't hem verhaalde, toe op den toevlu^rt 
yan arme zondaren naar de geopende zyde van den He- 
re jelus , waaromtrent hy zig zeer aangenaam uitdrukte. 
Wanneer men hem den affcheids - zegen gaf, zong hy 

zelve 

(♦) VVaniieer haar toen onder «e Iievigfte pyiien berigtwerdt, 
dat ettdyke Groeninnderinnen , onder welke zy ene bloed-ver- 
wante had , tot het H. Avondmaal zouden bevcftigd worden , werd't 
ze dermaten verblyd , dat zo hare pynen vergat, en dien avond 
aog het H. Avondmaal zelve bywoonde. ' ' 



Gefch. van Nieuw-Herrnnut. 175«. 



4ï 



xelve nog mede , en ontfliep kort daarna zagt en zalig. 
■ 6 ) Matthaus Kajarmk^ zoon van den zaligen Samuel^ 
en een der vier eerllelingen , die hier gedoopt zyn. Kort 
hazynen doop moeft hy met zyn vader naar 't zuiden 
vlugten, en bleef na deszelfs terug komft nog ettelyke ja- 
ren by zyne vrienden , vi^aardoor hy ene gelegenheid werdt 
tot dQ redding veler Zuidlanderen. In 't jaar 1747 deedt 
hy een bezoek naar Europa^ werdt tot het li. Avondmaal 
toegelaten, kwam in \ jaar 1749. terug, en werdt nader- 
hand als dienaar der Gemeente en als mede arbeider met 
zegen gebruikt, lp het JDegin dezes jaars trouwde hy , en 
gaf hope vaneen zeer voorbeeldig Jiuwelyk te voeren. In 't 
voor jaar, wanneer de ftrenge koude verminderde, waarop 
gewonelyk hete koortfen volgen, lag hy aan het zyd-weê 
20 gevaarlyk, dat wy alle hope reeds opgaven. Maar hy 
zoude nog^ eer hy ontfliep, het zo even gemelde gezegend 
bezoek met ons genieten. Vau dit bezoek fchryft hy dus: 
9, Wy hebben ons zeer verblyd over het bezoek van Jo- 
^ „ hannes JJferfok. Toen hy het eerfte maal op onze zaal 
,, fprak, werden myne ogen niet droog, zo naby gevoelde 
5, ik den Heiland. Ik }an met waarheid zeggen, dat ik 
„ zeer vergenoegd ben, en veel meer dan toen ik by U 
„ lieden was. &e Heiland beeft na dien tyd veel aan 
„ myn hart gedaan. Ik kan my zeer over hera verbly- 
„ den, wanneer ik my hem met zyne wonden voor 
„ ftel. Zo ellendig ik ook ben , ik weet egter niets te 
5, doen, dan hem dankbaar te zyn. Het genoegen in en aan 
„ den Heiland is toch onuitfprekelyk groot, en gevolgelyk 
5, zal myn genoegen ook niet ophouden. Ik denk 'er nog 
„ dikwils aan, dat ik U gezien heb , doch nu zal ik U wel 
„ niet meer zien, eer wy by den Heiland komen. Zyne 
5, geopende zyde is het huis, waar wy zullen by een ko- 

men. " 
^' Hy v/as vrolyk van aart, en levendig van geeft, had een 
week en gefmolten hart, en was on^ allen tot verwonde- 
ring. Zyn einde was ftigtelyk. Het Lam, en deszelfs won- 
den, warend alleen, waarvan hy in zyne ziekte fprak en 
waarover hy zig verheugde. Wanneer hy eens door ie« 
mand gevraagd werdt, hoe hy't had? gaf hy een teken 
door den vinger in de hand te (leken , om te kennen te ge- 
ven , dat hy over de wonden des Heilands dagt. Kort daar« 
na kwam de fpraakweêr, en hy begon Duitfch te fpre- 
ken: „ Ach ik heb den Heiland zeer lief, ik ben zeer ver- 
C 5 blyd. 




HI 



4» 



Grocnlandfche Hiftorie 



VIIL B. 



yy blyd, datik haaftby hem wezen zal: zult gy my niet 
„ haaft volgen? " Daarna verzogt hy , dat men Duitfche 
en Groenlandfche vaarfen voor hem zingen zoude. Einde- 
lykkufte hy de hand van den MiiBonaris, en zeide: ik heb 
U zeer lief. Toen fcheen het, als of zyn adem weg blyven 
wilde, hyfloeg egter onverwagtnog eens de ogen op, zag 
rondom, en begon te zingen : Slaap in Jefus armen ^ verder 
kon het zyne tong niet brengen. Dit waren zyne laatfte 
woorden, die men tot aan 't einde vervolgde: 

Denk fteeds aan zyn bloed. 
En aan zyn erbarmen, 

Aan de Zyde- vloed, 
Aan de Geeflel - ftriemën , 

Die uw trouwde Heer 
Van de harde riemen 

Leedt op 't lyf ^o teer, 

Ep onder het vaars : 

De Geeft des Heilands heilig U,' 
Gy gaat in zyne armen nu ! 
Zyn ligchaam , ganfch voor u verwond. 
Maak u aan lyf en ziel gezond; 

ontfliep hy zo zagt, dat men 't nauwelyks gewaar werdt. 
Men zal noit zynen naam zonder de tederfte aandoening 
onder ons kunnen noemen, fchoon het altoos den fmart 
over het verlies van hem vernieuwen zal. Doch wy gui> 
nen hem zyne ruft van harten. 

Zo wek dan Kriftus Vriendin niet , 
Stoor niet die eedle Ziel , v 

Die zo verliefd de wonden ziet. 
Als 'thoogft', dat haar geviel, 

7.) Therejia., de weduwe van den Zdligen Danie/ Simek. 
Zy met haar huisgezin waren onder de eerfte vrugten van 
des zfiWgtuSaTnuels en zynerhuisvrouwe getuigenis/ Schoon 
ze met haar man wel haart weer vertrok, lieten de kinde- 
ren haar egter gene ruft , tot dat ze weer in 't jaar 1743. 
hier met 'er woon kwamen. Na dat zy tot het IL Avond- 
maal toegelaten werdt, heeft men ene grote veranderingen 

enen 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut 1752. 43 

enen diepen indruk van 's Heilands verdienden by haai? 
befpeurd: In hare ziekte verklaarde ze , zo veel hare ger 
zwollene keel zulks gedoofde, met vele blymoedigheid ^ 
dat haar hart onveranderlyk aan Jefus kleefde , en dat 
ze aan niets dan aan zyne wonden dagt; verhaalde ook, 
dat de Heiland zig in deszelfs kruis-getlalte aan haar geo- 
penbaard hebbe, Zy beval haren geeft in zynp handen» 
Haarevyf kinderen, die ze nalaat, zyn allen van goede ver- 
wagting, een derzelver is getrouwd met Jobanm , die in 

Europa ge weeft is. ^ . /,. •. . 

De laatftgemelde drie perfonen ontfliepen bmnen vier en 
twintig uren^ en werden te gelyk begraven. Kort daarn^ 
ftierf ook een ongedoopt man, die by zyne gedoopte vrin- 
den reeds vier jaren had gewoond, doch altoos ongevoelig 
gebleeven was, in zyne ziekte toonde ]fiy egter een verlan- 
gen naar zynen zaligmaker. 

8.) Jonas\ een aankomend jongeling, die eerft dezen 
zomer gedoopt was , werdt ziek naar huis gebragt. Een 
der Miffionariffen by hem geroepen zynde, kon hy niets 
meer zeggen, dan: " Ik verlange zeer by den Heiland te 
komen ". Hy verzogt, dat men hem zyn lykkleed , te 
weten zynen beften pels^ aandoen zoude, en gaf kort daar- 
na zeer zagt den geeft. ' . 

o ) Mofes^ was een van de eerften inwoneren, vertrok 
egter fchielyk weer onder de wilden , en voer honderd my- 
len ver naar 't Noorden met hen , vondt egter nergens 
ruft , eer hy zig in 't jaar 1747 geheel en al aan den Hei- 
land overgaf, en gedoopt werdt. Hy fprakwemig en hak- 
kelde zeer. Dan in zyne ziekte was hy yverig in 't fpre- 
ken, en betuigde, gene vreze voor den dood te hebben, 
maar zig in tegendeel te verheugen , dat hy haaft by den 
Heiland komen zoude, en was over niets bekommerd , dan 
dat het nog te lang duren mogt. Hy is tans m de ruft. 
Na deszelfs begraffenis b^zogten ettelyke Broeders den 
Koopman, wiens dogtertje van vier jaren , (een zoet en 
aangenaam kind, dat zyne ouders dikwerf door het zin- 
nen der fchoonften Groenlandfche vaarfen had opgewekt) 
overleden was. Een van hen werdt by een ouden zieken 
Groenlander geroepen , die bitterlyk begon te fchreijen : 
„ Ik heb den Predikant wel beloofd, dat ik een eigendom 
aes Heilands wilde worden, maar naderhand ben ik ge« 
roegfaajia altoos onder de wilden geweeft, en fchoon ik 
menigmaal , met mynen zoon op het land alleen zynde , 
■ ° -■ ' van 



m 






44- 



Gfoenlandfche Hiflorie 



VIIL B. 

van den Heiland gefproken en gezongen heb^ ik heb hem 
egter dikwils weer vergeten. En daarom ben ik nu niet 
verzekerd, dat hy my zal aannemen. " enz. Na dat hem 
de MifEonaris door het woord van God vertrooft, en naar 
den vrind van arme zondaaren, die zyn bloed voor hem ge^ 
ftort heeft, gewezen had , werdt de oude gryzaard zeer 
getrooft enblymoedig, en ging weinig dagen daarna, met 
een vertrouwend geloof in den Heiland, naar de eeuwige 
heid. -t Was dezelve oude man, die op deszelfs dringend 
verzoek in 't jaar 1742, door den Heer Dracbart gedoopt 
werdt. 

10.) Ruth^ ene oude weduwe, werdt uit den Z?;/rf ziek 
herwaards gebragt. De weinige woorden, die 2C nog fpreken 
kon, want hare ziele haafte, om ontbonden te worden, wa- 
ren deze i „ Gy zult milTchien denken, dat ik den Heiland 
5, t' enemaal vergeten heb, om dat ik dezen zomer zo wei-? 
5, nig by u lieden heb kunnen komen: dan ik kan u ver- 
5, zekeren , dat ik ook by myn afzyn enen zaligen om- 
5, megang met hem gehad heb , en kan met vreugde tot 
5, hem henen gaan. '' 

II.) .dnna , de weduwe van Samuel Kajarnak. 't Is 
waar, zy evenaarde haar man niet, zy is egter by alle aan- 
lokkingen en aanporringen der wilden (want na haar man's 
overlyden woonde zy ettelyke jaren by hare twe broeders) 
niet alleen bewaard gebleven, maar de Heiland heeft haar 
ook, als ene beloning van hare getrouwe ftandvaftigheid , 
de vreugde laten beleven , dat ze haren jongden Broeder 
met vier kinderen , als mede den zoon van haren oudftcn 
broeder met vrouw en kinderen, door haar getuigenis tot 
ons gebragt heeft, waarvan ook de meeften reeds gedoopt 
zyn. (*) 

i::i.) Zachczm-, werdtin 't jaar 1746. gedoopt, en genoot 
op deszelfs ziek-bedde voor het eerfle en laatfte maal het 
H. Avond-maal, 't welk ene uitnemende vreugde by hem 
verwekte. Volgens het verhaal der Groenlanderen heeft hy 
de laatfte nagt ongemeen blymoedig gefproken. Ondei^ 
anderen heeft hy de woorden der inftelhnge van het H. A- 
vondmaal dikwerf begonnen te bidden, en de omftaanden 
hebben dezclven moeten vervolgen, (t) 

§• 8. 

(*) Haar oudde Broeder is in 't vervolg ook gekomen en ge- 
doopt. 
Ct) Ge>vonelyk zegt men: dat men in at nagt droomt van't 

gfen 




Gefch. v^n Nieuw-Herrnhüt. 1752. 



45 



S* 8. 

Wat zullen wy zeggen, (dus fehryvende Broeders iti 
een tyd , wanneer ze drie lyken te begraven hadden) dat 
onze getrouwe en goede Heiland zo rykelyk begint te oog- 
ften ? Wy gunnen wel onze Broeders en Zullers zeer gaarn 
de euwige full in zyne armen, wy gevoelen egteronze aan- 
klevinge aan hen lieden, en een fmart over het verliesvan 
20 vele getrouwe en ftigtelyke leden, ja van zo vele geze^ 
eende mede- arbeiders, een fmart, die men ons niet euvel 
duiden kan. Wy hebben tans enen zonderlingen tyd. Zy 
gaan zo g^arn, zo zalig én blyiüöedig uit den tyd, dat we 
ons verwonderen moeten , en velen kunnen nauwelykshun 
uurtje inwagten. Door deze zalige gefteldheid hunner har- 
ten wordt onze fmart over derzelver verlies hier in den tyd 
merkelyk verzagt. Onze getrouwe Heer begint ons ook 
reeds het getal der ontflapenen te vergoeden , gelyk dan 
heden nog agt zielen herwaards gekomen zyn, om by ons 
te wonen, 't Is in der daad een wonder, dat nog iemand in 
dezen tyd het befluit kan nemen, om by ons te komen, al- 
zo men over al weet , dat hier genoegfaam alle dagen ie- 
mand fterft. Doch de heidenen begrypen zei ven, dat het 
ware Kriftendom ene wezcntlyke gelukzaligheid mede 
brengt. En dus moet ook hetftigtelyk einde hunner lands- 
genoten tot een getuigenis verftrekken , en , 't geen ze 
van zommigen derzelven met een aangedaan hart gehoord 
hebben, beveftigen, en hen overtuigen, 

Dat Jefus ryk geen' phantafy. 
Noch flechts een yd'le droom maar zy, - 

Ais veelen het te lafteren trachten. 

geen , ^waarmede men op den dag hezig geweeji H. Geen wondei 
derhalven, dat een gelovig Groenlander, die op zyn ziek-bedde 
een deelgenoot wordt van 't hoogfte goed, dat ware Kriltenenin 
den tyd hebben , zo itinig verheugd wordt , dat ook in de hitte 
der koorts blykt, waarvan het hart vervuld geworden zy, toeu 
Jefu$ by hem inging e^ hêt Avondmaal metheia hieldt. 



HET 



m 



Iffi^ 



m 



m 
^ 



m 



[;.■:>■■/ 



' I 



4é 



öfoenjandfche Hiftorie 



Vilt Êj 



HET EEN EN TWINTIGSTE JAAR 
1753. 

Inhoud. 

%. J. Ée gsfchiedetiis van 't voorleden jaah in 't kort ge^ 

%. a. Narigt van een bezoek onder de Heidenen te Kangek; 

§♦ 3' -S^^ Groenlander , die reeds lang overtuigt geweefi 
was , maar altoos weder fl aan bad^ wordt met zyn geheel 
bmsgezin gelovige ^ 

%. 4. De wilden komen in groter getal ten bezoek, en ve^ 
len van ben worden door bet woord van God eé- 
troffen^ ** 

S, 5. Het nut der Gröenldndfcbe mede-arbei deren onder de 
geraakte beidenen. Twe van ben doen ene reis naar H 
Noorden^ om by de bunnen bet Evangelie te verkondt^ 
gen^ en ontwaken enen Zeerover. 

S. 6. De nering der Groenlanderen is gezegend. Zy en de 
Leraars worden in verfcheide gevaren bewaard. 

§. ^.^ Het verlies van twe buis gezinnen., in V hyzonder van 
een man., die met een f chip naar Holland voer ..en des- 
zelfs lotgevallen. 

S. 8. Vermeerdering der inwoner en met een getal van feven 
enfeftig perfonen. De ongetrouwde Broeders bouwen 
een buis voor zig., en de Hoofden der buis gezinnen 
doen ene Colleélc ter onderhouding van de lampen 
op de zaal. 

J. 9. Twe en dar tig worden gedoopt^ en feventien gaan uit 
den tydy waarvan vjfzeer aanmerkelyk zyn. 




Gefch. van Nieüw-Herrhüt 1753- 47 

§ 10. Zommige narigten van verfthtlhnden aart* Sttgteïykc 
* brief van een 'Deenfcben Miffionariu 



\^ 1« 



B 



Y 't begm dezes jaars werdt de belofte , die by 't in- 
tredenVan het voorleden jaar gegeven werdt: Ik zat 
tot hem nog meer vergaderen^ aandagtig overmogen , en dé 
Heer, die het Hooft zyner Gemeente is , werdt in ene ver- 
gadering 5 in welke de aanmerkelyke gebeurteniffen des 
voorleden jaars herinnerd werden, ('t geen anders engewo- 
iielyk in de nagt voor het nieuwe- jaar gefchied, doch deze 
keer, wegens enen yfielyken ftorm^ niet gefchieden kon ) 
gedankt en geprezen voor de vermeerdering der Gemeente 
met twe en vyftig gedoopten, fes en dartig Avondmaals- 
leden, zeven paar nieuwe Egte-lieden, en vyftien paren ^ 
die reeds getrouwd waren geweeft, doch welken de zegen 
der kerk tot hunnen Kriftelyken Egt in het afgelopen jaat 
ttiedegedeelt was. Veertig zielen waren naar de euwigheid 
gegaan , en het getal der tans in leven zynde gedoopten 
beliep drie honderd en zeventien , behalven een aanmerkelyk 
getal van leerlingen. Voor de byzondere genade , onder- 
houding en befcherming, die de ganfche Gemeente en elk 
lid in 't bvzonder ondervonden had, en vooral voor de ge- 
zegende Fifitatie , werdt den Here een vrolyk dank-lied , 
verzeld van vele zondaars-tranen ,ogezongen, onder en@ in- 
nige inv/agting van nieuwe blyken zyner genade, die ook 
in dit jaar niet agter wege gebleven zyn , terwyl de harten 
tot derzelver ontvanginge wel toebereid waren. 

§. 2* 

Men vergat egter geenzins de andere fchapen,die inden 
ftal der fchapen nog niet gebragt waren , in tegendeel men 
dagt ten eerften om dezelven te bezoeken en nader te bren- 
gen, waarby tevens de nog t' enemaal ruwe heidenen nieu- 
we gelegenheid kregen , om 't geen tot hunnen vrede dien- 
de te horen. Tegen het einde van 't voorleden jaar had 
men nog een bezoek van dien aart te Kangek en de naburige 
eilanden gedaan, waarvan in het Dagverhaal het volgende 
gemeld wordt: 

„ Den 



w 






Ct' K.'^' 






'm^ 



Ir: 



48 



Groenlandfche Hiftorie VlII. Bö^ 



g, Den' i2den December kwamen wy te'^^»^^/^fen na« 
men onzen intrek by onzen bekenden Kainak. De men«' 
fchen ontvingen ons vriendelyk , ik fprak met hen , en 
toonde hen , hoe lief de Heiland ze had , en hoe gaarn hy hen 
de zaligheid in zyn bloed Ichenken wilde. Ons ter ruft 
begevende zongen wy Groenlandfche vaarfen. Den i Qden , 
eer de mannen uitvoeren , fprak ik van 's Heilands dorft 
aan 't kruis , en 's avonds over de woorden ; komt her- 
waards tot my alle enz. Hier by merkte ik aan , dat de 
Heiland zig fchielyk aan een menfch, die daarover treurt , 
dat hy hem niet eer gekend en bemind heeft , open- 
baart , en denzelven met zyn bloed verkwikt. Den i4den 
fprak ik over de woorden : Hy is een licht tot verlichtinge 
der Heidenen. Naderhand hadden wy een grondig gefprek 
met onzen waard en deszelfs vrouw. Toen ik hen onder 
anderen zeide: „ Gy lieden komt, zo als ge zyt, den Hei- 
land doch toe , en ik ben verzekerd , dat hy u*en de uwen 
tot een eigendom zal krygen en met zyn bloed dopen; 
vroeg de vrouw : „ Hannefe gelooft gy dat in ernft van 
ons ? " ik antwoordde : ja , en gy zult niet eer van de 
ongeruftheid uwer harten verloft worden. Hierop begon- 
nen ze beiden te fchreijen. Deni5den fprak ik van derf 
honger en dorft der zielen naar den Heiland, en hoe hy 
zig aan dezelven bewyze. Daarna voer ik verder en be- 
zogt nog vyf huizen. Ik fprak met de huislieden van hun- 
nen Schepper 5 en hoe hy wegens hunne zonden een menfcK 
geworden zy, en ze door zyn bloed verloft had. Zoramï- 
gen wilden het als een verdichtfel aanmerken ^ dan wan- 
neer ik ze vroeg : wat haar hart gevoelde , of dat niet 
verlegen zy, en het toeftemmen moeft, fchoon zy zulks 
door het vernuft onderdrukken wilden? werden ze ftil en 
befchaamd. (*) Dit was van zo veel uitwerking , dat 
een van hen den volgenden morgen begeerde nog meer 

van 

(*) In het oude (^Lutherfch^ lied, zo God de Heer nier 
by ons was enz. word gQiQgi:^ Het vernuft worftelt tegen het 
geloof. Wie de duifternis meer dan het licht bemim , die vindt 
iigtelyk tegenwerpingen , waardoor de llemme van 't hart en \ 
geweten, die door het Evaitgelie is opgewekt , verdooft wordt; 
zo hy al niet t' enemaal in het oordeel valt , dat hy niet meer ver- 
waardigd wordt , het licht te zien , dat alle menfchen verlichte 
Geea Groenlander is biertoe te lomp en bot. 




Gefch. van Nieuw-Herrnhut« 1:753."' 49 

Van die zaak te horen. Naderhand ging ik over land tot 
twe andere huizen. Zommigen van de genen, die ik hier 
Vond, waren nog onv^^etende, en anderen fpotters. Ik bad 
ze met een wemoedig hart, den tyd, in vi^elken hen de 
verzoening verkondigd en aangeboden wordt, niet te ver- 
zwinien. Hierdoor werden zommigen oplettende, anderen 
in tegendeel zeiden : „ Wy kunnen zulke dingen niet be=3 
grypcn, en zyn 't niet gewend. '* 

§. ê' 

Vafi een ander bezoek in de2:en w^intêr itie^dt lïien hef 
Volgende: „ DewyPer door een llorm uit het zuiden zo 
veel ys in de Fiord^ gebragt was ^ dat we onze Broeders 
Sörenfen en Balknhorft ^ die Voor twaalf dagen naar Kan- 
gek gevaren waren , niet zó fchielyk te huis verwagten 
konden, zó zonden wy den 2often January twe Kajakken 
met levensmiddelen naar hen toe. Zy kwatiienegtcrganfeh 
onyerwagt in een yffelyk w^eêr te huis , en bragten enige 
buiten liiede, die we t^tds lang en hartelyk gewenfcht 
hadden, te w^eten onzen van'tjaar 1741 reeds bekenden en 
zedert enige jaren gevoelig getroffenen Kainak met deszelfs 
ganfche huisgezin. Zy ^agen yffelyk uit , zynde door den 
ryp, die by de fterke koude door de uitwafeming der zee 
veroorzaakt wordt , f enemaal ttiet ys bedekt. Dan het 
ftrand krielde vaii menfchen , dewyl allen over de aan- 
komft van nieuwe aankomelingen tot het koningryk Gods 
verheugd waren. 

Onze" Broeders hebben in alle huiden te Kangek bezogt i 
en naar hongerige en bekommerde harten omgezien , maar 

deze reis weinigen gevonden. By zommige Zuidlanders^, * ^'^ 

die 'er eerft voorleden herfll gekomen zyn, hebben ze be^ *Vt 

fpeurd, dat het woord van's Heilands lyden een gevod 
in 't hart verwekt heeft. Onze Zipora heeft hare vrien- 
den, die ze onder de gemelde lieden gevonden heeft, na- 
drukkelyk aangefproken. Kainak en deszelfs huisgezin 
waren het eigentiyR oogmerk dier reis , en de Heiland 
heeft het ons eindelyk laten bereiken, zo dat we ons 'er 
over verblyden en hem danken kunnen. 

Deze man was een der eerften Zuidlanders, die met de^ 
Éroeders in 't jaar j 739 bekend werd^a i en hy was niet 




50 



Gfoenlandfche Hiftorie 



VUL B. 




zonder aandoening gebleven. Dan van goeden huize (*) 
en onder de Groenlanders in zuiken aanzien zynde , datzy 
hem als een Vorft agtten, kon hy een geruimen tyd niet 
befluiten , om het weinigje van eer en aanzien , dat hy zig 
verbeelde te bezitten , te verlochenen en zig aan den Hei- 
land over te geven. Want de navolginge van den Here 
Jefüs gaat ook by den Groenlanderen rnet fraaad en be- 
fpottinge verzelt. Dus trok hy , nu naar 't Zuiden , dan 
naar 't Noorden^ zonder egter van de ongeruftheid zyns 
gemoeds ontflagen te kunnen worden. Hy was dezelve 
heiden, van welken, zedert het jaar 1744 meermaals ge- 
fproken is; die Kuanak kreupel geflagen had, die het op 't 
'leven zommiger gedoopten had toegelegt,en gedreigt , het 
huis der Broederen in brand te (leken , om dat ze ene 
vrouws perfoon , die hy met geweld tot zyne vrouw heb- 
ben wilde , op hare vlugt in befcherming genomen had- 
den , fchoon 't hem naderhand gelukte dezelve vrouws- 
perfoon te ontvoeren.. En dezelve vrouw was ook de 
oorzaak, dat hy in 't vervolg zo dikwerf onder het ge- 
hoor van 't Goddelyk woord kwam , waardoor het vonk- 
je , dat reeds lang als onder de afch by hem lag, en 't 
welk hy zo gaarn wilde , maar niet kon,uitblufrchen , ge- 
durig meer aangeblazen werdt. Dewyl hy nu meer dan 
eens om den doop verzogt had , zonder egter te hebben 
kunnen befluiten , van woon-plaatfe te veranderen , zo kon- 
den de Broeders het niet langer uitftellen , in hope dat het 
zig met zyne uitwendige omftandigheden van zelve fchik* 
ken zoude, zo dra hy door 'sHeilands bloed luft en kragt 
verkrygen zoude, om door te breken. Zy hadden derhal- 
ven voorgenomen , om hem tegen den Gemeente-dag van 
den i9den January, zynde de gedenk-dag der Groenland^ 
fche zending, af te halen. Dan hunne terug reis door 
enen ftorm belet wordende, werdt hy dien dag , fchoon 
afwezig, onder het getal der genen gerekend, die eerlang 
ftonden gedoopt te worden , des zyne verwagting van eer- 
lang gedoopt te worden verzekerd werdt. Dit veroor- 
zaakte zodanige vreugde by hem, dat hy ten eerden me- 
de voer, ten einde den heiligen doop te verzoeken , wel- 
ke 

(♦) Dat wil zeggen, wanneer men van zynen vader, van zy- 
nen groot- en ovqi'- groot- vader roemen kan , dat het vaardige 
#u bi^kwame lieden gcweeffc zyu in 't vangen van zee-houden* 



Gefch, van Nieuw-Herrnhut. i^sÉ- |t 

ke genade hem ook kort daarna mede gedeeld werdt. Hy 
nioeft wel naar huis terug varen , kwam egter genoegfaani 
alle zondagen met de zynen tot een bezoek, en had den 
volgenden Gemeente-dag het genoegen, den doop van zy- 
ne vrouw by te wonen. I^y werdt Jfaac en zy Sarab ge- 
naamd. Zo dra men de winter-huizen verlaten kon , trok 
hy met de iTieeften zynef huisgenoten, die in de twintig 
perfonen uitmaakten, naar zyne leraars, en zag van tyd 
tot tyd den een na den anderen deelgenoten der genade des 
H. doops worden. Ondertuflchen werdt hy pp zyne woon- 
plaats vlytig bezogt, en nademaal de bekering dezes mans 
vele opmerking en ene nieuwe beweging veroorzaakte ^ 
zo had menene vvyl vele begerige toehoorders, die hèiri 
zogten te volgen. 



Den ganfchen winter door ontbrak het oiis gene Tt^'eek, 
en in den zomer genocgfaam geen dag, aan bezoek van 
vremden uit de buurt, en dikwerf ver uit het Zuiden en 
Noorden. De meeden woonden de algemene vergaderin- 
gen by , en "t geen ze daar niet regt begrepen hadden 5 
(want ene predikatie voor gelovigen is gewonelyk te ver- 
heven voor de wilden Groenlanderen) werdt hen by 't be* 
zoeken der Groenlandfche huizen nader door de gedóop- 
ten verklaard en aan 't hart gebragt,zo dat velen met ene 
heimelyke ongeruftheid en verlegenheid heen gingen , 
't geen dan tyd hebben moeft, om inde ftilte te werken* 
Dus zeide een van hen , wiens vrouw en kinderen byzon- 
der begerig waren : „ Ik bid u, fpreekt my toch niet zo 
„ veel van den Heiland , want anders mogt ik ook nogge- 
„ lovig worden, en zulks is nog niet myne mening, want 
^ ik moet nog eens op den koophandel naar 't Noorden va- 
„ ren, en ik vreze, dat myne vrouw en kinderen my gene 
„ ruft zullen laten, terwyl ik reeds zelven buiten dat on- 
„ ruftig genoeg ben. '' Een ander zeide tot een der Mis- 
fionariffen, die in een huis te Kangek ene vergadering hou- 
den wilde: ,, Hoort, gy moet van die zaak zwygen,want 
„ ze maakt my benauwd. " Waarop hem geantwoord 
werdt: „ indien gy niet horen wildt, gaat dan uit, want 
a, de anderen willen horen. " Een derde, die zig by zy- 

D i^ 21p 



«■I 



5* 



Groenlandfche Hiftorle 



VIII. B^ 






he vrouw verontfchuldigen wilde, dat by by de gelovigen 
niet kon gaan wonen, gaf *er deze reden van, dathy voor 
cttelyke jaren derzelver leer gelafterd had. 

In het voorjaar was 'er weer naar gewoonte groot gebrek 
onder de heidenen, zo dat velen by onze Groenlander^ 
kwamen , om fpys te kopen. Velen , wier harten voor- 
heen geraakt waren , bleven by deze gelegenheid by hen, 
en fchoon zommigen weer vertrokken, men had intiiirchen 
zo veel gewonnen , dat zy het Evangelie gehoord hadden 
en niet ledig heen gingen. 

Ettelyke kooplieden , die den winter enige mylen naar 't 
Noorden gewoond en den heidenen iets tot ftigting gezegt 
hadden , trokken ook by derzelver terug komft ettelyke 
huisgezinnen naar dit geweft, om dat ze nader by 't Evan-- 
gelie zyn wilden. Deze lieden kwamen van tyd tot tyd 
tot een bezoek, en lieten hunne namen aantekenen , ten 
l3lyke dat ze voornemens waren, hier te eniger tyd met 'er 
woon te komen. 

S. 5. 

Ten aanzien van zulke in de nabyheid wonende heide- 
' nen , kwam het den MiffionarifTen zeer wel te ftade , dat 
ze Groenlandfche mede-arbeiders hadden , die zig boven 
anderen, welke de genade ook geenzins verzwegen, ver- 
pligt rekenden . onder de heidenen te getuigen en ze tot 
het geloof op te wekken. Onder dezen gaf Daniel , een 
nog 'in leven zynde (*) vrymoedige getuige, meermaals te 
kennen, dathy niet ruften kon, eer hy zyne broeders en 
andere bekende vrinden in 't Noorden tot het genot der 
zaligheid zoude genodigd hebben. Men kon hem , van 
wegens de velerly dreigende gevaren zo van buiten als 
van binnen, hiertoe niet aanraden, doch op deszelfs gedu- 
rigen aandrang moeft men hem met den zegen der Gemeen- 
te en in gezelfchap van enen anderen Groenlandfchen mede- 
arbeider , Jonas genaamd , laten varen. 
Kort daarna werdt men ten hunnen opzigte zeer bekom- 
merd* 

C * ) Doch by is na myn vertrek , in 't jaar 1762, over- 
leden. 




Gefch. van Nieuw-Herrnhut* 1753. 



53 



merd. AVant een huisgezin, dat uit Noorden kwam, verhaal- 
de , dat ze door een zeerover van hunne kinderen waren 
beroofd geworden, en zelven metflagen en ilotingen met 
defnaphanen zeer kwalyk behandeld, om dat ze de kin- 
deren niet hadden willen overgeven. En toen zy zig niet 
langer hadden weten te helpen, hadden ze de namen der 
MiirionarilTen en des Koopmans uitgeroepen , en met de 
hand naar het land gewezen, als ofdezelven in de naby- 
heid waren. Hierop had men ze laten varen , maar nog 
enige reizen naar hen gefchoten. Zy hadden ook bemerkt, 
dat 'er in het fchip nog meer geftolene Groenlanders moes- 
ten voorhanden zyn. Des het te vrezen was, dat onzetwe 
Groenlanders , zynde een paar zeer wakkere jonge man- 
nen, ook zouden weggevoerd zyn. Dan zy kwamen kort 
daarna behouden en vergenoegd tehuis , ettelyken hunner 
bloed -verwanten medebrengende. Zy waren leventig my- 
len naar 't Noorden gevaren, en hadden aiomme, waar ze 
menfchen vonden, doch vooral by hunne bloed - verwan- 
ten , het woord der verzoeninge met vrymoedigheid ver- 
kondigd , en op zommige plaatfen gewillige en begerige 
zielen ontmoet, fchoon het hen ook aan Imaad niet ont- 
broken had. „ Wy hebben (zeiden ze) nu ook ondcr- 
„ vonden , hoe 't is , wanneer men zig een geruimen tyd 
„ van zyne broeders afwezig in 't midden van ongelovigen 
„ bevindt. Wy waren als de onnozele kinderen jegens hen ^ 
„ en konden ons in 't geheel niet meer in hunne manieren 
„ en zaken vinden. " De broeder van den enen was met 
zyn huisgezin reeds op den v^/eg ge weeft , om herwaards 
te komen , doch in de handen van den Zeerover gevallen 
zynde , die hem van zynen gehelen huisraat als mede van 
de Kajakken beroofd had, was hy van 't voortzetten zyner 
reis afgefchrikt , Het zig egter nog bewegen , zynen 
broeder te volgen. Doch dit waren niet de enigfte bui- 
ten dezer reis , in de volgende jaren kwamen nog velen , 
die by deze gelegenheid uit den mond Jiunner land -ge- 
noten gehoord hadden , hoe zalig men by den Here jefus 
kven kan. 



Ds 



% 64 



u 



^roenlandfche Hiftorie yill. B. 






^M' 



§, 6. 

Ondertuflchen was het grootfte gedeelte der Groenland- 
fche Gemeente onder opagt van een Miffionaris op de hi 
nngyangft geweeft en had het Pinkfter-feeft , dat aewo- 
«elyk in dezen tyd valt, in het open veld raet velen zt 
, gen gevierd. Naderhand begaven ze zig naar den Zond 
op de zeehond-vangft, (*) en waren zo viytig en geluk, 
^ig, dat ze den Koopman ene aanzlenelyke party zee- 
honds-ipek leveren konden, zonder zig zelven te bena- 

Het aangenaamfte in dezen was, dat ze gezond en bv 
20 vele gevaren bewaard gebleven waren. De zomer was 
èeer flegt, ftormagtig en koud, geen maand zonder fnet^; 
in January was ene felle koude, in Juny reeds vorftweeV 
en m Auguftus ene menigte van dryf-y^. Velen waren om- - 
geüagen, doch met meer dan een om het leven geraakt 
Van enen, die op de jagt was, had een hevig wind , de 
K^jak van 't land in de zee gedreven. Hy fprong op een 
Jlukyseni-oeide met de handen naar deV./l^ (?nder^ 
tuflchenbrakhetysalengskens aan ftukken , en toen hv 
de Kajak ingehaald had , en met den enen voet in dezeK 
ve flapte, brak het overige ys onder den anderen voet 
t' enemaal Len ander moed in February met zyn Kafak 
ppeen ftuk ys vlugten, en 'er de ganfche nagt in z(ne 
natte klederen zitten , want by 't uitflappen was hy tot on. 
der de armen in 't water gevallen. Het ys dreef met den 
ftroom zeewaards,zo dat hy gene redding zag. Eindelvk 
yerdeelde zig het y. zo dat hy 'er kon tuflchen varen en 
mar het land komen. Kort voor de kersdagenzageender 
Europeaanfclie Broederen, die op het land was om Eider- 
vogelen te fchieten een omgeflagen Kajak dry ven, en 
zoncu er zyne tvve Groenlanders ,-die in "hunne k;4>{-.« 
de vogelen uu het water haalden , naar toe. DeV brae- 
ten enen armen jongeling, die op de volkplanting te huis 

hoor- 

(*) ISen van hen had ook in den zomer enen jongen waï^ 
yifch, d,e vyf en twintig voeten lang was, gefchoten/'t c^eu 
te offltrent iet zeldftams is. ■ '■. '=^.^^. 



Gefch. van Nieuw-Herrhut. 1753. 



5$ 



hoorde en genoegfaem dood gevrozen was , aan land ,de«* 
den hem hunne droge klederen aan, en bragten hem tot 

^In den zomer werden de Miffionariffen en hunne huisge- 
noten met allerly ziekten bezogt. De meeden waren bed* 
le^erig ten dele aan de roos , ten dele aan keel-ziekten en 
ene foort van hete koortfen. Des in dit jaar het bezoeken 
naar buiten niet dan zeer fpaarfaara en met de heen en weer 
varende Groenlanderen geichieden kon. Op ene dezec 
reizen gebeurde het , dat ze onder het vallen van vee[ 
fneuw van den weg afdwaalden, en toen zy eindelyk aan 
land kwamen en nauwelyks uit het vaartuig geflapt waren, 
brak de vrouwen-boot, door de zwaarte der zee-honden, 
waarmede hy geladen was, aan (lukken, zo dat elk zag, 
hoe getrouw de Engel des Heren zyne hand over hen lie- 
den gehouden had. 

§. ^ 

By het intrekken in de winter-huizen werdeu twe hui^-^ 
g;ezinnenvermifl:,die door de Broeders wel niet gedoopt, 
doch ene wyl onder derzelver opzigt en beforgmg geweed: 
waren. Het ene was de weduwe van den in 't voorleden 
jaar zalig ontüapenen Jacob met hare kinderen , die weer 
naar de volkplanting trokken. , , . ^ it 

Het andere huisgezin was voorleden jaar van de volk- 
planting Friedrichsbaah , waar de man , Jacob genaamd , 
in twift geraakt was, vertrokken, en wilde met deszelfs 
heidenfche landsgenoten naar 't Noorden trekken , maar 
zy lieten zig door hunne gelovige bloed- ver wanten overre- 
den, om hier te blyven. In dit jaar wilden ze egter hunne 
reis naar 't Noorden vervolgon. De man werdt ondertus- 
fchen door enen Hollandfclien walvis-vanger tot ene reis 
naar Europa overreed, en liet zyne vrouw en kmderen , 
tot zyne terug komd, in de verzorging der Broederen aan- 
bevelen. Zo dra men hiervan verwittigd werdt , haaftede 
men om hem weer af te halen , dog te laat. Deze man in 
Holland voor geldgetoond wordende , meenden enige vrm- 
den aldaar uit deszelfs manieren van doen te moeten beflui- 
ten , dat hy door de Broeders gedoopt en miilchien met 
lift of gewelt ontvoerd was. De omftandigheden dezer ont- 
dekking verdienen wat breedvoeriger aangemerkt te wor- 





Groenlandfche Hiftorie VIII. B. 



m 



SS 

den. Zy noemden hem eerft de namen der MiffionarifTfJ 
Dan nadcmaaldeze hyde Gr.-enlanderen nierdan bvdS 
zelver ooop-namen bekend zyn , zo verftondt hv ze niet 
Doch wanneer een der vrienden de wvze van het ieH 
fslfeer.. Bloed-€erechti^beid enz. bego^n te zingen .oÏÏ 
de Groenlander teutond mede, en vervolgde eni"e vaa? 
, fen op dezelve wyze. Om nu tevens gewafr te torden 
of hy van de Duitfche dan Deenfche zendinge wts zinSa 
2e de wyze van \ lied: ^ ' ^^^^^^ 

Myne weide zy, o lieflle Heere! 
.Daar ik 's hemels goed in fmaak , 
V^ leeven, U alleen ter Eere, 

En uw aanzicht tot vermaak 
Ben ik wel geen Held, veel uit te werken. 
Uw genade kan genoeg my fterken. 

Handel met my naar uw' luft. 

Tot myn hart in 't uwe ruft. 

Ene wyze, die in de gewone lieder-bneken niet bekend 

fthen waïfvr^*^^^'''^^"^^^ vanrfen mede. OndeS 
ichen waren er meer aanfchouwers vergaderd Dezen 
fprak de Groenlander aan; fchoon men nu van zyne aan" 
fpraak mets dan de woorden Jefus Kriftus verftaJn kon , 
int zyne gebaarden moeft men egter -opmaken, dat hy, "n 
degedagten een hoop van heidenen vo„r zigte hebben, hen 
de veragtinge der wereld en de liefde des Heiland aan- 
pryzen wilde, ^vant hy wees dikwerf met 2;nvmgtend 
gelaat op de zaken, die in 't vertrek voorhanden waren ^ 
floeg met de hand op het hart, en viel op zyne knienf Fen 
ieder ftondt 'er verbaaft over. Doch dewyl men 'ër n d? 
ftad van begon te fpreken, en het volk van 't fchip nis! 
fch.en vreesde, dat hen deswegen rekenfchap mogt^S- 
eifcht worden, werdt hy weer aan boord gebragt T)nÊ 
tuffchen was 'er de Müïionaris Stacb, die lig toen te SS- 
f er ft^ ï,; van verwittigd geworden. H^haadteS 
eerften, om naar Amflerdam te komen, teneinde dezen 
man uu zulk enen zeldfamen en voor een redelyk fchepS 
onvoegfamen toeftand te verloflen; dan hy kwam e laat 
?lzohy reeds geftorven en op den kerkhof te ivLS 
^««begraven vvas. Uit velerly omftandïgheden kon de 
Miffionansopmnken , dat hy de reis vrywillig gedaan had! 
4at dcgcivehcpi tGt zegen haü veWkt r Ju " dÏÏf 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. i75'3. gf 

hy zig met de heidenen weer ingelaten had , tot red- 
dinge zyrer ziel uitgevallen was. Zyn nagelaten huisge- 
zin heeft zig vervolgens naar hunne eigene bloed -verwan- 
ten begeven , en is met dezelven verder naar 't Noorden 
verti'okkea. 



§. 8. 

Had metr dus fès menfchen verloren, men bevondt,dat 
dezelven door feven en leftig nieuwe aankomelingen , en 
dus meer dan tienvoudig waren vergoed geworden , ter- 
wyl deze zulk eene goede hope gaven , dat cttelyken, die 
vele jaren in de nabyheid gewoond en de onder wyzing ge- 
noten hadden , reeds onder het getal der genen, die eer- 
lang Honden gedoopt te worden , gekomen waren. Dien 
volgens werden in den herflt, volgens de gewoonte, de 
inv/oners , gedoopten en ongedoopten , zo velen als 'er 
konden, en begeerden onderwezen te worden, (en dit be- 
geerden ze allen ) in twe en vyftig gezelfchappen inge- 
richt, waarvan een en twintig uit mans- en een en dartig 
uit vrouws-perfonen beftonden. Met de gedoopten begon 
men op nieuws ene Katechifatie , en de kinderen werden 
behalven hunne Ichool-uren, in welken elke kunne in 't 
byzonder onderwezen werdt , dagelyks allen te gelyk ge- 
katechifcerd. De ongetrouwde Broeders en aankomende 
jongelingen bouwden voor zig een eigen huis, ten einde 
ze in den winter afzonderlyk wonen en flapen konden. 
Dit huis werdt door den Katechifeerder na een liefde- 
maal met ene redenvoering en een gebed ingewyd , hy 
nam ook de bijzondere opzigt over het zelve op zig , en 
gelyk hy de jongelingen te onderwyzen had, zo droeg 
hy ook zorg, dat ze tydig van een Kajak ^ en zodanig 
werktuig als tot derzelver ambagt nodig was , voorzien 
werden , 't geen den zulken , die genen vader of Heer 
hadden , uit de huishouding bezorgt werdt. 

Des zondags en in de week werden de gewone vergade- 
ringen met nieuwe genade voortgezet, en niet ligtelyk of 
^zonder de uiterfte noodzakelykjicid v^n de Groenlanderen 
verzuimd. Dan nademaal de vergaderingen by de zeer 
korte winter-dagen 's morgens en 's avonds by ligt moeten 
gehouden worden , ten einde óp Groenlanders op den dag 
niet belet werden , in het zoeken van levens-middelen , zo 
D 5 wercjt 



w 



51 



Groenlandfche Hiflorie 



VUL B. 



werdt hen voorgeftelt , hoe billyk het zy, dat zyhetfpek, 
^t welk men tot hiertoe ter onderhouding van de lampen 
van hen lieden gekogt had, zelven, elk naarzyn vermo- 
gen, bezorgden. Hiertoe waren ze ook zeer gewillig , en 
bragten zo veel by een, dat men 'er nog wat aan zommi- 
ge armen van mede delen kon. 



I 



%• 9' 






^^J<-: 



Van de nieuwe inwoneren werden de onkundige zieleq 
allengskens de ene na de andere verlicht, en met een op- 
regt verlangen naar de zaligheid in 's Heilands bloed ver- 
vuld, ^t geen de ene meer, de andere minder, doch genoegV 
faam allen , en dikwerf niet alleen met woorden, maar ook 
met tranen, te kennen gaven, zo dat 'er nopens de opregt- 
heid van hun verlangen geen twyfel over bleef. Dienvol- 
gens werden in dit jaar twe en dartig zielen der Gemeen- 
te door den heiligen doop ingelyft. Ifaak Kalnak was 
de eerfte,en Maria Therefia Arnakok^i de dogter vanzyne 
zufter, de laatfte. 

Tot het H. Avondmaal werden agt en twintig gedoopten 
toegelaten, en fes paren in den Egt verbonden. Van de 
feven en feftig nieuwe inwoneren zyn vyf perfonen onge- 
doopt geftorven, die egter het Evangelie met zegen ger 
hoord hadden. Onder de zeventien gedoopten , die in hun- 
ne euwige woningen ingegaan zyn , verdienen de vyf vol- 
gende voor al aangemerkd te worden : 

I.) Hedwig^ was in 't jaar 1746 gedoopt , 1750 tot het 
Avondmaal toegelaten en eerft in dit jaar in den Egt ge- 
treden. Haar gang in dezen tyd was eenvoudig, nederig 
en tevens vrolyk, des aan weinige afwiiTelingen onderwor- 
pen. By de haring-vangft te Piffikfarhik werdt ze door 
hevige kolyk-pynen, verzelt met brakingen van gal, aan- 

§etaft. Wanneer men dagt, dat ze niet meer fprekenkon, 
ego n ze te zingen: 

Ach , Lam , myn's hartens lieflykheid ! 

Gy hebt een bed , zo zacht. 
Uw' armen zondaars toebereid,* 

Daaraan word nu gedacht. 






Gefch. van Mieuw-Herrnhut. 1753. 53 

Men fpreekt, en zingt, en fpeelt 'er van : 
Doch voelt meer, dan men zeggen kan 

Van uwer Zyde zaligheid, 

Eere zy haar gezeid ! 

Wees niet den vinger om hoog en vroeg de omftanders^ 
of ze dan niet zien konden , dat de Heiland met zyne won* 
den 'er tegenwoordig was, en op haar wagtte. Dit warea 
hare laatfte woorden, waarop ze fchielyk en zagtontfliep. 
Haar ontzield lighaam werdt naar Nieuw-Herrnbut gebragt 
en aldaar begraven. 

o.) Beata^ ging^^a drie dagen in barens-weê en een har- 
den arbeid, zonder cgterverloft te worden,toegebragt te heb- 
ben, in hare ruft. Dit is onderde Groenlanderen iet zei d- 
faams. Ene andere, by voorbeeld, (te weten de weduwe 
van den onlangs ontflapenen Mofes^ liep van \ viffchen op 
het ys naar huis , en , ziende dat 'er vremden in 't huis 
waren, begaf ze zig in een Groenlandfch proviant-huis* 
je , alwaar ze van een welgefchapen zoontje verlofte , 
't welk ze zelve kort daarna ten doop bragt. 

3.} Thomas^ werdt in zyn Kajak door enen zeehond 
omvergehaald, (*) enige dagen daarna gevonden en al- 
hier begraven. Hy was in 't jaar 1743 met zynen broe- 
der Nathana'èl herwaards gekomen , he|; volgende jaar ger 
doopt en in 't jaar 1750 tot het H. Avondmaal toegelaten. 
Zyne twee huwelyken voerde hy zo als het enen gf eftely- 
ken Priefter betaamde. Van geeft was hy levendig en in 
zynen ommegang aangenaam. Dan 't geen, waardoor hy 
de meefte agting en genegenheid naar zig trok , was de 
gevoeligheid van deszelfs hart omtrent het lyden en fter- 
ven van zynen God en Zaligmaker, als mede de vreugde, 
die hy had , wanneer hy van 's Heilands wonden hoorde 
Ipreken en zingen. 

4.) Helena <, was ene der eerften opgewekten, en ook 
ene der eerften inwoneren van NieuwMermhm^ zy ver- 
trok egter met haren zaligen man Lahan fchielyk weer naar 
't Noorden, en kw^am in 't jaar 1743 , toen ze nergens ruft 
vonden terug. Zedert dat ze gedoopt en tot het 11. Avond- 

maal 

(*) Dit omverhalen gefchiedt, wanneer de lyn, aan welke^ 
de blaas vaft gemaakt is, om de Kajak of het lighaam vafl raakte 
20 dat de Groeolander mede onder het water getrokken wordt» 



é& 



Groenlandfche Hiflorie 



VIII. B. 



m 



^' ■ X. 



maal toegelaten werdt, heeft ze een (lil en vergenoegd le- 
ven in ommegang met den Heiland gevoerd , en , in hare 
langdurige jicht-ziekte , allen , die haar bezogten , ver- 
blyd met haar vergenoegd gelaat en fligtelyke gefprck- 
ken van haar innig verlangen om ontbonden te worden. 
5.) Boas^i anders Okkoniak ^ een der allereerften lnwo« 
neren, op wiens volkomene bekering men twaalf jaren wag- 
ten moeft. Hy kwam in 'c jaar 1738 met zynen zwager 
Samuel Kajarnak tot ons. Dan de moordenaren zynen 
broeder Innungeitfok in 't jaar 1739 vermoord hebbende , 
en 't ook op zyn leven toeleggende , werdt hy door 6'^- 
?»f/^/ naar 't Zuiden in zekerheid gebragt. In 't jaar 1740 
kwam hy terug , voer egterkort daarna met zynen broeder 
Tuffillartok verder naar 't Noorden. Dan door de ongeruft- 
heid van zyn hart werdt hy weer hier naar toe getrokken. 
Hy verweerde zig egter tot 1749 , eer hy zig t' eneraaal 
van de wilden los maakte , in dezen tyd moeft zyne zalige 
2ufter Anna zig gedurig by hem ophouden. Eindelyk 
kwam hy nader, en de koften reeds lang overwogen heb- 
bende, gaf hy zig ook zonder verdere bedenkinge den He- 
re en der Gemeente over , werdt 1750 gedoopt , 1752 tot 
het H. Avondmaal toegelaten, en kort daarna tot zyn in 't 
heidendom aangegaan "huwelyk ingezegend. Hy had een 
teder gevoel van den Heiland , ene ongeveinsde broeder- 
liefde , een nederig hart en zeer geringe gedagten van zig 
zelven. In zyne ziekte was hy een ieder tot ftigting , en 
men kon hem zonder tranen van vreugde niet aanzien. 
'Er vertoonde zig iets van het beeld van Jefus in zyn ge- 
laat, en daar hy anders van enen zeer zagten en ftillen 
aart was , waren zyne uitdrukkingen van 's Heilands won- 
den , die hy nu haaft , na een gevoelig geloof , hoopte 
te zullen aanfchouwen, des te nadrukkelyker. Wanneer 
zyn broeder benevens ettelyke bekende vrinden , die nog 
onder de wilden wonen, hem op zyn ziek-bedde bezog- 
ten , prees hy hen de zaligheid , die hy gevonden had , 
zo zielroerende aan , dat ze met tranen beloofden , de- 
zelve ook te zuilen zoeken. Hy bleef by zyne kennifle 
tot aan 't einde, en riep dikwerf: Ach boefeboon! hoe aaw- 
genaam l en gevraagd wordende : wat dan? antwoordde hy: 
my^ Heiland l zyne wonden! en dus ontfliep hy met een 
Igchend wezen, allen aaawezenden tot een onuitwiffchely- 
k^n indruk. 



§. IQ. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1753. 6t 

§• 10- 

Vanby-zaken zal ik nog het volgende aanmerken: Het 
fchip kwam hier den I4den Juny aan , en vertrok weer 
in aWuüus ,om naar Friadrichshaah te zeilen, kwamegter 
binnen drie weken terug , na in ftorm en ys veel gevaar 
uito-eftaan en allerly fchade geleden te hebben, zonder eg- 
ter'ter beftemder plaatfe te hebben kunnen inlopen. Des 
moeft de Zuider-volkplanting hare levens-middelen van 
hier laten halen, en by die gelegenheid kwam de Miffio- 
naris dier volkplanting, de Heer Bucb^ herwaards tot eert 

bezoek. ,,,.-, j 1 

In dit jaar kwam ook een der bedienden van den koop- 
handel terug van ene reis , die hy zuidwaards gedaanTiad, 
met oogmerk om de ooft-kuft van Groenland te ontdekken. 
Hv zal miflchien enige mylen verder dan de zalige Heer 
E^ede geweeft zyn, en had ook verfcheidene ter neringe 
bekwame plaatfen, als mede vele menfchen, maar tevens 
zo veel ys ontmoet, dat men 'er, zyns oordeels, niet lig- 
telyk in een ander tyd van 't jaar dan in de maand Septem- 
ber zou kunnen landen. 

Voor drie jaren waren twe gedoopte huisgezinnen van 
ene andere volkplanting, met een hartelyken brief van der- 
zelver Million ar is ter aanbevelinge aan de Broeders, by huu"^ 
ne bloed-verwanten te Nieuw- Herrnbut gekomen, en voor- 
leden jaar weer terug gekeerd met een getuigenis van hun 
goed gedrag , benevens een brief aan den Miffionaris. Dit 
gafgelegenheidt tot het volgende antwoord, dat ik, met 
\iitlating van onnodige by-zaken, wegens deszelfs ftigtely- 
ken inhoud, uit het Deenfch vertaald mede delen zal. 



„ In onzen gemeenzamen Heiland opregtelyk be- 
minde Vrind en Broeder ! 

T/bor mven zeer aangenamen brief met de gedoopte Groeft'^ 
y lander en, die voorleden herffl bier aankwamen^ ben ik 
u ten uiterfte verpligt en velen dank fcbuldig , waarvan ik 
wy tans op bet vrindelykfte en bartelykfte kwyten wil ^ ter-^ 
ii?y/ ik siekgenbêid beb ^ om deze weinige regelen^ dom 
"" ^ ^ €mg€ 



éfi 



Groenlandfche Hiftorie 



virr. B. 



m 



m 



'->''i 



enrge Groenlanderen , die naar uwe huurt varen , te be- 
vorder en, 

het %vas my in der daad éne floffe van vreugde en 'van op- 
ivêkkinge tot lof en prys van den Here^ ivanneer ik niet ah 
leen uu uwen aan genamen brief ^ ^^^arook uit het mondeiifip- 
herigt der Groenlanderen vernam^ dat de getrouwe Heiland 
de beloften zyner genade dagelyh vervult ^ en de verkondi- 
ging van het Evangelie van zynen hloedigen dood aan vele zie- 
len zegent^ die de getrouwe Fr ind der zielen zelve 'tot zi^ 
trekt en naar zig toe lokt , als een loon voor den angft en 
mod, die by voor ben beeft uitgejiaan , en dat by u geliefde 
Broeders ook dagelyks nahy is met de zalige vrugten zmn 
hloedigen doods. '^ 

Wat my armen aangaat , ik kan mynen Ontfermer pr\fen 
dat ik weet en geloofd dat het met myne ganfche zaligheid 
aankomt op Jefus den gekruifien te kennen en in hem gevon- 
den te xtjor den ^ en dat ik ene gerechtigheid heb ^ niet uit de 
*werken en de uitwendige vroomheid^ maar uit het ge love 
tn Jefus Kriftus^ waarmede ik alleen tot de weder opflandin- 
ge der doden komen kan. Dit is ook 't geen ik den armen 
Groenlanderen gedurig tragt te verkondigen^ naar de ge- 
nade en kragt^ die my de getrouwe Heiland zelve daar t ge 
jcbenkt^te wetenden onnafpeurelyken rykdom van 's Hei lands 
genade voor allen ^ die zig als arme en ver home zondaren 
tot hem wenden, en de verzoening ^ die hy door zyn lyden en 
het vergieten van zyn bloed te wege heeft gehragt in bet 
geloof aannemen ivillen. Dit eenvoudig woord des kruifes 
beeft hy ook voorleden winter aan ettelyke zielen gezegend 
die ik ook, niet zonder gevoel hunner harten , dat ze enen 
Heiland nodig hebben, tot den doop aangenomen heb, en de- 
^ maken met de weinige kinderen , die van de voorheen 
gedoopten geboren zyn , vyf en dartig zielen uit. De 
barmhartige Heiland, die begonnen heeft , om ze tot de zali- 
ge kennijfe zyner genade te leiden , openbare zig verder als 
de Heiland en Zaligmaker a^n hunne arme harten, Hy doe 
ze ondervinden de kragt zyns bloeds, om, ze te begenadigen.. 
te heiligen, te reinigen , en in tydt en euivigheidt volkomen 
zalig te maken. 

In 't voorjaar van 1 752 woedde in onze buurt ene algeme^ 
ne ziekte onder de Groenlanderen, aan welke niet alleen meer 
dan de belfte der gedoopten., maar ook ene ongelooflyke me- 
ntgte van heidenen zeer fchielyk geflorven zyn. Deze ziek- 

ti 



Gefch. van Nfeuw-Herrnhut. 1753. 6$ 

te duur/ie den ganfcben zomer , doch tegen den herffl vet^ 
fpreUhh ze zig verder Noordwaar ds , waar ook de mees^ 
ten zullen gejiorven zyn. . De mynen , die hy my op het 
land wonen , beeft de ontfermende Heer tot nog toe ge^ 
fpaard. 

Nti geliefde Friend en Broeder , groet uw ganfche huis-- 
gezin , en allen die den Here ^efus lief hebben^ van my, 
hunnen armen doch door des Heilands genade met een op- 
regt hart liefhebbenden Broeder. De Genade van onzen 
Here Jefus Kriftus zy met u allen ^ en doe uwe zielen de 
znlige vrugten zyns bleedigen doods dagelyks genieten. 
Gedenkt ook aan rny^ wanneer gy u voor 's Heilands voe- 
ten in 't ftof neder werpt , en bidt voor my. Dit vertrou- 
we ik van f/, Cach dat ik u zien en fpreken kony en ih 
deze hope eindige ik met hdrtelyke groeteniffe van my eé 
mynen Amts-broeder , terwyl ik onder toewenfcbing van 
heil en zegen naar ziel en lighaam hlyf enz. "^ 



HEf 



m 



«r* 



Groenlandfche Hiflorie 



VIII. B. 






m 



m-r 



>.•%'-■ 



HET TWE EN TWINTIGSTE JAAR 

1754. 
INHOUD. 

§» I. January. Menigte van ontflapenen in dit jaar. Berigt 
van het vieren der Zon- en Feeft-dagen der eerfte 
Maand , en den dageïykfen gang, 

5. Q.. February. Feeft der voorflellinge van het hindehen Je^ 
fus in den TempeL Tien perfonen worden gedoopte 
Gedagtenis van ettelyke ontflapenen. 

§. 3. Maart. Felle houde , gevaar hy de hofiwinninge, WeU 
dadigheid der gelovigen. Het werk der genade on-' 
der de opgeivekte heidenen. Feeft van '^ Hei lands Menfcb^ 
wordinge. 

%. 4. April. De heidenen worden hezogt ^ het Paafcb- feeft in 
zegen gevierd ^veertien gedoopt en drie paar getrouwd. 
Kwade gevolgen van bet bezoek zommiger Walvisvan- 
geren* 

S* 5. May. De bezigheden ter koftwinninge geven goede 
aanleiding de heidenen te bezoeken. Onder de Groen^ 
landeren ontftaat ene befmettelyke ziekte. Aanm rkin* 
gen daar omtrent en gtciagtenis van ettelyke ontfia* 
penen. 

f. 6. Juny. Johan Bek volgt de ziel?en Groenlanders op dé 
haring-vangft , wordt zelve ziek en van Matth^us 
Stach bezogt. Te Piilikfarbik wordt een Kerk bofaan^ 
gelegt. 

5* 7* J^ly- Terug-komfl der Groenlanderen. De ziekte ver* 
mindert. Vertroofting bierover uit Europa. 

%. 8. i^uguftus. Begin van het vijfcbers- kantoor. De Gr oen- 

ian^ 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754; 63 

/anders worden onder bunnen arbeid hezogt , en ette-^ 
lyke beidenen komen om te blyven. 

§. 9. September. Gods verzorging der arme weduzven en 
wees-kinderen, Vermeerdering der overtuigde beids'^ 
nen ^ en derzelver bekijven, 

§. 10. Oöober, ï)e intogt en inricbting der Groenlanderen. 
Verdeling en vryivillige verzorging der armen\ en bet 
dmrhy zorgvuldig in n^ te nemen oogmerk. Gevaren^ 
en ongelukken op dé zee. 

j. II, November, De Leerlingen , vermeerderen en geven 
goede bope. De goede bezvegingen onder de beide- 
nen in de Viffcher-Fiorde worden door ettelyke toe-^ 
gezondene liederen onderhouden en verlevendigd. 

§. 12. December. Bezoek onder de beidenen. Berigt van 
den laat ft en Gemeente- dag f) bet Nieuwe - jaar der 
Groenlanderen , de Kers-dê'gen , en de Nagt-waak 
van ^t Nieuwe-jaar. 

f. I. 

Dit jaar is vooral daarom aamtierkelyker dan enig ander .^ 
dat de Heere r) naar zyn den meiifchen dikwils onna- 
rpeurelyk raads^ bedel , de Groenlandfche Gemeente der- 
maten bezogt, dat, behalven de ongedoopte leerlingen, 
omtrent feilig gedoopten uit den tyl in de zalige euwig* 
Iieidt geroepen werden, 't geen nog voor nog na dien tydt 
In zulk een getal gefchied is. Hiervan zal by elke maand, 
(want gene 5 behalven January en December, waren zonder 
fterfgevallen ) als mede van ettelyke uit- en inwendige 
omfïandigheden der Groenlandfche Gemeente gefprokea 
worden. 

Het jaar werdtmet het H. Avondmaal begonnen ,"1 welk 
deze reis van allen, te weten honderd fes en veertig per- 
ionen, kon bygewoond worden, alzo zy allen naar 't lig- 
haam gezond , en naar de ziel dermaten gelteld waren , 
dat men reden had , om zig óver hen te verblyden. 

De in deze maand invallende Feeft- en Gedenk-dagen , 
te weten het feelt der verfchyninge van Kriftus ^ zyiide 

IIL Deéh E het 



r 



66 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 




het feeft der heidenen, en de 19de January , zynde de 
dag der eerde zendinge naar Groenland , werdt met gena- 
de en vreugde gevierd. Op het eerde , te weten den 6den 
January , was de voormiddags Predikatie over de woorden ; 
2a/ig zyn de genen , die bet woord Gods boren , en bet zel- 
ve bewaren. Luc, XI: 28. en de namiddags Predikatie ovet 
Epbef. II: 19, ao. Zo zyt gy dan niet meer vremdelingen en 
hywooners 9 'maar mede - burgers der beiligen en buisgeno' 
ten Godsh gebouivd ep bet fondament der Apo^elen en Pro- 
pbeten^ waarvan ^efus Kr ijl us is de uit erft e boek ft een, In 
de toepasfing werdt gefproken van de aanneminge tot den 
doop , van 't geen zulke nieuwe huisgenoten Gods te ge- 
nieten hebben , en hoe ze zig behoren te bereiden tot den 
aanftaanden doop en de overige te verwagtene heilgoede- 
ren van Gods huis. Daarna werden twe getrouwde man- 
nen, een ongetrouwde, drie vrouwen, vyf weduwen en 
vyf ongetrouwde vrouws-perfonen , te famen leftien uit- 
makende , aangenomen. Naderhand kwamen enige onge- 
doopten en gaven met tranen hunne droefheid daarover , 
dat hunne hope om aangenomen te worden niet vervuld 
was, te kennen, tevens verzoekende, dat men ze niei 
vergeten wilde. 

Den igden January was de maandelykfe Gemeente - dag, 
Na het voorlezen van narigten uit andere Gemeenten van 
heidenen werdt gepredikt over 5^^r^;«. XXIX: 11. Want ik 
iveet de gedacbten , die ik over u denke^ [preekt de Heer , 
gedacbten des vredes enz. Waarby de tranen zo van de 
toehoorders als van den leraar beter fpraken dan de woor- 
den. 

Vervolgens werden vier perfonen, en kort daar na nog 
ene zieke in haar huis gedoopt. By het liefde-maal van 
dit feeft werdt tot roem en prys van den Heiland erinnerd, 
hoe 't hier voor een en twintig jaren gefteld was , en wat 
na dien tyd aan dit volk was gefchied. Eindelyk werdt 
de Gemecnte-dags- afdeling (dewelke gewonelyk een der 
Pfalmen of een hooftfluk uit dePropheten is) voorgelezen 
en verklaard, ook werdt nog een weduwenaar tot den doop 
aangenomen, en dan met ene dankzegging knielende ge- 
ëindigd. 

De overigen drie zondagen dezer maand , namentlykden 
i3den, aoften en s/ften, werden naar gewoonte in dier- 
vóegen gevierd, dat na het morgen gebed (in *t welk des 
zondags een ftuk uit de Litaney van 't leven , lyden , en 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754: €7 

fterven des Heilands gebeden wordt) aan elk Koor ene 
korte vermaning werdt gehouden, en met de zuigelingen 
gezongen en gebeden. Ten aanzien der laatften wordt 
dikmaals aangemerkd, dat men ene byzondere nabyheid 
des Heiland, die uit den mond der zuigelingen zyn lof 
toebereidt, befpeurd had. De ftoffen tot de namiddags- 
Predikatien, waren genomen uit Bpbef. V: 2. van de we- 
tter-liefde tot Kriflus , die ons lief heeft gehad tot in den 
dood; uit jfef. LI: i. 2. van de holligheid des born-puts 
in 's Heilands geopende zyde, uit welke alle gelovigen ge- 
graven zyn en hunne dagelykfe onderhouding hebben ; en 
uit ^ef. LXI: 10. van den mantel der Gerechtigheidt in 
Kriftus bloed. De laatfte algemene zondags-vergadering 
tot de Lifaney was altoos met ene byzondere genade ver- 
zeld , en werdt niet ligtelyk door iemand verzuimd. 

De vergaderingen op de werk-dagen konden niet altoos 
in behoorlyke orde gehouden worden, om dat 'er dikwils 
zulkeene fneuw-jagt viel , dat men niet uit het huis komen 
kon. Intuffchen hielden dan de Groenlandfche mede- arbei- 
ders in hunne huizen ene korte vermaning en zing- vergade- 
ring , gelyk ook een van hen wekelyks een- of twemaal de 
vergadering op de zaal hieldt. Zulke ruft-dagen werden 
door de Broeders merendeels gebruikt tot oefFening in de 
taal, ter vertaling van het een of ander , en terdoorlezinge 
der uit Europa toegezondene ftigtelyke boeken en narigten. 
Dan de Groenlanders, die dikwerf voor zulke ftormen uit* 
gevaren waren om vogelen te vangen, geraakten meermaals 
in de uiterfte levens-gevaar, te meer nu 'er weer zeer veel 
ysinde Fiorde gedreven werdt. Velen moeften op on- 
bewoonde eilanden viugten , en 'er een of meer nagten 
blyven. Zommigen werden omgeflagen , en half dood 
gevrozen gered, en tot zig zei ven gebragt; anderen moes- 
ten , na de nagt op een ftuk ys toegebragt te hebben, 
met hunne Kajakken ene grote myl ten dele over 't ys 
gaan , ten dele 'er tuffchen door varen , terwyl het ys 
dikwils onder hen brak, zo dat zy 'er dikwerf tuffchen 
raakten» 



E% 



3, 



68 



Groenlandfche Hiflorie 



VIIL B. 



§• 2. 

Tn February ging het in den zelven gezagenden gang 
voort , terwyl egter de uitwendige omftandigheden even 
flegt bleven Den ^den February, zynde het feed der voor- 
Itellinge van het kindeken Jefus in den Tempel , op een 
zondag invallende, werdt dat feeft gelyk de zondag ge- 
vierd, behalven dat, in plaats van de koor-vergaderingen^ 
wegens het flegtevveêr, ene Predikatie, over het Fee(l-E- 
vangelie uit Luc, II. gehouden werdt , en in de toepaffing 
den weduwenaren en weduwen in 't byzonder zulk ene 
vreugde over de vertrooftinge Ifraëls toegewenfchd , als 
Simeon en Hanna eertyds ondervonden, wanneer ze het 
kindeken Jefus zagen en in hunne armen namen. Vervol- 
gens werdt het H. Avondmaal gehouden. 

Den i7den, zynde de Maandelykie gemeente-dag, wer- 
den, na ene Predikarie over ijoh, V: 6, 7. tien p'erfonen 
gedoopt. Zy beantwoordden *de hen gedane vragen met 
ene befcheidene vryraoedigheid , en een vloed van liefde- 
tranen. Na ene redenvoering over de aanneminge werdeti 
agt leerlingen , die hun verlangen dikv^ils te kennen ge- 
'geven hadden , tot den doop aangenomen , en over hen ge- 
beden. 

In 't algemeen befpeurde men in de gefprekken met de 
beftierders der gezelfchappen, en de mede- arbeiders , dat 
de H. Geeft zeer werkzaam was aan de harten der nieuwe 
inwoneren, en men werdt dikwils verblyd met aange- 
name getuigeniffen nu van dezen, dan van een anderen. 

In de vorige maand waren vier kinderen, maar in deze 
flegts een geboren en gedoopt. Het zoontje van den Mis- 
lionaris Joban Bek^ dat ook in dezen tyd geboren werdt, 
werdt by den doop Chrijïian Renatus genaamd. 

Den 4den February ging een jongeling van veel geeft 
€n verwagting , na lang aan de uittering gezukkeld te heb- 
ben, zalig uit den tyd. Van dezen wordt 'er dusgefprc- 
ken: Onze Chrïftïan was 1737 in 't Noorden geboren, hy 
kwam in 't jaar 1746 by ons, werdt het volgende jaar ge- 
doopt, en 1750 tot het H. Avondmaal toegelaten. Hy was 
levendig van geeft en fchrander van oordeel, leerde in de 
fchool binnen kort Groenland fch en Dujtfch lezen en fchry- 
ven 9 waardoor hy ons 20 wel by de overzetting als in 't 

na* 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754. 



69 



iiafchryven van velen dienft was. 0(3k leerde hy wat van 
deMuzyk, en hielp ons daardoor het zingen in betere orde 
brengen. Daarbenevens verzuimde hy geenzins , zig in de 
Groenlandfcbe handteringe te oefFenen , en bekwaam te ma- 
ken. Een ieder , die hem zag , moeft zig over hem ver- 
wonderen, en wy hoopten te eniger tyd enen bruikbaren 
mede arbeider, vooral by de jeugt , in hem te zullen heb- 
ben. Zyne tedere gefteldheid van gemoed was het aange- 
naamfte. Kwam hy zig by verrafTihg te ontgaan , hy was 
zelve de eerfte , die zyn misflag aanklaagde, hy weende , 
hy bad om vergiffenis. Hy begreep ook het oogmerk van 
het byeen wonen der ongetrouwde Broederen zeer wel , 
en zo dra hy hoorde , dat ze een eigen huis bouwen zou- 
den, verblydde hy zig als een kind, en bragt 'er zo vele 
hulp, als in zyn vermogen was ,toe. In dezen aangenamen 
toeftand zag men hem , vooral na de gezegende vifitatie 
voor twe jaren, met blydfchap voortgaan, na dat hy , door 
ene Imertelyke ondervinding , wyfer geworden was in 't 
goede Hieromtrent fchreef hy toen onder anderen dus : 
„ Ik was naar ziel enlighaam in enen jammerlyken toeftand. 
Want ik had het gemaakt, als lieden, die genen Heiland 
hebben. Dan de Heiland veragt geen menfch, hoe ver- 
werpelyk ze ook zyn. Ik was uit de gemeenfchap der A* 
vondmaals leden uitgefloten. Doch toen bad ik den Hei- 
land, dat hy zig myner ontfermen wilde. Eindelyk heeft 
hy my in genade aangezien , en my weer tot de gemeen- 
fchapi zynes lighaams en bloeds aangenomen , waardoor 
myn hart meer brandende en vergenoegd geworden is. Tans 
heb ik hem myn hart geheel gegeven, en zal myne ogen 
noit meer van hem afwenden. Myn hart is des Heilands, 
en met de gelovigen verenigd^ en de Heiland is in 't mid- 
den van ons. " 
In zyne ziekte zong hy dikwerf zyne beminde vaarfen: 

O Hoofd vol bloed en wonden , 

Vol fmarte, fchimp, en hoon ! 
O Hoofd ten fpot ombonden 

Met eene doornen-kroon ! ^ 
Uw Glorie, Glans en Eere 

Schynt nu als uitgedoofd. 
Ach, wat ik zulks waardeere! 

Ik groet U> dierbaar Hoofd* 



Es 



Hier 




i 



70 Groenlandfche Hiftorie yill. B. 

Hier mogt ik hutten bouwen: 

Verfmaa myn' armoe niet! 
Heer laat myn' ziele aanfchouwen > 

Hoe gy uw bloed vergiet. 
En hoe uw leen verkouden,! 

Toen Gy uwe oogen floot. 
Ach mogt ik 't Lyk eens houden 
. Opmynenarm en fchoot! 

Men kon hem noit zonder tranen van vreugde bezoe- 
ken. Toen hy befpeurde, dat zyne ontbinding naderde^ 
vroeg hy meermaals , of 'er niet haaft weer Avondmaal 
zoude zyn, en na dat zyn verlangen den riden dezer ver- 
vuld was, ging hy heden, in den ouderdom van 17 ja- 
ren , uit dit tranen - dal naar de Gemeente die boven 
is, terwylwy den Heiland van harten dankten, dat hy 
ons hem gefchonken en zo laiag tot vreugde en gebruik 
gelaten had. 

Den loden werdt hy gevolgd door de ongetrouwde zus- 
ter Sekmith. De roos, ontftaan uit een in 't aangezigt ont- 
ftoken puiftje , baande haar den weg om henen te gaan 
naar den Heiland, dien zy hef had, en in welkqn ze ge- 
loofde, fchoon ze hem nog niet gezien had. 

Zy werdt den laden gevolgd door den weduwenaar Bar- 
filiate de oudfte man in dit land. Hy was een verftandig 
en onder de Groenlanderen een aanzienelyk man, het hooft 
van een talryk huisgezin, waarvan genoegfaam allen met 
hem herwaards gekomen en ook gebleven zyn , fchoon 
zyne kinderen , voor al zyne reeds lang voor hem gedoop- 
ttAogt(txBatbfeha^ zoals boven gemeld is (*), hem ei- 
gentlyk herwaards gebragt hebben. Toen hy nog onder 
de heidenen was , vroeg hy eens een der MiffionarifTen : 
„Heb ge dan den God, waarvan gy zo veel fpreekt, oit 
,, gezien ? en kreeg tot antwoord : ^' Neen , ik heb hem 
„ nog niet gezien , maar ik heb hem van ganfcher harte 
„ lief, en ik en alle gelovigen, zullen hem ter zyner tyd 
„ lighamelykzien. '' Dit vrymoedig antwoord moet een 
diepen mdruk op zyn gemoed gemaakt "hebben , alzo hy 
nog, nam 't jaar 1747 gedoopt te zyn, zig dikwils het 
zelve te bmnen heeft gebragt. Over den ftiilen , maar bly- 

moe- 

(*) Zie|het jaar 1746. §. z. 




Gefch. van Nieuw-Herrhut. 1754.. 71 

moediaen , wandel van dezen ouden man , heeft men zig 
van harten kunnen verblyden; doch in zyne ziekte open- 
baarde zig eerft regt 't geen in *t diepfte van zyn hart 
lag, want onder de hevigtte kolyk-pynen was hy onge- 
meen wel te vrede, en zo dikwils als hy enige tuflchenpo- 
fins: van de pynen had^ zong hy deheerlykfte vaarten van 
zynes Gods en zaligmakers lyden en fterven : by voor- 
beeld: 

M^fie wonden Jefu!^ gy zyt de mynen , 
My is, als waar uw verzoenend fchynen 
Voor my alleen. 

Als mede. 

• Door uwen Geeft fterk mynen moed , 

Genees my door uw* wonden, 
Befpreng my met uw koftlyk bloed 

In myne laatfte ftonden. 
En neem my uit het traanen-dal 
Tot U , alwaar ik eeuwig zal 

U lof en Eere geeven. 

In deze maand ging ook AhtgaiU dezelve jonge dogter, 
die den loden January, ziek zynde , in haar huis gedoopt 
werdt, naar de euwigheid. Zy maakte het getal van hon- 
derd gedoopten , die in Nieuw-Herrnbut ontflapen zyn , 
vol, en dit getal maakte juift het vierdedeel van alle ze- 
dert 1739 gedoopte Groenlanderen uit. Hunne gedagtenis 
Is hl zegeninge. 



^. 3- 

De felle koude, die de ganfche vorige maand geduurd 
had, nam in Maart dermaten toe , dat glazen enftenen aan 
ftukken fprongen. Daarenboven had men zulken geweldi- 
gen vs-gang, dat zelden iemand uitvaren kon , en wie 't 
niet te min waagde , (want door het toenemend gebrek 
werden de Groenlanders naar buiten gedreven) die geraak- 
te by de minfte verandering van den wind m levens-gevaar. 
De ongetrouwde Broeder Lotb fchoot by een dergelyk ge- 
val het leven in. Hy was op een eiland gevlugt, maar 
E 4 ^ea 



■,;'. 'A. 



^'4 



7» Croenlandfche Hiftorie VIII. B. 

SdrhW'V'^' .'^'""^^'" ^y "^-ar buis varen wilde.' 
diKrlr?Jff°''''^^J'^^^^^' zyn vaartuig verbrvzeld en 
kon pfnJj, T"' ^V\ ^^^S' ^°"der dannen hem reddeS 

ten bedekd, datmen van de eilanden drie mvlen ver naar 
de volkplanting te voet gaan kon. Zo dra de vaa« vvelr 
nf.'hi-T'" ' '1? '^" '^"'^'■^^ «en de grote diende de art 
me heidenen, die, t'enemaal uitgehmigerd om LvLT 

SeS; ?n&ï -^^? -^^l-d^'en,\';el'd?„"'z?|wm5 
mede, en lieten niemand hongerig vertrekken 

By deze omftandigheden kon len aan gee^ bezoek on 
der de wilden denken, dan zy kwamen lelven in hnnnr»* 

fef geS^ddt'Tv Z'T "''^ '^P SSef VïS 
too/S^tfoAit^^^^^^^^^^ 

S^i te n '''" ^??P?"<^ ^y"^^ ' Sam?r Sn'hut. 
faars in 'r hwn-r'"- 0"^^ertuflchen maakten zig de le- 

Men Svondt d-?H."''''^ <T°"^f '^""P^^" inwonere.ne doen. 
iviai Dc\ondc,dat dè meellen eergierig waren en in H<. 

^^S;"wl™''''^ ^" ""'' verlfngeLaaïïen doop toe! 

ïeTkïïardeïy"%ï,^^'yb?nf.^"^^^''''"^ 

hoor, hoe /dis ti-,a'nd\?rS Sei? ^^^U^ 

Ik de woorden ten eertten weer. Niettemin heb ik drl 

rFeilaiTT^^'^'^^y^^'^^^ bybfyTn: I.) Bem J! 
^e Heiland, ik deug niet met al , ontferm u mvner • o\ 

uw bloed van myne verdorvenheid, en maak mvzS^ais 
ik wezen moet om zalig te worden. » Kon daSna werd r 

nomen"^- "dïrriif r'".^ '^"""^^" tot deï^top a^ngï 
nomen . clan roet de anderen op de viircherv zvnde i^ 

en ontffrrrinL'Z l'f^' ^? vertrouwen op \ie^vSe.fta 
wil MA ^/^^ beilands , uit den tyd gegaan. , 
Het H. Avondmaal werdt in 't begin dei^ maai d «rebmi 

^ %r" ^^/emèentedag kwam op den o5aeTMaarf zSÏ' 

^^'fnr^Z\ n ^eeÜ-Evangelie uit Luc. I: 06-38. ver^^e- 

^S^^r^TM^V'^f''^'^^^'^^ '^er Indianen te 
^^acügeit^ocö m i\'iemv- Engeland, en vervol o-ens vvF \ecy. 

üSflS'SS' rt Ir '^" ''^^^•'^"'^- vïn"de7erc!fe : 
r^A ■ 1 ,"'-"?'"'^s , met alleen voor zo ver hv naar zvne 
Oodüelyke maar ook naar zy„e menlchelykeUtumv^ 

dus 



Cefch. van Nieuw-Herrnhut 1754. 73 

dus niet alleen als God , maar ook als de menfile Kris- 
tus Wus belchouwd wordt, de grondüag der heihgma- 
kinse onzer menfchelyke zielen en leden is ; en, als zoda- 
nicT, in de Broeder-kerk aanleiding gegeven heeft tot het 
vi eren van het Feed aller Koren op dezen dag , zo werdt ook 
hier den gelovigen Groenlanderen, naar derzelver verfchei- 
dcne kunne en jaren, desHeilands verdienftelyk aannemen 
en dragen van menfchelyke leden, als de bron van- en het 
middel tot-heiligmakinge van ziel en lighaam voorgefteld. 
Kort daarna ging de weduwe Rebecca , de enige bejaar- 
de, die in deze maand gedoopt werdt, met een innig ver- 
langen om haren Heiland, te aanfchouwen, zalig uit den 
tyd. 

Eindelyk brak de koude in April , en het ys dreef weer 
zeewaards van het land af. Onze Groenlanders, die, fchoon 
ze den armen mede gedeeld hadden , nog al vry wel had- 
den kunnen beilaan , terwyl op andere plaatfen velen van 
honger geftorven waren , konden nu Weer op de neringe 
uitvaren, en bragten ook ettelyke Heil-botten en Zee-hon- 
den naar huis , 't geen in dezen tyd iet zeldlaams is. Ook 
konden de Miffionariffen tans weer naar de heidenen va- 
ren , by welken ze van de oude bekenden wel vriendelyk 
ontvangenen aangehoord werden, over 't geheel werdt het 
egter weinig ter harte genomen. Zy bemerkten in tegen- 
deel, dat het woord by hen, die nog vremd en t'enemaal 
onkundig waren, meerder indruk veroorzaakte , dan by 
de oude bekenden, die het reeds gewend waren. Na' alle 
huizen bezogt en allen, die zulks begeerden , vanden weg 
derzahgheid, onderregt te hebben , voeren ze weer naar 
huis, en bragten ene vrouws perfoon tot een bezoek me- 
de, en enen aankomenden jongeling, m.et toeilemming van 
deszelfs vader , om 'er te blyven. 

Vervolgens vierden ze de Feeft-dagen der week voot het 
Paafch-feeff ; lazen dagelyks een Ituk uit de lydens-ge- 
fchichte, fpraken met de Avondmaals-leden over het H. 
Avondmaal, hielden met dezelven op witten-donderdag,, 
volgens Joh: XIII. het liefde-maal als mede het voetwas- 
fchen , en in den nagt , in welken onze Heer verraden werdt , 
het H. Avondmaal. De dankzegging werdt , op goeden 

£ 5 ^^> 



74 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



vrydag s morgens, op het aangezigt voor den Here lie- 
gende en hem onder vele tranen aanbiddende, gehoudèi 
Ook kwamen ettelyke heidenen tot een bezoek, en woon- 
den de vertondiging van den dood des Heren in de open. 
bare vergadenng , met zonder aandoening, by: zommigen, 
wier bloed- verwanten hier reeds woonden, bleven ï 

DeneerftenPaafch-dag begaf zig de Gemeente des og- 
tents vroeg op denKerk-hof, vernieuwde de gedagtenfs 
der zederthet laatftleden Paafch-feeft ontHapenen agS 
Broeders en Zufters, door dezelven by hunne namen t" 
roemen en bad , in hope van ene zalige opftandinge, om 
de euwige gemeenfchap met hen en de ganlche gemeente" 
die reeds om den troon des Lams is. Op de laai terug 
gekomen zynde, werdt in de leer-reden gefproken van onl - 
deelgenootfchap aan 's Heilands ruft in 't graf, en aan zy- 
ne opftandinge. Daarna volgden de vermaningen aan elk 
der Koren afzonderlyk. 's Namiddags werdt nogmaals met 
tten tot den doop aangenomenen gefproken, en deze wer- 
den na de Feeft-predikatie over Rom. VI: 3, 4. door den 
doop m -s Heilands dood begraven. Eindelyk was de L?. 
u«ey,m welke een man , van wegens deszelfs kwade en 
dikwerf, maar te vergeefs , beftrafte behandeling zyner ei- 
gene huisgenoten , uit de Gemeente uitgeOoten werdt. Deij 
tweden Paagh-dag was de Predikatie over het gefprek des 
verrezenen Heilanc^ met de twe Emaus-gangeren , waarby 
hunne harten brandende waren, zeer gezelend. Daaren- 
tegen moed men den derden Feeft-dag bezig zyn met het 
water af te leiden, dat door den velen regen, en hetfmel- 
ten van den diepen fneuw veroorzaakt werdt, en overal 
in t huis drong: vervolgens werdt het lyk van den aan 
begraTn.'^ ^'"^ ontllapenen jongeling >^««„« 

Ettelyke dagen daarna werden drie paar egte-Iieden ge- 
J^^Zi' ^" vervolgens begaven zig de behoeftigfte huis- 
gezmnen naar de eilanden, op de plaatfen hunne? neringe, 
kwamen egter wederom op den tweden zondag na Paa- 
Ichen, op welken tevens de Gemeente-dag inviel en, na 
ene leer-reden over het Evangelie van den goeden Herder, 
die zig voor zyne fchapcn zelven in den dood heeft gege- 
ven, vier perionen gedoopt werden. 

In de Predikatie kwamen 'er vele Hollanders , die zig 
zeer verwonderden znlk enen hoop gedoopte Groenlande- 



rea 



I 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut 1754. 75 

ren te vinden. 'Er waren veertien Walvis -vangers by een, 
Ses van deze fcbepen waren wegens het ys in Bals-Kivter 
ingelopen , en lagen omtrent twe weken , ene myl van de 
volkplanting , voor anker. Agt van hen lagen buiten het 
land in 't ys bezet. Dergelyke orartandigheden zyn den 
Groenlanderen noit tot voordeel, want hoe zeer ze ook 
immer gewaarfchuwd worden, zy kunnen egter de aanlok- 
kingen van zo vele nieuwigheden, voor al van ene heq 
ongewone koft, niet altoos wederftaan , des het geen won- 
der is , dat velen van hun hart afkomen. Dit gefchiedde 
ook by deze gelegenheid : want een , die in dit jaar eerft 
s:edooptwas, liet zig uit verdriet, om dat men hem van 
een misbedryfhadbefchuldigd, overreden, om mede naar 
Europa te varen, en men had veel moeite ©m hem en het 
fcheeps-volk op andere gedagten te brengen, 

Voor het overige waren de Matrofen zo w^el als de Lom" 
fnandeurs zeer vriendelyk en beleefd jegens een iegelyk , 
en over vele zaken, die ze zagen en hoorden, zeer verge- 
noegd en aangedaan. Zy bragten ook een doden aan t 
land, met verzoek, om denzelven ene kriftelyke begrat- 
fenis te vergunnen. Doch by deze gelegenheid werdt men, 
fchooif telaat, gewaar, dat 'er op de fchepen, ten mm- 
ften op een derzelven , ene befmettelyke ziekte heerichte. 
Ene menigte van Groenlanderen, KriUenen en Heide- 
nen waren reeds op alle fchepen geweeft , en hadden al- 
le hoeken doorfnuffelt , terWyl ze op. buitenlandfchen 
koft, vooral op erweten , w^aren onthaald geworden, 
en waarvan ze te rykelyker gegeten hadden , om datzeet- 
telyke maanden herwaards vry^ wat uitgehongerd waren. 
Dienvolgens duurde het ook niet lang, of 'er begon eerft 
onder de wilden, en daarna onder de kriftenen, ene ziek- 
te te woeden, aan welke, in een omtrek van ten ramften ze- 
ven mylen, velen hun leven infchieten moeften. 

§• 5- 

In May moeften de Broeders reeds denken, om het no- 
dig dryf hout inde eilanden op te zoeken, als mede om 
de rendier-jagt en de Salm-vangft. Dit gaf hen tevens ge- 
durig gelegenheid, om de heidenen zo wel als hunne 
verftroide Gemeente te bezoeken, en hier of daar, waar 

ze 



l^ Groenlandfche Hiftorie VIII. B. 

n^n"''^,,!^"?"' fr''^"'^ voorden Heiland mede te bren- 
St ^}^^ toevallige bezoeken waren ter dier tyd gewS- 
re!5-k de gezegendften van allen, want vele wilden die 
zig by een opzettclyk bezoek, tegen de waarheid verhard 
den, werden dikwils , ter geleginheid vanTn gélrek 
nopens uuwendige zak;en , in hunne harten get?offen 
tgcen dikwerf te ongeftoorder werkte, om daf zv 't in 
den begnine met zeer gade floegen. ^ " 

In 't begin kwamen ook vele wilden op een bezoek- dan 
zo dra z,g de hete koortfen met hoeft, oor-pynenenzvS 
wee by de onzen openbaarden, zo dat genoegfaam dage, 
iSdoTl"'' '^'" tydgng,vlugtten Ie uit%reze vol; 
Sn n^ n "^ ""''^' '" ^'5'^''" "'S zo fchielykniet weer 
fi • u "f T^" ^êter, die eerft dezen winter of in 't 
voorjaar by de Broeders gekomen en nog niet gedoopt wa- 

iS' enlf-r'-'S ^y '^ f 'g o"tnapen%a„ Ce Ke-' 
Ken, enm t midden van dezelven, zoveel leren kennen 

veffH.r,W^''" ''"^^^" ''^g^^"' "^^^^ den dood zoSr 
Lï^u'T-^^^?T'.^"'S?'- Aanmerkelyk was het, 

de bï.SnfA'^'"'J^^'l'-f^°°P'^" ^" welvoornamelyk 
de bmikbaarfte mede-arbeiders trof. De fmart over hun 
verhes en ae vreugde overhun zalig einde, veroorzaakten, 
om zo te fpreken, een evenwigt der aandoeningen. Dan 
.geen een Jangdungen fmart maakte , was, dat ook de 
bekwaamfte huis-vaderen mede weggerukt werden , des 
het getal van weduwen en wefen , 't welk buiten dat reeds 
groot was, zeer vermeerderd werdt; gemerkt derzelver 
^Pn^W^' ^" ^«°'-«' die der zuigelingen, niet nalaten kon 
oen Miffionanffen vele bekommering, enden weinigen be- 
kwamen Groenlanderen, die nog overig waren, velen ar- 
beid te veroorzaken, fchoon ze zig Sok hierin op ene 
knftenen betamende wyze gedroegen. 

De MiiFionarifren wiften intuflchen niet , hoe ze deze 
grote Icheur onder hun volk aanmerken moeften , of ze hier- 
om het gezegde : Zyne ziele was den Here aangenaam , daar- 
om teeft bygebaa/i hem weg te nemen f dan wel om 

ae iprcuk: Het is de tyd^ dat bet oordeel beginne van 't 
Mts Gods', zouden moeten denken. Het laatlk icheenhen 
ten minften het waarlchynelykrte te zyn, om dat ene zeke- 
re ongebondene vryheid , met ter zyde ftelling van de uit- 
wendige orde, veld gewonnen had, 't geen na deze grote 
Icheurnoit meer, ten miiiften niet over 't geheel, gebeurd 



Gefch.van Nieuw-Hemihut. 1754. 77 

k Hoe 't ZY, ZY bevalen zig en de hunnen ,aan den ge- 
trouwen Schepper en Verlofier hunner zielen, die hunne 
tranen door enen overvloedigen troeft aan hunne toever- 
trouwden, in vreugde will te veranderen. 

Het be<^in werdt gemaakt door het ontflapen van het 
dostertie van den Miffionaris Johan Bek , Elifaheth ge- 
naamd een kind van drie jaren , dat den ouderen en Groen^ 
[anderen met deszelfs bevalligheid en aangenaam zingen 
tot vele vreugde was geweeft. Zy was van &^ Europeanen 
de eerfteen tot hiertoe de enigfte , die te Niemv-H^rm- 
iut rwant de vrouw van den Heer Drachart was er llegts 
OP een bezoek) uit den tyd gegaan was. De woorden vau 
den dag, op welken het vertrek zo veler zielen naar ce 
euwige vreugde begon, waren aanmerkens waardig ; het 
waren de volgende : Wederom enen kleinen t^^dr^ en ^y zult 
m zien. Job. XVI: 16. „ PVy willen dan w^gten. Foen 
de Koning zie: naar my toekeerde , gaf myn JMardus zy- 
nen reuk\^f Hoogh h"' J2. „ Hy regent mynezieie. 

Hierop volgde P^/r^5 , een der geacatite Groenlanaiche 
mede-arbeideren. Hy was in 't jaar X74Ó gedoopt, en ver- 
vokens een deelgenoot van alle voorregten der kerKgevvor- 
•den Onder de' wilden was hy reeds een aanzieneiyii 
man, niet alleen van wegens zyn talryk huisgezin, maar 
ook van wegens zyn veiftand en deftigheid , en onze 
Groenlanders merkten hem aan als hunnen aanvoerder, 
f en ieder zag op hem , en wie zig met ordentelyk ge- 
droeg, dien wift hy door zyne zagte, maar tevens ernftige, 
manier van doen te regt te brengen. Had hy zelve ergens 
een misüag , hy badt met tranen om vergiffenis. En zo hy 
iets had, dat zyn gemoed bezwaarde, hy kon het met lang 
verzwygen De zaken der Gemeente lagen hem zeer na 
aan \ hart, en wanneer het zyns oordeels met gmg, zo 
als 't behoorde, zöide hy gewonelyk tot de Miflionariffen : 
Ach o;eliefde Broedei-s! hoe moet het U en den Heiland 
r, nopens deze zaak zyn, daar ze my zo grieft. ;' Met de 
iloffe van's Heilands lyden en fterven was hydagen nagt 
in zyn gemoed werkfaam , en 't geen hy daarvan tot zyn 
volk fprak, dat kwam uit het hart , en drong ook tot m de 
^ harten 



(*') Volgens de vertaling van Lutherus^ door den Autheut 
gevolgd, en door ons overgenomen, om dat hier het oogmerk 
van de aanhaling dezer plaats zulks vereifcht. 



78 



Groenlandfche Hiftorlé 



Vill. Bi 



%' 



harten. Hy. had reeds lang met gedagten van zyne ontbin- 
ding omgegaan , en zal in 't begin van zyne ziekte C want 
hy was met by zyne leraren tegenwoordig, maar tQ Pm. 
farM) xvTit angftvaibg, maar op 't laatfte zeer blymoedis 
geweeltzyn, daar hy anders van natuur zeer ftil was Na 
een kort maar nadrukkelyk affcheidsgefprek met zvne 
vrouw en drie kinderen, ontfliephy den asften Mav zaat 
en zalig. Hiervan wordt iets gevonden in een brief, wel- 
ken zyne vrouw iii 't volgende jaar gefchreven heeft. 

„ loen myn man Fetrus befpeurde , dat zyne ontbin- 
dmg naderde, zeide hy my; ,; Ik zal ^obannes ^ferM 
„ met meer zien, maar by den Heiland zal ik my met hem 
„ verheugen, dat moet gy hem fchryven. " Hy heeft mv 
ook aanbevolen, dat ik my van ganfcher harte aan den 
Heiland houden zal. En ik heb nu ook ondervonden , dat 
cle Heiland myn man is, zo dat ik dikwerf zulk een ver- 
langen naar hem befpeure , als ik dikwils naar mynen Pe- 
trus, toen hy in leven was , befpeurde. Ik heb roynen 
Hei and hef, om dat hy my eerft heeft liefgehad. Ik zal 
my hem geduriglyk voorftellen, en mvn wil en gedach- 
ten zullen ook altoos tot hem gericht zyn , ten einde ik 
hem noit veigete. Myne misHagen zyn niet te tellen, maar 
Ik verberg my dagelyks in zyne wonden. Myn hart heb 
Ik aan het Lam gegeven , om het met zyn bloed te ver- 
vullen , en gelyk de kinderen groeijen, zo wil ik ook door 
zyn bloed groeijen. Deze myne woorden zyn gefchre- 
ven , om van alle Broederen en Zufters in de Gemeente 
geboord te worden. Dit zegt Elifabetb. " 

Het eerfte lyk, dat na hem begraven werdt, was %- 
ham,es,m^gQ\y\i een Avondmaals-lid. Zyne gemoeds ge- 
lleldheid is uit een brief van 't jaar 1752 te zien. 

„ Ik denk dikwils om U lieden , om dat gy gunftelingen 
van den Heiland zyt, en ik wil met U te g^lyk zaligS 
en aan den Heiland en zyne wonden hangen. Ach ik 
zoude een ellendig menfch zyn, byaldien ik niet Hem in 
-myn hart gevoelde. Want 'er is niets groters en beters, 
dat ray verblyden kan , dan hy. Ik vertrSuw van hem , dat 
hy my onophoudelyk zal naby blyven , en ik zal niet op- 
houden, hem lief te hebben. " ^ 
üpden laatften dag der maand werden vier Ivkentese- 
]yk begraven, die alle zedert den asften te PilUkrarbik 
ontzieldwaren, te weten twe eigene liroeders ÜlaZtn 
P^////iO«j,derzelver m^i Hendrik en een kiud Daniel. De 

eerlle 



Gefch. van Nieuw-Herrnnut. 1754. 79 

cerfte was insgelyks een der mede -arbeideren, en een by- 
zondere vrymoedi^e getuige des Heilands, zowel op de 
zaal als onder de wilden. Hy was de eerfte van zynhuis- 
gezin, die in *t jaar 1746 uit het zuiden kwam en zyne 
drie broeders kort daarna naar zig trok. Zyn wandel was 
liefderyk en ftigtelyk. Voor twe jaren fchreef hy dus : 
„ Geliefde Broeders aan de overzyde der zee , die ik gedu- 
rig in myn hart kus. Ik kan zonder den Heiland en zyne 
wonden niet leven. Zyn bloed ontvonkt myn hart, en ik 
kan 't hem niet weigeren. Daarvoor dank ik hem, en bid, 
dat hy my dus beware, zo lang ik leven zal. '' enz. 

Zyn jongfte broeder Philippm was ene ftille en zalige 
ziel. De jongeling Hendrik had ons door zyne byzonder 
vrindelyke manieren en liefderyken wandel vele vreugde 
en tevens, om dat hy wel lezen en fchryven kon, vele ho- 
pe gegeven, om haaft bruikbaar te worden. Dan het heelt 
den Here anders behaagt. 

Daarenboven waren nog feven perfonen op andere plaat- 
fen overleden , die niet ten eerften ter begravmge her- 
waards konden gebragt worden , want zo wel hier als in de 
naburige plaatfen was meer dan de helft der menfchen bed- 
legerig , en hadden het in 't uitwendige te llegter , om dat 
'er niet alleen nog groot gebrek was, maar om dat ze ook, 
wegens den verren afftand en verftroijing, by'tflegteweêr 
niet genoeg konden bezogt en naar ligbaam en ziel ver- 
zorgd worden, want, naar alle gedagten , zouden velen 
door ene tydige aderlating en andere middelen hebben kun- 
nen gered worden, 

§.6. 

Tjohan Bek was ondertuffchen den Groenlanderen, die te 
vroeg en enigzins in wanorde op de haring- vangft gevaren 
waren, achter na gevolgd. Hy vondt ze overal verftroid, 
en genoegfaam allen ziek. De vreugde over deszelfs on- 
verwagte komft, (want ze hadden hem ziek te huis gela- 
ten) maakte, dat de meeften zig by hem vergaderden ^ 
fchoon daardoor de ellende voor zyne ogen ilegts vermeer- 
derd werdt , vooral op het zien van zo vele kinderen , wel- 
ken niemand voedfel verfchafFen kon. Naar het inwendi- 
ge vond hy ze allen vxy geduldig, en de meeften in een 

innig 




w 



80 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



innig verlangen by den Heiland te komen. Hy bezogt ze 
vlycig, en hieldt nu in deze, dan in ene andere tente, ene 
reden voering ter opwekking, waartoe vele woorden dier 
dagen zeer gepaft waren ; by voorbeeld: Ik weetmynFer- 
lojfer leeft , enz. Wy zullen bem zien , gelyk hy is. Ily zal 
t)ns vernederd lighaam veranderen : en meer dergelyken. 
Dan hy bleef zelve niet lang gezond, alzo hy door eneda- 
gelykfë koorts dermaten verzwakt w^erdt, dat hy nauwc- 
lyks met een ftok gaan kon. Ondertuffchen hieldt hy met 
de weinigen, die by hem komen konden, het Pinkfter- 
feeft , over Handel IL en werdt kort daarna verblyd dcor 
een bezoek van Matthaus Stach^ dieonlangsmet hetfchip 
aangekomen was, en den tot hiertoe gewezen Katechifeer- 
der Ballenhorfi tot een bezoek naar Europa verzeilen zou- 
de , in wiens plaats MattbcBus Kunz , geboortig uit Mora- 
vien , en die voor twe jaren in Terra Labrador geweeft was , 
totopziender van de jeugt aankwam. Nademaal'er nu reeds 
drie lyken boven aarde ftonden, en men nog meer te ge- 
moet zag, die niet wel zo ver ter begravinge konden ver- 
voerd worden , terwyl men ze ook niet gaarn zo verftroid 
begraven wdlde, zo zogten ze te PiJJikfarhik ene tot een 
kerk-hof bekwame plaats uit , wyden denzelven den iriden 
Juny met een gebed in, en begroeven aldaar de drie ecr- 
Üe lyken, te weten: 

I.) Samuels een man, die in 't jaar 1745 als een wilde 
Lcuw by de Broeders gekomen w^as , maar wel haaft als 
een Lam was gevvorden. De zalige Sophia^ C^) zyne 
vrouw, was reeds lang voor hem te A'^^^^^A- gedoopt ge- 
worden, en men kan zeggen , dat deze haar man de vobr- 
naamfte, maar geenzins de enige , buit geweeft is , die ze, 
door haar getuigenis en getrouwe volhardinge, gewonnen 
heeft. 

2.) Slhylla , ene weduwe , die reeds in 't jaar 1740 ^ door 
het getuigenis van den zaligen Samuel Kajarnak^ geraakt 
was, doch haren man, den bekenden Angekok en moor- 
denaar Têttamak , twemaal naar 't noorden had moeten 
volgen , tot dat ze zig na deszelfs dood , in de vervulHng 
van haren en harer drie kinderen wenfch verblyden kon , 
door namelyk by de gelovigen te wonen, gedoopt te wor- 
den , en ter zyuer lyd by den Heiland te komen, 

3.) J/^r- 

(*) Zie 'c jaar 1744. §. 2. en 1751. §. 7. 






Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754. 



it 



3.) Martin^ een kind van een jaar. 

De overige lyken waren reeds naar Nieuw-Herrnhut gt-- 
l)ragt en daarenboven was een man , Jofeph genaamd, door 
een zee-hond omver gehaald en verdronken. Zyne twc 
zwagers waren kort te voren overleden , zo dat drie eige- 
ne zufters te gelyk weduwen en vele kinderen arme wefen 
werden. 

Te Nieuw-Herrnhut had men genoegfaam dagelyks ie- 
mand te begraven , ja eens werden 'er drie lyken te ge- 
lyk begraven. Onder dezen waren in \ byzonder: 

I.) P^erofjtca^ ene weduwe, die dikwerf over hare ver- 
dorvenheid weende , maar zig tevens verblydde enen Hei- 
land te hebben , die zondaren aanneemt. 

li.) Maria Barbara^ ene gezegende mede-arbeidfter on- 
der de vrouwen , ene getrouwe moeder en weldoenfter der 
armen, ene ziel, die met een teder hart aan den Heiland 
kleefde, en , gelyk Maria ^z\ 't geen ze hoorde, behieldt en 
in haar hart overleide. In een van hare brieven fpreekt ze 
dus: „ Wanneer ik aan U denk, wenen myne ogen vaa 
liefde, en als ik uit de tyd ga, zal ik my in eeuwigheid 
met U verblyden , en wy zullen den Heiland met deszelfs 
wonden altoos aanfchouwen , en voor zyn aangezichte 
wandelen. Ik kus zyne wonden , om dat ik ze lief heb, 
en ik ben verblyd , fchoon ik zeer verdorven ben , want 
ik weet, dat de Heiland niét meer aan myne zonden den« 
ken wil. Ik groet U allen , en gy hebt my tot uwe Zus- 
ter. '\ 

3.) Andreas , een byzonder verftandig en bruikbaar me« 
de- arbeider en getuige onder zyn volk, Zyne redevoeriij- 
gen op de zaal hadden enebyzondere aangenaamheiden w^- 
ren zielrocrende;fprakhy metde heidenen, het gefchiedde 
met zulk ene hartelyke medogendheid over hunne onwe- 
tenheid en rampzaligheid, dat ze zelden zonder aandoe- 
ning van hem gingen. Zyn eigen hart was week, en de 
byzondere genade, door vv^elke de Heiland hem gezogt, 
en tot zyne zalige kudde , in de grafige weiden zyner ver- 
dienden , gebragt had , w^as hem zo groot , dat hy 'er zelden 
zonder tranen van fpreken kon. Dit was ook gewonelyk 
de ftoffe zyner redevoeringen aan deszelfs landsgenoten , die 
zo wel als de Europeanen hem vele liefde en agting toe* 
droegen. „ Ik hang (dus liet hy voor twe jaren voor zig 
fchryven) den Heiland gedurig aan; en hy laat niets ont- 
breken , óm ons hart, zelfs wanneer we onder de heidenen 
IIL Deel. F ver» 



H 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



verftroid zyn, als een bron te onderhouden. Wy zyn van 
de ftraffe vry , om dat de Heiland ze op zig genomen heeft. 
Ach laat ons toch alle dagen ons zeer in onzen Heiland ver- 
blyden. '* 

Van Pifikfarhik kreeg men tyding, dat 'er weer ettely- 
kenontflapen , en op den kerk-hof aldaar begraven waren, de 
meefen egter werden weer gezond, en konden den nodigen 
voorraad van Angmarfet vergaderen. Ook bleven ze in 
ene goede orde by elkander, en volgden de twe mede- ar- 
beiders, die de Miffionaris ,by deszelfs affcheid , als op- 
zienders over hen aangefleld had. 



In *t begin van July kwamen de meeften van de haring- 
vangft terug, velen egter waren in de eilandenen den zond 
verftroid , en konden van wegens de ziekte niet wel te huis 
komen. De arbeid aan den turf, die den Broederen inde^ 
ze maand den meeften tyd wegneemt , verfchafte hengele- 
genheidt , om ze dikwerf te bezoeken. Op de tyding,dat 
het H. Avondmaal zoude gehouden worden , kwamen de 
meeften naar huis, en men vondt , dat hunne zielen te 
meer daarna verlangden , om dat ze zedert May geen Avond- 
maal gehad hadden, euvelen in hunne ziekte ondervonden 
hadden, hoe nodig het zy, in ene nieuwe gemeenfchap 
met den Heiland te komen. Aan de ziekte , die tans be- 
gint te bedaren , gingen nog de volgende perfonen uit den 
tyd. 

„ Carolina^ ene jonge dogter van veel verftand,diebin- 
rien kort tot het H. Avondmaal ftondt beveftigd te worden. 
Zy was, toen ze ziek werdt, met hare moeder en overige 
bloed-verwanten in de eilanden : Zy toonde ene ongemene 
blymoedigheid, vertrooftte hare moeder, hare broeders 
en zufters, die om haar weenden, en zong , 'tot dat ze ont- 
fliep. 

«2.) Wilhelmina^ ene dier buiten, welke in 't jaar 1746 
gemaakt werden, op de gevaarlyke zee-reis, die de Broeders 
uit het noorden naar isieuw-Herrnhut deden. Zy was ene 
eerwaardige navolgfter van den Here Jefus , dierba- 
ren verwondden vrind , welken ze nog niet gezien had, als 
ene arme zondarefte met een teder hart Hef had, en, ge- 
lyk Tabitba , ene innige mededogendheid en dadelyk 

mede- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754; 



83 



medelyden met alle nooddruft igen , vooral met arme kin- 
deren, betoonde. Haar dogtertje van drie jaren volgde haar 
binnen een uur , en werdt met haar in haren arm begra- 
ven. Weinig weken daarna werdt ook het ontzield lighaam 
van haren man Noab begraven : hy was een ftil en altoos 
vergenoegd navolger van den Here Jefus geweeft en tevens 
een bruikbaar mede arbeider onder zyn volk. Van dezen 
vind ik de volgende uitdrukkingen : „ Myn hart is vro- 
„ lyk, om dat de Heiland zig myner aangenomen heeft. 
„ Ik kanzyne wonden, fchoon ik ze nog niet gezien heb, 
„ geen ogenblik vergeten. De Here zy gedankt , dat my- 
„ ne ziel in dezelven ene ruft-plaats gevonden heeft. Van 
„ nu af zal myne vreugde in den Heiland geen einde heb- 
„ ben. " 

Dit was de laatfte, die zynen loop eindigde aan de be- 
fmettelyke ziekte, welke zedert drie maanden gewoed had. 
Doch tegen het einde van het jaar volgden hem zyne twe 
kinderen , des 'er fes perfonen uit een huisgezin ftier- 
ven. Het getal der overledenen binnen de drie maanden 
beliep zeven en dartig, die allen, behalven twe of drie 
kinderen, aan de befmettelyke ziekte geftorven waren. Die 
maakte inderdaad ene grote gaping ; men gunde hen egter 
een geluk , waarna alle kinderen Gods reikhalzen , te 
weten by den Here in te wonen , en men verblydde zig , 
hoewel met tranen , dat 'er weer zo velen der zonde en 
den jammer der aarde ontrukt en in de euwige veiligheid 
en ruft by den Heiland overgebragt waren. De Ordina- 
rius der Broeder-kerk zondt zyne gedagten hier omtrent 
uit Engeland in de volgende vaarfen herwaards ; 

Der wilden zalig heenen gaan. 

Zo vceler in dit jaar. 
Veroorzaakt men'gen vreugde-traaa 

By 's Lams verkoorne fchaar. 
Want het verfchrikkelykfte ding 

Van wat men fchriklyk heet (*) 
Maakt eenen Wilden waereldling 

Wanhopend , woeft en wreed. 
Dat nu een Wilde vrolyk fcheidt^ 



(*) H&rrihiliuin hörrihilijfmim. 




. ^^^auefci^'^^i. ^^^é^^i^^ mr^ 



84 Groenlandfche Hiftorie 

En ftervend zich verheugt; 
Toont duidlyk zyn deelachtigheid 
Aan onze heirge vreugd. 



VIII. 



§. 8. 

In de maand Auguftus vertrok de koopman Molznu 
met deszelfs huisgezin van Goclbaah , alwaar hy der- 
tien iaren gewoond had, naar Kopenhagen terug. Hy had 
den Heiland lief, en was een byzonder vrind van de Broe- 
ders. Kort na deszelfs aankomft te Kopenhagen is hy over- 
leden, na hier den laatften tyd nog ene zware ziekte uitge- 
ftaan te hebben , gelyk dan ook in dit jaar genoegfaam niet 
een enig Europeaan zonder de ene of andere ziekte geble- 
ven was, Zyne plaats werdt door den tot hiertoe vtFrie- 
drichshaah gewezen koopman Lars Dalager bezet. Het 
fchip was de vorige maand reeds naar de F^ifcher-Fi- 
orde , agtien mylen zuidwaards van Godhaab vertrok- 
ken, alwaar een nieuw Handels-kantoor opgeregt werdt. 
Met het zelve fchip vertrokken de Broeders ik/^//y^^//j Stacb 
tr\ Michael Balknhorft naar Europa, en bezogten by die 
gelegenheid de in de Flfcher-Fiorde wonende heidenen. 

Onze meeden Groenlanders begaven zig ook, na op den 
4den Augudus den Gemeente-dag bygewoond te hebben, 
naar de Kookörnen op de Heilbot- vangd, doch die dit jaar 
wegens ^tVL velen mill en fneuw zeer flegt was. De Broe- 
ders bezogten ze vlytig , te meer om dat zy gewend zyn , 
velen dier grote vüichen van de Groenlanderen in dezen 
tyd te kopen, om dezelve te zouten , of te drogen , 't geen ge- 
noegfaam den derden deel hunner levens -middelen uit- 
maakt. Deze reis was 'er weinig te bekomen. By derge- 
lyke bezoek-reizen , en wanneer men op de rendier-jagt 
ging, deedt zig dikwerf ene gelegenheid op, om de heide- 
nen mede aan te fpreken, ten minften wanneer 'er met de 
gedoopten vergaderingen werden gehouden , in welken al- 
toos enige heidenen kwamen en waarby men gelegenheid 
vondt, om het vonkje, dat reeds in hen lag, aan te bla- 
zen , of ook om nieuw zaad uit te ftroijcn. 

Van Dhko kwam een vry groot getal Groenlanders tot 
een bezoek. Van dezelvcn bleePer éne weduwe ; ook kwa- 
men 'er uit de Fiorde drie ongetrouwde perfonen om te 

bly- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754. 



85 



blyven. Behalven een klein kind- ging ook een meisje na 
een korten maar vergenoegden levensloop zalig uit den 
tyd. 

§. 9. 

In September, zynde de befte tyd van de Zeehond-vangft 
der Groenlanderen in den Zond , had men veel ftormagtig 
weer, waardoor deze beeften in grote menigte uit de zee 
tuffchen dq eilanden gedreven werden, des deze vangft 
voor de Groenlanderen zeer wel uitviel , terwyl in tegem 
deel de Salm-vangft der Broederen daardoor t' enemaal be- 
dorven tverdt. Dan de fraart over dit verlies was gering, 
terwyl ze zig op ene andere wyze helpen konden, Zy 
dankten intuflchen den kemelfchen Vader voor deszelfs ga« 
ven , die hy den Groenlanderen zo rykelyk mede deelde, 
op dat niet vele arme weduwen en wefen honger behoef- 
den telyden, en,gelykbydewilden gewonelykgefchiedt, 
te vergaan. Doch dewyl ze zo vele armen te verzorgen 
hadden, konden ze maar weinig, en flegts de helft van 't 
voorleden jaar (dat egter nog fes en dartig tonnen uit- 
maakte) voor den koopman opbrengen. 

Het ftormagtig weer belette de Groenlanderen ook, zo 
talryk als anders , tot het vieren van den zondag te verga- 
deren, zo dat deze reis, zelfs by het H. Avondmaal en den 
daarop volgenden Gemeente-dag, niet meer dan de helft 
kon tegenwoordig zyn. Men bezogt ze derhalven vlyti- 
geiden hieldt voor hen en de begerige heidenen vergade- 
ringen. Een der mede-arbeideren, die enigen tyd , op de 
rendier-jagt ge weeft was ,bragt ,te huis komende , narigt van 
vele wilden, die hy in het; boven gedeelte van Bals-Rivier 
gefproken had, en die zyn getuigenis gaarn aangehoord 
hadden* Ook kwam enige dagen daarna een ander uit de 
Jmara!ik-Fïö^'de'XQ\i\x\s^ en bragt enen dadelyken zegen 
van zyn getuigenis mede , te weten twe gehele huisgezin* 
nen, waarvan het ene uit elfen het andere uit drie perfo- 
nen beftondt,die wel voor vyftien jaren enen ganfchen win- 
ter by de Broeders reeds gewoond hadden, doch naderhand 
gedurig weer afgeweken waren , maar nu zig eindelyk en 
gewillig onder het zagte juk des Heilands begaven. Uit 
een dezer huisgezinnen överleedt ene vrouw;s-perfoonmet 
F 3 e--n 



Groenlandfche Hiftorie 



VUL B. 



1 



ii 



een innig verlangen naar den doop. Van Pijfughik wer- 
den weer twe opgewekte vrouws-perfonen , door enen be- 
dienden van den koophandel , tot de Groenlandfche Ge- 
meente gebragt. Uit ene andere buurt kwamen twe eige- 
ne broeders, wier zufters hier reeds woonden, herwaards, 
om alhier te blyven. Dus trokken vele gcdoopten hun- 
ne meefte bloed verwanten naar zig toe, en zy, die llegts 
het befluit namen , om ene wyl by de gelovigen te wo- 
nen , de onderwyfing mede te genieten , en daar- 
voor de Groenlandfche ydelheden te vergeten, konden, 
by de genade, die zig in de Groenlandfche Gemeente open- 
baarde, niet lang aarzelen, om zig hunnen Verlofler geheel 
en al tot een eigendom over te geven , fchoon men by de 
meeden, al kwamen ze nog zo wild herwaards,befpeuren 
kon, dat de H. Geeft hunne harten reeds, op de een of 
andere wy ze enigzins had toebereid, hoewel ze dit voor- 
bereidend werk niet wiften te noemen, eer zy, om zo te 
fpreken t' enemaal ontdoid en ontwaakt waren , en by 't 
ligt van 's Heilands wonden zig zelven en de wonderbare 
leiding des Heren beter kennen konden. 

De vrouw van den Miflionaris B'óhnifcb\V2iS, in deze maand 
van een zoon verloft geworden , die by den doop Jo- 
hannes genaamd werdt. Twe kinderen en ene weduwe gin- 
gen zalig naar de euwigheid. De laatfte, AnnaQatharina 
genaamd , was een Avondmaals-lid en getrouwe navolgfter 
van den Here Jefus ; zy had met haren zaligen man Leon- 
hard flegts kort , maar vergenoegd, in den huwelyken ftaat 
geleefd \ en by hare eerfte bevalling de tering gekregen, 
die den weg baande tot hare ontbinding, welke ze met 
verlangen te gemoet zag. 

§• lO. 



In Oftober kwamen de Groenlanders allengskens weer 
san, om hunne winter-huizen te herftellen en te bewonen^ 
Dienvolgens werden dan ook de algemene en byzondere 
vergaderingen in orde gebragt, en met de Groenlandfche 
mcde-arbeideren werdt over het beft der Gemeente ge- 
raadplecp,t. Het voornaamfte vo(irwerp in dezen tyd was 
de verzorging dier huisgezinnen , die hunne hoofden en 
vcrwervers verloren hadden. Wa^r een volwafFen zoon 
was , die moeft zyne moeder en deszelfs broeder en zufters 

2oe« 



Gefch. van Nieuw-Herrhut. 1754* 87 

zoeken te onderhouden. De overige kinderen werden m 
andere huisgezinnen verdeeld, ten einde ze tot de Groen- 
landfche handteringe zouden aangevoerd en opgeleid wor- 
den Doch die by de huisgezinnen nog niet dienen kon- 
den' bleven byhunnemoeders, en die verloren hebbende, 
werden ze by andere Groenlandfche vrouwen ter opvoe- 
dinge hefteed, en deze moeften zig ook beurtelings der 
zuigelingen aannemen. (*) Men begrypt ligtelyk , dat 
dit, hoe gewiUig ook immer de Groenlandfche huisgezin- 
nen waren , en ten welken opzigte de ryken dikwerf door 
de armen befchaamd werden, den Miiïionariflen niet alleen 
vele moeite, maar derzelver huishoudinge ook vele bui- 
tengewone uitgaven veroorzaken moeft , gemerkt *er toch 
enige arme kinderen moeften gekleed, en voor vele jon- 
gelingen vaartuigen en gereedfchap verfchatt wofden , ten 
einde de laatften leren konden, om zelven te eniger tyd 
zig en de hunnen te verzorgen , en niemand ten lafte té 
vallen, alzo onze Broeders gcenzins van meninge en ook 
niet in ftaat zyn, om enen hoop van arme lieden, die men 
verzuimd heeft in derzelver jeugt tot den arbeid te gewen^ 
nen en aan te zetten, op koften van goede vrinden te on- 
derhouden, maar liever , terwyl het nog tyd i§ , de no- 
dige koften doen willen, om dezélven bekwaam te maken , 
dat ze te eniger tyd met hunne eigene handen zig en de 
hunnen verzorgen kunnen. 

'Er kwamen nog wel ettelyke heidenen om te blyven, 
doch dit waren ook behoeftige menfchen , die door hunne 
bloed- verwanten moeften onderhouden worden. En de- 
wylzig onder de vyfperfonen,:die in deze maand over- 
leden, vier iongeUngen (t) bevonden , die reeds begon- 
nen 



r*) In niets zyn de Groenlandfche Moeders zo gierig, als in 
dezen opzigte, om dat zy't hare eigene , zuigelingen nier willen 
iaten ontberen. Hieromtrent is by ene heidinne geen medelyden 
te vinden: des 'er voorenen ongelukkigen vader niets anders over 
blyft, dan zyn van de moeder te vroeg beroofd kind , ten eeraen 
levendig te begraven, om het niet enen langv/yligen dood te zien 
ondergaan, alzo 'er geen ander voedfel te vinden is. Zodat het al 
wat te zeggen is, wanneer ene gedoopte Groenlanderin tevens 
een vremd kind zuigt. , . . 

r+S Onder dezen was i^ö/tf^^ een jongeling van dertien ]?.= 
s§al Van dêzen getuigt men, dat hy een teder hm jegens dt 

..r: , p ^. -.'• WOU" 



(b,p<', H r 




w 



8« 



Groenlandfchc Hiftorie 



VUL B. 



nen iets te verwerven , zo werdt de bekommering voor de 
overigen daardoor vermeerderd. Doch door vele onder- 
vinding had men reeds geleerd te geloven en te hopen , 
waar niets te zien was, en de hope is ook nog noitbefchaamd 
geworden. 

Op den Avondmaals-dag werdt deze reis (gelyk naar het 
intrekken in de winter-huizen gewonelyk gefchiedt , om 
dat men dan allen een voor een fpreken, en, zo 'er iets 
voorgevallen is, uit den weg ruimen kan) het liefdemaal 
en 't voetwaffchen gehouden, doch den zieken werdt den 
volgeiiden dag hun aandeel aan 't H. Avondmaal in derzel- 
venhuizen gebragt. Na de overige gedoöpten gefproken 
te hebben , fprak men ook met de ongedoopteh en nieuwe 
inwoneren , die ter onderwyfing aangetekend en vervolgens 
ingericht werden. Het getal der laatftèn •beliep met gro- 
ten en kleinen meer dan zeventig zielen. 

Voor het overige voeren de Groenlanders vlytig op de 
zeehnnd-vangft uit, en fchoon ze dikwerf van (torm winden 
bd. pea; werden 5 waarby velen hunne vaartuigen verloren, 
ble\en ze cgter allen onbefchadigd. Dooreen dier ftor- 
men werden de kooplieden, die met twe boten uitgevaren 
waren om Ipek in te kopen , tuffchen Godhaab en de vis- 
fchers-loge overvallen, waarby een der boten omgeüagen 
werdt, en een man het leven verloor. De overigen kwa- 
men nog op de kiel van den oragellagenen boot ; en werden 
enige uren daarna ter nauwer nood gered.' \ 

§. II. 

Met het begin van November begonnen de gezelfchap- 
pen weer , die famen uit drie honderd vier en twintig per- 
lonen belloiiden , ook werdt de fchool met meer dan dar- 
tig kinderen voortgezet. Van de mede^arbeideren vernam 
men met vreugde , dat verfcheidene oudere hunne kinde- 
ren, wanneer dezelven niet in de fchool w^en, onder ene 
goede opzigt hielden : en van de nieuwe inwoneren hoor- 
de 

wonden è^s Heiland had, en altoos vergenoegd was; dathy ook 
tot het lezen en fchryven grote luO: hadc, en als e^n fchool- 
meeaer was. voor de kleine kinderen in het GroenianJfche huis. 
lo zyne iciektc zong hy oaophgudclyk, tot dat Ay ontfliep.' 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754. l0 

de men, dat her hen hierzeer wel aailftondt, datzy gene 
vergadering ligtelyk vermiiniden , en zig ili de gezellchap- 
pCn'^nopens het vedangen van hun hart in diervoegen uit- 
drukten, dat men reden had te hopen, dat zonimige leer- 
lingen eerlang zouden kunnen gedoopt woi^en. Dat dit 
getuigenis der beftierderen van de gezelfdiappen gegrond 
was, bleek, wanneer men de lieden zelvën fprak, óqs men 
dan ook den eerfh^olgenden Gemeente-dag drie perlbnen 
tot den doop aannemen kon, terwyl drie gedoopten by 't 
Avondmaal beveiligd werden^ piïi.het eerftvolgende mede 
te genieten. - v ' " ^ '^ 

Van- Kangek kwamen 'éf nu en dan 'zommige heidenea 
tot een bezoek, en-üit den Zond werdt een huisgezin van 
vier perfonen afgetóald ; die reeds lang begeerd haaden , 
om nader by de gelovigen te komen, doch hun oogmerk 
niet bereiken konden,, dan na den jammerlyken dood van 
derzelver Huis-heer, dié', van tovery befchüldigd zynde, 
door de heidenen vermoord werdt. 

Ook ver zogt ene gedoopte van de volkplanting verlof , 
om by hare vrienden , die hier wonen, te mogen blyven. 
Zy werdt egter terug-gezonden, met dit bei'cheidt , dat 
men ze, volgens de gemaakte* affpraak , 2:ondej ene fchrif- 
telyke toeftemming van haren zielzorger y' niet aannemen 
kon. 

In deze maand gingen twe kinderen naaf d^ euwigheid. 
Het ene, een jongsken Efra genaamd, was eén zeer aan- 
genaam kind , aan welks hart de doop-genade zig op ene 
byzondere wyze openbaarde , en vele hope gaf van ene 
verblydende opgroeijinge. Hy was de laatfte-, die in dit 
jaar lïit den tyd ging. 

Uit de FiJjcber-FtQrde kwamen enige overtuigde heide- 
nen tot een bezoek. Een der aldaar wonende kooplie- 
den zogt den Groenlanderen van nut tezyn, enbadt om 
enige vertaalde liederen, die hy zulken oijkundigen hei- 
denen, in welken hy enige begeerte befpeiirde om iets te 
leren , voorlezen wilde, om dat hy opgemerkt hadt, dat ze 
korte en in rym gebragte gebeden li^gt van buiten leerden , 
en dat door dit middel hierom ftreeks vele heidenen in hun 
hart waren toebereid geworden tot ene yolkomene omhel- 
zing der waarheid. Öe Miffionarifren zonden hem der- 
halven enigevaarfen toe, die ligt te vefftaan waren, en 
tiiet te min de voornaamfte waarheden van den kriflelyken 
Godsdienft behelsden j hierdoor werdt de^grondllag gelegc 

F 5 van 





pp 



po 



Groenlandfchc Hiftorie 



VIII. B. 



tt 



.:f 



van onze volgende en nadere kenniiïe met de aldaar wo- 
nende heidenen, en van onze aldaar tans bloeijcride Hei- 
jden-Gemeente. De gemelde vaarfen waren de volgende : 

Dank zy U, Jefus, t' allen tyd» 
Dat Gy menfch geboren zyt 
Uit eene Maagd, o blyde maar! 
Die zelfs verheugt der Eng'len fchaar,i 
Hallelujah! 

Die allen dingen gaf 't beftaan, 
Werdt menfch, nam knechts-geftalte aan. 
Op dat Hy 't vleefch door 't vleefch verwierf, 
En 't ganfche menfchdom niet verdierf. 

O Heiden -Koren! 

Laat nu alle angftigheid: 
Om Heil te hoeren 

Weeft willig en bereid. 
Hy laat van 't kruis zyn woord verkond'gen. 
En maakt ons vry van zonde en zond'gen. 

O Wonder boven maaten. 

Als men 't regt overlegt, 
. Dat zich heeft raart'ien laaten 

De Heer voor zynen knecht ! 
Hy heeft zich zelf, die Heer zo groot. 

Voor ons verlooren menfchen 
Gegeeven in den dood! 

ik kan U wel niets geeven 
In myn behoeftig leeven; 

Tracht echter fteeds met luft. 
Heer! dat uw dood en lyden. 
Tot lyf eu ziel zich fcheiden, 

Gevoelbaar in myn harte ru{l% 

De heil'ge wonden van 't Lam Gods enz. (*^ 

De Geeft des Heeren heil'se my 
Dat ik één geeft ook met Hem zy, 

(^♦) Zie pag. ipp. 2de B^tl. 



2ya 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754- 

Zyn ligchaam, voor my ganfch verwond. 
Bewaar my lyf en ziel gezond. 

O Kus Kriftus, Godes Zoon! 

Ö dierbaare Verzoener, 
Die zondaars aanneemt tot uw loon. 

En zyn wilt hun Weldoener! 
Ach, Lam Gods, heil'ge Heer en God! 
Schenk, fchenk ons allen het genot 

Van *t geen Gy hebt verworven. 
I. 
O Jefus! in uw Bloed 
Begraaf ik zin en moed,. 

Kus uw' verwonde leden 

Met traanen, doch in vrede. 
Wilt in royn flaap my zeeg'nen. 
Laat my geen leed bejeeg*nen. 

Zo ras het morgen- licht 

Weêrfchynt in myn gezicht: 
Zo ras ook weer myn' ooren 
Gefchikt zyn om te hooren: 

Zo fchyne uw dood me in 't harte. 

Het hoore uw' leer der fmarte. 

Wanneer ik dan opftaa , 

Zo denk ik ftraks ook na , 
Of geen onreinigheden 
In Geeft, en ziel, en leden. 

Nog zyn terug gebleeven. 

Die droefheid kunnen geeven. 

4- 

Het kleed, voor my bereid , 

Zy uw' gerechtigheid: 
Zo zal ik by myn werken 
Den ganfchen dag bemerken. 

Dat my uw dood en lyden 

Genaê geeft en verblyden. 

Hem heb ik ingelloten 
In 't binnenft' van myn harS, 

Zyn bloed heeft Hy vergooten 
Tot ftilling van myn' fmart 5, 



9i 




En 



J)^ Gjoenlandfche Hiftorie VIII. B. 

En om my vry te maaken 

Van eindelooze pyn. 
Hoe kon een heft'gêr blaaken 

Van liefde op aarde zyn? 

Heer Jefus, uwe dood enz. (*) 

Wat denkt gy, hoe zou 't wezen? 
Zoudt gy niet angftig vreezen,: 

Als liy tans voor u tradt ? 
Ach, neen! met need'rig groeten 
Viel ik aan zyne voeten,. 

£n weende my van vreugde zat. 

Dewyl zig dezen zomer in 't geheel gene Zuidlanders, 
die anders genoegfaam jaarlyks hier v-oorby en naarst Noor- 
den trekken , m de eilanden opgehouden hadden ; en 
die uit het Noorden terug kwamen , hunnereis, van we- 
gens de ziekte, ten eerften en zonder zig op te houden, 
vervolgden ; zo had men 'er dit jaar gene onkundige hei- 
denen te bezoeken en te onderwyfen. Ondertuifchcn be- 
zogt men doch de weinige oude inwoners der eilanden, 
om dat zig nog verfcheidene zielen onder hen bevonden, 
die niet zonder aandoening v/aren. Van zulk een bezoek 
wordt het volgende gezegt: f 

Den 2.den December voeren wy benevens enige Groen- 
lanaers naar de Kopkörnen om de heidenen te bezoeken , 
en flapten op een eiland by drie huizen aan land. Milluk" 
tuarak ontving ons met vreugde in zyn huis. Wy fpra- 
kendagelyks met hem en zyne huisgenoten, en hielden 
alle avonden met de onzen ene vergadering , die de hei- 
denen ook bywonqn konden. Zommigen waren zeer op- 
lettende, en aan hunne tranen kon men befpeuren , dat 
mt woord van 's Heil^^ds lyden hunne harten .getroffen 
had. Dewyl het weer flegt werdt , moeften wy vyf da^en 
Dy hen vertoeven, en zy werden ons niet moede, maar 
bewezen ons aller)y vrindlchap. Onze Groenlanders fpra- 

keo 
(*) Ziepa^:. 150* 2de Deel. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1754. 



9S 



ken ook veel met hen, 't geen niet zonder zegen was. Dca 
7den bevalen wy ze der genade des Heren , met verma- 
ninge ,dat zy zig dagelyks tot den Heiland ^ die ook hier 
buiten gaarn by hen zyn wil, wenden zouden, eii hem om 
de zaliglieid in zyn bloed fmeken. Vervolgens voeren wy 
naar kangek en namen ons intrek by onzen ouden beken- 
den Tulpillartok^ een zwager van den zaligen Samueh Wy 
fpraken met hen allen , doch vooral liet zig zyn zoon Siua- 
fia in een grondig gefprek nopens deszeis harts-gefteldheid 
met ons in. Den 8fl:en bezogten wy verder Noordwaards, 
en haalden enen onzer gedoopten af, die zynen zieken broe- 
der den gehelen zomer tot aan deszelfs dood opgepaft^ 
en by die gelegenheid zyne zufter gewonnen had , die tans 
ook met ons voer, Wy kwamen , fchoon met groot ge- 
vaar, en laat , tot onze vorige herberg, hielden den heidenen 
(by welken intuffcheii enige kooplieden gekomen waren) 
ene redenvoering, en bevalen ze in een gebed aan hem 9 
die ze door zyn bloed gekogt heeft. Den gden traden 
we de terug reis aan. De bovengefiielde Siuana voer met 
deszelfs ganfche huisgezin en nog twe ongetrouwde vrouws» 
perfonen met ons. 'Er zyn dezen winter niet meer dan 
zeven kleine hujzen te Kangek-, en in vergelykingmet vo- 
rige tyden zeer weinig lieden. Zy , by welken zig een ver- 
langen naar den Heiland openbaart, waren ten eerden by 
ons, om te zien en te horen, wat de Heiland onder zyn 
volk doet. " 

De laatfte gemeente-dag dezes jaars viel op den i5den 
December. 'Er werden brieven van de Negers in St. 
Thomas ^ als mede van de Indianen in Pen fy hamen voorge- 
lezen en met vele aandoening aangehoord. Tuffchen de 
vergaderingen bleven enige jonge lieden op de zaal en 
oeffenden zig in \ zingen. De Predikatie was over £pbef 
I: 7. In welken zvy /nebben de verlojjinge door zyn bhed, 
enz. En , na de gemeente-dags-afdeiing .gelezen en door 
aanmerkingen opgehelderd te hebben , werden fes leerlin- 
gen tot den doop Aangenomen. Deze gezegende dag 
werdt , gelyk de zondag gewoneiyk , met de Litany ge- 
ëindigd. . ^, 

De Groenlanderen ten tyde van den wmterfchen zanne- 
ftand gewend zynde, elkander , ten blyke van hunne vreug- 
de over de wederkering der zon , te vergallen , werdt op 
den smaden den onzen verlof gegeven, om na de Zondags^ 

- Pre- 




p 



94 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. 



Predikatie in vier huizen gemeenfame maaltyden te hou- 
den, waar egter alle by de heidenen gewone vermaken en 
dartelheden afgefneden werden. (*) Dit is als*t ware der 
Groenlanderen Nieuw-jaar. Gelyk nu het feeft van 's Hei- 
lands befnydenifle en de gedagtenis van deszelfs name Je* 
fus by de meefte kriftenen op het gewone nienwe-jaar ge- 
vierd wordt, zo hebben de Broeders de gedagtenis der ziel- 
roerende gefchichte van den Apoftel Thomas^ volgens ,5^0^. 
XX: 24-31. die op den billen December valt, met dit der 
Groenlanderen nieuwe-jaar verbonden, terwyl by de maal- 
tyden onzer gedoopten gewiffelyk meer van 's Heilands 
wonden ais van de Zon gefproken wordt. Zalig zyn ze^ 
die niet zullen gezien hebben , en nochtans geloop heb* 
ben. 

De kers-dagen werden, zo als meermaals gemeld is, ge- 
vierd , 'en op den derden feeft-dag werdt een liefde-maal 
aan alle leerlingen gegeven , en over het verlangen van 
hun hart met hen gefproken. Den aSften , zynde de dag 
der onnozele kinderen , werdt met vier en vyftig jongskens 
en vyf en dartig meisjes een liefdemaal en tevens ene regt 
opwekkelyke Katechifatie gehouden. By het vieren der 
kersdagen waren ook ettelyke geraakte heidenen van Z'^//- 
gek tegenwoordig , die , volgens het getuigenis der mede- 
arbeideren , op nieuw zeer aangedaan waren. 

De nagtwake van 't nieuwe-jaar werdt met ene reden- 
voering over Pf XIX: i, 2, 3. begonnen, en voorts de 
gedagtenis van het werk des Heren, op deze plaatster zy- 
rer eer vernieuwd. In dit jaar waren der Gemeente agt 
en veertig zielen door den H. doop ingelyft, agt en dartig 
heidenen met 'er woon herwaards gekomen, vier gedoop- 
ten tot het H. Avondmaal toegelaten, vier paar getrouwd, 
elf knegtjes en vyf meisjes geboren , en daarentegen zeven 
en vyftig zielen in hunne rufte ingegaan. Voor dit alles, 
als mede voor degenezing zo veler zieken, terwyl genoeg- 

faam 



(*) Wanneer zommigen op een zeker tyd door de heidenen 
tot ene Groenlandfche vrolykheid genodigd waren , hadden ze 
hen geantwoord : „ Gy weet , dat wy een ganfch ander verge- 
noegen hebben, te weten den Heiland en zyn lyden. Dit behaagt 
ons , maar U lieden niet. Zulke zaken pallen ü lieden nog wel^ 
inaar ons niet meer. " 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. I754, gg 

faam niemand onaangeftoken gebleven was; voor de ge-* 
trouwe verzorging des Hemelfchen Vaders by de uitwen- 
dige nooddruft , daar de meeden verwervers in den beften 
tyd van 't jaar bedlegerig waren ; voor den gezegenden 
voortgang van 't Evangelie , en de kragtige betoninge des 
H. Geeftes aan alle zielen zo wel in de openbare verga- 
deringen, als in de byzondere leidingen ; voor de ruft van 
buiten ; voor de genadige leiding en bewaring by de 
veelvuldige bezoek-reizen zo wel der MiifionarifTen als 
der mede-arbeideren onder de heidenen ; voor den nog 
fteeds op het getuigenis onder de heidenen ruftende ze- 
gen; en voor alles, 't geen men zig by de volheid des har- 
ten niet terftond te binnen brengen kon , werdt by de 
verwifleling des jaars de H. Drieëenheid onder een vloed 
van tranen en onuitfprekeljrke zugtingen knielende ge- 
dankt, en om de aanhoudinge en vermeerderinge der 
genade en in 't byzonder der dagelykfe nabyheid van 
den Heer en het Hoofd der Gemeente in de klaarheid zy- 
ner wonden gebeden , en ten befluite het eerfte woord 
dezes jaars der Gemeente uit den Propheet toegeroe- 
pen : Myn volk ! gedenkt doch der omjlandigbeden , daar 
aan mên bemerktn kan^ boe gunflig de Heer U lieden zy» 



HET 




w^ 



/- 



9^ 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



HET DRIE EN TWINTIGSTE JAAR 

I 7 5 5. 
INHOUD. 

§♦ I. Michael Ballenhorft hemt met enen nieuwen mede-ar- 
beider uit Europa terug. 

%. 2. Algemene aanmerkingen nopens den gewonen in- en uit" 
wendigen gang der Groenlandfche Gemeente. 

§. 3. Aanmerkingen nopens het bezoeken der heidenen , hun^ 
ne opwekking door het Evangelie , en het getuigenis der 
Groenlandjcbe mede-ar belderen, 

S. 4. Inhoud en manier van V voorflel der Groenlandfche 
fnede-arhelderen^ en enige voorbeelden van bet zelve, 

^ §. ■ 5. De Leraren bezoeken de hunnen als mede de heidenen , 
en worden nogmaals naar de Fiflcher-Fiorde ultge-^ 
nodlgd. 

$. 6. Heugeïyke hewyfen van het werk der genade zo wel In 
de algemene ais by zondere vergaderingen^ als mede on- 
der dejeugt^ de Leerlingen^ de Gedoopt en ^ en Avond- 
maals-ieden, 

§. 7. Vermeerdering met nieuwe inwoneren en negen en dar^ 
tig gedoopten. 

§. 8. Aanmerkingen nopens ettelyke ontflopenen en veronge- 
lukten ; bewaring In gevaar lyke omfiandlgheden. 

S- I. 

TN 't voorleden jaar was Michael B allenhor fi , die in \ 
* jaar 1747 met het nieuwe huis naar Nieuw-Her rnbut 

geko- 



f* 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1755. 97 

éêkomen , en, de taal zeer fchielyk geleerd hebbende, tot 
Katechifeerder aangelleld was, tot een bezoejv naar Europa 
gereid. Eer II: begaf hy zig naar Engeland^ alwaar zig toen 
de Ordinarius der Broeder*]<erk bevondt : hy werdtte Lon* 
den in de kerk der Broederen tot Diaken ingezegend , en 
bezogt vervolgens de overige Gemeenten in Duitfcbland. 
Te Herrnhut werdt hy,met de jonge dogter Dorothea Td- 
cher , geboortig uit Moravien , in den egt verbonden , 
en tradt vervofgens de terugreis dw Groenland aan. Tot 
reisgezel werdt hem Peter Rudberg meê . gegeven , en 
kwam na ene zce»reis van fes weken te Nieuw-Hermbui 
aan. 

Het fehip vertrok binnen kort verder , om by den zo- 
genaamden Zuiker-Top^ dartig mylen noordwaards vari 
Görfi'öö^, ene nieuwe volk- planting aan te leggen, alwaar 
in 't vervolg Bertbel Larfen , die zedert feftien jaren , als 
Deenfcbe Katechifeerder , te Godbaab geftaan had , tot 
onderwyzing der heidenen geplaatft werdt. Op de terug 
reis liep het fchip in Bals-Rivier wtèr in ^ en nam ^oban 
Sörenfen^ die tot >Jjiertoe als Diaken by de Broeder-zendin- 
ge geftaan had, behevens deszelfs vrouw en vier kinderen, 
naar Europa terug. De zo evengemelde vier kinderen had- 
den op derzelver aanhoudend verzoek ver lof gekregen, oni 
in de kinder-huizen der Broeder-kerk te komen , terwyl de 
bovengemelde Balknhorjï de uitwendige zaken der Ge- 
meente-Diaconie tot de terug komft van den zo even ge- 
melden S'órenfen waarnam, en tevens deszelfs plaats als 
de naafte mede-arbeider der twe Miffionariffen vervulde , 
waarby hy te gelyk den mede gekomen Rudberg in de taal 
onderwees, en denzelven in hetopzigt over de Groenland- 
iche jeugt zogt in te leiden* 



2i 



Wat de Groenlandfche Gemeente aangaat, zy ging ia 
dit jaar haren gewonen gang, zonder merkelyke verande- 
ring , en had zegen. De uitwendige arbeid werdt naar de ty- 
deji van 't jaar en het weder gefchikt, terwyl zig ten dezeri 
opkigte ook in de ver afgelegenfte en onvrugtbaarfte ge- 
weften der wereld de wonderbare hand en wyze voorzie- 
nigheid van den Schepper openbaart. Want de winter 
in dit jaar zo zagt ^ade, dat het in January dikwerf re* 

IIL BuU O g^nde 4 



98 



Groenlandfche Hiftorie 



VUL B. 







gende , en niet kouder dan in den zomer was, was 'er aan 
zee-vogelcn ^^ebrek , alzo die niet dan by de felfte koude 
tuflchen de eilanden komen, terwyl zy daarentegen ette- 
lyke zee-honden vingen, die anders in dit jaargety zeer 
zeldfaara zyn; fchoon ze daarbydoor de vele liormwinden 
dikwerf in levens-gevaar geraakten, zo dat in dit jaar drie 
het leven 'er by infchoten : een van hen had enen zwaren 
ftorm op ene kleine khp, in zynen Kajak zittende, ene 
ganfcbe nagt moeten doorftaan, terwyl de golven hem dik- 
werf over het hooft heen floegen , en ook zynen zee-hond 
met ai het gereedfchap weggefpoeld hadden. In Maart 
kwam eerft de regte koude, die met zulke zware ilormen 
verzelt was, dat de huizen menigmaal befchadigd werden, 
en ook ettelyke Groenlandfche vrouwe- boten en Kajakken 
benevens het jagt-g^reedfchap van 't land geworpen en door 
de golven weggevoerd werden. En in April wanneer de 
diepe fneuw door den velen regen in beweging raakte, 
ilondt de nieuwe kerk op de volkplanting iii het uiterfte 
gevaar, om in de zee geltort te worden, want het water 
drong 'er miCt den fneuw in , zo dat alles , wat in de kerk 
was ,over hoop raakte, zonder dat iemand 'er by komen 
kon en ietwes redden. 

Het was omtrent dezen tyd , dat de Groenlanders zig 
weer met hunne boten en tenten naar de naburige eilan- 
den op hunne neringe begaven, na egter alvorens he'^cPaafch- 
feeft met elkander in zegen gevierd te hebben ; gelyk ze ook 
tot het Pinkder-feeft allen weer by een kwamen , het feeft 
met vreugde vierden en zig vervolgens, als gehoorfame 
kinderen , tot hunnen gemeen'ftmen togt op de haring-vangft 
lieten inrichten, terwyl 'er zeer vele^ weduwen en enkele 
perfonen waren, die, geen boot en huisgezin hebbende, 
onder de anderen moellen verdeeld worden , ten einde ze 
ook hunnen kofl konicien v/innen. 

,, Het was (dus fchryven de Broeders) een byzonder 
gezegend en zalig Pinkfter-feeil, en wy hadden reden, den 
Geeft dits Heren ook daarvoor te pryfen , dat hy onze 
Groenlanders, by deze zware tyden , en zo velehuis-armenj, 
in eensgezindheid by elkander bewaard en ook zo ge- 
willig gemaakt had, om gemeenzaamlyk uit te varen en el- 
kander te helpen. '* Den derden Feeft-dag, zynde den 
poften May, voeren ze, na een teder affcheid, onder opzigt 
van efen der MifTionarifren, met zeven en twintig vrouwe- 
boten m^iï PiJ/ikfarbik^ en de narigten, die men van tyd 

iot 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1755. 99 

tot tyd ontving, waren zeer verbjydende, Zy beminden 
elkander als kinderen, leerden by aile zware omftandighe- 
den elkanders laden gemeenzaamlyk dragen, gehoorzaam- 
den hunnen leraar, werden van buiten rykelyk gezegend, 
en waren allen gezond , terwyl zig de Heer , in hunne 
vroeg- en avond - vergaderingen , tot hen als tot fchapea 
zyner kudde bekende. J3it werdt ook dadelyk beveiligd^ 
wanneer ze by hunne terug komfl tot het H. Avondmaal 
gefproken werden , waartoe de meeden met een geb-ogen ^ 
genade-hongerig, en vrymoedig hart vergaderden. Ook be- 
kende zig de Heiland, als het hooft der Gemeente , die 
£yn lighaam is , tot zyne leden. 

Daarna verdeelden zy zig weer, naar gewoonte, op de 
verfcheidene plaatfen hunner neringe, en werden van tyd 
tot tyd door hunne leraren bezogt- De meeden kwameii 
weer tot het H. Avondmaal by een 5'en, dÏQ niet te verre 
weg waren, ook tot het vieren van den Zondag, als wan- 
neer tevens de kinderen, die buiten geboren waren, tot 
den doop gebragt werden. 



Ondertuffchen ontbrak het ook niet aan heidenen , die 
tot een bezoek naar Nieuw-Herrnhut kwamen, en de ver- 
gaderingen, of ook de bediening vaadendoop, byv^^oondèng 
waarvan ze altoos een indruk weg droegen, in 't byzon- 
der was het bezoek van Zuidlanderen , die naar het Noor- 
den voeren of van daar terugkwamen, zeer derk. Hoe 
onwetende en ongemanierd deze lieden ook zyn, ettelykeii 
van hen waren egter begerig , om te horen : en fchoon 
ze , naar het fcheen , zo weer weg voeren , als ze geko- 
men waren, men kon egter de moeite niet te vergeeffch 
rekenen ; alzo de ondervinding tot hiertoe getoond had ^ 
dat by velen ettelyke jaren vereifcht werden, eer het zaad 
van het Goddelyk woord opkomen kon en hun hart in zó 
verre veranderen , dat ze llegts het befluit namen , om by 
de gelovigen te wonen, en op het werk der genade in de 
ftilte te letten. Een van deze lieden bleef 'er ten eerden^ 
en velen namen het befluit, om in de naburige eilanden té 
wonen, alwaar men ze bereiken en nader met hen fpre- 
ken kon. 

Men heeft opgemerkt , dat gewonelyk eerft By dé kin- 
Ga • ètitü 




100 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



deren een verlangen naar de zaligheid ontftondt. Hier- 
van had men in dit jaar vele voorbeelden, en de kooplie- 
den vonden op hunne reizen, by heidenfche ouderen, kin- 
deren, die verfcheidene vaarfen van buiten konden en de- 
zelven zongen , ja die by 't affcheid nemen fchreiden , om 
dat ze niet met hen naar de gelovigen mogten terug va- 
ren. ^^ 

De jaarlykfe verftroijing der Groenlandfche Broederen 
onder de wilden bleef ook nog gedurig een gezegend mid- 
del, om nu en dan ene ziel onder de heidenen te winnen. 
Zy begonnen wel niet, zo als voor dezen, op het gemoed 
der heidenen ongevraagd in te dringen ; zo ras z€ egter 
gevraagd werden , of zo dra hen (legts de minde aanleiding 
gegeven werdt , getuigden ze van 't geen zy ondervonden 
hadden. Waar enige gedoopten in tenten by elkander Hon- 
den, daar werden de vroeg- en avond-vergaderingen , door 
een der mede-arbeideren , gehouden en de heidenen ook 
toegelaten. Een koopman, die op deszelfs reis ene nagt 
by de onzen geflapen en de avond- vergadering bygewoond 
had , gaf hiervan een berigt , dat hierop uitkwam : De 
Groenlandfche mede-arbeider had wel eenvoudig maar te- 
vens ftigtelyk en voornamelyk van zig zelve gefproken , 
hoe goed hy 't in den ommegang met den Heiland had , 
en hoe zwaar het hem in tegendeel zy, wanneer hy den 
Heiland niet altoos, en overal waar hy zig bevondt, in 
zyn hart gevoelig gewaar werdt. Vervolgens had hy den 
anderen enige vermaningen gegeven , terwyl zy hem zeer 
oplettende aangehoord hadden. Hun aandagt en vooral 
hun zingen , had den Koopman zeer wel bevallen. 

De Groenlanders hebben 't gaarn, dat een hunner lands- 
genoten hen nu en dan ene eenvoudige red en voering houdt. 
Zy horen zulks met ene byzondere oplettenheid , en een 
getuigenis van dezen of dergelyken inhoud : „ Befchouwt 
niy , ik heb enen korten tyd moeite gehad , en heb enen 
groten troofi: gevonden ; " geeft aan de vermaningen hun- 
ner buitenlandfche leraren , die de heidenen anders zeer 
gaarn voor menfchen van ene andere foort houden , zulk 
een gewigt, dat ze 'er niets tegen in te brengen weten. 



S-4- 



Gefch. van Nieqw-Herrnhut. i755« loi 

Men moet zig ondertufTchen van de redenvoeringen der 
Groenlanderen , het zy dat dezelven buiten , of des win- 
ters twemaal in de week op de zaal , gehouden worden , 
geen ander begrip maken , dan dat het zeer eenvoudige 
maar tevens hartroerende getuigeniffen en verklaringen van 
hunnen eigenen toeftand zyn; fchoon 'er ook zyn , die 
hunne ftelUng door de een of andere fchriftuur-plaats we- 
ten te beveiligen, en nadrukkelyke vermaningen, ^a, de 
omftandigheden zulks vereifchende , ook ernftige beftraf- 
fingen 'er by te voegen. Hunne voornaamfte ftoffe is de 
leer van 's Heilands lyden en verdienden, en^ hoe men de 
vergevinge der zonden in zyn bloed ondervinden, en in 
de zaligmakende kenniffe en genade van Jefus Kriftus, dat 
is, in den zaligen ommegang met hem, waffen en voort- 
gang maken kan. Hiervan fpreken ze uit eigene onder- 
vinding, en tevens met ene openhartige berydeniffe van 
hunne te kort kominge , 't geen by hun volk van meerder 
irut en uitwerking is , dan by aldien ze met ene door vele 
moeite verkregene of ingebeelde kundigheid (die men by 
de Groenlanderen niet zoeken moet) welgemeende ver- 
klaringen der H. Schrift voor den dag bragten , of met 
ene walgelyke verwaandheid zulke zaken beftraften , die 
hen zelven door de toehoorders^ zouden kunnen verwe- 
ten worden. . , 

Van hunne redenvoeringen heeft men wel weinig aange- 
tekend, om dat het den fchryver dikwerf aan tyd ontbro- 
ken heeft, en het befte intulTchen vergeten werdt; O men 
ziet egter , dat ze, gelyk alle eenvoudige, of liever oorfpron- 
kelyke volkeren, veel gebruikmaken van gelykeniffen. 

By 

( * ) Men heeft my onder andereti ook dit voor ene rer 
den gegeven, dat de Groenlanders hunne denkbeelden dikwils 
op ene zo zonderlinge wyze, door namelyk vele woorden en 
begrippen zamen te koppelen, uitdrukken; des men het zamen- 
gekoppelt woord in het Duttfch door ene zeer wydlopige 
omfchryving zoude moeten vertalen, en nogtans zeer be:èvvaar- 
lyk den regten zin treffen. 




102 Gröenlandfehe Hiftorie VIII. B. 

By vooijeeld, ter gelegenheid van een voorhanden zynde 
to^t onder de wilden, drukte zig een van hen dus uit : 
,, Ziet hoe de dienareffen de zaal opfchikken , wanneer 
^r eenfeeft voorhandenis; zyftroijen namelyk overalzand. 
Dus behoort gy lieden ook , waargy komt en als zand uit- 
geftroid wordt, de leer van den Heiland door uwe woor- 
. den en wandel te verfieren, en ook in de harten der wil- 
den wat zoeken te ftroijen ; want dus kunt gy dagelyks de 
Heiland een feeft vieren. " Indien de GroenlandL wiften 
hoe men zouten moet , of hadden ze gezien , hoe men koorn 
zaït ze zouden zig ongetwyfelt bediend hebben van de 
gelykeras van het Zout en den Zaijer Matth. V. en XIII. 
Wanneer een Groenlander zyn volk wil opwekken tot een 
waaragtig verlangen naar den Heiland, en tot een aanhou- 
dend zoeken der genade in deszelfs bloed, dan bedient hv 
zig van oe gelykenis ener door de hitte van de zon ge- 

£™.^i. f*""'^^^"^ ^^''^^' °P ^^"^^ een verkwikkende 
regen valt; of van de muggen, die men niet terug houden 
kan van het bloed uit de menfchen te zuigen; of van 
fó fchïijen' ^^" '^'^^^ ontwaken, terftond om voed- 

' De meergemelde Daniel begon ene zyner redevoerino'en 

dus: Zeer geliefde Broedel^! Wannier de kSerënop 

f'.^'a V^^^"'/^ '^*^ ^"™e ouderen: Ik heb honger 

ofdorft. De moeder, zulks horende, kan niet nalaten hei 

het nodige te geven. Dus maakt de Heiland het oTS 

en'dolSn'" "''' "*"« m" ^'^""S "^^^^ hem hongeren 
fn dorlten. — -— Hy heeft ons gezaligd door zvn bloed • 
wat zullen wy hem daarvoor geven? Niets, dan üeedszv- 
ne wonden in 't oog houden , en den heideneS verkondi- 
gen, wat hy aan ons gedaan heeft enz. " ^"Jionoi 
By ene andere gelegenheid zeide dezelve: „ Gv wce^ 
welken afkeer wy van het bloed van gedode menfchen 
hebben zo dat wy onze klederen , indien dezelve? dï" 

Si^DfnT/n'^'"' •'°"'^'" wafrchen,of t' enemaal weg 
wupen. Dan ten opzigte van het bloed des Heilands 

innk^n TnF"^''' ^'''^^''' ^^"^' '«ede zouden wy g "rn 
pronken, indien wy maar veel van het zelve krygen kor" 
den. Ach hebben we dit koftclyk bloed eens gfm-oefd, 
het fmaakt ons zo heerlyk, dat wy 'er niet van kunnen 
verzadigd worcfcn enz. Kunnen 

In enige zyner brieven drukt hy zig dus uif „ Ik ben 
dezen zomer op de Rendier-jagt g^wek By 't'omSopeS 

in 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1755. 



103 



in de wilderniffen, heb ik den Heiland dikwerf gebeden , 
dat hy my door zyne genade geliefde te leidenen te be- 
llieren. Want ik weet, dat ik'een arm en ellendigmenfch 
ben, indien hy niy niet gedurig naby is, en myne ziel uit 
zyne wonden voedfel geeft. Myne misilagen en gebreken 
zyn ontelbaar; doch den Heiland zyn ze allen bekend , 
want hy kent myn hart: daarom nadere ik (leeds als een 
zondaar tot hem. En dan ondervind ik, dat de H. Geeft 
my in myn hart naar zyne wonden wyft, en ik gevoel, dat 
de Heiland my hef heeft, want hy verkieft toch de cllen- 
digfte menfchen , en daarom heb ik ook niet bedroefd 

te zyn. Tans zal ik u wat, van 't geen myn hart 

verlangt, melden. Gy weet, hoe kinderen jegens hunne ou- 
deren gelteldzyn : dankbaar en gehoorfaam. Zo wiiikook 
jegens den Heiland wezen, ik zie ook , dat ik twezins 
geleefd heb, eerft in loutere duifternis: dan na dat de Hei- 
land my onder de wilden gezogt en gevonden Leeft , zo 
leve ik tans in zyn licht en in zyn bloed, -- — Wanneer 
wy ons als ellendigen gevoelen , dan wenen onze ogen ; 
doch wanneer wy ons den Heiland als gekruift voorllel- 
ien, dan kleeft onze ziel aan zyne zyde , gthAidt Nepifeh 
Vifch aan den fteen (*) , zo lang wy ons namelyk als el- 
lendigen gevoelen. Zie daar hoe myn hart denkt. " 

§. 5. 

Behalven de bezoek-reizen der Broederen, waartoe hun- 
ne uitwendige bezigheden en de vlfitatie hunner op andere 
plaatfen ftaande Groenlanderen aanleiding gaven , en die 
eigentlyk in den zomer voorvallen , waren ze eens in't 
voorjaar en een andermaal in den herfft naar de heidenen 
gevaren. Het eerftemaal doopten ze een kind van gelovige 
ouderen, na ene leer-reden over de woorden: Ziet Ik fta 
aan de deur e en ik kloppe enz. Waarby voörnamelyk op de 
heidenen gezien werd't , met welken ze ook naderhand af- 
zonderlyk en breedvoerig fpraken. Pit was in de Kookor- 
mn. Dan te Kangek kwamen ze ter ongelegenen tyd; al- 
zo ettelyke boten met Groenlanderen, die vertrekken wil- 
den, juift bezig waren, om overal , op de plaatfen, waar 

ze 

(*) TAt^i^iQS^i het ^de Boek §. 10, 
G4 




Ip4 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



m 



Im' i'sii 



ze gewoond hadden, aan te varen, en met de genen, die 

v/.Ki ^n' ^^ '^?''^" ^^ befchreijen, die gedurende hun 
veiblyt aldaar geltor ven waren. 

By het laatfte bezoek voeren, behalven de vrouwen , wel- 
ke roeijen zouden, vier van de Groenlandfche mede-arbei- 
deren naar de KooHrmn mede. „ De heidenen ( dus 
worot ergefproken) ontvingen ons vrindelyk. Toenwv 
pns in een gelprek met hen inlieten, verontlchuldigde zia 
een man met deszelfs onkunde. Dit gaf aanleiding tot 
ene redevoering van den Here Jefus , als het ware licht , 
dat alle menfchen verlichten wil, terwyl hy ze door zvn 
bloed zoekt te zaligen. Hier vonden wy zeer zoete km- 
cleren , die gaarn met ons wilden te doen hebben , en nog 
liever met ons zouden gevaren zyn, indien het van hen had 
atgehangen. Den volgenden dag liet ik onzen Baniel ene 
redevoering houden. Hy betuigde met vele vrymoedig- 
heid, dat hy ook eertyds even zo blind en dood en tevens 
voor het toekomende zeer bevreeft, was geweeft ,doch dat 
iiy , na zynen bioedigen Verloffer te hebben leren ken- 
nen, zeer vergenoegd zy; 't geen hy tang niet verzwvgen 
iion, maar voor een ieder betuigen wilde, in hope, dat an- 
aeren ook eens wys zouden worden en hun eeuwig wel- 
zyn ter harte nemen. De heidenen waren by deze gele- 
genneid zeer oplettende. Den agüen Oftober voeren wv 
naar enige andere huizen, wenlchten hen vrede van God, 
en waar ze ons ontvingen, fpraken wy met hen van 'sHei- 
lands liefde tot alle menfchen , en in 't byzonder tot hen 
op ' ezen hunnei; tyd. 'Er was ene vrouw, die met velen 
aanc^gt alle myne woorden naarfprak. Tot de Groen- 
landfche zufters zeide ze , dat zy ook eertyds wat van den 
rieiland gevoekl had, maar dat zy 'er weer van afgekomen 
was, en verlangde tans zeer, om by ons te wezen, en het 
verlorene weer te zoeken; doch dat haar man 'er nog geen 
zin in had. Den soften moeften wy 'er wegens harden 
wp.ü blyvenhggen,en vonden gelegenheid om met de 
heidenen vee te ipreken. Den; siften voeren wy terug, 
en hadden zu k ene holle zee, liat de golven ons dikwerf 
houde™ tc^H '• " ^^^^^welgen, wy kwamen egter wel en be- 

Voor het overige werden de Broeders zo wel door de 
Koop heden als Groenlanders in de Fifcher-Fiorde tot een 
bezoek, en nog liever om 'er te wonen, uitgenodigd. Ve- " 
le.T der aldaar wonende heidenen hadden by derzel ver heen 

' en 



Gefch. van Nieuw- Herrnhufc 1755. 105 

en weer varen, ten dele te NietnvHerrnhut^ ten dele op 
plaatfen, waar ze met onze Groenlanders te gelyk gedaan 
hadden, een verlangen naar den Heiland en den doop ge- 
jcregen , 't welk door de boven gemelde liederen nog meer 
aangewakkerd was , doch men kon voor als nog om geen 
bezoek denken, veel minder om 'er te wonen. 

§ ö. 

Ondertuffchen waren de Groenlanders in hunne winterhui* 
zen weer ingetrokken : in het uitwendige waren ze rykelyk 
voorzien , door den Goddelyken zegen , (terwyl ze weer , tot 
een iedersverwondering, vry wat afleveren konden) en te- 
vens zeer begerig naar bet woord des levens , 't geen mea 
vooral des zondags gewaar werdt , terwyl de zaal , voorname- 
lyk by de vergadering tot de Litaney , reeds veel te klein 
werdt; zo, dat men 't , zelfs by de koude, van benauwt- 
heid in de zaal nauwelyks houden kon , en de kinderen te 
huis laten moeflu Dan dewyl ze deze gezegende Liturgie 
niet gaarn mifTen wilden , zo werdt dezelve den volgenden 
maandag 's morgens, in ftede van de gewone Katechifa- 
tie, met hen gehouden. Met hunne fchooi werdt ook wtèt 
een begin gemaakt , en de drie Miffionariffen verdeelden 
dezen arbeid onderling in dier voegen , dat de ene de jon- 
gens, de andere de meisjes , in 't lezen, en de derde de be-? 
jaarden in 't fchryven, onderwees. De Katechifatien en 
zing fcholen werden ook beurtelings met de jonge lie- 
den van beide kunnen , op bepaalde tyden , door hen gehou- 
den. Een der grootfte fchooi- jongens fchreef aan zynenLeer- 
meefter het volgende briefje: „ Dewyl ik my in myn hart 
als een arm zondaar gevoele, zo bid ik menigmaal dus: 
Beminde Heiland, laat het in myn hart hoe langer hoe ge- 
voeliger worden , dat gy voor ray aan het kruis geftorven 
zyt. 't Is my altoos in de gedagten , dat uit uwe zyde 
bloed en water gekomen is. Dit kan ik, zo lang ik hier 
op de aarde ben , onmogelyk vergeten, x^ch hoe geluk- 
kig en zalig zyn de Avondmaals-leden, die dikwerf hunne 
byzonderc vergadering met den Heiland hebben. Dit 
fchryf ik met tranen. " 

Behalven de openbare vergaderingen zo wel van de gan- 

fche Gemeente als de verfcheidene koren , was 'er een by- 

zonder zegen over de kleine gezelfchappen. By zulke vrye 

G 5 har- 



lit' 



xo6 



Groenlandfche Hiflorie 



VIII. B. 






I 

ft 



1 




hartens-gefprekken onder lieden van gelyken aart open- 
baarde zig dikwerf het inwendigfte verlangen van 't hart 
beft. De leerlingen verlangden naar den doop , om dat 
ze niet alleen hoorden, maar ook zagen, welk een zalig 
leven het zyn moet, wanneer men, /bet hart gereinigd z'^n- 
de van ene kwade Confcientie , en het Ughaam gewajfcben 
met rein water , zig in het deelgenootfchap aan 's Heilands 
lighaam verblyden kan. De gedoopten, die nog niet tot 
het H. Avondmaal toegelaten waren, verlangden zeer, 
om dezer genade deelagtig te worden , en niets kon den 
Avondmaals- leden fmartelyker wezen , dan wanneer ze 
dit hoge goed miffen moeften. Onder de jonge mans-per- 
fonen , en vooral onder de jongens , befpeurde men dezen 
wmter ene byzondere genade , des men met reden hopen 
kon , dat ze den Heiland tot eer, en der Gemeente tot vreug- 
de, aangroeijen en beklyven zouden. 

Onder de nieuwe inwoneren, waarvan 'er weer een vry 
aanzienelyk getal en genoegfaam maandelyks ettelyken aan- 
gekomen waren, bevonden zig twe huisgezinnen, die by 
de boven gemelde bezoek-reis der twe Groenlanderen naar 
't Noorden opgewekt waren. De meeften waren lieden , 
die reeds lang hier in de buurt gewoond hadden, en niet 
dan na den dood van den een of ander, die hen tot hier- 
toe terug had gehouden , hunnen wenfch bereiken kon- 
den. Onder anderen was 'er ook ene oude weduwe geko- 
men , van welke men wel niets byzonders wift , dan dat 
men ze reeds op een zeker tyd begraven had, en dat ze 
nve dagen daarna weer levendig geworden was. Toen 
men, ter gelegenheid , dat zy een verhaal van haren dood- 
llaap met vele wonderlyke gebaarden deedt, v^n den goe- 
den Herder met haar fprak , die zig zelven in den dood 
gegeven had, om ons van dezen koning der verfchrikkinge 
te veiioffen, verwonderde ze zig niet' weinig, dat God de 
mcnfchen zo liefheeft, en gaf ons reden te hopen, datwy 
haar often minften hare kinderen nog eens zullen sered 
zien. ^ 

Van de leerlingen werden agt en twintig bejaarden , als 
mede elf kinderen gedoopt. Onder de eerften bevonden zig 
twe mannen, die reeds in 't jaar 1739 by de Broeders ge. 

wpond. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1755. 107 

woond, doch zedert gedurig omgezworven hadden, en nu 
zeer befchaamd en verblyd waren, dat zy deze genade ge- 
nieten mogten. 



Daarentegen waren dertien gedoopten zalig ontllapen. 
Onder dezen zullen wy de volgende aanmerken. 

1.3 Jehu^ zndQYs Kuanak ^ ene buit, die de zalige 5*^1- 
muel Éaj'arnak m\]z^v 1741 uit het zuiden mede bragt, 
en die een Broeders-zoon van hem was. De Heiland trof 
2yn hart wel haaft, hy was ons tot vele vreugde, en naar 
mate van zyne kenniffe vele heidenen , vooral den kinde- 
ren, tot zegen. Doch het volgende jaar moeft hy met zy- 
nen vader naar 't Noorden varen. By. deszelfs affcheid 
vielen wy met hem op de knien, en hybadtzo aandoene»? 
lyk , dat wy vele tranen met elkander vergoten. Na zy- 
lies vaders dood kwam hy als een kreupel wederom , 
werdt egter in zo verre herfteld*^ dat hy in een Kajak va- 
ren kon. Hy werdt binnen kort een deelgenoot van de 
voorregten der Kerk , had een eenvoudig en kinderlyk 
hart, en was , onder alle bezwaarnifTen van zyn kwynend 
lighaam , altoos vergenoegd. Hiervan fchreef hy dus : ., Ik 
ellendige kreupel ben vanharten arm, doch de bloedige 
Heiland is met zyne wonden myn trooft geworden, anders 
heb ik genen. Zo dra ik daaraan denk , verblydt zigrayn 
hart. Uit en door my zelven was ik noit vergenoegd ge- 
worden , maar hy zelve heeft myne zinnen en gedachten 
op zyne wonden gebracht. Daarom houd ik myfteeds aan 
hem , en dewyl ik zo arm en ellendig ben , wil ik my ge- 
durig in zyne wonden verbergen. '' 

2O ^uguftina^ ene vergenoegde ziel en tevens ene zeer 
verftandige en by alle hare Zufters beminde en geachte 
mede-arbeidfter. Den tyd van hare langdurige ziekte, die 
door ene vroegtydige bevalling veroorzaakt werdt , bragt 
ze in diervoegen door, dat een ieder getrokken werdt, om 
ze te bezoeken, en zig, aan hare blymoedige verwagting 
van den Bruidegom , te verkwikken. 

3.) Jofepb^ een byzonder aangenaam kind van zeven 
jaren, dat reeds ettelyke jaren zeer naar den doop had ver- 
langd 5 en zulks ook dikwils met tranen te kennen gegeven 

had. 




io8 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



had, werdt op zyn ziek-bedde gedoopt, en ging dus rein ge- 
waiïchen naar de zalige Hemelingen , bekleed met lange 
witte klederen. 

Van de Leerlingen ging een man, eer hy kon gedoopt 
worden , door 's Heilands wonden getrood naar de euwig- 
heidt. Naderhand vernam men van deszelfs huisgenoten^ 
dat hy kort voor zyn einde had verhaald , hoe hem de Hei- 
land met deszelfs wonden verfchenen zy,entot hem gezegt 
had: Dat ik u verfchyne, gefchiedt op dat gy, by my ko- 
mende , zult kunnen zien en geloven , dat ik het ben. 

Zo heugelyk het is, zielen tot haren Verlofler te zien 
henen gaan, zo fmartelyk was het, dat 'er in dit jaar drie 
Broeders in hunne Kajakken weg bleven ; wordende (legts 
het lighaam van enen derzelver gevonden, die onder het 
water uit de Kajak gekropen was , en waarfchynelyk zig 
aan d^nzelven vaft gebonden had, om gevonden en begra- 
ven te worden. Het waren: 

I. ) Ifaac een bruikbaar mede-arbeider , die wegens des- 
zelfs flandvaftighcid in alle omftandigheden byzonder be- 
mind en geacht was. 

2.) Enoch ^ ene zwakke ziel, (dus wordt 'er van hem 
gefproken ) aan welke egter de Heiland grote barmhartig- 
heid bewezen had, en die hy juift te regter tyd in zeker- 
heid bragt,alzo dezelve nog noit beter gefteld was geweeft, 

3.) Sülma^ een ongetrouwd Broeder, ene ftille en ver- 
genoegde ziel. Zedert enigen tyd had men ene byzonde- 
re bewerking der genade aan hem befpeurd, waardoor hy 
tot ene zalige ontbinding toebereid werdt. 

In 't algemeen had men in dit jaar veel (tormagtigen ge- 
vaarlyk weer gehad. Eens werden vier Europeaanfche 
Broeders door enen (lorm , die drie dagen duurde , by een 
onbewoond land opgehouden, zonder dat hen enige levens- 
middelen konden toegezonden worden, Zy konden egter 
beurtelings , ene goede myl over het land gaande, in den 
Zond by de Groenlanderen komen, en zig daardoor redden, 
dat ze niet van honger vergingen. Wanneer in Oftober 
negen Groenlanderinnen naar een afgelegen en onbewoond 
eiland gevaren waren, om blauwe bezien te vergaderen, 
werdt haar boot door enen harden ftorm in de zee gedre- 
ven. Zy werden egter nog ter regten tyd v^nettelyke voor- 
by varende wilden gezien , die ze naar hunne huizen mede 
namen en wei herbergden , tot dat m^n ^e van daar af ha- 
knkon. HET 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1756. 109 

HET VIER EN TWINTIGSTE JAAR 

1756. 

INHOUD. 

§♦ I. Za/fge ondervinding van den vrede Gods en deszelfi 
beloften aan leraren en toehoorderen. 

§. 12. Blyken van Gods zorg voor zyne kinderen hy een ah 
gemeen gebrek. Een uitgehongerd beidenfcb kindivordi 
gered. 

§. 3. Ongeruftheid wegens een verdagt fclip. Gevaar van 
bet dryfys. johan Sörenfen komt gelukkig uit Eu- 
ropa terug. 

%. 4. De onderhouding der Groenlanderen en MiJJionarijfen 
valt bezwaar lyk en zeer bekrompen. 

§. 5- Wegens den ysgangblyven vele ZuidhndQVS in de buurt ^ 
' en onder de ouden bekenden openbaart zig ook enige op'" 
wekking. 

§. 6. Ettelyke heidenen houden de hunnen terug ^ of trekken 
ze naar zig : anderen worden door de fiandv»ftigheid 
hunner kinderen gewonnen. 

%. 7. Bewyfen der genade in de vergaderingen en den dags^- 
lyk jen gang. 

C. 8 De Gemeente wordt doer fes en dartig gedoopten ver^» 
' meerderde en door een en twintig ontflapenen ver- 
minderd. De laatfte uren van zommigen derzelver. 

§• u 

/N deze plaat fe zal ik vrede geven Jpreekt de Heer der Hei f- 
fcbareni dus luidüe de belofte ^, die de Broeders, wan- 
"^ ^ neer 



Groenlandfche Hiftorie 



VIÏL Ëi 



IIO 

neer ze by 't begin dezes jaars, toen genoegfaam alle ove- 
nge de^cn der wereld in rep en roer waren, den Bvbel 
opfloeizen, troffen, en die naar ziel en lighaam aan hen 
vervuld werut. Amen ^ de trouwe en waara^ti^e £etuwé 
(zie het kieineboek derTexten, de woorden def Heilands 
behelzende) bekende zig,— naar zyn genadig welbeha- 
gen tot de met hem verzoende menfchen, van den eerften 
begmneen met het intreden van 't nieuwe-jaar^inhetH Sa- 
crament zynes hghaams en bloeds; en vervolgens het gan- 
fche jaar den enen Sabbath na den anderen in zyn Woord; 
enmaandelyks zowel op de Gemeente- als Avondmaals- 
dagen m de H. Sacramenten des Doops en des Avond- 
maals; in de dagelykfe vergaderingen, en ook in den een^ 
zamen ommegang van elke genade-hongerige ziel met haren 
nog niet geziene vrind, — tot zyne Gemeente van arme 
zondaren uit het Groenlandfche volk, 

Onaanzienlyk, arm, en kleine. 
Wel gebreklyk, echter zyne. 
En zulks is genoeg voor haan 

in den beginne fcheen het wel met de leerlingen niet 
zeer voorfpoedig te willen gaan, des 'er op den 6den Ta- 
nuary, zynde het feeft der heidenen, deze reis niemand 
gedoopt werdt, terwyl in vorige jaren op dien dag altoos 
een talryke doop geweeft was. Men hieldt egter' na de 
tredikatie over de woorden: een licht ter verlicbtinpe der 
betdenen ; met vyf en vyftig ongedoopten ene byzondere 
vergadermg, in welke velen een innig verlangen naar den 
f-ieiland en den doop betuigden te hebben; onder anderen 
kon ene weduwe de volgende nagt niet flapen,raaar moeft, 
volgens haar zeggen, opftaan en den Heiland bidden , dat 
Hy haar haalt deze genadp wilde toeftaan en fchenken. Te 
groter was derhalven deWreugdeen met tranen verzelde 
dankerkentenis, zo wel by de leraren als de toehoorde- 
ren, wanneer ze den igden January, zynde de gedenk- 
dag der Groenlandfche zendinge, veertien leernngen,door 
deaannemmge tot den doop, de verzekering van hunnen 
aanltaanden doop geven konden. Het woord van dien dag 
was: Dan zult gy aan uwe ivegen gedenken ^en ufcbaamen; 
t geen aanleiding gaf, om zig met befchaming en vreup- 
de te herinneren, wat de Heer aan deze barre en woefte 
plaats, waar tans een Tempel des Heren van levendige 

ttenen 



Gefch.van Nieuw-Herrnhut. Ï75Ö. iii 

ftenen ftaat , zedert drie en twintig jaren gedaan heeft , 
hoe overvloedig hy de Gemeente over de laatilen zv\^a- 
re jaren getrooft , de fcheur genezen , de gapingen ver- 
vuld , en alles naar ziel en lighaam ten befte gewend 
heeft. 



§. 2. 



't Is waar ^ 



Men weent Hem doch by zyn doorboorde voeten 
Voor niets zo dankbaar voor, als voor zyn boeten^ 

het welzyn in 't uitwendige verdiende egter ook er- 
kend te worden , en ene ftoffe van dankbaarheid jegens 
den Here uit te leveren. In ^t voorjaar was 'er weer een 
grote hongers-nood onder de heidenen. Van KelHngeit^ 
ene plaats tien mylen zuidwaards van hier gelegen , waar 
anders een ryke zeehond-vangft is, bragt de koopman Da* 
lager ^ van den fpek*handel te huis komende, niets mede, 
dan jaramerlyke narigten van menfchen, die van honger 
geftoiven waren. Voor de Broeders bragt hy egter een 
zonderling gefchenk mede, namelyk een ouderloos-meisje, 
dat door de wilden, uit gebrek aan fpys, twemaal in een 
afgelegen fpelonk gelegt was, om ,dat ze haar niet voor 
hunne ogen van honger wilden zien fterven. Dan het meis- 
je, wanneer ze om den anderen dag naar het zelve kwa- 
men zien , nog gedurig in 't leven gevonden hebbende , 
hadden zy't'naakten bloot in de zee geworpen; doch de 
zee het meivsje.ook niet willende houden , had het 
een man , ( * ) door medelyden bewogen , aan 't ftrand 
opgenomen en in een ledig proviant-huisje gelegt. De 
korpoian, die 'er kort daarna kwam, zulks horende, liet 
uit mtHiedogendheid dit arme uitgehongerd fchaapje, dat 
door de koude en langdurigen honger meer naar een dood 
geraamte, dan naar een levendig menlch, geleek , by zig 
brengen; vervolgens kleedde en voedde hy 't zelve, bragt 
het te huis 9 en zondt het in een zak aan de Broeders , met 

aan- 

(*) Deze mededogende Groenlander is korte jaren daarna ge- 
lovig geworden en gedoopt* 





Groenlandfche Hiflorié 



VUL B. 



aanbieding, om aan ene arme weduwe , die , als voed- 
fter - moeder , het meisje zou willen aannemen, zoda- 
nige hulp en onderfland te zullen bezorgen, als tot des- 
zelfs onderhoud en opvoeding vereifcht werdt^ Het meis- 
je leeft nog totlvreugde vandeszclfs weldoender. De zegen ^ 
van V geen omkomen zoude ^ home over hem. Job, XXIX: 13« 
Door dezen hongersnood werden vele Groenlanders tot 
een bezoek herwaards gedreven. Doch het was by dé 
meerten niet anders , dan of de nood en de zorg voor 
hun onderhqud hunne zinnen t' cnemaal verdoofd en hun 
hart nog meer verhard had. De onzen bragten het 
door ene goede orde en geregelde huishouding zo verre ^ 
dat ze nog hadden, om aan de nooddrultigen mede te de- 
len. Ene felle koude bragt tot hunne verligting vele zee* 
vogelen naar de eilanden, en aan de arme weduwen en we- 
zen, als mede aan ettelyke huisgezinnen, wier huis- vade- 
ren niet in Haat waren, om zig by kwaad weer op de zee 
te wagen ^ werdt een weinig gort en erweten uitgedeeld; 
waarvoor ze hunne weldoenderen in een eenvoudigen brief 
hunnen dank betuigden en zegen wenfchten. Het toene- 
mend gebrek was egter oorzaak , dat velen in dit jaar vroeg- 
tydig, en reeds in 't begin van Maart, met derzel ver huis* 
gezinnen naar andere plaatfen trokken , alwaar ze van tyd 
tot tj^dbezogt werden, 't welk tevens gelegenheid gaf^ 
om de heidenen aan te fpreken, hoewel 'er in dit jaar maar 
zeer weinigen in de naburige plaatfen gevonden werden ^ 
zelfs waren in het anders zeer volkryke Kangek niet meer 
dan twe huizen , die bewoond werden. 

§. 3. 

Tegen Paafchen Heten zig demeeften (want zommigelïi 
werden door het flegte weer belet) alhier weer vinden, ten 
einde in de ftille week gedagtenis te houden van 's Hei- 
lands lyden en fterven. In het vieren van het Paafeh-feeft 
werdt men enigzins geftoord dooreen Amerikaanfch fchip, 
't geen, naar het voorgeven^ wegens nood van het ys hier 
inliep, en 't welk naar alle gedagten dezelve zee-rover 
was, die voor twe jaren enige menfchen ontvoerd had ^ 
want deze, van hier vertrokken zynde , zal, naar men 
2egt , vele Groenlanderen van hun gd'ed berooft hebben. Het 
vöornaamfte verfchil was wel tuffchen den Kapteiaen desr 

zelf^ 



Cefch. Van JSfieiiw-tlerrnhut 1756. tj^ 

2elfs volk , ondertuffchen moeiten de inwoneren alhier doch 
ook op hunne hoede zyn, en een vyandigen aanval teri 
minrten ene ontvoering van ettelyke Groenlanderen be- 
vreï^en, gemerkt hy met geladen gefchut dreigde en o(;k 
reeds enen onzer Groenlanderen "op bet (chip gevangen 
liieldt. De koopman liet ettelyken van zyn volk , die met 
hun boot aanland gekomen waren, vafl: zetten, totdat hy 
den Groenlander lo's liet, zelve aan land kvvam,en behoor-^ 
lyke voldoening gaf. 

In Juny liep liet fcbip, dat naar Frïedrichshaah beftemd 
was, en vraar het al weer wegens het ys niet inlopen kon ^ 
by Godhaah in , en dév^yl kort daarna^ Bals-Rivier vol 
van ys raakte, moeft het a^daar negen weken liggen, en 
vertrokken zynde nogmaals uit nood in de Fischer- fier dé 
inlopen. Ondertuilchen g^ïjoban Sdrenfen kennis van des- 
zclfs gelukkige aankomft te ISfaparfok^ vyfiienmylennoord» 
waards van Godhaah , werwaards het herwaards bellemde 
fchip voor het ys geweken was. Het zag met het ys zo 
gevaarlyk uit , dat men weinig hope had, om het Tchip ' 
hier te zien inlopen. Uit dien hoofde voer een Broeder nicTt 
een vrouwen-boot derwaards, oiii hem af te halen , eit 
bragt hem ook tuffchen het ys en 't land tot in den Zond , 
enemyl van de volkplanting. Aidaai: moeften ze ettelyke 
dagen by de Groenlanderen blyven, zynde At Fiarae za 
vol van ys , dat de Groenlanders benevens enige matro- 
fen , die naar de eilanden gevaren waren , om eijeren te 
zoeken, dermaten doorliet ys bezet werden, dat ze over 
het zelve naar huis moeften gaan. Ondertufichen waagden 
ettelyke Groenlanders , enige levens middelen naar onze> 
Broeders te brengen, Doeh dewyl het ys zig intufichen 
een weinig, maar niet genoegfaam , verdeelt had, haddeii 
ze ene gevaarlyke en moeijelyke reis. Want nu moefren 
ze hunne Kajakken op het hooft of in de handen dragen , 
ëan dezelven w^eêr voor- of agterwaards voortduwen'; nu 
eens inoeften ze dezdven als een plarik gebruiken, om van 
het ene ftuk ys op het andere te komen, dan zig weer 'm 
dezelven zetten en tuffchen het ys heen varen, tot dat ze 
by onze Broeders kwamen, die f na vier weken terug gehou- 
den te zyn en in 't ys omgezworven te hebben , eindelyk 
behouden aankwamen. Doch het fcbip kon eerft vyf \¥e- 
ken daarna inlopen^. 



UI, De§h 



n 



% 4 



m 



114 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



* 



§.4. 

Hoe veel ys'er ook was, de Groenlandersmoeften even- 
wel , door een der Miirionarillen verzeld , op de haring- 
vangft varen. Op de uitreis werdt een vrouwen -boot 
door het ys verbryzeld , doch de nienfchen gered. Het 
zelve gebeurde ook op de terugreis met een zwaar gela- 
den boot. De Groenlanderen bragten hunnen laft op een 
groot ftuk ys , waar ze ene tente opfloegen ; d^n het fluk 
ys door een ontftaan zwaar weer brekende , moeften ze 
hunne tente en laft agter laten en zig in den befchadigden 
boot zoeken te redden. Dergelyke zonderlinge gebeurte- 
niflen en bewaringea werden in dezen tyd meermaals on- 
dervonden , waarby velen hun overig goed en vermogen , 
doch niemand het leven , verloor. 

Dus zag het met hunne koftwinning zeer flcgt uit , en 
de zeehond- vangft in den herfft was insgelyks maar zeer 
gering. Doch de voorzienigheid had reeds op ene andere 
wyze voor ze gezorgt. Want in 't voorjaar lieten zig vele 
Walviffchen zien , die anders zeer zelden hierom ftreeks 
komen. Schoon nu de Groenlanders 'er geen van vangen 
konden, alzo zy hier niet 'er toe ingericht zyn, zy von- 
den egter in den zomer enen doden VValvifch, en in den 
herfft vingen ze enige Jrdluit , zynde een zoort van 
Zwaart-viffchen, die van Zeehonden (*) leven. Hier- 
door konden ze zig van vleefch en fpek voorzien , zo dat 
ze nog overig hadden. 

Voor het overige begr^^pt men ligtelyk , dat de Euro- 
peaanfche Broeders, leh aanzien van derzelver uitwendige 
verrigtingen ten behoeve van hun onderhoud , en vooral 
in het vergaderen van den nodigen turf en hout , hebben 
moeten te kort fchieten, gemerkt in de befte zomer-maan- 
den nauwelyks een Groenlander, veel mindereen Euro-» 
peaan met zyn vaartuig door het ys komen kon. 

(*) Zie het 2de Boek §. 20. 



% <• 



I 



Gefch. van Nieuw-Hefrnhüti 1756, I15 



§. 5* 

De zware ysgang, waardoor de koftwinnihg zo zeer fee- 
let werdt,brag;t egteraan den anderen kant wat goeds vooru 
WantdeZuidlanders, op hunnen togt naar 't noorden by 
de Broeders weer in grote menigte aankomende, wer- 
den genoodzaakt ten dele om 'er te blyven , ten dele 
om zig daar omftreeks met 'er woon neder te zetten, 't Geen 
ene gewenfchte gelegenheid gaf, om weer een iJidruk op 
hun hart en gemoed te maken. 

Dat 'er nog ene beweging, offchoon niet ene zo algeme- 
ne opwekking als vóör twaalf jaren , onder de naburige 
heidenen zy, zulks vernam men van onze Groenlandfche 
mede -arbeiders, wanneer ze te huis kwamen. (*) Want 
nademaal ze van hunnen kant niet meer begonnen de hei- 
denen aan te fpreken, 't welk by de zulken , die het woord 
van God zo lang i^eds gehoord hadden, dar zy 't moede 
geworden waren, meer fchade dan nut veroorzaakte; zo' 
werden ze tans dikwerf verzogt, om hen en de hunnen! 
iets te zeggen, 't geen dan ook altoos met vreugde ge- 
fchiedde en noit zonder vrugt was , fchoon velen zig nog 
gedurig met allerly uitvlugten behielpen, waarom ze zig 
niet geheel en al aan hunnen Verlofler overgeven konden^ 
By velen openbaarde zig een te rade gaan met vleefch en 
bloed , 't geen zo wel by de heidenen als elders vele goe- 
de bewegingen uitdooft. Du^ , by voorbeeld , zeide een 
van hen : „ Ik heb twe willen , een overgevende en een 
terug houdende, deze twe willen ftryden tegen elkander, eri 
zomtyds krygt de terug houdende wille de overhand. '* D© 
oude bekende tovenaar Kajfjak verzogt de Groenlandfche 
Broeders dikwerf in zyn huis te komen ^ om den zynen iet^ 
te zeggen , dewyl hy gaarn zag , dat zyne kinderen ene 
goede kennifle kregen. Doch toen hy zelve aangelpm- 
ken werdt, of hy dan niet een begin maken wilde , ora 
zig te bekeren , gaf hy dit andviroord: „ Myn geeft heeft 
'er wel enigzins luft toe, maar myn lighaam is te awak. *^ 
Zeker leerling der tovenaren beklaagde zig ook ^ na lang 

mee 

( * ) De bezoek-reizen der Miflionariflen onder de heidenen » 
en 't geen daarby voorgevallen is , laat mMtx t^m^ g®lyk sti^JK 
maris f koriheids halva agter wegen. 
H s 



een 




Groenlandfche Hiftorie 



Vin. B. 



met ^^" der Groenkndfche mede-arbeideren gefproken te 
hebben 9 dat by wel eens begonnen had, om zig te beke- 
ren, doch naderhand zig in de Ichool der tovenaren be- 
geven hebbende, had de boze geeft hem dermaten inge- 
nomen , dat 'er nu wel noit iets van zyne bekering komen 
zoude, 

Daniels de Groenlandfche mede-arbeider, die voor drie 
jaren de bezoek-reis naar 't noorden gedaan had, en die de 
heidenen nog gedurig bezoekt en hen den weg der zalig- 
heidt tragt bekend te maken , verhaalde van deszelfs be- 
zoek in de Kookornen en te Kangek^ dat hy overal gewil- 
lige en oplettende toehoorders gevonden had. Van een 
zeker man had hy vernomen , dat dezelve zig dik wils , 
wanneer hy alleen in zyn /f^/^/^ roeide, 't geen hy van den 
Heiland gehoord had, te binnen briigt. Ook had een tove- 
naar tot hem gezegt , dat hy reeds veel van 't geloof had 
horen fpreken, maar dathy niet begreep, wat de gelovi- 
gen boven de ongelovigen hadden; want zo bekwaam was 
hy. nog niet, dat hy , gelyk zommige Angekoks van zig 
roemden , in de andere wereld kon rond reizen en den 
toeftandder afgefcheidene zielen, waarvan zeer verfchillen- 
de gefproken werdt , leren kennen. Onze Groenlander 
had hem geantwoord : ,, Wy zullen in ene zeer heerlyke 
plaats komen, die wy egter niet befchryven kunnen, om- 
dat we dezelve niet gezien hebben; dan de grootfte heer- 
lykheid zal daarin beftaan, dat wy den Heiland, in wel- 
ken wy geloven, met onze ogen zien zullen. Doch in 
deze plaatfe kan niemand komen, ten zy hy geboren wor- 
de uit water en Geeft, ook moet hy eerü van zyn lighaam, 
diit tot de ftoffe wederkeren moet, ontbonden worden. 
Doch daaruit zal de Heiland een nieuw lighaam voort- 
brengen, dat zonder gebrek zal zyn, en met dit lighaam 
'zullen de gelovigen in die fchone en heerlyke plaats by 
den Heiland komen en in zyne nabyheid eeuwig le- 
ven, " 

S. ö. 

Het bleef egter overal niet flegt«? by aandoeningen, maar 
velen kwamen ook in dit jaar nader by de Gemeente der 
gelovigen, fchoon zommigen, die in deze levens-wyze,of 
liever in de opregte ovcrgevinge van het hart , nog genen 

fmaak 



4 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1756. 117 

fmaak vonden, weer vertrokken, en menigmaal ene ziel, 
die in de ichool des H. Geeftes reeds onderwezen en 
bewerkt werdt, mede weg fleepten. Dus vertrok ene we- 
duwe uit verdriet , om dat men ze niet fchielyk genoeg 
dopen wilde* „ Want (zeideze) het befchaamt iemand 
al te zeer , wanneer men na de Predikatie horen moet : 
tans kunnen de ongedoopten naar huis gaan. " Een huis- 
gezin, dat deszelfs winter-huis reeds in orde gebragt had , 
-vertrok ook weer; twe jonge lieden bleven egter. Dewyl 
nu de dogter van het zo even gemelde huisgezin kort daar- 
na ftierf, bragt de vader het lyk met veel fchreijens en 
zeide: „ Hier breng ik myne dogter, die (leeds een verlan- 
gen had, om by U lieden te wonen, maar ik, kwaadaardig 
menfch, heb haar altoos wederftaan, daarom heeft hy, in 
welken ze geloofd heeft, my geftrafd en ze my ontrukd. 
Maar zy heeft my verzogt, dat ik haar lighaam dphetlaiid 
der gelovigen zoude brengen, en U verzoeken, om by 
haar begrafienis haar , gelyk anderen gelovigen, een 
lied te zingen. En dit v'erzoek ik nu ook, " Een ander 
man, die 'er voorleden winter gewoond had, vertrok in'ü 
voorjaar met deszelfs huisgezin , en be^af zig v^eêr by de hei- 
denen , en wel by de flegtften, die daar oraftreeks wa- 
ren. Doch de" nood ( want^ettelyken lagen het op zyn le- 
ven toe) dreef heravvel haaft weer naar d."e Broeders. Zy- 
ne vyanden,van w^elken zig zommigen naderhand bekeerd 
hebben, volgden hem agier na, maar zogten zig van de 
befchuldigingen te zuiveren , en zeiden enidelyk tot hem : 
„ Gy hebt tans niets meer te dugtea, orn^ciat'ge by bra- 
ve lieden woont. ". Zo dra was hy niet buiten gevaar^ 
of hy vertrok weer ^ doch een meisje kon 'er niet toe be- 
wogen worden, verliet de haren en bleef. Toen men een 
ander kind, wiens onderen vertrekken- wilden, vroeg: 
wildt gy ons -lan ook verlaten ? antwoordde de inoeder :. 
Jii, wy moeten om harent wille verrrekken , want ze wil- 
hier niet blyven. Maar het kind zeide : „ Moeder gy zyt 
toch ene grote leugenareffe, ik wilde gaarn hier blyven en 
'sHeihmds woorden leren, maar gy hebt Vader overreed, 
om te vertrekken. " (*) 

Daar* 



(*) Men heeft onlangs van StafejJjüek.mngihQJ:Gm.en, dn' 
du meisje nog gedurig vnn de gelovigen ipreekt, yly^g ^ia^t ۟ 
bidt, en de ouderen fmeekt, om mei haar ter eg w^ l;creii, 

H 3 



?l? 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



Daarentegen hadden vele kinderen, die vader en moeder 
verlaten hadden en den Heiland gevojgt waren, het geluk 
de hunnen tot zig te trekken, ten Groenlander te Pijffik- 
Jhrbik , die zedert vele jaren met de Broeders ommegang 
had gehad, en niet befluiten kon, zyn land, waar hy in 
grote achting was, te verlaten, (^*) zag, by gelegenheid 
van de haring- vangft,zyne dogter,die van hem vertrokken 
en vervolgens gedoopt was , en gaf haar zyn ongenoegen 
daarover te kennen. Zy verhaalde hem de beweegrede- 
nen van haar doen met befcheidenheid, prees hem de za* 
ligheid der gelovigen aan en eindigde met deze woorden : 
„ Gy kunt dezelve zaligheid genieten ; maar indien ge 
niet wilt , dan kan ik niet by U blyven en met U ver- 
loren gaan. '' Hierdoor werdt zyn hart week , hy begon 
%e, fchreijen, voer met haar naar den Miffionaris , en gaf 
den zelven zyn voornemen te kennen , dat hy namelykzyne 
dogter van de gelovigen niet wilde weg nemen, maar met 
haar trekken ; de Miffionaris zou haar flegts overreden, 
pm met nog ettclyken hem te helpen, zyne zaken in orde 
te brengen. Dit gefchiedde ook , en eindelyk kwam hy 
zelve met zyne twe zonen en overige huisgenoten en zei- 
^e: „ Nu koom ik ook by U lieden , en wil U noit meer 
verlaten. Ik wenfch maar , dat myne andere kinderen 
ookhaaft mogen gedoopt worden, want ze zyn nog jong 
en hebben een verlangen naarden Heiland. Met my zelven 
is het nog zeer flegt gefteld , en 'er zal wel niet veel van 
my worden : niettemin breng ik my by 't opflaan en te 
bedde gaan, 't geen ik van den Heiland gehoord heb, te 
binnen , en ik kome hier, om 'er nog meer van te ho- 
ren. '' Ook kwam hy dikwils om te vragen , of zyn reeds 
volwaflen zoon niet haaft zou kunnen gedoopt worden ? 
,, Ik zelve (zeide hy) durf om den doop niet denken^ 
want ik ben zeer flegt, en daarenboven ook oud , de$ ik 
nier veel meer leren kan , ik wil hier egter by U lie- 
den leven en fterven , want het is my toch zeer ver- 
kwilwkende, wanneer ik w^at vaüiden Heiland hoor. " (f) 

^ §. r. 

(•) Hy is tans met zyn gaöfche huisgezji^ onder de gelo- 
figcn. 

(t) Welk eene mor opregtheid gepaarde eenvoudigheid ! ZoudeH 
©ns niet by dezen heiden des HeiJands woorden aan den Hoofc- 
pan te Kapernéum mogen invallen: Ik heb zelfs in Ifra'él zo groot 

een 



Gefch. ran Nieuw-Herrnhut. 1750. 119 

Indien men de orde van een dagverhaal volgen wilde, 
zouden hier weer vele bewyzen der genade zo wel aan by- 
zondere zielen, als in de algemene en byzondere vergade- 
ringen , kunnen bygebragt worden. Want het woord des 
Heilands : Ik ben met U lieden alk de dagen tot de volein* 
dinge der zvereld ; zag men , zo niet in allen hooft voor 
hooft, (want 'er waren ook kwynende leden) immers in 
de meeften, vervuld worden. In de vergaderingen be- 
fpeurdemen ten eerften, na het intrekken in de winter-hui- 
zen, een nieuwe geeft der genade, dié werkfaam was om 
den Here Jefus in de harten der menfchen regt noodzakc- 
lyk en beminnelyk te maken. In de kleine gezelfchappen 
©penbaarde het zig , met welke begeerte het woord des 
levens door de zielen aangenomen , en ter bekeringe en 
wasdom in de genade aangewend werdt. Hiervan bragtende 
beftierders der gezelfchappen dikwerf zeer verblydende 
getuigeniflen. Wanneer de Avondmaals- leden gefproken 
werden, bevondt men, dat de meeften van tyd tot tyd in 
de kennifTe van- en ommegang met- den onzienelyken vriend 
hunner zielen toegenomen hadden , en was 'er by iemand 
iets tuffchen beiden gekomen, die ontdekte of zelve zyn 
misdryf en hieldt zig terug , of hy liet zig zonder ver- 
driet terug wyfen , en de kaftyding tot ene heilzame vrugt 
van beterfchap dienen. Tot een voorbeeld wordt 'er van 
enen, die van zelven langer dan een jaar van het H. A- 
vondmaal terug gebleven was, verhaald, dat hy,uit eige- 
ne beweging by den Miffionaris gekomen zynde, met vele 
tranen te kennen gegeven had , hoe hy zedert enen gerui- 
men tyd zulk een bezwaard gemoed had gehad, dat hy, 
zulks niet langer kunnende uitftaan, den Heiland had ge- 
beden , om zig toch over hem te ontfermen , en hem , 

zo 



f en geloof niet gevonden P Mat tb, VIII: lo. en zullen niet velen 
van ooften , van weften , en van noorden in het Koningryk der 
Hemelen aanzitten? terwyl aan velen, die roemen kunnen: ff^y 
hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken , en gy 
hebt in onze firaten geleerd, zal gezegt worden; Ik ken u mei ^ 
v^n 'sxaar gy zyt. Luc. XIII. 

H 4 



J20 



Groenlandfche Hiflorie 



VIIL B. 




zoalshy vvas^te willen aanneinen, alzohy zig zelven niet 
helpen kon, waarop de Heiland zig ten eerften weer in 
genade aan zyn hart geopenbaard had. 

De zaïnenfpraken met de mede-arbeideren beftonden niet 
flegts in verbalen van 't geen men by den een of ander aan- 
gemerkt had , maar zy zelven hadden voor hun eigen 
hart en gemoed het meefte nut 'er van. Hadden zommi- 
gen van hen een misflag gehad, de anderen waren opregt 
genoeg , om hen zulks in liefde en tevens ernftig voor te 
houden, 't welk dan ook met vrugt aangenomen werdt. 
Hierby namen de Mifuonariflen gelegenheid , om hen den 
grondflag van ene Gemeente en derzelver inrichtingen te 
verklaren, maar vooral om hen de opvoeding der kinde- 
ren, als mede-erfgenamen van het ryk der genade, zorg- 
vuldig aan te bevelen., en ze tot ene gemeentelyke orde in 
hunne huizen aan te zetten. Men vernam ook met vreug- 
de, dat de Heiland dikwerf, voor al na het Avondmaal 
pnde Gemeente-dagen, zyne byzondere nabyheid in hun- 
ne huizen deedt gevoelen. Ene weduwe zeide : „ dat ze 
^ig dezen winter io haar huis byzonder vergenoegdbevon- 
den had, en dat ze zig te voren noit had kunnen voordel- 
len 9 dat men in den weduwen-ftaatzo zalig leven kon. Zy 
gevoelden den vrede Gods in haar midden , en geraak- 
ten menigmaal ongemerkt in allerly nutte gefprekken, en 
vvanneer 'er ene van de ouden ene heidenfche vertellinge 
voor den di^g brengen vv^ilde, werdt ze ten eerften door de 
anderen belciiaamd. "" 

Ene byzondere vreugde veroorzaakte het, wanneer men 
vernam, dat ze in verfcheidene huizqn elkander dikwerf 
onderhielden nopens de een of andere, onder de openbare 
Prediking gehoorde, waarheid. En dewyl in de Litaney^ 
met welke het vieren van den zondag bedoten vi^ordt^ 
«^nige fpreekwyfen gevonden worden , die uit de H. Schrift, 
of van zekere omftandigheden der Furopeaanfche Kris- 
tpnheid 3 ontleend zyq, en welke de Groenlanders niet regt 
Verftaan konden ; zo verzogten de mede-arbeiders om de 
een of andere opheldering!, die zy de hunnen in derzelver 
Ijuizen by gelegenheid weer mededeelden. 




%^% 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1756. 121 



§. 8. 

De Inwoners waren in dit jaar met twe en dartig perfo- 
jien vermeerderd , die met de nog overige ongedoopten 
fsen getal van meer dan leftig leerlingen uitmaakten , on- 
der w^elken elf tot den doop aangenomen waren. Ses en 
dartig perfonen waren 'er gedoopt, onder welken zig fes* 
tien kinderen bevonden. Tot het H. Avondmaal waren 
zeventien perfonen toegelaten ; en negen paaren waren ge- 
trouwd. Onder de een en twintig ontflapenen zyn de vol- 
gende de aanmerkelykften. 

I.) Patilus^ een getrouwd man, kwam in 't jaar 1745 
herwaards, bleef egter twe jaaren vry ongevoelig, in 'c 
jaar 1747 werdt zyn hart door den Heiland geraakt , en 
Jiet werk der genade zodanig in hem voortgezet, dat hy 
binnen kort kon gedoopt worden. Drie jaren daarna vyerdt 
hy tot het H. Avondmaal toegelaten. Van deszelfs byzon- 
Öere leiding zou veel kunnen gezegt worden. Dikwerf 
moeft men hem zynen eigenen gang laten gaan , waarby 
iiy egter altoos enen onergerlyken wandel voerde; in zul- 
ke tyden waren alle voorftellingen, die. men hem deedt, 
te vergeefs, terwylhy zig dan gewonelyk een geruimen 
tyd uit eigene beweging van het H. Avondmaal terug hieldt. 
Doch wanneer hy weer te rug kwam , was het werk 
van den H. Geeft aan zyn hart , zonder dat menfchen 
'er veel by doen konden , ^0 kragtdadig , dat men zig 'er 
over verwonderen moeft. Dit heeft zo ettelyke jaren by 
afwiffelingen geduurd , tot dat de Heiland hem voorleden 
zomer op den Evangelifchen weg van arme zondaren bragt, 
en hem liet gevoelen , hoe lief hy zondaren heeft. Zederc 
dien tyd bleef hy tot vreugde van een ieder in enen onaf- 
gebroken zaligen ommegang met den Heiland en zyne 
broederen, dié zig van harten. over hem verblyden , en 
den- Heiland voor de genade aan hem bewezen danken kon- 
den. Zyne by uitnementheid ftigtelyke ziekte, en einde, 
;n de nagt van 't nieuwe-ja^^r, ftrekte ons tot trooft en bc- 
fchaming over alle moeite 'en bekommering, die wy eni- 
ge jaren met en over deze tans zalige ziel gehad" heb- 
ben. 

. ^) Barnahm , een aankomend jongeling en zoon van 

Öen zaligen Boai^ en dus ook een bloed-verwant van den 

H 5 ■ zaligen 




IM Groenlandfche Hiftorie VIII. B. 

zaligen Samuel Kfijarnak. Hy bezat vele vermogens, was 
bevallig van aart en manieren, kon wel lezen en fchryven, 
en zoude met der tyd zeer bruikbaar onder zyn volk ge- 
worden zyn. Dan zyne al te grote drift om in de Kajak- 
ken te varen, werdt de gelegenheid tot deszelfs einde, al- 
zo hy in February omfloeg , en , fchoon hy gered werdt ^ 
door de koude omkomen moeft , alzo 'er niemand was ^ 
die hem droge klederen geven kon. Zo lang hynog fpre- 
ken kon, zal hy dikwerf gezegt hebben: „ Den Hei- 
land kan en wil ik niet vergeten. Ik ben verblyd , dat 
ik by hem komen zal. " Dewyl men wegens de felle 
koude gene ftenen krygen kon , om graven te maken, werdt 
deszelfs lyk benevens drie andere lyken in een Groen- 
landfch proviant - huisje gezet , tot dat het weer doijen 
zoude. 

3.) Zacbaus^ een ongetrouwd Broeder, kwam reeds 
zedert het jaar 1742 dikwerf by de Broederen, werdt eg- 
ter gedurig van deszelfs vader weer weg gehaald, tot dat 
hy in 't jaar 1748 zo veel moeds kreeg, dat hy zig t' ene- 
maal van denzelven ontfloeg en hier bleef. Kort daarna 
werdt hy gedoopt , en drie jaren daarna een deelgenoot 
van het H. Avondmaal. Van lighaam was hy zeer klein 
en onaanzienelyk , maar hy had een goed hart, was 
dienftvaardig, trouw en tot velerly zaken bruikbaar, des 
hy ook tot dienaar en mede-opziender van het koor der 
ongetrouwde Broederen aangefteld werdt, terwyl hy tevens 
den Europcaanfche Broeders als Barbier diende. Vooreni- 
ge jaren fchreefhy den volgenden brief: „ Ik heb een 

fevoel van myne inwendige armoede , en by aldien de 
leiland niet in myn hart woonde, zoude het liegt met my 
gefteld zyn. Doch tans dank ik hem , dat hy tot my in- 
komt, en my door zyn vleefch fpyfigt , en door zyn bloed 
drenkt. Had ik den Heiland niet, ik zou niet kunnen ver- 
genoegd zyn, en was hy niet geftorven, ik zou niet heb- 
ben kunnen gered worden. Ik kan niet veel omflag van 
woorden maken , maar ik ben dankbaar voor onze lera- 
ren , die ons gezonden zyn. Nu weten wy , dat de Hei- 
land ons lief heeft, en ons dagelyks zyn woord laat horen. 
Wanneer ik om den Heilaud denk, dan wenen myne ogen. 
Dankzy U, getrouwe Heiland! datgy my niet hebt ver- 
acht, toen ik nog een heiden was. Myne eigene vrinden 
verachten my, maar .Goddank, dat ik den Heiland heb. 
Hy veracht my niet, fchoon ik zeer ellendig en onbe- 
kwaam 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1756. J23 

fcwaam ben. Zo lang ik leve, zal ik niet vergeten , dat 
hy my door zyn dierbaar bloed verworven heeft. '* 

4.) Tm<eus^ een Broeder van den meer gemelden Da* 
piel en tevens een buit van des laatften in 't jaar 1753 ge- 
dane reis. Hy was een ftil en vergenoegd jongeling, wiens 
deftig gelaat een door 's Heilands Geeft bezield gemoed 
te kennen gaf, des men hem niet zonder vreugde en eer- 
bied kon aanzien. Hy werdt binnen kort gedoopt , en was 
tot het H. Avondmaal beveftigd » maar hy ontfliep kort 
voor het Avondmaal. 

5, ) Ifaac Kainak , van welken onder het jaar 1753 meei* 
gefproken is. Deze man was na zynen doop zo ftil en 
vreedfaam als hy voorheen, door de hem geftadig vervol- 
gende ongeruftheid des harten, wild en woeft was. Met 
de zynen in de eilanden zynde, ging hy , aan ene hete 
koorts, fchielykuit den tyd. De zynen verloren in hem 
enen naarftigen en trouwen Vader, en de Gemeente enen 
eerwaardigen navolger des Heilands. 

6.) Ignatius^ een onlangs getrouwd man. Van dezen 
wordt gezegt , dat hy in den beginne een droog en onge- 
voelig Zuidlander was , doch na dat de Heiland zyn hart ge- 
kregen had , en hy gedoopt was , heeft hy een zeer ver- 
genoegt leven gevoerd. Wanneer hy kort voor zyn einde 
door een der MifBonariffen bezogt werdt, zeidehy: „ Het 
wordt hoe langer hoe beter. " Hy is tans by den Here 
0n volkomen genezen. Hoe zyn hart gefteld was , blykt 
uit een brief van 't voorleden jaar: 

„ My is niets groter, dan aan den Heiland te denken , 
en dat hy voor my geftorven is. En dewyl dit de grootfte 
vreugde mynes harten is, zo denk ik 'er veel om. Wan- 
neer ik gevoele, hoe zeer verdorven ik ben , dan bid ik 
hem met tranen , dat hy nog meer genade aan my gelieve 
tebewyfen. De Avondmaals-leden hebben zekerlyk een 
groot voorregt boven my , (hy was toen nog niet tot het 
H. Avondmaal toegelaten) en daarom heb ik ook zeer ve- 
le ar;ting voor dezelven: Ik denk cgter gedurig , de Hei- 
land is ook voor my uit liefde geftorven. Dank hebbe de 
Öeiland, dat hy my tot de gelovigen gebragt heeft, want 
toen ik nog onder de Q/^xy^^^'^^^ (*) was, wasikeen el- 
lendig menfch* 

70 Hen^ 

(*) Dus worden de heidenen by hen genoemd, Nellurfut. 



J24 



Groenlandfche Hiflorie 



VUL B. 



frf 



7. 3 Henriette , ene on,G;etrouwde Zufter , die na haren 
doop zonder afwiüëling in eneu blymoedigen toeftand ge- 
bleven was. Zy bezat vele natuurlyke bekwaamheden , 
en kon niet alleen vaardig lezen maar ook net fchryvem 
Delaatlte zanienfpraak , die ze met een Zufter hicldt , was 
3eer aangenaam, en hare ziekte en einde tot ftigting van \ 
gehele huis. 

, 8. ) Amos , een in den beginne woed en onbuigfaam' 
man, die den Broederen velen nood en bekommering, 
maar in de laatile jaren ook vele vreugde door zyn week; 
hart en, vergenoegd wezen, veroorzaakt heeft, 

9.) Sïêgmund^ een broeders zoon van den :zaligen ^S^* 
muel Kajarnak\ in 't jaar 1739 hoorde hy reeds het E- 
vangeiie van 's Heilands verzoeninge , maakte 'er egter 
weinig werk van , tot dat hy 1748 in de nieuwe-jaars- 
nagtwaak zeer gevoeh'g getroffen werdt , en den volgen- 
den herfft zynen vader en broeder verliet , om by ons 
te wonen. Van dien tyd af befpeurde men ene byzon- 
deré/ verandering by hem. In 't jaar 175a werdt hy ge- 
doopt en 1753 tot het Avondmaal toegelaten. Hy-had 
een week hart, leefde met een iegelyk in vrede, en in 
den huwQlyken ftaat voorbeeldig. Zyn eigen hart in het 
genot der zaligheid van 's Heilands wonden levende, had 
hy nog maar ene bekommering, te weten, om zynen ou- 
den vader Tuffillartck en zynen broeder deelgenoten van 
dezelve zahgheid te zien worden. Hy had ook het ge- 
luk, dat hy ze beiden dezen herfft met derzelver huis- 
gezmnen hcrwaards bragt. Voor weinige dagen voeren 
ze met. elkander op de zeehond-vangft : Onder wegen be^ 
tuigde hy zynen broeder nogmaals de vreugde , die hy 
daarover had, dat hy benevens zyn vader zig eindelyk 
by de gelovigen had begeven , want dit had hy nog ge- 
wenfchtte beleven, toen hy dezen zomereen innig ver- 
langen had gevoeld, om tot den Heiland henen te gaan, 
terwyi hy verzekerd was, dat hy dezen winter niet zou- 
de overleven; alleenlykwenfchtehy, dat, in gevalle hy 
in de zee zoude omflaan , zyn lighaam mogt gevonden en 
begraven worden. Weinige dagen daarna heeft hy, alleen 
zynde, enen zworen zeehond getroffen, die hem omver 
en onder het water getrokken heeft. Zyn lighaam werdt, 
gelyk hy gewenfcht had, gevonden en den i2den Odlober " 
begraven. Men verwagtte, dat zyn ongedoopte vader en 
broei^er , na dit geval, uit droefheid verre van hier zouden 

trek? 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1756. 125 

trekken, zy kwamen egter fchielyk te huis, en maakten 
fchikking tot een ftandvaftig verblyf : dus zyn deze 
overblyffelen van des zaligen Samuels maagfchap , na een 
wasten van agtien jaren , eindelyk ook nog gered gewor- 
den, en by 't volk des.Heiiands gebleven. 

10.) De weduwe van den zaligen Manoah : deze heeft 
zlg, agt jaren na het overlyden van haar man, met hare 
drie kinderen, wel is waar, met vele moeite, maar niet te 
niinmetgenoegen,doorgebragt;als ene weduwe, die haar 
vertrouwen in'^God ftelc. Zy leefde, vooral in de twa 
laatfte jaren, in welken ze aan de tering bedlegerig was^ 
in enen innigen ommegang met den Heiland. By haar ver- 
langen naar ene fchielyke ontbinding , was ze zeer verge- 
noegd en geduldig :zy riep ettelyke reizen overluid: „ Ach 
,, myn Heiland, hoe zalig zal ik zyn, als ik uwe woonden 

in uwe handen en voeten zal kunnen kuffen! " 
' Onder de ongedoopten, die uit den tyd gingen, bevondt 
zig een bejaard ongetrouwd péifoon, die hier reeds ettely-, 
Re jaren zeer fiilen geregeld, maar als een Separatift^ had 
gewoond , en niet ''boven twe of drie Predikaticn byge- 
woond had, fchoon zyne landsgenoten hem 'er dikwils to^ 
aanmaanden. In zyne ziekte gaf hy aan een der Groen- 
landfche mede-arbeideren met weinig woorden te kennen, 
dat hy tans berouw had, v^n zynen tyd niet beter hefteed 
tehQbbenr 



\ 



HEt 



Ii6 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



' / 



HET VYF EN TWINTIGSTE JAAR | 

17 5 7. 
INHOUD. 

$. I. De beidenen worden ^by ene buitengewone koude en bon" 
gers-nood^Evangelifcbaangefprokenen in 't uitwendi- 
ge geboljen. 

%. a. De gelovigen vervullen ^by alle bunne armoede ^^de pUg* 
ten der liefde jegens de huisgenoten des geloofs en jegens 
vretnden, 

S, 3. De koftwinning der Groenlanderen geeft aanleiding 
tot vele nutte gefprekken met de beidenen. 

S. 4. De bekering der beidenen is geen gevolg van den nood 
en de hulp in V uitwendige » maar een zuiver werk 
des H. Geejies. 

§. 5. Voorfpoedin^t uitwendige en reddinge uit levens-ge- 
varen. De inwendige met fmart en trooft-gemengdt 
toeftand der Gemeente. 

§, 6. De Groenlanders worden door narigten van buiten 
opgewekt tot dankbaarheid^ tot na-yver ^ en tot wer* 
ken van liefderyke mildadigbeid. 

%. 7. Inboud van ettelyke redevoeringen der Groenlandfcbe 
mede- arbeider en over de verlichting , de verlojfing , 
de vrugt van 's Heilands dood^ bet werk van den H, 
Geeft ^ de eenvoudigheid ^en bet verlangen naar Krifius. 



Vermeerdering van drie en vyftig gedoopten. Eer-' 
fle Gemeente -dag en bediening van den doop in dit 
jaar. Voorbeeld van den duurjamen indruk des doopt. 



$. 8. 

S- 9. Laatfte uren van ettelyke gelovigen^ 



$.1. 



Gefch. vaa Nieuw-Herrnhuc. 1757. 147 



HET voorleden jaar eindi{][de met ene felle koude, dJe 
met veel ryp en veranderlyk vveêr van ftormen fneuw- 
jagt tot in Maart duurde. Dewyl nu de eilanden daardoor van 
ys omringd werden, des de heidenen niet iu ftaat waren , 
ora zig van levens-middelen te voorzien, zo ontftondt 'er 
een zo algemene en bittere hongers-nood , als nog niemand 
van de Europeanen alhier beleefd had. Met het begin van 't 
jaar kwamen reeds vele uitgehongerde heidenen herwaards: 
en wie toch zou hen niet hebben willen mededelen , ter- 
wyl men de ene treurige tyding na de andere vernam, hoe 
namelyk op de ene plaats kinderen van honger geftorven, 
en op ene andere oude menfchen, die zig zelven niet hel- 
pen konden , levendig begraven waren ? In Maart was de- 
ze nood op het hoogtle , gelyk men uit het berigt van een 
bezoek, door twe Broeders te Kangek gedaan , zien kan, 
en waarin het volgende gezegt wordt? 

„ Den ^sften Maart begaven we ons op^ reis. Op de 
zee hadden wy nog ene felle koude, maar de wind gunffig 
zynde kwamen wy fchielyk te Kangek aan. De yremde 
Zuidlanders ontvingen ons vrindelyk en hoorden gaarn, 't 
geen wy fpraken. Wy voeren verder naar een huis , dat 
door deszelfs bewoners, wegens gebrek aan fpekrC^) 
reeds lang verlaten was , terwyl zy het hout aan ons ver- 
kogt hadden. Naaft het huis vonden wy vyftien menfchen, 
die half dood van den honger in een klein Proviant-huisje 
lagen , *t welk zo laag was, dat men 'er niet overend Haan 
kon, maar op den buik 'er in kruipen moed:. Zy lagen , 
om zo te fpreken , als in een neft op en onder elkander , 
om zig te verwarmen. *Erw^ noch vuur noch enig voedfel. 
Zy waren zo afgemat, dat ze niet opftaan en met ons fpre- 
ken konden. Eindelyk bragt een man ettelyke rauwe vis- 
fchen uit de zee. Een derzelven werdt terftond door een 

meisje 

(*) Wanneer de Groenlanders geen traan meer hebben om te 
branden, of, gelyk zy fpreken, wanneer de lampen, waar mede 
zy in hunne huizen ftoken en het eten koken, moeten uitge- 
blufcht worden, dan begeven ze zig in ene enge holte ^ die mes 
weiaiger Lampen kan warm gehouden worden. 





22g 



Gfoenlandfche Hiflorie 



Vïri. B. 



meisje aangetaft, met de tanden verfcheurd en gretig opge- 
flokt. Zy was zo bleek als de dood , en men kon dit le- 
ven niet zonder fchrik aanzien. Van deze lieden zyn reeds 
vier kinderen van honger geftorven. Wy deelden hen 
wat van onzen weinigen voorraad mede , en rieden hen 
op ons land te komen, waartoe ze egter gene grote ge- 
negenheid fchenen te hebben, alzo ze altoos een afkeer 
van 't Evangelie hebben gehad ^ en den ommegang met 
onze Groenlanderen zorgvuldig ontweken. 

Van daar vertrekkende was ons voornemen de andere 
eilanden te bezoeken , maar wegens het ys konden we niet 
verder dan tot den bekenden Kaffiak komen. Onze Groen- 
laïidfche mede-arbeider Daniel hieldt 's avonds ene harte- 
lyke redenvoering voor de huis-lieden, dewelke hier op 
uitkwam: „ De Heiland, myne vrienden! heeft ons en alle 
menlchen lief, want hy heeft ons niet alleen gefchapen , 
en geeft ons , het zy dat wy 't erkennen of niet, tot onze 
onderhouding, met alleen voedfel en klederen ; maar hy 
heeft ook zyn bloed voor ons geftort , ten einde ons té 
verlofièn van den bozen geeft, van de zonde en van alle py- 
nen ,die v/y voor dezelve zoude hebben moeten lyden. Gy 
weet vv^el, hoe zeer het doet, als menzig in den vinger fnydt, 
Begrypt gy lieden dan niet , welke onuitfprekelyke fmar- 
ten de Heiland heeft moeten gevoelen , toen zyn zweet 
van dodelyke benauwtheid als droppelen bloeds werdt 
die op de aarde afliepen, toen hy gegeeffeld en zyne han- 
den en voeten metfpykers doorboord werden, terwyl zy- 
ne zyde vervolgens met een fpeer doorftoken werdt ? Doch 
waarom zeg ik U lieden dit? Daarom, dat gy 't toch eens 
ter harte zult nemen, en den Heiland, voor deszelfs grote 
liefde, uw hart overgeven met alle kwade zaken, ten ein- 
de hy U, door zyn bloed van dezelven vry make en een 
zalig leveii fchenke. Dit kan ik U zeggen, dat men: 't by 
hem zcet wel heeft. En indien wy by hem blyven,en hem 
in alle omftandigheden aanroepen , dan kan de boze vyand 
ons geen nadeel toebrengen, 't ïs waar, hy heeft een gro- 
ten toorn tegen allen, die zig door 's Heilands bloed van 
hem hebDcn laten vry maken, en hy vervolgt ze, gelyk 
de Valk de kleine vogelen: doch gelyk dezen onderenen 
groten ftecn vliegen , en in de kloven der fteenrotfea 
fchuilcn, zo verbergen' wy ons ook in 's Heilands won- 
den. ' enz. 
De toehoorders luifterden met aandagt , en wy beveftigdea 



Gefch. van Nieüw-Hèrrnhut. iys?- Jfsjn 

2yn gétuigeniSi Den i24ft:en en asften bezogten wy de 
overige huizen. De nienfchen waren in 't algemeen ^eer 
oplettende , Ichoon 'er ook zommigen waren , by welken 
rnen een afkeer befpeurde. Den oóften begaven wy ons 
op de terug reis, maar wegens de llyve koelte en holle 
zee, die ons met gewélt fcheen weg te willen dry ven ^ 
moeden wy in een boezem van de rivier by enige Groen- 
landeren van de volkplanting landen , die wel zeer gedien- 
ftig waren, maar ook geen vuur noch voedfel hadden. De 
kinderen fehreuwden van honger^ wy gaven heneenfchö- 
tel vol gort, dewelke ze ten eerden ongekookt opaten. 
Na ettelyke uren by hen vertoefd te hebben, konden wy 
onze reis vervolgen , en kwamen 's avonds wei te htiisj 

§. 2. 

Intuffchen waren de bovengemelde uitgehongerde liedêri 
ook aangekomen, en men had ze in de Groenlandfche hui- 
zen verdeeld en hen eten gegeven. In den beginne waren zé 
niet te verzadigen , ja gingen naderhand nog op de vul- 
nis-plaatfen , om de uitgeknaagde vifch-benen , en fehoen- 
lappen op te zoeken. 'Er kwamen in 't vervolg nog meer 
van zulke lieden , en fchoon onze Groenlanders zig zelved 
fchraaltjes behelpen moeden , om dat ze wegens het flegte 
weer zelden uitvaren konden, en dikwerf ledig te huiskwa« 
lïien, zy deelden egter met een gewillig hart den behoef- 
tigen mede. De Heer zegende ze ook van tyd tot tyd in 
hunne koftwinning , ja de voorzienigheid had reeds by 
voorraad voor hen gezorgt ; want kort voor de felle koude 
en het ftofmagtig weder hadden ze vele zee-honden gevan- 
gen, en ook enen groten witten Beer, die hief zelden ge- 
zien worden , in de eilanden gedood , 't geen öls ene gro- 
te weldaad voor de armen uit de hand van den hemelfched 
Vader aangenomen werdt, „ Hét gebrek van onze Broe» 
ders en Zuders (dus fpreekt men in "'t dagverhaal in 't be- 
gin van April) maakt ods dikwerf verlegen , om' dat we 
niet in daat zyn hén zo te helpéh, als wy wel wenfchten ; 
doch de Heiland helpt hen van tyd tot tyd door, èn zy 
zyri regt vergenoegd en wél 'er mèê te vrede. Wy moe-^ 
ten ons dikwils verwonderen , waar zy 't van daafi halen ^ 
terwyl noch de onzen , ( en wy hebben evenwel vele armé 
Weduwen en wezen, als mede vele onbedrevene böisge^ 



m^ 



130 



Groenlandfche Hiflorie 



VUL B* 



zinnen ) noch de vremden hongerig behoeven te bed te 
gaan. Des wy reden genoeg vinden , om de vermaning, 
die op dezen dag in ons Zeden-hoekje gevonden wordt , te 
betragten : Ah gy dan zult gegeten hebben en verzadigd 
zyn , zo zult gy den Here uwen God loven, Deuteron. 
Vïlh lo. 5, Die onze lieve Vader is , En tot kind'ren ons 
,, verkhiarde. Hy wil ons fteeds onderhouden. " Ons 
zyn vele gelegenheden voorgekomen ter dadelyke oefte- 
ning der zede-leffen (*) van de voorledene maand, on- 
der welken zig de volgende bevonden : IVant de arme zal 
niet ophouden uit het midden des lands .^ daarom gehiede ik 
Uf zeggende: Gy zult uwe ha?ul milde lyk opdoen aan uwen 
Broeder , aan uwen bedrukten , en aan uwen armen in uw 
land. Deuteron. XV; ii. Wanneer ""er onder U een arme 

zal zyn , een uit uvoe Broederen --« zo zult gy uw 

hart niet verify ven noch uwe hand toefluiten voor uwen 
Broeder^ die arm is: maar gy zult hem uwe hand milde" 
lyk opdoen , en zult hem rykelyk lenen , genoeg voor zyn 

gebrek^ dat hem ontbreekt. — Gy zult hem milde- 

/yk geven , en uw hart zal niet hoos zyn, Deut. XV: 7, 

8, lO. Als uw Broeder zal verarmd zyn^ en zyne hand by 
V wankelen zal , zo zult gy hem vaft houden , zelfs enen 
vremdeling en hywoonder , op dat hy hy V leve, Levit. 
XXV: 35. Vereert den Heere van uw goed. Spreuk, lli: 

9. Geeft den genen , die iet van U bidt. Matth. V: 42. 

(*) De tytel van dit boekje is: Verfiichzu einem Sitten-Bikh- 
lein der Gemeine , nach der hey tins gezvohnlichen art in tagliche 
Pericopas abgetheilt imd zum heliebigen gehraiich filr das jahr 
1756 aptirt, Dewyl men in Groenland de tekll-boeken eerfl in 
de laatfte helft van 't jaar krygt , zo maakte men in dit jaar van 
het gemelde zeden-boekje gebruik. Van den I5den February toe 
^Qw Sften April waren de tien Geboden verhandeld , en elk der- 
zelven door verfcheidene zede-leflen uit de H, Schrift , en by- 
gevoegde vaarsjts uit oude en nieuwe liederen opgehelderd , ge- 
lyk de boven aangehaalde Schriftuur-plaatfen en meer anderen 
het tiende gebod nader verklaren. Dus was de ganfche Bybcl- 
fche Zeden-leer in zo veel Schriftuur-plaatfen als 'er dagen in 't 
jaar zyn , verdeeld ; dezen , en vooral de den Geboden , leerden 
de Groenlanders in hunne dagelykfe vergaderingen en Katechifa- 
tien bcvindelyk vcrltaan. 



S-3- 



^lll 



Gefch. van Nieuw-Herrnhat 1757. 13* 



§. 3. 

By alle deze zware omftandigheden bleven ze tot m 
Paafchen by een , wanneer zig de meeden huisgezinnen op 
de plaatfen hunner neringe verdeelden , en vervolgens on- 
der opzigt van een der Miffionariflen op de haring-vangft 
Voeren, alwaar ze het Pinkfter-feeft, vergenoegd en in zul- 
ke goede orde, als in ene woefte plaats en by zo velen ar- 
beid doenlyk was, vierden. Hiervan wordt het volgende 
gemeld : „ Het was een hartverblydend gezigt , in deze 
wildernis omtrent drie honderd door *s Heilands bloed 
gekogte en gezaligde zondaren voor zyne ogen te hebben. 
De Predikatie , en vooral de Litane'^ , als mede de wekelyk- 
fe vergaderingen, werden allen onder een zalig e^evoel van 
's Heren nabyheid gehouden. Ook hield ik een gefprek 
met de mede-arbeideren. Zy verblydden zig over de gena- 
de , die men over 't geheel onder ons volk béfpeurd had , zy 
verklaarden zig in 't byzonder op ene zeer aangename wy° 
ze nopens de genade, die ze dikwerf onder het zingen en 't 
fpreken met de huisgezinnen , vooral gedurende den win- 
ter, béfpeurd hadden. Ik erinnerde ze op nieuws, dat ze 
ook de goede orde in *t oog behoorden te houden , en 
hoe zy ten dien opzigte anderen met een goed voorbeeld 
moeftcn voorgaan. By zulk ene verftroijing , wanneer ze, 
gelyk deze reis, niet kunnen na by elkander ftaan , valt 
'er zomtyds wel wat voor, dat droefheid veroorzaakt, ik 
befpeure egter zo wel by \ bezoeken in hunne tenten, 
als in alle vergaderingen 5 daj: de Heer in 't midden vaii 
ons is. " 

, Na de terug komft dermeeften (want zommigen bleven 
'er nog, ois op de Rendier-jagt te gaan ) verdeelden ze zig 
binnen kort weer, om, volgens gewoonte , naar de eilan- 
den op de Heilbot- en Zeehond- vangft te varen. Zy wer- 
den deze reis ook dermaten gezegend, dat ze zomtyds op 
enen dag by de honderd zee-honden vingen , én op het 
laatft nog een zwaard- vifch kregen : des ze aan de Kooplie- 
den omtrent honderd en feffig^onnen fpek afleveren kon-^ 
den. 

Zy werden tevens dikwils bezogt en zomtyds hadden zé 
een bezoek van ettelyke dagen. Men vondt ze vergenoegd ^ 
vlytig en in ene goede orde -> vooral had men reden om zig 

l ^ ovef 



132 



Groenlandfche Hiflorie 



VIII. B- 






over de kleine kinderen te verblyden, die hunne ouderen 
dikwerf opwekten , door hen wat van hunnen beminden 
Heiland te zeggen. Doch by de heidenen was 'er deze reis 
weinig te doen, de meeden waren vertrokken, en by de 
oude bekenden bleef het merendeels by ene toeftemraing 
van de waarheid , zonder aan dezelve te gehoorfamen. 
Onder anderen zeide een heiden tot een der Groenland- 
fche mede-arbeideren , die op het verzoek der wilden in 
zommige huizen had moeten fpreken : „ Tans horen wede 
^aak zo klaar en duidelyk voorftellen, datwy ze begrypen 
kunnen, dat God namelyk de menfchen liefheeft en ze 
gaarn zaligen wil. Doch met ons zal het niet lukken , zo 
veel te leren als gy lieden weet. " Onze Groenlander ant- 
woordde: „ By "ons krygt men dat niet door leren, want 
wy hebben weinig van buiten geleerd, maar daardoor , dat 
we ons hart aan den Heiland gegeven hebben; hy heeft 
ons zalig gemaakt, en wy fpreken van 't geen wy in on- 
ze harten 'ondervonden hebben, " Zy hoorden zulks met 
verwondering , en rekenden de gelovigen gelukkig , 
Vvcnfchten ook zo te worden, maar daarby bleef het voor 
als nog. 

Van heidenen had men dezen zomer weinig bezoek, be- 
halven van zommigen uit het Noorden , die hunne bloed- 
verwanten bezo^ten, als mede van ettelyke huisgezinnen 
uit de FiJfcberFiorde^ waar de beweging onder de Groen- 
landeren gedurig toenam. In 't voorjaar hadden reeds et- 
telyke huisgezinnen van de onzen een bezoek by hunne 
vrienden aldaar gedaan. Schoon zy 't nu daar in 't uitwen- 
dige zeer liegt , en niet dan uitgehongerde menfchen , ge- 
vonden hadden , zy waren egter met vreugde ontvangen 
en hadden nu en dan gelegenheid gehad , om van\ie 
waarheid te getuigen , 't geen ook niet zonder vrugt 
was. 



§. 4. 

Men zoude kunnen denken , dat de Groenlanders by 
gelegenheid van den groten hongers-nood in menigte zou* 
den gekomen zyn , en ten minïlen voorgewend hebben, 
dat ze zig bekeren wilden. Dan 'er kwamen niet alleen ge- 
i]e lieden van dien aart; maar zelfs dezulken, die niet dan 
ora fpys gekomen waren, voeren 5 zo dra ze hunnen hon- 
ger, 




Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1757, 

gergeftild hadden, ten eerden weer terug. Ook hebben 
we zo even §. i. gezien, hoe ongaarn zommige byna dood 

f;ehongerde lieden het befluit namen , om hunne gelovige 
andsgenoten , van welken ze tot dus verre een afkeer ge- 
had hadden , om hulpe aan te fpreken ; en hoe , geko- 
men zynde en hulp verkregen hebbende , niet een van hen 
bleef, zelfs niet van de zulken,wier bloed-verwanten 'er 
reeds woonden, fchoon dezen zig alle moeite gaven, om 
ze by zig te houden. (*) Een huisgezin , dat 'er reeds te 
voren gewoond had , kwam wel in den nood wederom, 
maar vertrok ook fchielyk weer. Dus zag men hoe lan- 
ger hoe klaarder', dat de ware bekering der heidenen niet 
dan een zuiver werk van den H. Geeft zy , en dat noch 
Voorfpoed,noch nood in *t uitwendige, noch overredingen, 
noch weldaden hunne harten bewegen en winnen, tot dat 
de H. Geeft zelve onder de verkondiging van 't Evangelie 
aan hunne harten aanklopt , en ze van hunnen onzaligen 
toeftand grondig overtuigen kan; terwyl in tegendeel ve- 
le voorbeelden zouden kunnen bygebragt worden van de 
zulken , die na zodanige overtuigmg wel ettelyke jaren 
nog omgezworven hebben , maar zig eindelyk toch , zon- 
der gebrek in 't uitwendige , zelfs in 't midden van voor- 
fpoed en welftand , aan hem hebben moeten overgeven , 
die hen onophoudelyk agtervolgd had. (f) 

In 

(*) In 't vervolg vernam men, dat van deze uitgehongerde 
ïnenfchen twe mannen naderhand geftorven zyn. 
(t) De Schildery, welke de maker van het lied : 

Verlicht, Heer! uwen knecht. 

Ik ben my zelf verborgen , 
En ken my nog niet regt. 

Dit is, 't is waar, my klaar. 

Ik ben niet^ als ik waar; 
Doch dat nog veel gebreekt , 
Voelt 't hart meer, als het fpreekt," , 

Van zig zelve maakt in het 2de , 3de , en 4de vaers • 

Ik leefde in trotfe ruU, 

En wide niets yan zorgen 
Maar nu is my bewufl 

13 




m 



m 



Groenlandfehe Hiftorie 



VIII. B. 



lil 



In d,e vorige jaren was het getal der inwoneren gewone- 
lyk met dai tig tot feftig ja feventig perfonen uit de heide- 
nen vermeerderd geworden , doch dit jaar kwamen 'er niet 
jneerdan zeven nieuwen. Onder dezen bevonden zig twe 
zonen van den berugten Tovenaar Kaffiak^ die reeds vele 
jaren het Evangelie hadden horen verkondigen zo wel hier 
als te Kangek^ en eindelyk tans het beiluit namen het Hei- 
dendom en hunne guichelachtige toverkonft te verlaten. 
(*) Hun vader had 'er niets tegen, rekende ze gelukkig, 
maar kon zelve niet belluiten om hen te volgen. Hiervan 
gaf hy deze reden: dat hy een al te boos menfch zy , en 
dat hy uit dien hoofde vreesde , dat men hem, indien hy 
by zyne kinderen te Nieuw-Herrnbut met 'er woon kwam, 
met fpot en fchande zoude weg jagen , gelyk onlangs ener 
weduwe gebQurd was. Men gaf hem te kennen, dat zulks 

niet 

Door een verlicht gezicht 

't Verderf 5 dat in my ligt. . 
Wat my eerfl vreugde aandeedt ^ 
3aart my nu harte-leed. 

peen aardfch verlies of leed 

Veroorzaakt myne fmarte 
Zo veel myn ziele weet. 

Ik word geliefd , ge-eerd , 

Van niemand overheerd , 
gezondheid fchenkt my God, 
ik heb ook aardfch genot. 

Maar neen ! 't zyn ziele-ween. 

De nood komt uit het harte , 
En dringt door merg en been. 

Want dit, dit ligt my aan. 

Dat ik mogt zeker gaan , 
Of 't hart in Jefus leeft. 
En Hem als Jefus heeft. 

Zouden vele Groenlanders , die zig ettelyke jaren met de om- 
^cruflheid van hun hart gekweld hebben , van zig kunnen ma- 
ken ^ indien ze zig zo duidclyk uitdrukken konden. 

(*) Een van hen is gedoopt, maar de twede is weer af£e- 
«rokken. « 




Gefch. van Nieuw-Herrnhuté 1757. 135 

iiietgefchied zy, om dat ze boos was en zulks zelve be- 
kende ,gelyk hy deedt, want dat voor lieden, die zulks er* 
kennen en zig willen laten helpen, fchielyk hulp te vin- 
den zy in 's Heilands wonden ; maar om dat ze goede ge- 
dagten van zig zelve had , en niet te min anderen zogt te 
verleiden. Indien zy dit erkennen wilde en zig van gan- 
fcher harte bekeren, dan zou men haar met blydlchapweêr 
aannemen. (*) Doch hy bleef by zyn voornemen, om zig 
niet te bekeren, en dus zyn vorig ambagt door zyne beke- 
ring niet te onteren. 

§. 5. 

By 't intrekken in de winter-huizen beliep het getal der 
inwoneren drie honderd twe en negentig. Naar 't iighaam 
waren ze allen frifch en gezond. Zy hadden zig rykelyk 
voorzien, en deze reis had, by hunnen gevaarlyken arbeid 
in de Z'^y^/^/^^w, niemand het leven ingefchoten, fchoon het 
aan gevaren geenszins ontbroken had. Een van hen , der- 
maten door het ys ingefloten zynde , dat hy op een ftuk ys 
flappen moeft en zynen Kajak benevens den zee- hond ene 
halve myl ver dragen , viel by die gelegenheid dikwerf 
door het ys tot onder de armen in \ water. Een ander- 
maal brak een vrouwen-boot aan ftukken. Dan 'er waren 
terftond vier Kajakken by de hand , die men paar wyfe 
famen voegde , vervolgens de vier roeifters voor en agter 
op dezelven plaatfte, en ze dus aan land bragt. Een der 
Miffionariflen met ettelyke Groenlanderen in een vrou- 
wen-boot naarden Zond willende varen, en ene wyl voort 
geroeid hebbende, zagen de Groenlanders , die op het 
land ftonden, dat de boot begon te zinken. Een^derzel- 
ven volgde hen terftond, en haalde ze te rug. Zy kon- 
den het land nauwelyks bereiken en by ^t ontladen von- 
den ze, dat 'er onder in den boot een gat was , 't welk 
ze toeftopten en dus hunne reis vervolgden. Een wedu- 
wenaar op zynen trouw-dag een geregt vifch willende van- 
gen, floeg, terug komende, om, doch niet ver van het land 
zynde, liet hy zig, na boven op den Kajak gekomen te 

zyn. 



(*) Zulks is ook naderhand gefchied, en zy voert tans enen 
^nergerlyken wandel. 

14 



Groenlandfche Hiflorie 



viir. B. 



2yn, door de golven naar het land dryven. Een jonge- 
iin^, die door den hoek, met welken hy een Heilbot op- 
trok, een gat m zynen Kajak maakte , begon te zinken. 
VoQh op deszeh^s gefchreuw fpoedden de anderen naar hem 
toe, en behielden hem. 

Ten aanzien van het uitwendige had men derhalven re- 
den on; zig over hunnen ftaat te verblyden. Wat het in- 
wendige aanbelangt, ten dien opzigte was het by allen 
met even wel gefield. Hier omtrent wordt ergens , by ge- 
legenheid dat 'er een Avondmaal gehouden werdt,het vol- 
gende gezegt: „ Deze reis moeden ks de zalige genietinge 
van s Heren lighaam en bloed müTen , om dat ze , by hunne 
langdurige afwezenheid in ver afgelegene plaatfen, hunne 
zmncn door de flange hadden laten bederven , om af te 
wyken van de eenvoudigheid, die in Kriftusis, en daardoor 
in omftandigheden geraakt waren, die onsen hen fmarten 
veroorzaakten. Twe heden , die het Evangelie t' enemaal 
pnwajdïglyk gewandeld hadden , moeften geheel en al 
uitgefloten worden : ^t welk, in de openbare vergadering 
bekend gemaakt zynde , een geweldig fchreijen veroor^ 
maakte. Was nu onze fmart ovepdeze lieden groot, x)nze 
vreugde was egter over de meeden veel groter, alzo wv 
by dezelvcn een arm , hongerig , en den Here aanhangend 
hart vonden, 't welk zig in dtn ommegang met den on- 
gezienen Vriend der zielen , door niets had laten Ho- 
ren. '' 

In 't vervolg zag en hoorde men van de Groenlandfche 
mede-arbeideren , hoe heilfaam de kadyding den uitgeflo- 
tenen geweefl: zy, en de mede^arbeiders werden zelven 
door de ichade van anderen wys, en begrepen, hoe goed 
het zy , dat niemand zynen eigen zin , welken men zo 
gaarn vryheid noemt, volge, en zig, op zvne eigene krag- 
ten vertrouwende, in omftandigheden begeve , in welke 
devyand hem hgtelyk, vooral wanneer men ver en een 
langen tyd van de kudde afwezig is, in deszelfs ftrikken 
yerwarren kano ^ ' "» 



S. & 



Gefch. van Nieuw^Herrnhut. 1757. '37 



§. 6. 

Onder de narigten , die hen op de maandelykfè Ge^ 
Mieente-dagen voorgelezen werden, verfchaften hen vooral 
de befchryvingen van het leven zommiger kinderen, die 
hier en daar in de Europeaanfche Gemeenten uit den tyd ge- 
gaan waren, zeer aangename ftofFen ,om hunne lange win- 
der- avonden op ene ftigtelyke wyze te verkorten, alzo 
de narigten van de ftandvaftigheid zommiger Kriftenen on* 
der de wrede behandeling hunner Heren en Meefters; van 
het harde noodlot der Neger-flaven j als mede van de zon- 
derlinge bewaring der Gemeenten in 't midden der beroe?- 
ringen vanden oorlog ;allerly eigenaardige, fchoon wonder^ 
bare, denkbeelden in hen verwekten, ter wyl ze daaruit mei 
dankerkentenis opmaakten , dat zy , fchoon in een bar 5 
woeft en armoedig land wonende , den Heiland egter onge- 
hinderd onder ene milde en goedgunftige Overheid die- 
nen konden, en voor zo vele noden der aarde bewaard bly- 
ven. Door niets werden ze gevoeliger getroffen , dan door 
het berigt van de verftoring der Indiaanfche-Gemeente te 
Qenadenhutten in Penfilvanien- En toen men den mede- 
arbeideren , by derzelver eerftvolgende byeenkomft , nog 
enige byzonderheden daar omtrent mededeelde , by voor- 
beeld : dat by die gelegenheid wel ettelyke Europeaanfche 
Broeders ^ Zuftprs in den veroorzaakten brand het leven 
verloren hadden , doch dat de Indiaanfcbe nog tyds genoeg 
hadden gevonden, oxi\xv^^x Bethlehem te vlugten, en dus 
in dien brand flegts hun goed verloren hadden ; dat deze ar? 
111e vlugtelingen , benevens ene menigte van andere lieden , 
die ten platten lande afgebrand waren , te Bethlehem waren 
opgenomen, en aldaar, door de byhulpe van ettelyke gegoed»? 
de en medelydende naburen , gefpyft en gekleed werden ; 
ontftondt'er zulk ene beweging onder hen , dat ze bitterlyk 
begonnen te fchreijen, met aanbieding om ook iets tot kle- 
dinge en fpyfiging der naakte en uitgehongerde leden van 
Kriftus toe te brengen. De ene zeide: „ Ik heb een fchoon 
Rendier-vel, dat zal ik geven. "' De andere: „ en ik heh 
een paar nieuwe laarfen van een Rendier-vel, die zal ik 
eenden. " Een derde zeide : „ en ik zal hen een zec-hond 
zenden, ten einde zy ook wat te eten en te branden heb- 
ben. " Sqhoon nu iinnne gaven, by aldien men 2e ten gel- 

\ 5 de 




138 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



de zoude gemaakt hebben , van weinig waarde zoude ge- 
weeft zyn, de MiïïionarifTen wilden egter dit penninksken, 
of liever, het medelydend en goedwillig hart van hunne 
arme Groenlandfche Broeders en Zufters , niet veragten , 
en lieten door hunne Broeders in Europa , de waarde van 
hunner Groenlanderen met zo vele vreugde als tranen ge- 
dane giften den nooddruftigen in America ter hand ftei- 
ien. 



in, 
'M 



f.' _^ 




§• 7- 

Zo eenvoudig, maar tevens ongeniaakt, zy de omftan- 
digheden van andere leden van Kriftus ter harte namen, zo 
onopgepronkt , maar niette min hartroerende, waren hun- 
ne redenvoeringen , om hunne landsgenooten de onzalig- 
heid buiten den Heiland, en daar tegen de zaligheid in 
zyn bloed, en hetgeftadig aanhangen van- en verkeren met 
di^xi ongezienen Vriend hunner zielen , in een helder dag- 
licht voor te ftellen. Schoon 'er van dezelven maar weinig 
en gevv'onelyk niets dan het begin aangetekend is ; het wei- 
nige zal miffchien toch den een of ander fmaken. A> . . . 
zeide by zekere gelegenheid: „ 't is met ons, als wanneer 
'er een dikke mift op het land ligt, zo dat men niets met 
zekerheid kennen en onderfcheiden kan. Doch zo dra de 
mift verdwynt, ontdekt men van het land het ene ftuk na 
het andere, en wanneer de zon komt, dan ziet men alles 
klaar en duidelyk. Dus is het ook met ons gelegen. Zo 
lang wy niet by den Heiland komen, zyn wy duifter en 
kennen ons zelvcn niet , maar hoe nader wy tot hem. ko- 
men, hoe helderer wordt het in ons hart, en dan leert men 
eerft zyne goedheid en onze verdorvenheid regt ken- 
nen, '^ 

By ene andere gelegenheid zeide dezelve ; „ Geliefde 
Broeders! hoort, ik zal u tans weer iets van den Heiland 
zeggen, 't Geen ik van hem weet , is wel niet veel, doch 
dit weet ik: hy is voor ons aan 't kruis geftorven, en heeft 
zyne zyde laten doorfteken , waaruit bloed en water geko- 
men is. Maar waarom heeft hy dit toch gedaan ? Hy heeft 
ons daardoor ene reiniging bezorgt, voor hart, ziel en le- 
den, en indien we daarvan dagelyks gebruik maken, dan 
kunnen wy een zalig en vergenoegd leven hebben. " enz. 

Daniel ( na kort te voren zyn hart voor den Miffionaris 

uit- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1757. 

iiitgefchud, en vervolgens in 't begin zyner redenvoering 
voor de ganfche Gemeente bekend te hebben, dat hy zig 
in den zomer te lang op de Rendier-jagt op gehouden en 
daardoor fchade aan zyn hart geleden had) zeide onder 
anderen het volgende: „ Indien wy regt vergenoegd zyn 
5, zullen, zomoet ons hart, zin en gedagten altoos een- 
5, voudig en regtftreeks op 's Heilands dood en bloed ge- 
„ richt zyn. Anders hebben we geen leven , geen verge-^ 
„ noegen, en niet met al. " Hy eindigde met deze woor- 
den. „ Wy kunnen regt zalige menfchen zyn, en byal- 
„ dien wy 't niet zyn , de fchuld is nergens dan by ons 
3, zelven. " 

By ene andere gelegenheid fprak hy van den gedungen 
ommegang met den Heiland, en zeide onder anderen: 
„ Wanneer men zo gedurig met hem omgaat, en ziet op 
hem als den Man vol van bloedige wonden, dan wordt de 
ziel, als door enen ftroom, weg- en naar zyn geopend bloe- 
dig hart gevoerd-, gelyk wy zien, dat het zee-gras, wan- 
neer het in den ftroom raakt, met magt^ weg- en naar het 
land gedreven wordt. '' 

Deze zelve Groenlander deedt op het Feeft van den H. 
Geeft, na de predikatie, een doordringend en met vele tra- 
nen van de toehoorderen verzeld gebed, waarin hy zig 
onder anderen dus uitdrukte : „ God Heilige Geeft ! wy fcha- 
men ons van harten, dat wy ons tot hiertoe zo flegt jegens 
U gedragen hebben, terwyl gy in tegendeel zogoedgunftig 
jegens onszyt. Wy weten iiiet eens, hoe zeer ellendig 
wy zyn , maar gy weet alle dingen. Wy bidden U der- 
halven, wend U op nieuw tot ons, om dat wy zulke ar- 
me en ellendige menfchen zyn , en houd niet op met uw 
genade- werk, tot datgy ons f enemaal in de wonden des 
Heilands gebragt hebt. Ik roep U voor ons allen aan , om 
vergevinge aller ongehoorfaamheden , aan welken we ons 
tot hiertoe fchuldig gemaakt hebben, en wy beloven U^ 
dat we voortaan uwe getrouwe en gehoorfame kinderen 
willen zyn. '' 

M. . . . . drukte zig in deszelfs redenvoering dus uit : 
„ Wanneer ik den Heiland niet gedurig in deszelfs lydens- 
geftalte voor den geeft en in het hart heb, kan ik noitregt 
vergenoegd zyn , maar ik ben zo verlegen als een menfch, 
die iets met angft zoekt. Zyn dood is toch het voornaam- 
fte van al 't geen wy weten : Had hy zig niet ene gemeen- 
te door zyn bloed gekogt, dan zoude ik, en wy allen wil- 
de 




m 




ill 



^i' 



/' % 



140 



Groenlandfche Hiftorie 



VIIL B. 



de heidenen zyn ; want dat ik tans een lid van zyn voik 
en in hem zo zah'g ben, zulks heb ik zynen dood te dan- 
ken. " enz. 

Dezelve zeide op een anderen tyd : „ Ik ben wel voor 
vele jaren reeds gedoopt, en heb altoos gedagt, dat ik een 
gehoorfaam hart had ; dan na dat onze leraren breedvoe- 
rig daarvan gefproken hebben , dat de H. Geeft zo vele 
trouw, langmoedigheid en arbeid aan ons befteedt, om 
ons , als ene moeder voor den Heiland op te voeden , ter- 
wyl wy denzelven zo dikwerf bedroeven , heb ikeerftregt 
beginnen te voelen , dat ik tot nog toe niet r^t gehoor- 
faam aan deszelfs erinneringen geweeft ben. Daarover 
ben ik befchaamd. Ik zal my tans op nieuw geheel en al 
aan hem overgeven. *' 

Men zoude nqg meer en van anderen iets kunnen bybrea- 
gen , doch het komt alles hierop uit : 

O geef, Kriftus , Godes Zoon ! 

Door uw bitter lyden , 
Dat wy , als uw' arbeids-Ioon ^ 

In uw lyden weiden. 
De oorzaak van uw' dood en fmart 

Vruchtbaar overdenken , 
En ons met een lieveod hart 

U ten offer fchenken. 
En 

Als ik U heb, heb ik het Goed, 
Dat eeuwig piyneq Geeft voldoet^ 

§. 8. 

Schoon het getal der inwoneren in dit jaar flegts met ze- 
ven perfonen vermeerderd werdt, de voortgang, die men 
daarentegen onder de velen tot hiertoe nog niet gedoopten 
befpeurde, was des te groter, zo dat men velen van hea 
derzelver verlangen naar den doop, 't welk ze dikwils met 
tranen te kennen gegeven hadden , toeftaan kon. Dus wer- 
den der Gemeente drie en vyfcig, onder welken zig veer- 
tien kinderen bevonden , ingelyft. Van de bedieningen van 
den H. Doop waren vyf byzonder talryk ; ik zal llegts van 
de eerfte enige melding maken : 

5, In de Conferentie op den laden January vonden wy» 

dat 




II lil 



Gefch.van Nieuw-Herrnhut. 1757. 

dat op den aanflaanden Gemeente-dag agt perfonen konden 
gedoopt, en zeventien heilbegerige heidenen in de nadere 
toebereiding aangenomen worden. Toen wy de Groen- 
landfche méde-arbeideren hiervan vervvittigden, werden ze 
ongemeen verblyd , en dankten den Here met hart en 
mond, voor deze aan de arme heidenen bewezene genade. 
Den i4den werden de genen, die eerlang (tonden gedoopt 
en aangenomen te worden , gefproken. Men befpeurde in 
beide Clafen ene byzondere genade , en hun verlangen ^ 
om geheel en al een eigendom van hunnen verloffer te wor- 
den, openbaarde zig op ene zeer aangename wyze en on- 
der een vloed van tranen. Zy wiften zig van vreugde niet 
uit te drukken, terwyl zommigen zeiden: „ Ik ben ziek 
van verlangen. " enz. Den lóden January , zynde zon- 
dag, was een byzonder gezegende dag. Na de Liturgie 
werdt een aangenaam dag-verhaal gelezen van den geze- 
genden gang der genade onder de A^^^^r-kinderen in .S>. 
Thomas^ dit veroorzaakte ene algemene vreugde en ftrekte 
velen tot opwekking. Daarna werden de Dopelingen nog- 
maals gefproken. Vreugde en fchaamte , een heilig beven 
en een gelovig reikhalfen om tot den Troon der Genade 
te naderen, werdt tot onze vreugde zeer kennelyk by hen 
befpeurd. Ene oude weduwe, die men eertyds van tover y 
befchuldigd had y werdt zeer verlegen, wanneer men haar 
vroeg, of wy ook in 't vervolg foortgelyke zaken van haar 
vernemen zouden. Dan ze beloofde het tegendeel in zulke 
bewoordingen, die te kennen gaven, dat ze den Duivel, 
met al wat tot hem en zynen dienft behoort , verzake , en 
zig den Heiland geheel en al tot een euwig eigendom over» 
geve. Na de Predikatie over de woorden : Ik ben geko- 
men^ om vuur op de aarde te tverpen '^ enz. werden deze 
agt zielen, te weten drie Broeders (onder welken zig de 
oude man, van welken onder het vorige jaar §. 6. gefpro- 
ken is, en die wel zyne kinderen , maar niet zig zelven , 
waardig oordeelde, om gedoopt te worden, benevens des- 
zelfs zoon bevondt ; ) en vyf Zulters gedoopt. Uit hunne aan- 
gezigten ftraalde een aangenaam en verblydend licht. Na 
dat de Gemeente-dags- afdeling gelezen en verklaard was 
werden zeventien leerlingen in een nadere toebereiding on- 
der het geven van den Vrede-kus aangenomen. Onder de- 
zen bevondt zig ook de meergemelde Tuffillartok , zwager 
van den züig^n Samuel Kajarnak^ zynde dezelve Angekok^ 




142 



Groenlandfche Hiftorie 



VIII. B. 



i;!'i; 



K 



Iff S^ 



die zo dikwils door zonderlinge dromen verfchrikt was 
als mede deszelfs zoon Siuana , en het meisje, dat ons 
voorleden jaar half dood in een zak toegezonden werdt. 

Deuitvverkfelen, welke deze handelingen by de ande- 
re ongedoopten veroorzaakt hadden ^ vernam men de vol- 
gende dagen. De mede-arbeiders berigtten, dat de overi- 
gen, die tot den doop aangenomen waren, maar deze reis 
nog nier gedoopt werden, in hunne gezelfchappen zeer ge- 
kermd en een groot verlangen naar den doop getoond had- 
den. Ene weduwe , die reeds voor ettelyke maanden aan- 
genomen was, en welker dogter deze reis gedoopt werdt 4 
zeide met tranen: „ Ach het moet toch zeer flegt met my 
gefield zyn, dewyl ik nog niet 'er toe komen kan ! Ik heb 
er egter een groot verlangen naar , en fchrei 'er dikwerf 
om voor den Heiland. '* 

Welken indruk de Doop op de Groenlanderen make, en 
welke vattmge een verftandig dienaar van Kriftus daardoor 
aan hunne harten verkrygt , kan uit het volgende opge- 
maakt worden. Een man , die zedert enigen tyd uitgeflo- 
ten en uit dien hoofde enigzins verdrietig was, had zig no- 
pens ene huiffelyke zaak zeer wederfpannig tegen den Dia- 
ken gedragen, en was door gene redenen te bewegen, 
zyne wederfpanmgheid te laten varen. Dan gevraagd wor' 
dende, of hem nog heugde, dat hy gedoopt was? begon 
hy dermaten te fchreijen, dat men hem nauwdyks kon 
te vrede flellen* Zyn eigen-zin werdt daardoor, als 't wa- 
re, gelmoor d. 

§• 9- 

In dit jaar waren veertig leerlingen in de nadere toebe- 
reidmg aangenomen, en ten dele na elkander gedoopt 5 
daarentegen waren niet meer dan twe perfonen tot het H.^ 
Avondmaal toegelaten. Vy f paar waren in den egt verbon- 
den en elf perfonen , waar onder maar drie bejaarden 
waren , overleden , te weten : 

I.) Antonette^ ene getrouwde vrouw : zy had het E- 
vangelie reeds voor vele jaren te A^^w^^/fr gehoord, en men 
bemerkte ten eerften een verlangen naar den Heiland by 
haar, weshalven ze ook, in 't jaar 1748 tot ons gekomen 
zynde. haalt gedoopt werdt. Drie jaren daarna werdt 

ze 



Gefch. van Nieuw-HerrnhuJ: 1757. 

ze tot het IL Avondmaal toegelaten , en leefde naderhand 
met haar man als ene arme begenadigde zondareffe zalig 
en vergenoegd. Zedert twe of drie jaren begon ze aan de 
tering te kvvynen, en dit was de zaligde tyd van haar le- 
ven. 'Zy verlangde naar hare ontbinding ,en verheugde zig 
op dezelve als op eenbruilofts-dag : ze was gedurig met den 
Heiland bezig , enfprak van hem met allen, dierbaar be- 
zogten. Onder anderen zeide ze : „ Nu zal de Heiland 
„ haaft komen , en myne ziel mede nemen , ik heb Hem 
„ r^eds cikwils daarom gebeden, en hy is my genadrg, 
„ zo dikwils als ik met hem fpreke. Des Heeren Bloed- 
„ gerechtigheid is 't bruilofts-kleed , voor my bereid. Doch 
5, gy moet myn lighaani ook fierlyk kleden , want de le- 
9, den van myn lighaam zyo ook allen gefchenken van 
„ Hem, " enz. Toen men .met haar deri laatften avond 
zong: 

Uw' liefde . zo onendig, 
Blyveois, o Lam! beftendig, 

Niec Hechts in fcheemering. 
Neen , laat ons te allen tyden 
Uw' wonden en uw lyden 

Regt voelbaar zyn ter zaliging! 

wees ze met een verblyd gelaat naar haar hart en be 
gon met ene gebrokene fcemme het volgende vaars : 

Op 't Lam en zyne fmarte 
Vertrouwt myn ganfche harte. 

Zo lang een ader (laat : 
Als myne leen verkouden , 
Zo zal ik opvaart houden 

In 't harte, dat nog open ftaat. 

En daarmede ontfliep ze ftil en zagt, in de armen van 
haren Verlofler, met een hart, in 't welk de vrede van 
God heerfchte. 

a. ) ^bifag , ene vrouw , die een teder gevoel van 
^s Heilands dood en lyden had, en tevens ene byzondere 
gave in den ommegang met hare huisgenoten. Op een ze- 
keren tyd geraakte ze in ene verzoeking van eigen-liefde , 
en meende , dat 'er niet werks genoeg van kaar gemaakt 

werdt. 



P^ 




Mil 



h^^ 



144 



Groenlandfche Hiflorie 



VIÏI. E 



werdt. Hierover werdt ze verdrietig en zwaarmoedig ^ 
kwam egter fchielyk weer te regt,en bragt hare laatfte ja- 
ren regr vergenoegd door. In hare ziekte vooral betuig- 
de ze met vele blymoedigheid , den Heiland zeer lief 
te hebben en te verlangen ^ om zyne gewondde voeten te 
kuffen. 

3.) Penlfifui^ ene oude ongetrouwde Zufter, gebrekkig 
van lighaam en zwaarmoedig van geeft. De eerfte ja- 
ren na haren doop bragt ze vergenoegd dooré Doch toe» 
alle hare vrienden uit den tyd gingen^ en zy zig in 't uit- 
vvendige vry fchraaltjes behelpen raoeft , werdt ze zo 
zwaarmoedig, dat ze zig uit eigene beweging van het H- 
Avondmaal terug hieldt. Daardoor geraakte ze allengs- 
kens in ene grote dorheid, en dikwils fcheen het, als of 
ze ons t' enemaal verlaten wilde. Dan in hare ziekte, die 
agt dagen duurde , openbaarde zig weer de Vriend van 
arme en befchroomde zielen regt vriendelyk en genadig 
aan haar hart , en ze ging als ene arme zondarefle met 
een innig en blymoedig verlangen tot Hem henen. 

4.) Chrifttan , een zoon Van onzen in 't jaar 1752 ont- 
flapenen , en noit te vergeten Nathanaèl ; de^e jongeling 
was negen jaren oud , en een zeer levendig en beminnens- 
waardig kind, van *t welk wy ons vele hope gemaakt had- 
den. In de fchool was hy ongemeen naarftig en had een 
zeer gelukkig geheugen. De Katechifeerder had eens enige 
vaarfen vertaald, en zyne kinderen voorgelezen, doch de^ 
W7I hy ettdyke uitdrukkingen niet duidelyk genoeg over- 
zetten kon, had hy de gemelde vaarfen weg gedaan. Hier- 
van had by naderhand berouw en zoude de Vaarfen gaarn 
weer gehad hebben. Een jaar daarna hoorde hy den zali- 
gen C/^r//?/^« , die een groot lief hebber van zingen was , de 
verloorne vaarfen by geval zingen, en bragt ze uitdeszelfs 
mond op papier. Hoe levendig hy ook van geeft was, zo 
dat hy zomtyds ene neiging tot buitenfporigheden had, hy 
had egter een teder en week hart jegens de wonden van 
den Heiland, des hy alle 'erinneringen, met een buigfaam: 
gemoed aannam. Ene ziekte van zydc-wêe baande den 
weg tot zyne ontbinding, terwyl hy zig met deszelfs Voed- 
fter-ouderen, die over zyn ftigtelyk einde zeer aangedaan 
waren, in den Zond bevondt. 




HET 



HET NEGENDE BOEK 

DER 

GROENLANDSCHE 

HISTORIE, 

VERVATTENDE 

Bet vyfde tydmerk der Zendinge van de Broe- 
der-Kerk 9 dat is , van de opregtinge der 
Zendinge te Lichtenfels in V jaar 
1758, tot het jaar 1762. 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 
HET SES EN TWINTIGSTE JAAR 

1758. 
INHOUD. 

I. VAN LICHTENFELS. 

§♦ I. Verfcheidene redenen^ om over de opregting van enè 
Zending op ene andere plaats te denken^ 

§. 2. De Broeders voorden naar de VifTcher - Fiorde ver^ 
zogt , en brengen ene zendinge derwaards in voor^ 
flag. 

§• 3. Matthaeus Stach retfl ten dien einde met twe mede- 
arbeideren naar Groenland^ 

%. 4. Vervolg der reis van Nieuw-Herrnhut naar de V'm 



fcher-Fiorde, 



%. 




n< 



14(5 



Groenlandfche Hiflorie 



ÏX. B. 



§. 5. Htm en hunner medegenomenen Groenlanderen eerfis 
houwinge en neringe. 

§• 6. Bezoek der beidenen en vermeerdering der inwoneren 
uit dezeluen. 

§. 7. Beivyfen der genade in de nieuwe Groenlandfche 
Gemeente. Levensloop van een verdronken jonge- 
ling. 

II. VAN NIEUW HERRNHUT. 

§. 8. Door de Prediktnge van den Heiland werden de hei» 
denen geraakt 9 maar zy tragten zig daarvoor te be* ^ 
'waren» ï 



§. 9. De Gemeente wordt met drie en dartlg zielen vermeer* 
derd. Byzondere arbeid der genade onder de AvQnd" 

maals-leden. 

%, 10. De Groenlanders hefpeuren den Goddelyken zegen in 
hunne neringe en worden voor in- en uitzvendige on- 
heilen bewaard. 

§. II. Gedagtenis zommiger ontjldpenen ^^ en in^t lyzonder 
van de bekende .Judith. 



i 



I 




I. 



N de laatfle jaren was de Groenlandfche Ge- 
meente tot op vier honderd perfonen aange- 
groeid, en omtrent twe honderd gedoopten 
hadden reeds het tydelyke met ene zahge eu- 
wigheid verwifleld. Naar mate der kleinheid 
van het Groenlandfche volk was de vermeerdering der Ge- 
meente zedert het jaar 1742, wanneer de grote opwekking 
onder de heidenen begon, fchielyk genoeg gefchied; doch 
tans fcheen de vermeerdering van buiten niet zeer groot 
meer te zullen worden. Uit het noorden en Bals -rivier 
kon men in 't vervolg weinige Groenlanders verwagten. Zy 
hadden aldaar , zedert het aanleggen van nieuwe volkplan- 
tingen 5 enige Deenfche Miflionariffen in hunne nabyheid 
■. *. -^ . . gekre- 



^ ■rlü 



Gefch. van Nieuw-Heffnhut. tfsS: j^7 

gekregen, en die hier omftreeks diep in de FwrJen woon- 
den, hielden zig merendeels tot de volkplanting te God- 
iaab. De Kook- en Kangek-Eïlm^m waren eigentlvk de 
predik-plaatlen der Broederen. De Groenlanders, welke 
zig aldaar ge wonelyk enigen tyd ophouden, zyn meren^ 
deels uit de zuidlyklle landftreken, alwaar nog gene volk- 
plantingen en zendingen zyn; hun verblyfin de P'emelde 
eilanden duurt gewonelyk een of twe jaren, ten dele om 
er, op hunne reizen naar- en terug uit- het noorden uit 
te ruften, ten dele om zig tot hunne verdere reis van le- 
vens middelen te. voorzien. Uit deze heden hadden de 
Broeders het grootfte gedeelte van derzelver inwonereii 
gekregen , en dit was ten dele ene gezegende vrugt der 
reis van den eerfteling, Samuel Kajamak, die zelve een 
Zuiclander was en de eerfte, die daar omftreeks de blvde 
boodfchap verkondigd had van den Schepper, die zvné 
verlorene fcheplelen door enen bloedigen dood verloft heeft 
Uit het voorgaande zal men gezien hebben, dat de Broe-* 
ders jaarlyks van vele Zuidlanderen bezogt werden, dat 
onder dezen zig velen bevonden , die niet t'enemaal onkun- 
dig van 't Evangelie gebleven waren, en dat ze de Broeders 
verzogt nadden, in hun land te komen, om dat zy lm ook 
wel bekeren wilden , maar hier omftreeks niet beftaan kon- 
den. Want fchoon Bals -rivier ene der beften landftreken 
van ganfch Groenland is, die, wel is waar, ook hare ge- 
breken, maar tevens vele ;zaken heeft, die andere land- 
ftreken met hebben, de Groenlanders kunnen ' ep;ter niét 
hgtelyk het befluit nemen, om ene plaats, waar ze <^ebo- 
ren en opgevoed zyn, t' enemaal te verlaten, en ziff elders 
met er woon neer te zetten; gemerkt men byna op elke 
plaats ene byzondere manier van viflchen en zeehond- van-^ 
gen vmdt, aan welke zy zig eerft gewennen moeten , en 
ondertuirchen menigmaal etteiyke jaren gebrek lydeii Zv 
vooral, die naby de zee, of in de eilanden, geboren zvn. 
ptten zig met gaarn op het vafte land of in de Fiorden met 
er woon neder. En wanneer zulke lieden zig op ene 
plaats , gelyk Nkuvj-Herrnhut ^ dat op het vafte land, twe 
of dnemylen ver van de zee afligt, met 'er woon neer 
zetten, zo kan men 't genoegfaam niet anders aanmerken 
dan als ene verlochemng van hunne gewone voordelen, die 
ze om het heil hunner zielen laten varen , terwyl ze wel 
weten , dat zy etteiyke jaren aan 't leren van nieuwe voor- 
'^ Ka dfl. 




148 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



delen in hunne neringe belleden, en zig intufichen dikwerf 
fchraaltjes behelpen moeten. 

Door deze zwarigheid werden verfcheidene geraakte 
Groenlanderen terug gehouden, van te Nieuw-Herrnbut 
met 'er woon te komen , en de Broeders zelven konden by- 
na niet wenfchen, dat 'er meer inwoners komen mogten. 
Want fchoon ze van harten gaarn het Evangelie aan allein- 
woneren van Groenland zouden verkondigd en dezelven 
daardoor voor den Heiland gewonnen hebben; zy moeften eg- 
ter ook daarop letten, dat de zielen 5die door het Evangelie 
opgewekt en in Jefus dood gedoopt werden , in de Ge- 
meente behoorlyk konden verzorgd , onderwezen , in de 
genade beveftigd en voor alle afdwalingen bewaard wor- 
den. Ene zulke verzorging van zielen , waartoe vry wat 
meer dan predikatien en Katechifatien vereifchd wordt , 
wordt, ten minden in heidenfche landen, en wanneer de 
menigte te talryk wordt, om dezelve onder het oog te 
houden, al te bezwaarlyk, zoniet t'enemaal onmogelyk. 
Voeghierby, dat zommigen bevreeft waren, dat 'er niet 
altoos toereikende levens-middelen zouden kunnen gevon- 
den worden, indien het getal van Groenlanders , op ene 
plaats, merkelyk groter worden mogt ; fchoon anderen ten 
dezen opzigte van andere gedagten waren , die ook door 
ondervinding beveftigd zyn. 

§• 2. 

Om deze redenen en uit de gegronde hope , dat zig nog 
vele Groenlanderen aan het Evangelie onderwerpen zou- 
den, by aldienraen opene tot hun beftaan bekwame plaats 
woonde , hadden de Miffionariflen reeds lang in overwe- 
ging genomen, of niet iemand van hen te Kangek^ oïKa* 
riak ( een oord , die drie mylen zuidwaards van Nleuiu- 
Herrnhut ligt) zou kunnen wonen, ten einde den aldaar 
wonende en voorby reizende Groenlanderen met het Evan- 
gelie te dienen ; en of men niet zulke gedoopten, die al- 
daar hun beftaan ligter zouden kunnen vinden, van A//é?//'K/- 
Herrnhut derwaards zou laten trekken ? Dit voordel werdt 
by de vifitatie in 't jaar 1752 in overweging genomen ^ 
doch niet raadzaam gevonden. 

Twe jaren daarna, te weten 1754» werdt in de zogc- 

naam- 






■iiii 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. 

naamde Fijfcber - Fiorde ^ agtien mylen znidwaards, een 
Handels-kantoor aangelegt. Uit dit geweft hadden reeds 
vele Groenlanders, die zig des zomers in Bals-rivier had- 
den opgehouden, het Evangelie gehoord. Ettelyken had- 
den zig ook dadelyk te Niemv-Herrnbut met 'er w^oon 
neder gezet, de meeden egter betuigden, hun beftaan 
hier niet te kunnen vinden , en verzogten de Broeders , 
om zig in hunne landftreek neer te zetten, als wanneer 
zy lieden by de Broeders wilden komen wonen , en gelo- 
vig worden. 

Wanneer het zo evengemelde Kantoor aangelegd werdt, 
gebeurde het, dat MattlMus Stach en Ballenhorfl ^vooxnt- 
mens zynde ene reis naar Europa te doen, by het nieuwe 
Kantoor aan boord moeiten gaan. Deze Broeders bezig- 
tigden de landftreek daar omtrent, en bragten dezelve, be- 
nevens het verlangen der aldaar wonende Groenlanderen, 
in gedagteniffe by de Broeder-Kerk. Joban S'órenfen^ het 
volgende jaar uit Groenland komende , gaf een verzoek- 
fchrift over aan deu Here Graaf van Berkentin , die toen 
voorzitter der Handels-Maatfchappy te Kopenbagen was^ 
waarin hy te kennen gaf, dat de Broeders genegen waren, 
om zig in de Fiffcber-Fiorde by de Groenlanderen neer te 
zetten , by aldien ze der Handels-Maatfchappy daardoor 
enigen dienft konden doen. De aanbieding was aange- 
naam , ze kon egter zo fchielyk niet ter uitvoer gebragt 
worden. 

De Broeders werden intuffchen geftadig, en op het ern- 
ftigfte ,zo wel door de heidenen als de bedienden van den 
koophandel, uitgenodigd ; dan dewyl ze niemand tot dit 
werk miflen konden, zo deedt Joban Bek, dit jaar teHerrn- 
hut zynde , het voorftel : of niet Mattbmis Stacb^ die al- 
toos een verlangen betoond had , om het Evangelie verder 
naar 't zuiden onder de Groenlanders te brengen , ene 
proef zou kunnen doen, van zig in de Fifcber-Fiorde neer 
te zetten, om te zien, of onder de aldaar wonende Groen- 
landeren ettelyken voor den Heiland zouden kunnen ge- 
wonnen worden ? Dit voorftel werdt goed gekeurd, Mas- 
tbaus Stacb daartoe beroepen, en de t we Gebroeders J^^i^ 
en Feter Haven werden hem als mede arbeiders toegevoegde 



Kg 







ISO 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 






S- 3. 

Na ene korte afvaardiging Cwant hun vertrek vereifch- 
te fpoed} begaven zig deze drie Broeders, met den zegen 
der Gemeente, den I5den Maart van Hermhut op de reis, 
die ze ook, fclioon zy den weg door het midden van het 
Oorlogs-toneel nemen moeften , onbelemmerd over Ham- 
lurg en door Holflein vervolgden. Dan te Kopenhagen 
den Sften April aankomende vonden ze het fchip ,dat naar 
Friedrichsbaab^ de FiJJcher-Lcge en Godbaah beftemd was , 
reeds zeilvaardig op de reede liggen , en konden, om dat 
het zelve reeds zwaar geladen was, met dat fchipniet ver- 
trekken. Dienvolgens moeften ze wagten, tot dat een an- \ 
der fchip, 't welk naar Zukkertop^ gevolglyk vyftig mylcn ' 
verdernoordwaards, dan zy wezen moeften, beftemdwas, 
klaar werdt. Den 4den May, zynde Hemelvaards-dag, 
gingen ze aan boord van 't fchip de Marie-Kerk , Schip- . 
per Peter Steffenfen Holm , en van Elfeneur , alwaar ze ^ 
ettelyke dagen door tegen-wind opgehouden werden, zon- ] 
den ze nog enen brief, in welken ze door enige regelen ^af- 
fcheid namen. 

Op hunnereis hadden ze genen ftorm en genoegfaam geen ï 
flegt weder, 't geen iet zeldfaams is. Qy deze gelegenheid \ 
kan ik niet nalaten, tot prys van den Heiland en uit dank- 
erkentenis jegens het Deenfche volk, aan te merken, dat 
de omftandigheden , ten aanzien der reizen onzer naar 
Groenland varende Broeders , zedert het begin dier rei- 
zen , dat is zedert vyf of fes en twintig jaren, doch voor- 
al zedert de Koninglyke Ordonnantie van 't jaar 1750, 
zeer kennelyk veranderd zyn. Want in ftede dat toen 
het fcheepsvolk de Broeders door allerly kwade woor- 
den en bejegeningen , ja door fpotternyen nopens den 
Godsdienft.zogt te kwellen, en hen de nodige hulp in \ 
uitwendige weigerde, konden deze drie Broeders de ze- 
digheid en behulpniamheid , die hen door het fcheeps- 
volk betoond werden, niet genoeg roemen , terwyl zy van 
den Schipper en Stuurman blykeii van ene ganfch byzon- 
öcre vriendfchap en liefde genoten hadden. Het zelve 
kan nien van allen getuigen, en om de belofte van den He- 
re Jefus denken: FoMwaar z^eg ik u^ hy ^al zmen loon 
,S€SPjm verlie:^m'i 



,?■/* 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. 15^ 

Den i8den Juny kwamen ze op^ de volkplanting Zuk'- 
éeriop ^^n^ alwaar ze door den Koopman 4nders0iren^ 
en den Katechifeerder Berthel Larfen met vele vriendichap 
ontvangen werden. 

OndertufTchen kwamen 'er twevan Nteuw-Herrnbuthen 
te gemoet gezondene Kajakken aan , om ze langs de nog 
t' enemaal onbekende kuil van dartig mylen te verzeilen 
en tevens den weg te wyzen. Met dezen begaven ze zig 
den Qisften, in hunnen boot (die het enigfte was, dat ze 
tot hunne aanbouwinge van Kopenhagen hadden kunnen 
mede nemen ) op de reis, die wel door den fterken wind 
vry wat ongemakkelyk ,maar tevens zeer fchielyk en voor- 
fpoedig was , alzo ze den 27ften Juny te NieuwHerrnbut^ 
tot blydfchap hunner Broederen ender Grocnlanderen, aan- 
kwamen. 

§• 4. 

Na het nodige met dezelven afgefproken te hebben , ver- 
volgden ze den ipden July hunne reis naar de Fifcber^ 
Fiorde^tn namen, tot een begin van hunne kleine Gemeen- 
te, vier Groenlandfche huisgezinnen van Nieuw- Her rnhm 
mede, die allen te famen twe en dartig zielen uitmaakten. 
■ Zy kwamen den asften July in de Florde aan, met dit 
zeer aangename woord: De Uefl^kheid des Heren onzes God^ 
zy over ons : en hevejligt gy V werk onzer handen over ons : 
ja bet werk onzer banden bevejligt dat. Pf. XC: 17. 
„ Gebied ons , dat we gelukkig zyn. '' Volgens den 
raad von hunnen Groenlandfchen leidsman , die uit dit 
gewed afkomftigis, bezigtigden ze, eer zy naar de Loge 
voeren, op een groot eiland ene plaats , Akonamiok ge- 
naamd, ene halve myl van de zee gelegen, alwaar reeds 
een oud Groenlandfch huis ftondt. Dan deze plaats al te 
nauw door de bergen ingeflooten zynde, voeren ze nog ene 
goede halve myl dieper in de Fiorde tot aan de Loge. De 
kooplieden zouden hen gaarn in de nabyheid gehouden 
hebben, ook is de plaats voor Europeanen zo moi en ge- 
makkelyk, als men in Groenland nauwelyks ene vmden 
%al: dande Broeders, meer ziende opliet geen, dat tot 
der Groenlanderen nut, naar ziel en iighaam , ftrekken 
kan, dan op hun eigen gemak ('t welk men in Groenland 

K 4 ' ïiie? 



imimm'mmf. 





m 



I 



tt 



tS^ 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



niet zoeken moet) konden zig aldaar met *er woon niet 
neer zetten, maar zagen nog verder naar ene plaats om, 
die de volgende gemakken hebben zoude : i.) Verfch water, 
dat in den winter door de vorft niet ophoudt ; 2.) ene voorde 
vaartuigen veilige haven; 3.) eenftrand, dat in den winter 
open blyft, en niet te ver van de zee is , ten einde lie- 
den , die, gelyk de Zuidlanders genoegfaam allen, aan de 
zee gewend zyn , zo wel als de bewoners der Fiorden hun- 
nen onderhoud zouden kunnen vinden , en dus uit dien 
hoofde niemand afgefchrikt worden, van by hen te wo- 
nen en het Evangelie te horen. Behalven de zo even ge- 
noemde plaats by Akonamiok , vonden ze in de ganfche 
Fiorde gene van dien aart, en fchoon dezelve de zon , die in 
Groenland tot enebyzondere verkwikking fl:rekt,niet van 
voren heeft, integendeel, van wegens enen hogen berg, 
gedurende een tyd van drie maanden in \ geheel geen 
zonnefchyn geniet ; zy verkozen egter deze plaats , om 
der Groenlanderen wille , en floegen aldaar hunne ten- 
ten den 24fl:en July op , zynde het woord van dien dag 
genomen uit Jerem. XXXH: 17. HereX ziet-, geen ding is 
Ü te zvonderl^k. ' . 

§.5. 

Hun eerfte arbeid werdt hefteed aan 't opmetfelen vm 
een klein huis van fteen en zoden naar de Groenlandfche 
wyze. In 't begin ging het met den arbeid zeer langfaam, 
gemerkt ze van de Groenlanderen , die terzelver tyd aan 't 
houwen waren, gene hulp bekomen konden , terwyl één 
der drie Broederen ettelyke uren aan 't koken belleden raoeft. 
Daarenboven ontbrak het hen aan nodige gereedfchappen , 
omdat ze dezelven noch van Kopenhagen ^noch v^n Nieuw- 
Her rnbut 'm den boot, hadden kunnen mede nemen. De 
ilenen moeften ze 'er naar toe rollen, de aarde in zakken 
dragen, en de zoden van ene andere plaats te waterhalen. 
Tox. het dak hadden ze van Nieuzv-Herrnbut wel enige 
latten , maar gene balken, kunnen mede nemen, en in lan- 
gen tyd konden ze daartoe geen bekwaam hout in de zee 
vinden. Doch toen ze met de muur klaar waren en we- 
gens andere verrichtingen uitvaren wilden , vonden ze, 
niet verre van het huis, twe zulke ftukken hout, als ze 

no- 




Gefch. van Niéuw-Herrnhut. 1758. 155 

nodig hndden , en die, by aldien zy langer vertoeft had- 
den , met den naaften vloed verder weg zouden ge- 
dreven zyn; zo dat het niet anders was, dan of een der 
gedienftige Geeftcn dezelven , ten behoeve der Broederen 
en derzelver uiterfte nooddruft, derwaards geftuurd had; 
immers namen zy dezelven als een gefchenk uit de hand 
des Heren met een dankbaar hart aan. 

Hun huis beftondt uit een vertrek van zeven of agt ellen 
in 't vierkant, uiteen klein voorhuis en de keuken. Het dak 
had de hoogte van een man, maar gene zoldering, het was ge- 
noefaam vlak, en ruftteop twe ftylen; de latten waren met 
dubbelde zoden , tuflchen welken men aarde geftrooid had, 
gedekt, terwyl op dezen nog oude vellen van tenten gelegt 
werden , om den regen af te keren : (fchoon het 'er niet te 
min dikwerf lekte) ook beftondt het inwendig behangfel 
der muren uit foortgelyke vellen. Met deze woning wer- 
den ze den lóden September klaar, en hielden hun intrek 
met een vergenoegd en dankbaar hart. Na dien tyd 
viel 'er ook , wegens den met regen en fneuw reeds aan- 
komenden winter, weinig meer buiten het huis te verrig- 
ten. 

De Groenlanders hadden intuftchen ook een huis ge- 
bouwd , 't geen ze den i4den Oftober begonnen te be- 
wonen. Met hunne neringe ging het in den beginne zo 
flegt, datzezig nauwelyks onderhouden konden. Dan ze 
ontdekten niet verre van het huis ene plaats , waar de 
zeehonden in enen engen bogt inliepen , en ingefloten kon- 
den worden , in diervoegen dat zy ettelyken dier heeften 
te gelyk doden konden, waar mede ze zulk een goed be- 
gin maakten, dat zy ten eerften omtrent vier tonnen fpek 
aan den koopman afleveren konden. De Inboorlingen 
daar omftreeks betuigden , noit voor dien tyd zeehonden 
ter dier plaatfe vernomen te hebben , en waren verwon- 
derd , dat ze 'er nu in zulke menigte inliepen. Des men 
het niet anders aanmerken kon, dan als ene zonderlinge 
fchikking tot hunne onderhouding. 



K5 



§.6. 



154 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



. ^Er kwamen ook haaft Groenlanders ten bezoek, zommi- 
gen uit nieuwsgierigheid , de meeften egter om het Evan- 
gelie te horen. Het grootfte gedeelte van hen woonde by 
de Loge en öp de andere zyde van het eiland. Van el- 
ke dezer plaatfen had men over land een weg van ene gro- 
te myl over barre rotfen en valleyen. Niettemin kwamen 
ze , vooral in de Kers-dagen , zeer vlytig , de mannen te 
water in Kajakken^ en de vrouwen over het land, om het 
woord van God te horen , en gingen dikwils in de nagt 
weer naar huis. Zy werden van tyd tot tyd door den Mis- 
fionaris bezogt. Hun verlangen, om van den Heiland te 
horen , maakte hem den weg ligt , die anders niet alleen 
ongemakkelyk maar tevens gevaarlyk is; dts het ook eens 
gebeurde, dat hy , de veet uitglippende, voor over viel 
en dus langs den berg nedpr rolde , zonder egter enige 
fchade aan deszelfs leden telyden, alzo hy het geluk had, 
in een diepen fneuw te vallen. Ook zaten onze Groenland- 
fche Broeders geenzins ftil , maar bezogten van tyd tot 
tyd zulke Groenlanders, by welken de Miffionaris niet ko- 
men kon , en befpeurden , dat dezelven het getuigenis van 
Jefusden gekruiften gaarn, ja dikwerf met vreugde, ont- 
vingen, met belofte van hen te eniger tyd te zullen volgen. 
Behalven ettelyke vrouws-perfonen, ten dele weduwen 
met derzel ver kinderen , ten dele jonge dogters , kwamen 
'er twc huisgezinnen , om hier te wonen. De mannen 
waren eigene Broeders van enen te Nieuw- Herrnhut ont- 
flapenen Groenlander , en hadden aldaar het Evangelie 
reeds dikwerf, en niet zonder aandoening, gehoord. Tans 
kwamen ze met het voornemen om zig te bekeren , ver- 
zuimden niet ligt ene vergadering, en werden ook nog voor 
het einde van 't jaar als leerlingen aangenomen. Hunne 
vrouwen waren egter van andere gedagten. En daar an- 
ders de Groenlandfche vrouwen gewonelyk naar 't Evan- 
gelie begeriger zyn dan de mannen, in diervoegen dat zy 
dikwils hare mannen ene aanleiding Vv^orden tot het goede, 
kwamen in tegendeel deze vrouwen zeer zelden onder het 
gehoor van het Goddelyk woord, en werden ook het vol- 
gende jaar hare mannen tot ene aanleiding, dat dezelven 
hunnen leraar verlieten , en de genade verwaarloosden , 
om uit deze iandllreek de eerftelingen te worden, 

§•7- 



wmtm 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. 155 



Met het kleine begin ener Groenlandfche Gemeente hier 
terplaatfe volgde mende inrichting van Nietnv-Hermhut. De 
Zondags -predikatien en andere algemene vergaderingen 
werden in het Groenlandfche huis , doch het H. Avondmaal , 
de vergadering der gedoopten, en de fchoolin dat der Broe- 
deren gehouden. Met vele blydfchap befpeurde men , dat 
dezelve genade , met welke de vergaderingen der Groen- 
landfche Gemeente te Nieuw- Her rnhut door den H. Geeft 
gezalfd worden, dit deel dier Gemeente ter plaatfe van des- 
zelfs nieuwe plantinge verzelde. Hiervan wordt het vol- 
gende gezegt : „ Wanneer de Litany het eerfte maal ge- 
beden werdt , ontftondt 'er by 't aanheffen der woorden : 
Here God^ onze Fader , die in de Hemelen zyt ! enz. zulk ene 
beweging in aller harten , dat de tranen langs de wangen 
rolden. By gelegenheid van het eerfte Avondmaal wordt 
gemeld:" wanneer ik de Avondmaals-leden ter voorbe- 
reidinge tot het eerfte Avondmaal fpreken zoude, was ik 
bang, omdat mybewuftwas, dat 'er verfcheidene zaken 
zouden te crinnerenzyn. Ik werdt egter zeer befchaamd 
en vertrooft, wanneer ik over 't geheel harten vond, die 
week, endoorden H. Geeft zelve tot een gevoel van hunne 
armoede en ellende gebragt, en dus wel toebereid waren. '* 

Om ene vermeerdering uit de heidenen kon • men nog zo 
haaft niet denken, want een Groenlander móet tyd heb* 
ben om tot zig zelve te komen, en een Miffionaris nog 
meer, om denzelven regt te leren kennen. Des werdt de 
Gemeente niet dan door den doop van een nieuw geboren 
kind vermeerderd, terwyl ze verminderd werdt door het 
droevig blyven van een jongeling yoel genaamd. „ 't Is 
(dus fchryft de Miffionaris) iet zonderlings en tevens iet 
zeer fraartelyks, wanneer men , kort na enQU Broeder fris 
en gezond gezien te hebben, horen moet, dat hy uit den 
tyd is, dat zyne gebeenten in de zee ömdryvenen den vis- 
fchen ten proi worden. Ik wift gifteren niet , hoe ik het had ! 
ik gevoelde benauwtheid, ging menigmaal op den berg, om 
'in de zee te zien , zonder te weten, waarom? Van hem 
kwam my egter niets inde gedachten , fchoon ik dikwilsom 
hem bekommerd was , om dat hy zig verder waagde 9 daa 
zyne kragten gedoogden, 

Hy 





I ; ! 



n 



15Ö 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. 



Hy werdt, een Kind zynde, in 't jaar 1744 met zyne 
ouders te gelyk gedoopt, leerde het lezen en fchryven 
wel , en was van natuur vrolyk en opregt. By 't toene- 
men van deszelfs jaren befpeurde men by hemeen teder ge- 
voel van liefde jegens den Heiland en zyne wonden , en 
hy will den kinderen , by welken hy als beftierder hunner 
gezelfchappen gebruikt werdt, den Heiland op ene zeer 
aangename wyze aan te pryzen. In 't vervolg fcheen hy 
iets van zyne kinderlyke eenvoudigheid te verliezen ; men 
befpeurde egter altoos een aan den Heiland verkleeft hart 
by hem. Van de zonden der jeugt was hy bewaard ge- 
bleven, en wanneer hy zig in enigen opzigte verdorven 
en zondig gevoelde , fprak hy daaromtrent openhartig 
met zynen leeraar , en wilde den Heiland gaarn naar 
ziel en lighaam tot vreugde worden. Hy werdt in dit jaar 
tot het H. Avondmaal toegelaten , en trok vervolgens met 
zynen zwager Johanan van Nieuw-Herrnbut herwaards. 
Hier heb ik gedurig ene byzondere werking der genade 
aan zyn hart befpeurd , en hy heeft my in der daad dik- 
werf tot vele blydfchap verllrekt. In di,t jaar drukte hy 
zig nog in enen brief op de volgende wj^ze uit : „ Wan- 
neer ik my te binnen breng , hoe de Heiland my 't eerft 
zyne nabyheid liet gevoelen, dan wenen myne ogen nog. 
Zyn lyden maakt myn hart brandende en vrolyk. Tans 
kan ik hem niet meer verlaten , hy bezit myn ganfch hart , 
als mede myn lighaam en deszelfs leden, als een Hem toe- 
komend eigendom. Hy heeft my ook zyn lighaam en bloed 
gegeven, waarover ik zeer verblyd ben. Jk rigte myne 
zinnen en gedagten beftendig naar hem, en bid hem dik- 
wils met tranen, dat het hem behage, myn hart regt ge- 
voelig na by te wezen , al 't geen in my niet deugt door 
zyn gekruid lighaam te doden, en my tot een regtfchapen 
jongeling te maken. Want myn wenfch is , beftendig regt 
vergenoegd voor hem te leven. " 

Hy hielp my vlytig in het vertalen, en zyn laatfte arbeid 
was een lied van 's Heilands lyden, waarby hy ene byzon- 
dere vreugde over deze woorden toonde : 

Indien Hy my verfcheene. 

Zo kende ik Hem gewis. 
Die been van mynen beene, 

Myn Heer en myn God is. 




Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. 157 



ir 



S-8. 



Tans keren wy naar Nieuw-Herrnhut terug ^ alwaar dè 
verkondiging van \ Evangelie zo wel in de byzondere als 
openbare vergaderingen met geeft en genade voortgezet 
werdt. Ook kwamen 'er van tyd tot tyd heidenen van ver- 
re- en naby- liggende plaatfen ten bezoek. Vooral had men 
'er in den zomer vele Zuidlanderen , die hunne vrienden 
bezosten. Zommigen dezer lieden waren nog ganfch 
wild en woeft , en begeerden niets van God te horen ; 
zommisen fchenen niet ten enemaal ongevoelig te zyn, 
zoeten zig egter zorgvuldig te wagten^ en verboden 
de hunnen het Evangelie te horen , ten einde dezelven 
zifT ook niet mogten gedrongen vinden , om zig gevangen 
te geven; want zy hadden (naar ze zeiden) reeds vele 
voorbeelden gezien , dat lieden, vooral jonge menfchen , 
die het woord van den gekruiften Jefus en deszelfs dood 
fleets een en andermaal met aandagt gehoord hadden, daar- 
door ingenomen en, als 't ware, betoverd O waren gewor- 
den dat ze in 't vervolg gene ruft gehad hadden , tot dat 
zy, 'dikwerf tot verdriet der nabeftaanden, zig ook by de 
gelovigen met 'er woon begeven hadden, 

Dus was het ook met de heidenen , die in de nabyheid 
woonden r, gefteld, met dit onderfcheid nogtans , dat van 
dezen velen door de ftemme van 't Evangelie zo dikwils 
'reeds getroffen doèh weer in llaap geraakt waren, of zig 
door den wille des vleefches en der gedachten (want de 
Groenlanders kunnen de reden ook misbruiken) dermaten 
tegen dezelve aangekant en verhard hadden, dat 'er zonder 
ene nieuwe opwekking en ontrufting van 't geweten , voor 
dien tvd, niet veel by hen te doen ofte hopen was. On- 

der- 

(*) Wanneer men onder de befchaafde en verlichte volkeren 
velen vindt, die, 't geen ze niet verdragen maar ook niet ontken- 
nen kunnen, tegen alle hunne andere .grondbeginfelen , aan ene 
xekere geheime toverkonft of Magie toefchryven , dan behoeft 
men zig in der daad niet zeer te verwonderen , dat de ongelovi- 
ge Groenlanders , 't geen Paulus de kragt Gods en de wpbeid 
Gods , of de wisheid Gods beftaande in verhr^enheid ^ noemt , mei 
hunne geliefde Tovery vergelyken. 



fë 



i58 



Groenlandfche Hiflorle 



IX. B. 



dertuffchen vondt men doch altoos zommigen, die een ver- 
langen naar den Heiland toonden, maar zig van de hunnen 
20 ligtelyk niet los maken konden, en dus ene bekwamere 
gelegenheid afwagten moeften. 

De Diaken, die met de Groenlandfche Gemeente op de 
haring-vangft gevaren was , had vooral en dikwils opletten- 
de toehoorders uit de vremden , welke met hem op één 
land flonden , en tuffchen dartig en veertig huisgezinnen 
uitmaakten. By zulke lieden vonden onze Groenlanders , 
wanneer zy de heidenen bezogten , goeden ingang , en 
werden dikwerfverzogt, het woord des iQWtns inderzelver 
huizen te verkondigen , waartoe ze dan ook zeer bereid 
waren , te meer daar zy befpeurden , dat hun eenvoudig 
getuigenis niet zonder zegen was, zo dat vele zielen, ja 
talryke huisgezinnen, bewogen werden , van woonplaatfe 
te veranderen , en zulks dikmaals met verlochening van 
uitwendige voordelen , om te beter voor hunne zielen te 
kunnen zorgen. 

$. 9- 

Wie nu eens het befluit nam , om by de gelovigen te 
wonen, die was ook genoegfaara tot de gehoorfaamheid 
éts geioofs gewonnen ; terwyl de voorbeelden van lieden , 
die 'er weer van daan trokken, gedurig zeldfamer werden : 
want zy hadden dikwils de zaak reeds vele jaren overwo- 
gen, en het befluit, om flegts zo naby te komen, was, zo 
niet by allen, immers by de meeden, een uitwerkfel der 
genade door het woord van 's Heilands lyden. Dit kon 
ook in hunne onbefchaafde zielen en duiflere harten te be- 
ter werken, hoe verder ze van het gewoel der heidenen 
af raakten , en in den ommegang met hunne gelovige 
landsgenoten tyd en gelegenheid verkregen , om uit den 
droom te ontwaken , en hun gemis gevoelig in hunne har- 
ten te bezeffen. 

Dus waren 'er in dit jaar twe en twintig zielen uit de 
heidenen naar Niemv-Herrnhut gekomen , die hope gaven , 
een loon van 's Heilands dood en lyden te worden. De 
Gemeente was uit derzelver Inwoneren met drie en dar- 
tig zielen (onder welke veertien kinderen waren) door 
den H. Doop vermeerderd. Twe en dartig perfonen wa- 
ren tot het H. Avondmaal toegelaten ; fes nieuwe paar 

egte- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. ijp 

cgte - lieden getrouwd , en vier paar gelovig gewordene 
heidenen ontvingen den kerlvelyken zegen tot derzelver 
cgte-ftaat. 

Om van den inwendigen gang der genade , die de Ge- 
meente in dit jaar genoot , een denkbeeld te geven, zal ik 
flegts een uittrekfel mede delen van 't geen in het dag-ver- 
haal , nopens het fpreken met de Avondmaals-leden , aan- 
getekend v^ordt, „ Den aóften January werden ettelyke 
Broeders en Zufters tot het H. Avondmaal gefproken. Zy 
waren ditmaal ganfch byzonder openhartig, erkenden zel- 
ve en zeiden tevens wat hen nog ontbrak, en verlangden in 
ene nauwere geraeenfchap en vereniging met den Heiland 
te komen. De mede -arbeiders berigtten ons, dat een 
paar egte-lieden ongemeen verblyd waren , dat hun Zoon 
tot het H, Avondmaal zou beveiligd worden. Het zelve < 
werdt ons ook van nog ettelyke tot onze grote vreugde 
berigt. Deze reis hadden wy fes Broeders en Zufters te 

beveiligen. Den sollen werdt in de Conferentie 

der mede-arbeideren aangename berigten gegeven van de 
laatll beveiligden , hoe namelyk zig dezelven met tranen 
geuit hadden nopens de grote genade , van welke ze eer- 
lang deelgenoten Honden te worden. Velen , die we nog . 
niet ter beveiliging hadden kunnen aannemen, hadden hun- 
nen fmart daarover wemoediglyk ,te kennen gegeven, en 
het geluk der anderen zeer hoog gefchat. Dit llrekt ons 
tot een nieuw bewys van de byzondere werking des H. 
Ceelles in de harten der gedoopten. '* 

„ In deze dagen (dus wordt 'er onder den 24llen' Fe- 
bruary gefproken) vonden wy lloffe tot dankerkentenis 
jegens den Heiland voor deszelfs noit volprezene genade , 
die we zonderling onder het fpreken met de Avondmaals- 
leden befpeurden, terwyl ze opregt, en zeer gevoelig over 
hunne armoede en gebreken waren , en dus in een teder 
en innig verlangen naar genade Honden. 'Er waren egter 
ook zommigen , die zig de liefderyke en moederlyke lei- 
ding des H. Ceelles niet regt te nut hadden gemaakj:, en, 
daardoor van 't fpoor afgeraakt zynde , waren ze 'er van 
harten benauwd over. " : — 

„ Den <27llen werden onsjvele aangename berigten gege- 
ven van den zegen des laatllen Avondmaals. Ettelyken , die 
het zelve voor 't eerde maal genoten hadden , als mede de 
laatft beveiligden, haddenden volgende nagt van vreugde 

* ei3 



1 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



en zaligheid hunner harten nauwelyks kunnen flapen, en 
z\g by de overigen nopens de genotene genade op ene 
zeer aangename wyze verklaard. By zommigen , die 'er 
zeer naar verlangen, en 'er deze reis niet hebben kunnen 
. toegelaten worden , heeft zulks ook enen flapelozen nagt 
en vele tranen veroorzaakt. ^' 



§. 10. 



Ten aanzien van het uitwendige hadden de Groenlan- 
ders een voor hunne koftwinning zeer voordeelig jaar , al- 
zo 'er, naar deze lugtftreek te rekenen, genoegfaani geen 
winter was. In January viel 'er meer regen dan fneuw , 
ook was het by 't toenemen van fneuwagtig weder zelden 
regt koud. Daarentegen viel 'er tegen het voorjaar zoveel 
fneuw, die tevens zo lang bleef liggen, dat men nog te- 
gen het einde van May de zogenaamde Schaaren of fneuw- 
fchoenen dragen moed. De Groenlanders konden, den 
ganfchen tyd door, in zee komen, en waren in hunne koft- 
winning zo gezegend, dat zig flegts weinigen verpligt von- 
den, het land eer, dan by de haring- vangft , (want dan 
moeten ze allen vertrekken ) te verlaten. 

Hoe het by dit afzyn der Groenlandfche Gemeente 
('t welk gewonelyk een maand duurt) gaat, daarvan heb 
ik in de laatfte jaren gene melding meer gemaakt , om dat 
de Verigten daarvan wel zeer aangenaam zyn, maar zelden 
iet 'nieuws behelzen. Ik kan egter deze reis niet nalaten 
een kort uittrekfel mede te delen uit ene redenvoering,die 
een der Groenlandfche mede-arbeideren deedt , en in wel- 
ke hy onder anderen zeide : „ De genade , die de Heiland 
aan ons bewyft, is onbefchryvelyk. Hy is alle dagen, ja 
alle uren in 't midden van ons. 't Is waar, wy kunnen 
hem met onze lighamelyke ogen niet zien , maar ons hart 
kan hem gevoelen, indien wy hem maar regt lief hebben 
en aan hem hangen.. Gelyk gy tans de Angmarfet rondom 
de rotfen ziet wemelen, en, hoe dik wils ze ook immer 
weg gedreven worden , egter ten eerften in grote me- 
nigte weer byeen komen , en moeite doen , om aan de rot- 
fen te naderen ; zo moeten wy ook aan 's Heilands lig- 
haam kleven ^^^n ons door niets van hem laten weg dry- 
•^ ven. 



Gerch. van Nieuw-Herrnhut lysg. %St 

ven. Zyn bfoed heeft immers kragts genoeg, om ons onaf- 
fcheidelyk by hem te bewaren. " 

Het Hep ook t' éneinaal zonder enige fchade en ongeluk 
af; en (*t geen in Groenland iet zeldfaams is) in dit jaar 
verloor ook niemand zyn leven in het water. 



§. II. 

Van de twaalf ontflapenen waren de volgende wegeü^ 
enige byzondere omllandigheden de aanmerkelykllen. 

ï.) 3faria Barbara kwam in 't jaar 1751 als een meisje 
van twaalf jaren met hare ouders herwaards, werdt bin- 
nen kort door den Heiland kragtdadig opgewekt , en het 
Volgende voorjaar in tegenwoordigheid en met goedkeu- 
ring van hare ouders gedoopt. Dan de laatften naderhand 
van gedagten veranderende en naar \ zuiden varende , 
deden wat ze konden, om d&ze hunne dogter, hetzy doof 
lift of door geweld mede te nemeiL Doch dewyl zy daar- 
toe niet te bewegen was, en met vele tranen onzebefcher- 
ming verzogt, moeften de ouders zonder haar vertrekken, 
en onze zalige Zufter bevondt zig hier by hare bioedvei- 
wanten regt vergenoegd en geruS tot het jaar 1754 , wan- 
neer haar vader en oudftezuiter hier omftreeks weêrkwa- 
men, en haar zogten te ontvoeren : zy werdt egter van 
deze vrees haaft verloft , afëo beiden kort na derzelver 
aankomft ftierven. Ondertuflchen was "er nog een man uit 
haar maagfchap , die alle zyne kragten infpande , om ze 
weg te voeren. Doch ook deze moeft binnen kort den weg 
zyner vaderen volgen. Dus uit dit gevaar gered zynde ^ 
leefde zy by haar volk zeer vergenoegd. Voor een jaar 
brak ze een been, waardoor ze kreupel werdt, en nader- 
hand de tering kreeg. Zy droeg hare kwalen met veel 
geduld en ene gelovige verwagting van ene haaft naderen- 
de ontbindinge,die ook den 6den January , zynde hetFeeil: 
der heidenen , volgde , en haar in het ryk der volkomen 
genezenen deedt overgaan. 

i2. ) Stepbanus^ een getrouwd maH , die m\ jaar 1749 
met zyne vrouw herwaards kwam. Hy was anders een 
der minft befchaafde Groenlanderen, doch na deszelfe 
doop befpeurde men , dathy een eenvoudig ^ kinderlyk , en 
opregt hart jegens den Heiland en de Broeders had. Dit 
was ook de reden, dat het hem zeer wel ging, en dat hy 

///. Deel. L üiei 




102 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



I r 



I 



niet aan zo vele afwiflelingen , als verlcheidene anderen , 
onderhevig was. Daarenboven werdt hy ook in zyne uit- 
wendige houdingen manieren allengskens aangenamer, zo 
dat een ieder gaani met hem verkeerde. Zedert voorle- 
den jaar was hy een onzer trouwde en verftandigfte mede- 
arbeideren , kon egter in den laatften tyd niet veel meer 
uitvoeren, alzo hy aan de tering zukkelde. Het deedt hem 
dikwils zeer leed , dat hy niet meer in de vergaderingen 
komen kon, en hy verlangde uit dien hoofde ook zeer, 
om haaft ontbonden te zyn , 't geen op den jden No- 
vember met vele blymoedigheid gefchiedde. Zie hier 
een kort uittrekfel uit enen brief, dien hy in dit voorjaar 
fchreef: 

„ Ik ben arm , maar niet te min zalig en vergenoegd , 
want in myn hart heb ik den Heiland beftendig in gedag- 
tenifle. Niets dan zyn bloed en lyden verblydt myn hart 
en bewaardtmy voor het kwade: des ook niets voor myn 
hart beter is , dan wanneer hy my zyn vleefch te eten 
en zyn bloed te drinken geeft. Ik dank hem, dat hy my 
zynen zin gefchonken heeft, en bid hem , om my gedurig 
naby te zyn. '' 

5.) Johan Lodewyk , een kind van vier jaren , by 't 
we^lk nien altoos een week hart befpeurd had. In 't voor- 
leden najaar werdt hy door encnfchielyk opkomende ftorni 
op ene klip omgeflagen , waarby deszelfs ruggraat gebro- 
ken werdt 5 des hy niet meer gaan kon, en eindelyk za- 
men groeide. Toen hy ziek werdt, zeide hy tot zyne ou- 
ders : „ Ik wil henen gaan ; '^ en door zynen vader ge- 
vraagd wordende : waar dan heen? antwoordde hy: „naar 
het Lam. '' Hiervan fprak hy gedurig, en hoe hy'sHei- 
lands wonden kulTen zoude: toen hyniet meer fpreken kon, 
wees hy nog met den vinger naar de zyde en in de han- 
den , en gaf met een vriendelyk gelaat te kennen , hoc 
zeer hy zïg verblydde , het geluk te zullen hebben, om 

Haafl van naby te groeten 
Des Lams doorboorde voeten. 

4 ) Judith , eertyds IJfek genaamd , een zalig en in 
*s Heiland dood en lyden verliefd hart, en tevens de cerfte 
gezegende beftierdfler van het koor der ongetrouwde Zus- 
teren te Nieuw- Herrnbut. Zy was in 't 2uiden feftig my- 
len van hier geboren, en kwam in *t jaar 1742 in deze land- 

ftreek. 



jTffgriftiirnL 



■MHKRl 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1758. 16^ 

ftrcek. Zy was toen een regt mo^el van ene domme hei- 
dinne, en gaf, wanneer ze eens gevraagd werdt: of zy in 
hare ziel geen verlangen naar haren Schepper en Heiland 
gevoelde; tot antwoord: dat ze zulks niet verftondt ^ beb^ 
bende bare ziel in V zuiden gelaten. De zalige Sarah , die 
te Herrnbut in de Opper-Laufitz ontfliep , bragt het zo 
ver, dat zy deze hare eigene Zufter van de wilden by 
zig kreeg, en deedtal wat ze kon , om haar den Heiland 
aan te pryfen, en in hare ziel een verlangen naar hem te 
verwekken, waarin tt ook wel haaft Haagde. Onze zalige 
Judith had een eenvoudig hart, leerde haar ellende ken- 
nen en kreeg wel haaft als een onnozel kind een vertrou- 
wend hart tot den ongezienen Vriend van arme zondaren. 
Men vondt ze dikwerf in hare eenzaamheid met wenende 
ogen; en ze gaf haar verlangen naar den doop met tranen 
te kennen, die haar ook op den tweden Kers-dag in 't jaar 
174.2 toegediend werdt. Nadien tyd ging ze op het pad 
derXgenade zonder afwiffeling voort, begon ook het lezen 
te leren, en toen ze hierin niet wel flaagde, weende zy 
dikwerf over hare ongefchiktheid. In 't jaar 1747 reisde 
ze met hare zufter en zwager naar Duitfchland^ en werdt 
aldaar voor 't eerft tor het H. Avondmaal toegelaten. Zy 
werdt overal, waar ze kwam, van een ieder bemind , en 
maakte zig de genadens der Gemeente, zo veel zy 'er van 
verftaan en genieten kon, in de ftilte meer te nut, dan 
men 't van buiten zien kon. Wanneer ze in 't jaar 1749 ^^ 
rug kwam,befpeurden hare landsgenoten uit haar blymoe- 
dig gelaat en vergenoegden wandel ten eerflen,dat de Hei- 
land iet zonderlings aan haar gedaan had. Dewyl ze nu 
de fraije inrichting der Koren in de Gemeenten gezien 
had , zo verlangde ze zeer om ook met hare Groenland- 
fche Zufters in ene betere- orde te komen. Dienvolgens 
bouwden ze nog denzelven herfft een huis, en Judith 
hieldt ene goede orde en opzigt in het zelve. Ene harer 
voornaamfte zorgen was, hare Zufters altoos een geregeld 
en vergenoegd leven te doen leiden. Zy verblydde zig 
ongemeen , wanneer het wel ging, terwyl ze in de laat- 
fte jaren menigmaal bedroefd was over haar zwak ge- 
hoor , waardoor ze niet altoos horen kon , wat 'er ge- 
beurde. Zy zukkelde dikwils aan het bioedfpuwen, liet 
egter niet eer bemerken, dat ze hare ontbinding te ge- 
moed zag , dan in dit jaar , wanneer zy 'er dikwils met 
L % vele 



l54 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



£^V 



vele blymoedigheid van fprak. In de laatfte drie maanden 
kwam ze weinig uit het bed , was egter zeer vergenoegd^ 
vooral de twe laatfte reizen dat haar het Avondmaal op 
haar krand-bed gebragt werdt; en dus verwagte ze hare 
ontbinding met ene byzondere blymoedigheid , welke ver- 
wagting den 1 3den Oftober vervuld werdt onder ene op- 
wekkelyke Liturgie van hare omftaande Zufters. 

Van hare gemoedsgefteldheid zal ons het volgende uit- 
trekfel uit zommige van hare brieven het klaarde denkbeeld 
geven. 

,, Ik gevoele myne onbekwaamheid, maar ik wordt te- 
vens gewaar, dat de Heiland my lief heeft, en myn hart 
Kaar zynen wille toebereidt; des wil ik by myne armoe- 
de beftendig aan hem kleven. Had hy my niet gezogt 
en verkozen, ik zoude nog in de duifterniffe zyn. Wan- 
neer ik daaraan denk , zo wenen myne ogen. Geliefde 
Heiland, ik heb buiten U en uw bloed gene vreugde^ Dit 
maakt myn hart brandende. *' enz. 

„ Ik ellendige houde my als ene arme zondarefTe gedu^ 
rig aan den Heiland, en hy bewaardt myn hart door zyn 
bloed zo , dat het beftendig vergenoegd en zalig blyft. 
Ik weet, dat, by aldien hy zulks niet deedt , ik voor al- 
lerly kwaad vatbaar zyn zoude. Daarom is ook myn ver- 
langen , des Heilands lyden en liefde gedurig in myn hart 
te mogen gevoelen , want daarin is het grootfte genoegen 
en het leven. "^' enz. 

„ Wanneer ik daaraan denk, dat de Heiland ons door 
zyn bloed verloft heeft , dan dank ik hem van ganfchcr 
harte. En fchoon ik een arm en ellendig kind ben,hy fterkt 
egter myn zwak hart door zyn lighaam en bloed. — - De- 
zen winter ben ik naar het lighaam zeer zwak geweeft , 
en heb dikwils aan het bloed-fpuwen gezukkeld. Daarby 
heb ik gedagt : nu zal ik haaft tot den Heiland henen 
gaan ; en heb 'er my zeer op verblyd. Dan dewyl de Hei- 
land my, naar het lighaam, een weinig beter heeft laten 
worden, zo dank ik hem daar voor, en zal my intuflchen 
geheel en al tot zynen dienft overgeven. " enz. 

„ Dezen winter ben ik met myne Zufters zeer vergenoegd 
geweeft, en zy hebben den Heiland voor zyne genade in 
hare vergaderingen gedankt, en veel van zyn dood en ly- 
den gefproken. Ik verhaal haar lieden dikwerf, hoede Zus- 
ters m de Gemeenten aan de over- zy de der zee niets zoe- 
ken, 



Cefch. van Nieuw-Herrnhut 1758. 



165 



ken, dan den Heiland welbehagelyk te zyn en hem te le- 
ven. Daarby is dan onze wenfch: Ach dat ook wy hem zo 
liefhadden! Van de nieuw aangekomenen zyn verfcheide- 
ne gedoopt, en wy hebben tien in ons huis aangenomen , 
over welken ik my zeer vcrblyde. " enz. 

„ Alle myne Zufters groeten U; en fchoon ze U niet 
kennen, zy denken egter dik wils om U, en fchamen zig, 
dat ze nog zo flegt zyn^ hebben egter een hart, dat aan 
den Heiland kleeft, en vertrouwt, dat hy ze hoe langer 
hoe meer zodanig maken zal, dat ze hem aangenaam ea 
welbehagelyk worden. In onze vergaderingen befpeurea 
wy zyne tegenwoordigheid. Ik word doormynen ge- 
liefden Heiland als een armen- zwak kind geleid, en de H. 
Geeft laat my deszelfs verzorging en beftiering genieten. 
Hierover fta ik dikwils verbaaft, maar ben tevens zeer ver- 
genoegd. '* enz. 

Twe dagen voor haar einde liet ze aan ene Zufter in 
Europa , die zy zeer lief had gehad , den volgenden brief , 
welken zt van woord tot woord voorzeide, fchryven. 

„ Myne lieve J, C. tans zend ik U den laatften kus van 
myn hart. Myn lighaara wordt door de ziekte reeds zeer 
verzwakt en afgemat : doch daarby denk ik beftendig 
aan het lyden van mynen Heiland, en verblyde my zeer 
op het zalig tydftip, wanneer hy my tot zig zal roepen, 
en dat ik nu haaft zyne wonden met myne ogen zien 
zal , om dat ik ook ene door zyn dierbaar bloed verlos- 
te ben. Schoon ik nog wel ene kleine wyl by myne 
Zufters had willen blyven , ik geef het nogtans t' ene- 
maal aan den Heiland over; terwyl het grootrte verlan- 
gen en neiging van myn hart is , by hem te zyn, Myne 
ogen wenen , wanneer ik mj^ de byzondere genade des 
Heilands te binnen breng, die ik in zyne Gemeente hier 
op aarde genoten heb. Ik heb hem lief, en zal hem on» 
ophoudelyk lief hebben. Ik groet nog alle Zufters, die 
by U zyn. Tans ben ik reeds te mat , en kan niet verder* 
Uw^ lieve Jnétb. 



L3 



HET 



i66 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



I 






HET ZEVEN EN TWINTIGSTE JAAR 

17 5 9- 
INHOUD. 

I. VAN NIEUW-HERRNHUT. 

.§. I. Feehuldig bezoek van * vremde Groenlanderen , dïe ten 
dele gevoelig getroffen voorden , tervo'^l zig egter de 
meeflen door wellufi of vreze van V geloof laten terug 
houden. 

§. 2. Door de Predtkinge en bet bezoeken der Groenlandfche 
mede-arhelderen worden vyf en twintig heidenen her^ 
waar ds getrokken. 

S, 3. Foarbeelden van de betoningen der genade onder de 
gedoopten , en aan jonge lieden , vooral ten aanzien 
van openhartigheid. 

§• 4. Alt mede onder de Avondmaah - leden ^ ook ten aan* 
zien der Kerkelyke-tugt , en veler droevige gebeurte- 
nijfen. 

§. 5. De Miffionaris Bek komt met enen nieuwen mede- 
arbeider uit Duitfchland terug. Vrindelyk affcbeid 
van den tot hiertoe gewezen Deenfchen Miffionaris. 

§. 6. Veertig worden gedoopt^ en tien gaan uit den tyd. 

II. VAN LICHTENFELS. 

5. 7. Het Evangelie wordt den heidenen verkondigd^ waar* 
hy de nodige voorzigtigbeid gebruikt wordt, 

%.J,. De bewegingen , welke onder de bekende heidenen 
reeds vele jaren geduurd hebben , komen nog tot ge- 
ne 



s- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1759. 167 

tie wezendl^ke kragt , zo dat de vremden ben voor- 
gaan, 

9. Terwyl zig van buiten nog wet n tg bope van vermeer* 
dering opdoet -^ nemen de leden der Gemeente in de ge* 
fiade en kennijfe toe , vooral by 't lezen der H. Scbrift 
en by V ontvangen van nieuwe liederen* 



§• 10. Ferfcbcidene bewaringen in levens gevaren. 
%. I. 

IN dit jaar deedt 'er zig weer ene goede gelegenheid op, 
om den nog t' enemaal wilde heidenen het Evangelie te 
verkondigen , alzo vele Zuidlanders , ten dele naar het 
Noorden ten dele van daar weer terug, hier voorby kwa- 
men , en by die gelegenheid hunne vrienden en landsge- 
noten te Niemv'Herrnbut bezogten. Van het einde der 
maand Juny tot het begin van Auguftus was men genoeg- 
faam geen dag zonder bezoek van deze lieden. Schoon na 
hun hart nog t' enemaal verduifterd,en hun zin op wat an- 
ders gefteld was , zo dat ze ook in hunnen ommegang 
lomp, woed en onruttig waren ; 'er kwamen egter gedu- 
rig zommigen van hen mede onder de predikinge van het 
Evangelie: en fchoon de wilde Groenlanders weinig van 
een voorftel, gedaan aan ene gelovige vergadering, begry- 
pen konden, dewyl ze egter horen wilden, zo bleek daar- 
uit, dat zy tegen de waarheid niet vooringenomen en vy- 
andig waren , ja by velen befpeurde men , dat flegts het 
zien en horen van enen redelyken Godsdienft enen indruk 
op hun gemoed maakte, dien zy zelven nog niet verfton- 
den. De ommegang met hunne gelovige landsgenoten , 
die ernftig en vlytig met hen fpraken , was ook niet te 
vergeefs , ten minften was dezelve een middel, dat zy ene 
nadere verklaring kregen van 't geen ze onder het predi- 
ken niet regt begrepen hadden. Hiervan wordt ergens 
dusgefproken: „ Na de predikatie bezogten ons ettelyke 
Zuidlanders , die onder het gehoor zeer oplettende ge- 
weeft waren. Wy vroegen hen, of ze ook voorheen van 
den Heiland gehoord hadden? De een zeide : " Neen, 
doch van enen , dien men God noemt , hebben we ge- 
hoord. " Toen wy hen daarop de verzoening des Hei- 

L 4 landvS 




i68 



Groenlandfche Pliflorle 



IX. B. 



!M1 



i 



lands aanpryfen wüden, zeide hy tot een der Groenland- 
fche mede arbeideren , die 'er tegenwoordig was : „ Gy 
jnoetniet onsfpreken, onze oren zvn niet in ftaat om de 
Europeanen te verdaan. " Dit kwam onzen Groenland- 
fchen Broeder rcgt van pas, en hy getuigde van dm ge- 
nen, diezig voor hunne zonden aan den dood overgege- 
ven had, d'rmaten, dat het ene vreugde was, omhetaan 
te horen. Dikwerf herhaalde hy deze betuiging: „ Eer- 
tyds was ik even zo dood en dom , als gy heden tans zyt : 
dan wanneer ik van deze myne leraars hoorde, dat 'er een 
Heibnd is, die de zah'gheid voor arme ellendige menfchen 
verworven heeft , zo verblyddé ik ray daar over , ik bad 
tot hem, en hy gaf my een geopend hart en .oren , om te 
horen en te verflaan. Tans kunt gy lieden wel zien, dat 
ik vergenoegd ben, en ik wenfch niets meer dan dat gy. 
lieden U ook zo zalig liet maken. " De Heiland gaf ze- 
gen over dit getuigenis, zo dat velen van de wilden, on- 
danks hun wil, dikwerf zugten moeften. Onder anderen 
bevonden zig hier ook de Broeders van de Kerfiina\ van 
welke onder he.t jaar 1750. §. 9. gefproken is , en die zy 
eertyds van de zendinge in 't Noorden met geweld ont- 
voerd hadden , doch tans waren ze t' enemaal vreed- 
zaam. 

Op ene andere plaats zegt men : „ Met ettelyke Zuid- 
landeren werJt veel van den Heiland gefproken. Zeker 
jongehng werdt dermaten aangedaan, dat hy trilde en beef 
de, zeggende : „ Ik wilde my wel gaarn geheel en al aan 
den Heiland overgeven, maar de mynen houden my 'er 
nog gedurig van terug. " De meerten luifteren met vele 
oplettenhcid , wanneer wy hen den dood des Heren ver- 
kondigen , en komen ook in de openbare vroeg- en avond- 
vergaderingen. Dan wanneer men ze vraagt , of zy niet 
een winter hier. of hier omftreeks, wonen en ons bezoeken 
xvillen?dan hebben ze allerly verontfchuldigingen , by 
voorbeeld: dat hier niet zo vele Rendieren zyn als in 't 
Zuiden ; dac ze tans in langen tyd geen Rendier gegeren 
hadden, terwyl ze nogtans het verlangen naar die fpys niet 
overwinnen konden; dat ze, zig daarvan verzadigd liebbert- 
de, wilden wederom komen, en meer van hunnen Schepper 
horen. Pe meeden egter zyn in vreze gebragt door een ge- 
rugt,'tgccn een Groenlander uit de bi>gt van lyisko, die 
n:et een VVaK'ilch-vanger naar Amfierdam gereift en dit jaar 
terug gekomen is , uitgeftroid heeft : dat naraelyk 'm het 

aau' 



Gefch- van Nieuw-Herrnhut. 1759. 16^ 

aanftaande voorjaar vele fchepen herwaards komen zullen, 
ten einde alle Europeanen en de Groenlanderen , die by 
dezelven zouden gevonden worden , te vermoorden ; zo 
dat alle Groenlanders , die hun leven redden wilden, naar 
't Zuiden vlugten moeten. Dit onnozel gerugt heeft vele 
heidenen uit de buurfchap der Zendingen weg gedreven , 
zodat meer dan twintig boten Zuidlanders, die hier om- 
ftreeks gekomen waren , ten eerten terug voeren ; ook zyn 
genoeglaam allen v^n Kangek vertrokken. Niettemin ble- 
ven te Nieuw-Herrnhut van deze voorby trekkende liedea 
Vier perfonen» 



2* 



Voor het vertrek der heidenen uit deze buurt , kwamen 
van tyd tot tyd verfcheidene tot een bezoek , v/elken het 
woord des levens op nieuws aan 't hart gelegd werdt, 
't geen altoos by zoramigen , fchoon dikwerf niet dan na 
enen geruimen tyd , van vrugt was. Onze Groenlandfcbe 
mede-arbeiders werden dikwils, wanneer ze, uit hoofde 
van uitwendige verrichtingen, by deze lieden overnagtm 
moeten, verzogt, om hen iets te zeggen. Hiervan worJt 
in *t dag-verhaal op verfcheidene plaatfen het volgende ge- 
zegt : „ De Broeders, die in deze dagen te Kangek op de 
^//^f/2-vangft geweeft zyn, bragten ons vele aangename be- 
'rigten van de inwoners dier plaats: zy hadden aldaar ver- 
fcheidene begerige toehoorders gevonden, die hen ver- 
zogt hadden , te bidden en te zingen , des zy den dood 
des Heren met vrymoedigheid hunner harten verkondigd 
hadden. " — Onze mede-arbeider /)^;;/^/ heeft in de- 
ze dagen den Heiland op nieuws in de Kookomen verkon- 
digd. Hy was over een zeker huisgezin byzonder ver- 
blyd , vooral over de lieve kinderen , die deze lieden heb- 
ben , en die gaarn by ons wilden wezen. Ettelyke weken 
daarna vondt hy de vrouw van 't huis zeer aangedaan. Zy 
betuigde haar verlangen naar den doop met vele tranen ; 
maar haar man is nog van ganfch andere gedagten. Daar- 
enboven is -er nog een man in dat huis , die zyne vy- 
andfchap tegen de Broeders en hunne leer by elke gele- 
genheid toont 9 en de anderen daarvan terug zoekt te 
houden. " 
Twe van onze Groenlanderen , die door den Koopman 
L 5 niet 



170 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



hi 



met brieven naar de Fifcher-Fiorde en Friedrichsbaab ge- 
zonden waren, hadden op hunne reis gelegenheid gevon- 
den , den dood des Heren op verfcheidene plaatfen te ver- 
kondigen, en de wilden zelven hadden zulks de meeftety- 
den van hen verzogt. 

Een onzer Groenlanderen, die uit de Fiorde te huis 
kwam, verhaalde, dat Per fok ^ een heiden, die reeds een 
geruimen tyd met ons bekend is ge weeft, byna den gan- 
fchen nagtniet hem gefproken , en onder anderen gezegt 
had: dat hy tans zo begerig zy, om wat goeds te horen , 
als de zee-vogelen naar de kleine vilTchen , die ze van 
graagte geheel inzwelgen , maar dat zyne gedagten des 
niettegenftaande voor als nog verdeeld waren. Dan het 
duurde nauwelyks drie weken, of de goede gedagten kre- 
gen de overhand, en hy kwam met zyn gehele huisgezin 
by de Broeders met 'er woon. 

De gefprekken, die nu de een dan de andere met de 
weinige heidenen , welke hier omftreeks gebleven waren , 
gehouden had, hadden evenwel zo veel uitgewerkt, dat 
het getal der Inwoneren tegen het einde van 't jaar met 
vyf en twintig perfonen vermeerderd was , waarvan ook 
reeds tien, by welken men een by zonder werk der ge- 
nade belpeur4 had, tot den doop aangenomen waren. 

§.3. 

In hope , dat het velen niet onaangenaam zal zyn , zal 
ik voortgaan met enige plaatfen , die my onder het lezen 
der dag- verhalen aanmerkenswaardig tocgefchenen hebben , 
en uit welken de inwendige gang der Gemeente kennelyk 
wordt , over te fchryven. 

. Nopens de Ongedoopten zegt men: „ Den 3den Februa- 
ry' hadden wy een en twintig ongedoopten byeen doen 
komen, met welken wy eenvoudig en hartelyk fpraken. 
Wanneer wy ze naar den toeftand van hun hart en naar 
hun gevoelen van den Heiland vragen , dan zyn ze ten 
eerften met hun antwoord gereed, en zeggen zeer gulhar- 
tig en opregt, 't geen zig aan hunne harten kragtdadig be- 
wezen heeft , en wat hen in tegendeel nog vremd en on- 
bekend is. " In ene Cdnferemie met de mede-ar- 
beiders werdt veel van onze nieuwfte Inwoneren verhaald. 
De bovengemelde Per fok had gezegt, dat hy opdeharing- 

vangft 




mm 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut* 1 759. 171 

vansfl: bv de gedoopten zyndc , mede had ftaan te luifte- 
ren; wanneer zy de Litany gebeden hadden , by welke 
gelegenheid de woorden : Uive zware Ziele-Jtryd en bloedig 
zweet, trooft ons lieve Heer en God! Zulk enen diepen in- 
druk in zyn hart gemaakt hadden, dat hy zedert dien tyd 
'er dikwerf van drome, en menigmaal naar dien trooft 
met zulke verlegenheid verlange, dat hy met flapen kon. 
Zyne vrouw is insgelyks zeer verlangende naar den doop. 
Beiden komen zedert enigen tyd dikwils om te horen, ot 
de tyd niet haaft zal gekomen zyn, dat ze deelgenoten 
kunnen worden van den doop, tenminften voor eerft van 
de aanneminge tot denzelven, en zy betuigen , dat hunne 
kinderen 'er ook dikmaals van fpreken. " 

By gelegenheid dat alle Inwoners in den herfll: naar ge- 
woonte gefproken werden, wordt 'er van de jongelingen, 
groten en kleinen, dus gefproken : „ Zy waren openhar^- 
tig, week enbefchaamd, en de meeften hadden een vt^r- 
biyd hart over de bewaring, die ze in 's Heilands wonden 
genoten hadden, 't Geen gedurende den zomer by den t<in 
ofander voorgevallen was, bekenden ze met opregtheiden 
vele zondaars- tranen. Een derzelven zeide: dat hy reeds 
voor enigen tyd den Heiland had gebeden, dat dezelve 
hem zyne afwykingen vergeven , en op nieuws door zym 
bloed waffchen wilde, dat de Heiland hem ook zyne na-' 
byheid weer had laten gevoelen , doch dat zyn hart tot 
nog toe niet regt ruim en getrooft geweeft zy, om dat hy 
zyne afwykingniet bekend had. Dan zulks tans gefchied 
zynde, was hy zo ruim, als of hy enen zvvaren laft afge- 
legd had, en hy geloofde, dat hy nu weer regt wel te 
yrede zyn zoude. Wy hadden deze reis gelegenheid , de 
byzondere en , om zo te fpreken , de moederlyke genade- 
werking des H. Geeftes aan hen waar te nemen, en von- 
den, dat ze de gedurige nabyheid éts Heilands m zy- 
ne Kruis-geftal te hoe langer hoe minder miffen kunnen." 

De Groenlanders zyn van natuur zeer agterhoudende , 
des men zelfs in uitwendige zaken vele moeite heeft , om 
hunne gedagten te ontdekken , die men dikwils meer uit 
hunne gebaarden, dan uit hunne korte antwoorden moet 
opmaken. Uit dien hoofde moet de gave der openhartig- 
heid in 't erkennen en bekennen van de eigene flegte ge- 
fteldheid, die de eigenliefde van elk Adaras-kind , uit 
welken volke het ook immer zy , zo gaarn zoekt te verber- 
gen ^ 




17« 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



i r 



gen , te hoger by deze nieuwelingen gefchat worden , voorh- 
al daar men dezelve ook by de kinderen befpeurt. Hier- 
van wordt 'er ergens gezegt ; ,, Wy fprakenook dejongs- 
kens , die tufTchen vier en twaalf jaren oud zyn , en von- 
den , dat 'er onder dezelve vele lieve kinderen zyn, die 
ene tedere liefde tot het Lam en deszelfs wonden liebben , 
en, benevens een levendig en blymoedig gelaat, ook een 
goed verftand en de gave bezitten , om zig wel uit te druk- 
ken. Een derzelver , fes jaren oud zynde, zeide: " Ik 
wil \ openhartig zeggen , dat ik het menigmaal liegt maak. 
Door den een ot ander getergd wordende, fpreek ik hardQ 
woorden tegen hem ; èn by aldien hy my dan nog blyft 
tergen, wordt ik kwaad, en betaal hem met dezelve munt, 
Daarby heeft het myn hart niet wel, maar wordt nog har- 
der; wend ik my in tegendeel tot den Heiland en bid hem, 
dat hy myn hart door zyn bloed regt week gelieve te ma- 
ken , zo wordt ik weer wel te vrede. '^ 

Hierby wordt ook aangemerkt , dat men een zeer mer- 
kelyk onderfcheid befpeurd tuffchen de jonge Groenlande- 
ren , die te Nieuzv-Herrnhut geboren , in Jiunne kindsheid 
gedoopt en ter fchool gehouden worden , en dezulken, 
die 'er reeds enigzins bejaard uit de Heidenen byko- 
men. . 



Van de Avondmaals-leden wordt 'er onder anderen dus 
gefproken: „ Deze reis waren hunne harten zeer week en 
gefmolten. '* Zommigen zeiden met vele tranen : „ Ach 
tans begin ik eerft m^ne armoede en ellende regt te gevoe- 
len. Hoc meer ik met den Heiland bekend 

worde, hoe beter leer ik myn hart kennen. Ik 

fchaam my, dat ik nog zo flegtben, tervvyl de Heiland 
zo goed jegens my is. " Anderen verklaarden zig dus : 
„ Ik heb reeds lang een hartelyk verlangen gevoeld , ora 
weer met het lighaam en het bloed des Heilands gefpyfigd 
en gedrenkt te worden; hoe meer ik dat geniete, hoe gro,- 
ter wordt myn honger naar hem. '^ 

Op ene andere plaats wordt het volgende gezegt : „ By 
*tfpreken met de Avondmaals-leden werdt aangemerkt, dat 
de H. Geeft over 't geheel de harten op ene zeer gezegen- 
de 



i\ 



mmmm 



"^ 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut 1759. 173 

de en verblvdende wyze bewerkt , dat hy ze gedurig tot 
ene erondieere kennifle van huntie ellende brengt, en hen 
daardoor het zalig genot van 's Heilands verdenften , en 
den onafcebrokenen ommegang met hem , als den Man 
hunner zielen , die zo vele fmarten en den dood zelven 
voor hen geleden heeft, noodzakelyk maakt. Zommigen 
kon men het zaHg gevoel van 's Heilands nabyheid , en 
hunne vreugde in den Here , uit de ogen lezen. '^ -— 
Nog eens. ,, Dewyl we de Avondmaals-leden by t Ipre- 
ken byzonder openhartig, en, fchoon ze zig als zondaren 
s:evoelden, egter met een getrooft gemoed zeer verlan- 
gende vonden naar de Sacramentele genietmge van 's Hei- 
lands liffhaam en bloed, 't geen wy niet nalaten konden 
als een 'klaar en ongetwyfelt bewys van den onvermoeiden 
arbeid des alom tegenwoordigen leraars, zelfs ten tyde 
hunner verftroijinge onder de heidenen, aan te merken; 
£0 hadden wy deze reis ook de vreugde, dat zelfs met 
een der Avondmaals-leden behoefde terug te blyven. 
Doch by ene andere gelegenheid wordt gezegt r „ Wy 
moeden met velen zeer naukeurig handelen , zo dat zeve» 
perfonen wegens wangedrag en ene befpeurde hardigheid 
hunner harten van het Avondmaal uitgeüoten werden. '* 

Dit was gewonelyk van ene fchielyke en heiliame uit^ 
werking, gelyk uit het verhaal bleek, 't geen onze mede« 
arbeidfter by*de weduwen deedt, wanneer ze berigtte, dat 
ze, met ettelyke van hare Zufters uitgevarefï zynde om 
blauwe-bezien te plukken, ene van dezelven vermift had, 
die zy, na dezelve lang gezogt te hebben, agter ene rots 
op haar aangezicht had vinden liggen , biddende en we- 
nende. Dat dezelve , gevraagt zynde wat hiervan de re- 
den zy, geantwoord had : „ Ik ben van het laatfte Avond- 
maal uitgefloten geweeft, en tans ben ik zeer bevreeft,dat 
ik van het aanftaande Avondmaal ook zal moeten terug 
blvven ; tervvyl ik het egter niét gaarn langer zoude wil- 
len miffen. Dit is 't geen, waarom ik den Heiland gebeden 
heb " Hy heeft haar gebed ook verhoord, en haar het 
naderen tot zyn heilig llghaam niet langer geweigerd. 

By ene andere gelegenheid wordt het volgende gezegt : 

Wy hadden heden ene zonderlinge Cö??/^r.?;i/7Vm.et de me- 
de-arbeiders , gemerkt 'er vele zeer aangename en verblyden- 
de maar tevens ook enige drukkende en fmartelyke zaken 
voorkwamen. Dankerkentenis en buiginge voor den Be- 
re. vreugde en fmart, waren met elkander gepaard- Daarna 

5 - ö fpra- 





17+ 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



l l\ 



fpraken wy met ene vrouw, in tegenwoordigheid van haar 
man, over haren tc^enwoordigen toeftand , en vermaanden 
haar , dat ze den Heiland haar hart niet langer weigeren , 
maar het zelve toch eens vooral geheel aan hem overgeven 
zoude , ten einde een geregeld en vergenoegd leven te kun- 
nen leiden. In den beginne was ze vry hard en ongevoe- 
lig , doch op het laatd borft ze in een vloed van tranen 
uit , en beloofde, zig aan den Heiland op nieuws over te 

geven. Ene wyl daarna kwam ze des ogtends zeer 

vroeg by eneZufter, Ichreide bitterlyk over haare ellen- 
de, en zeide, dat ze den ganfchen nagt niet had kunnen 
flapen, terwyl ze tans eerft regt gevoelde, in welken on- 
zahgen toeftand zy zig bevinde, doch dat ze van nu af 
aan niet ruften zoude , tot dat de Heiland haar een bege- 
nadigd en gehoorzaam hart zoude gefchonken hebben. 

Van het gezelfchap der mede-arbeideren wordt 'er ge- 
zegt :^ „^ Heden befpeurden wy de nabyheid van den Hei- 
land in 't midden van ons op ene zeer gevoelige wyze, 
waardoor ons hart met een diepen eerbied vervuld en , als 
't ware, in 't ftof neder gebogen werdt. De mede-arbeiders 
waren zeer vergenoegd. In dit gezelfchap hebben we et- 
telyken , die ene zonderhnge eerwaardigheid en uitmun- 
tende gaven bezitten, waarvoor wy den Heiland zeer te 
danken hebben. Het befte ten dezen opzigte is , dat de/e 
lieden de gaven, die hen de Heiland, ten nutte van hun 
volk, gefchonken heeft, by zig zelven niet gewaar wor- 
den. " By ene andere gelegenheid zegt men : „ De ove- 
rige ftoffen waren niet zeer aangenaam,- wy verblydden 
ons egter over de getrouwheid onzer mede-arbeideren , die 
ons van alles, dat tot onteeringe van 's Heilands naam, by 
aldien men 't niet ten eerften afkeerde zou kunnen ftrek- 
ken, ter regtertyd verwittigen. " 



m 



M' 



In dit jaar kwam ^oban Bek met zyne vrouw van een 
bezoek der Gemeenten in Duitfchland terug , en bragt 
een den Grocnlanderen zeer aangenaam gefchenk mede , te 
weten de vertaling ^jr Lydem-ge/cbkhe van onzen Here , 
volgens de overeenjiemming^ der vier Evangeïie-fcüryveren , 
als mede een Gezang-hoekje van oude en nieuwe liederen, 
diehy, beneveins de andere Broeders, van tyd tot tyd ver- 

taald 



Gefch. van Nieiiw-Herrnhut. 1759. i75 

taald had, en nu op nieuws had laten drukken. Met hem 
kwam ook een nieuw mede-aTbeider aan het werk der zen- 
dirge,die egter in 't byzonder voorde aankomende jonge- 
lingen gefchikt was. Zj^nnaamis Hendrik Hukel ^ en hy 
is uit Moravien geboortig. (*) Ter zei ver tyd kwamen 
Mattbam Stach tn Jens Haven van de nieuwe Gemeente 
inde Fifcher-Fiorde tot een bezoek, om met de overige 
Miffionariflen en in 't byzonder met Frederïk Böhnifcby 
die met deszelfs vrouw op een bezoek naar Duitfchland 
ftondt te vertrekken , nopens de omftandigheden en belan- 
gens der nieuwe Gemeente te fpreken. 

De Heer ^r«/y«, Deenfche Miffionaris, die in het jaar 
1752 op de volkplanting Godbaab gekomen was, was van 
voornemen, om benevens deszelfs huisgezin met 't zelve 
fchip terug te reizen. Zyn atfcheid was zeer vriendelyk 
en aandoenelyk, en hy verzogt de Broeders , met zynen 
opvolger op dezelve wyze te handelen , op welke men zig 
altoos jegens hem betoond had , 't geen men hem ook van 
harten beloofde. Dan op de naafte volkplanting Zukkertop 
gekomen zynde, werdt hy verwittigd, dat zyn opvolger, 
ditv^LïiDisko komen zoude , niet ftondt te komeji , weshal- 
ven hy zyn huisgezin alleen naar Kapenhagen liet vertrek- 
ken, en kwam zelve naar Godbaab terug. Het volgende 
jaar werdc hy door den Heer Gregerfen afgeloft , en 
naderhand tot Predikant te Slagelfe in Zskmd aange- 
fteld, 

§.6. 

De Gemeente was in dit jaar met veertig zielen door 
den H. Doop vermeerderd , onder dezen bevonden zig 
twaalf kinderen, het zoontjen van den Diaken Sorenfen 
mede gerekend. Daarentegen waren niet meer dan tien 
naar de eeuwigheid gegaan, onder welken twe op de zee 
in hunne Kajakken gebleven waren. Van de volgenden 
dient breedvoeriger gefproken te worden. 

ï.) Jg^^ 

(*) Om ene proef te maken met ene kleine aaiikweekiiige vtn 
vee , bragten ze drie Schapen van Kopenhagen mede. Deze proef 
is zeer wel geflaagt, en hen by het gedurig afnemem der Rendie^ 
ren , wel te ftade gekomen. 




I /6 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. E 



fe?: 



I.) JgJies ^ ene vrouw, kwam in 't jaar 1745 uit \wx 
Zuiden, toonde , zo dra zy het Ev^angelie hoorde , een 
verlangen naar den Heiland , werdt het volgende jaar ge- 
dcopt, en in 't jaar 1748 tot het H. Avondmaal toegela- 
ten. Zy is twemaal getrouwd en ene mede-arbeidfter 
onder hare kunne geweefi:. Hoe haar hart gefteld is ge- 
weeft, blykt uit den volgenden brief van 't jaar 1752. 

,, Ik kan my dagelyks verblyden , wetende dat ik een 
Heiland en nu niets meer te verlangen heb, zo lang ik 
hier op de aarde ben. Ach ! indien ik hem niet had en ge- 
voelde, ik z^ude als een dood menfch zyn. Wanneer ik 
het lighaam des Heren eet en zyn bloed drink, dan gevoel 
ik altoos een nieuw leven in my. Ook heb ik my zeer 
verblyd over het bezoek van onze leraars Matthdeus en 
Johannes^ en zal ze noit vergeten: maar mynen Heiland 
zal ik my vooral gedurig voordellen. Wy weten , dat wy 
zonder liem niet zouden kunnen zalig zyn.. ik weet, dat 
ik een naar het bloed desHeilands verlangend hart heb , 
en dat ik genen anderen Heiland ken, dan den gekruiften ; 
dezen heb ik lief, om dat hy my door zyn bloed verlofl: en 
uit de heidenen verkozen heeft. En dewyl hy my heelt 
lief gehad , zo wil ik hem ook van ganfcher harte lief 
hebben. '^ 

Voor drie jaren werdt ze beroerd, zo dat ze van wegens 
ene lamheid in de leden niet meer in de vergaderingen ko- 
men kon , en dus veel miffen moeft, 't geen haar zeer leed 
deedt; wanneer egterhet H. Avondmaal gehouden werdt, 
liet ze zig, zo dikwils als het maar mogelyk was , naar de 
zaal dragen, of 'er zig op eneflede naar toe trekken, om 
dat zy 't liever met de ganfche Gemeente , dan alleen in 
haar huis, genieten wilde. Voor het overige was zeondcr 
alle hare pynen zeer gedwldig, en het was ene byzondere 
vreugde, haar te zien en met haar te fpreken, vooral wan- 
neer men haar het H. Avondmaal in 't huis brengen moeli, 
als wanneer ze zig , na het zelve genoten te hebben , op 
haar bed omkeerde , en op haar aangezigt liggende den 
Heer onder een vloed van tranen aanbadt. In den laatlleu 
tyd verlangde zy zeer hartelyk naar hare ontbindinge, die 
ook gerchiedde,terwyl het de genen, die by haar waren, 
Biinft verwagtten. 

r2.) Hechvig^ ene weduwe, kwam in 't jaar 1753 met 
haar man en kinderen uit het Noorden. In den beginne 
fcheen het niet rcgt met haar te willen gaan , en de Heiland 

moeft 



#t 



Gefch.van Nieuw-Herrnhut. 1759. i^f 

moeft lang aan haar hart aankloppen, eer zy hem open 
(ieedt, en gedoopt werdt. En zy gedroeg zig nog nader- 
hand , by het overlyden van haar riian , vry wat naar de 
heidenfche wyze. Kort daarna werdt ze door ene yiTely- 
ke melaatsheid aangetaft, en die heeft ze tot haar einde 
toe moeten dragen, zo dat ze mét hare twe kinderen, die 
insgelyks befmet waren , afzonderlyk wonen moeft, en de 
laatfte jaren , wegen den oriverdragelyken ftank, in gene 
vergadering komen kon. Zy werdt égtèr vlytig bezogt 4 
en men kon haar het getuigenis geven, dat haar" hart, on- 
der haar ellendig en jamraerlyk leven van buiten, gedurig 
weeker en i3egeriger naar den Heiland werdt. Hare be- 

feerte en verlangen werdt ook vervuld. Zy omhelsde den 
leiland in het geloof, en kleefde als ene zondareffe aan 
hem , terwyl zy zig dikwerf met tranen Bopens zyne liefde 
verklaarde. Men had haar einde zo haaft nog niet ver- 
wagt,: dan de melaatsheid eensklaps naar binnen gefla- 
gen zynde, werdt haar de weg gebaand , om üit deze éllen«' 
de verloft te worden , en tot den Heiland over te gaan. 

3.) Jeremias , een lieve jongeling, kwam, in 't jaar' 
1756, m.et zyne'n vader van Pïjjikfarhik herwaards. Het 
woord van's Heilands lyden bewees zig wel haaft als ene 
kragt Gods aan deszelfs hart, en hy betuigde een innig 
verlangen naar den 'doop , die hem ook het volgende jaar 
toegediend werdt. In deze genade ging hy ook ftil en ver- 
genoegd voort, en men kon zeer klaar aan hem befpeu- 
ren, dat hywiil, in wien hy geloofde, en wien hy toebe- 
hoorde. Hy had een zwak iighaam , en dikwerf zulke 
zwellingen, dat hy nauwelyks gaan kon, was egterpnder 
alle pynen geduldig en wel te vrede,- en by deszelfs ont- 
flapen te Piffikfarhik^ waar hy met zyne lieden op de ha« 
ring-vangtl; was, zeide hy tot zynen leraar : ,, Ik denk veel 
en zeer dikwilsaan de fmarten, die de Heiland voor my 
lieefi: uitgeftaan^ en daarby is myn hart zeer wel én verge- 
noegd : ik zal u naar alle gedagten hier niet meer zien ^ 
maar haaft by den Heiland wezen en zyne wonden kus- 
fen. '^ Dezer genade werdt hy ook kort daarna deelach- 
tig, en zyn lighaam werdt op het Kerkhof te Fiffikfarbik 
begraven. 

4.) Grf^ör/^;, een jongeling, kwam in 't jaar 1751 , nog 
een kind zynde, met zyne ouders, herwaards, en toen de- 
zen weer naar 't Zuiden vertrokken, had de Heiland het 
hart van dezen jongeling reeds dermaten ingenomen , dat 

//ƒ. DeeL • M hy 



173 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



.>. 



hv niet weer vertrel^ken , maar een eigendom desHeilands 
zyn wilde, in wiens bloed hy begeerde gedoopt te wor- 
den, welke genade hy ook kort daarna erlangde. Wy 
• verfchaftenhem, als een arm verlaten wees-kind, een Ka- 
\'aktn de nodige gereedfchappen , om zelve den koft te 
kunnen winnen, en hierin werdt hy ook binnen kort zo be- 
dreven , dat hy zig benevens zyne moeder en twe zufters 
rdie na den dood van zynen vader wederom kvvamen) on- 
derhouden kon. Met het toenemen zyner jaren nam ook 
de kenniffe van zyne verdorvenheid by hem toe, waarby 
hy tevens in het genot der genade van's Heilands verdienden 
en wonden, en den daaruit voortvloeijenden trooft toenam. 
Wanneer men mqt hem fprak , ftortte hy dikwils tranen 
over zyne gebreken, en vooral daarover, dat hynog zo 
weinig gevoel van den Heiland en zyne wonden Ivad. Wan* 
neer hy ene llegtigheid by zig befpeurde, beoordeelde hy 
zig zelve zeer fcherp, en zeide het zynen leraren onge- 
vemft, zo als het was. En dewyl hy tevens in het uitwen- 
dige zeer geregeld was , zo werdt hem mede het opzigt in 
deszelfs Koor-huis toevertrouwd. Kort, men had vele 
hoop ene beveftigde ziel en een bruikbaar mede-arbeider 
in hem aan te kweken. Dan op de zeehond-vangft werdt 
hv door zulke hevige hoofd-pynen aangetaft, dat hy, on- 
danks alle gebruikte middelen, den volgenden dag van het 
oebruik zyner zinnen beroofd werdt, zo dat, fchoon hy 
naderhand het gehoor en de fpraak wederom kreeg, hy eg- 
ter gene verftandige gedagtenmeer voortbrengen kon. Op 
de enigfte vraag: of hy den Heiland nog in gedagtenis 
had ? 'antwoordde hy : ,, Ach ja , ik denk nog veel om 
Hem. "" In zulke hevige fmarten bleef hy veertien dagen 
liggen, kon egter op het laatft in 't geheel niet meer horen 
en fpreken, maar lag, als ofhy door ene beroerte lam ge- 
worden was, ganfch (lil , behalven dathy menigmaal ,ter- 
wvlhy met de ene hand rondom wees, een lachend envrien- 
deiyk gelaat toonde. Dus ontiliep hy zagt en ongemerkt. 
r ) Maubceus , een zoon van den zaligen Boas-, een 
fchrander, levendig en tevens bedaard jongeling: hy had 
een v^eek en gevoelig hart jegens den Heiland en deszelfs 
verdienaen; in 't jaar i753 was hy gedoopt en in dezelve 
pcnade voor de zonden der jeugd bewaard gebleven. Hy 
^ino- vlvtig ter fchool , leerde wel lezen en fchryven, als 
mede naarftig arbeidenen in dm Kajak varen, waarin hy 
vveriger was, dan men 't wenfchte. Want een vrouwen- 
^ ° boot 



Gefch. vin Nieüw-IIerrnhut. ij 39^ 179 

boot naar de Kook'órnen volgende, en ziende, dat zommi- 
gen, verre van het land in de opene zee, bezig wareit 
met Heilbotten te vangen, wilde hy alleen naar hen toe 
varen; hy is 'er egter niet gekomen, en men heeft flegts 
een weinig van zyn gereedfchap gevonden , zo dat hy ^ 
naar alle gedagten ömgeflagen is , en voorts met den fttoom 
weggedreven. 

6.) Sem^ een getrouwd man, kwatii in 't jaar f746, at^ 
een regt wild en woeft Groenlander,, uit het Zuiden ; de 
H. Geeft nam hem egter haaftiïi zyne fchool, leerde hena 
zyne ellende kennen , en werkte een verlangen naar den Hei- 
land en deszelf bloed in hem., De genade van den H. 
Doop openbaarde zig zeer kenïielyk aan zyn hart, maar 
nog kennelyker het genot van 's Heilands lighaam.en bloed 
in hetH. Avondmaal. Hy w^a§ in zyne eigene ogen klein^ 
had een nederig en gebogen hart, en was zeer bekommerd^ 
Wanneer hy een misilag begaan had, kwam ookgewonelyk 
zelve, om het te bekennen. Men befpeurde in hem enp 
tedere liefde en aanklevinge aan den Heiland, terwyl,hy 
tevens jegens xyne leraars altoos ene gewillige gehoorzaam- 
heid toonde. Ten aanzien van het uitwendige was hy vari 
enen levendigen geeft, zeer bekwaam en een goed Ferwer* 
vtr. Door hem werden vele armen, aan den koft gebragt,;» 
die in hem niet minder enen liefderyken vader veriiezen , 
dan zyne nagelatene weduwe en vier lieve kinderen , vau 
welken de oudfte zoon nog niet twaalf jaren oud is. Het 
fmartelykfte is de bedroefde en Gode alleen bekende wy- 
ze, op welke men hem verloren heeft, alzo hy voor ettely^ 
ke dagen van zynen medgezel uit de Fwnie naarhuiihaaft- 
te, maar niet aangekomen is. Eerft ettelyke jaren daarnpi 
heeft men enige tekenen gevonden , waa:r uit men giflea 
iiiag, dathy door .een Groenlander , van wiens moordzugt 
-men meer blyken heeft gehad, en die zig waarfchynelyk 
over het verlies van enen vriend , die zig bekeerd heeft , 
heeftwillen wreken, vermoord en vervolgens op een on^ 
bewoond land , waar men iets van zyn gereedfchap gevQa-^ 
den heeft, begraven is. 



i' 



M 



s. 7. 



l8o 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



$•7' 

Wat de kleine en nieuw aangelegde Gemeente in da 
VilTcher-Fiorde by Lkhtenfeh aan belangt, (want dus had 
men dezen door kale rotfen omringden oord genoemd, in 
gevolge van de grote belofte der heidenen Jef. LX. 
Maakt u op ^worciet verlicht tnz,^ 'er was itegen het 
einde dezes jaars nog weinig of geen teken van ene ^aan- 
gaande vermeerdering. 'Er 4wamen wel vele voorby rei- 
zende Zuidlanders aan, dié het woord van hunnen Schep- 
per, en van de verzoening, door deszelfs bloed te-wege 
gebragt, met verwondering en ten dele zelfs niet zonder 
aandoening aanhoorden; dan om 'er te blyven was niemand 
te bewegen, des men zig voor als nog daarmede vergenoe- 
gen moêft, dat ze intuffchen iets van het Evangehe ge- 
hoord hadden, en dus wiften, waar zy het t' eniger tyd, om 
trooft verlegen wordende , zoeken konden. 
:- Uit de Piorde en de omliggende plaatfen kwamen van 
tyd tot tyd zommigen ten bezoek , die reeds dikmaals door 
het Evangelie getroffen waren , en hunne ongeruftheid, en 
den eifch des Heilands aan hun hart , rond uit te kennen ga- 
ven, doch die gedurig nog allerly verontfchuldigingen had- 
den, waarom het voor als nog niet zyn kon. Onder deze 
lieden bevondt zig ook de hier omftreeks pra&iferende An- 
'gekok (*5 met deszelfs vrouw , die bdden verzekerden^ 
dat zy zig ook bekeren wilden , en zig beklaagden, dat de 
Miffionaris hen niet geloven wilde. Dan hy had wel ge- 
gronde reden , om aan hunne opregtheid te twyfelen , al- 
zo hy wift, datzy zynen ommegang flegts zogten , om dat 
hunne vyanden zouden afgefchrikt worden, van zig te wre^ 
ken over den aan de hunnen begaane moord, en op dat de 
weimenende Groenlanderen goede gedagten van hen, als 
-van lieden , die ook het goede beminden , opvatten zou- 
den, terwyl ze intuflchen niet nalieten, tvvift en onenig- 
heid 



(♦) Wanneer ettelyke Groenlanderen by elkander wonen, 
houden ze gaarn enen Angekok , om zig van deszelfs raad te be- 
dienen. En indien ze genen hebben , worden ze door de ande- 
reu, als arme lieden veracht of beklaagd. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1759. 181 

beid onder dezelven aan te regten. In 't algemeen befpeur- 
demen^ dat de Angekoks uit gene andere reden komen, 
om wat goeds te horen , dan ten einde meer, dan andere 
Groenlanders , te weten ; zig voor het onkundig gemeen te 
laten horen ; verfcheidene gevoelens van kriftenen en hei- 
denen nopens bovennatuurlyke zaken voor te dragen ; en 
dus voor even zo verftandig, als de Miiïïonariflen , gehouden 
te worden. Hiervan konden de Groenlandfche mede-ar- 
beiders eer , dan de Miffionaris , verwittigd worden. Uit 
dien hoofde gaf een oud en verftandig Broeder den Mis- 
fionaris, die hem vroeg, w^aarom hy met een zeker An-- 
gekok van den weg des heils niet fpreken wilde , dit ant- 
woord : „ 't Is te vergeefs met lieden, die vol van vals- 
heid zyn , en van alles een kwaad en fchadelyk gebruikma- 
ken, van goede en dierbare zaken te fpreken. " Waarby 
den Miffionaris zeer natuurlyk in de gedagten kwam , 
't geen de Heiland zegt: Geeft het heilige den bonden niet 
enz. 



i 



§. 8. 

Daarentegen vondt hy by deszelfs bezoek op de ooft-zyde 
van 't eiland een paar hupfche lieden , die hem tot een be- 
w^s ftrekten, dat het goede zaad des woords van 's Hei- 
lands lyden , wanneer het zelve maar eens op een goed 
land valt, niet nalaat, vrugten voort te brengen , al is het, 
dat zulks enige jaren vertraagt. „ Deze reis ( wordt 'er 
gezegt) vonden wy llegts enen zieken man benevens des- 
zelfs vrouw en kinderen te huis. De man toonde ons zy- 
nen gewondden rug. Daaruit nam ik aanleiding van'sHei- 
lands wonden en de fmarten ,die hy voor onze zonden had 
uitgedaan, te fpreken, 't welk ze beiden met innige be- 
geerte ontvingen. De vrouw zeide : Myn man heeft 
anders in de Tovenaren ook nog enig vertrouwen gefteld, 
doch tans acht hy ze niet meer. Wanneer hy vele pyn 
heeft, dan zegt hy tot ray: Ach bid toch den Heiland voor 
my. Maar ik ellendige ben zelfs nog zeer onwetende. Ik 
heb wel iets van den kleinen Predikant, (dat is de Heer 
Drachart^ ttGodbaah ^gthooxd.'-^ maar waar is 't gebleven ! 
Toen zy dit zeide, rolden haar de tranen langs de wangen. 
Ons hart was by deze lieden zeer rnim , en wy prezen hen 
het raeêdoaend hart des Heilands op nieuw aan. '* 

M 3 Onder 



mm. 



182 



Groenlaiwlfche Hiftorie 



IX. B. 



Onderde Groenlanderen by de Z^^^befpeurdemen ins- 
gelyks ene zeer gevoelige aandoening, en ze kwamen vlytig 
naar Z/cZ'/^^/^/^, om het woord van God te horen. Twehuis- 
gezinnen hadden het befluit genomen , naar de Broeders 
te trekken ; dan ze lieten zig , door voorilellen van uit- 
wendige voordelen, van hun goed voornemen aftrekken. 
Ja zommigen, die 'er den vorigen winter reeds gewoond 
ladden, en in 't byzonder de drie eerfte huisgezinnen , ver- 
trokken wéér op aanporring der kwade vrouwen , die het 
niet ten eerften in alles ruim genoeg hebben konden, noch 
zig zo , als by de heidenen , vermaken. Een van deze 
mannen/ Makkigak genaamd , die reeds overlang te 
jSJieuw-Herrnbut had willen wonen , doch altoos door 
zyne vyandige vrouw belet werdt, is den volgenden yNin- 
itr XQ Imtukfuk in een innig verlangen naar den Heiland 
overleden, na dat hy alvorens naar Lkhtenfeh gezonden 
b^d, en zyne bloed- verwanten aldaar laten verzoeken, om 
zyn lyk mede te nemen en by de gelovigen te begraven. 
Een van zyne kinderen had hy zyner gelovjge Zufter ter 
opvoeding overgegeven , <ian de kwaadaardige vrouw wil- 
de het kind niet laten vertrekken. Ondertuflchen hadden 
de laatften gefprekken van haar man zo veel by haar uitge- 
werkt, dat ze ene wyi daarna kwam, en met vele onge- 
yuftheid en tranen bad, om het geluk , 't geen ze haren 
man belet had, te mogen hebben, namelyk by de gelovi- 
gen te wonen, 't welk haar ook benevens hare drie kin- 
deren en broeder toegeftaan is. IntulTchen kwam een an- 
derhuisgezin, om 't welk men niet gedagt had , vier mylen 
uit' het Zuiden herwaards, met het voornemen om hier te 
wonen, en deze werden de eerftelingen , die de roepin- 
ge der genade gehoorzaamden, en nog voor het einde des 
jaars tot den Doop aangenomen werden. 

\ 9- 

Onder het hoopje der gedoopten befpeurde men by alle 
in- en uitwendige armoede genade en leven. Zy konden, 
wel is waar, Nieuw'Herrnhutmtx.Mtxgtx.t\\^t\\ men moed: 
een huisgezin derwaards laten terug keren. Ook ilaagden 
2?e niet ten eerften in de koftwinninge, alzo ze van deze 
lanaftreek nog gene genoegfame kundigheid hadden , des 
men hen met enige zdkktwAngmarfet sm Nieuw Herrnhup 



Gefch. van NieuwHerrnhut. 1759. 183 

onder fteunen moeft; de Gemeentelyke genade egter be. 
wees zie; zeer kragtdadig aan en onder hen, zo dat ze 
in gehoorzaamheid , onderlinge liefde en vrede bewaard 
werden. Hunne harten , die de kragt des Goddelyken 
woords zo dikmaals reeds gefmaakt hadden , kondeo zig 
uit het zelve trooften en ftigten , en uit de vroegere on- 
dervinding hope fcheppen. Dus wordt 'er ergens gefpro-. 
ken: ,, Ettelyken fpraken van het gevoel, dat ze gifte- 
ren zynde goede* Vrydag, onder het lezen van de Ly- 
dens-^efchichte gehad hadden., en zeiden: Ach hoe 
goed zoude het onszyn, indien wy ons hart dagelyks zo 
fn tranen ontlaften konden! " en op ene andere plaats zegt 
nijen- „ In de avond^ vergadering bragten wy het lezen der 
Evangelie-Schry veren ten einde. Ik heb opgemerkt , dat 
de H Geeft zig, onder het lezen der gefchichte van onzen 
eeliefden Heer en Heiland, byzonder kragtdadig betoont, 
en dat de onzen over dag met elkander daarvan fpreken , 
en ook by ons komen om te vragen over 't geen ze in de 

vergaderingen gehoord en niet regt begrepen hebben, 

Tans ben ik aan 't voorlezen uit de Handelingen der Apos- 
telen, 't Is hen zeer gewigtig, in het verband met het le- 
ven des Heilands , ook de gefchiedeniflen na deszelfs He- 
melvaard te horen. Een ieder komt 'er met een begerig 

hart In de avond-vergadering befpeurdenwy de na- 

bvhêid des Heilands zeer gevoelig. Toen ik met fpreken 
se-^'indigd had, deden zommigen nog ettelyke vragen, wel- 
ker beantwoording, gevoegd by de opheldering en het ver- 
haal van zommigeomftandigheden, langer duurden, dan de 
Leerreden zelve. Het onderwerp was uit het X Vilde 
Hoofdftuk van de Handelingen der Apoftelen: God dan, da 
tyden der onwetenheid overgezien hebbende^ verkondigt nu 
allen menfchen alomme^ dat zy zig bekeren. " 

Ook werden enige nieuwe liederen vertaald , by welker 
mededeling men ene zonderlinge begeerte befpeurde , om 
dezelve te leren , 't geen niet zonder gezegende uitwerking 
in de harten gefchiedde. Deze liederen waren voor het 
grootfte gedeelte genomen uit de overdenkingen van den 
noit te vergeten Graaf Cbriftian Renatus van Zinzendorf^ 
Tia wiens zalig ontüapen men dezelve gevonden had. Voor- 
al was het lied: 



M4 



Dea 



l^ Groenlandfche Hiflorie IX. B, 

Den diepen indruk, wat myn Vriend 

Voor my^ wy , heeft gedaan ; 
Hoe koflbaar Hy my heeft verdiend j 

Zie men docli fteeds my aan. 
• Zo dat ook niets , geene eenzaamheid. 

Of welk een ftand het zy. 
De teedere gemeenfchap fcheid 

Van raynen Vriend en my. 

den Groenlanderen zeer gewigtig, en werdt dikwils met 
vele tranen door hen gezongen, wanneer zy in den zomer, 
ganfche weken , ja maanden alleen , van hunne leraren 
afwezig, opeen eiland, of ook onderde heidenen toebren- 
gen moeflen, als wanneer gewiffelyk niets dan de geduïi 
ge gedagtenis " 

Dat Hy zich zelf, die Heer zo groot. 

Voor ons verlooren menfchen 
Gegeeven heeft in den dood; 

een hart bewaren kan voor onverfchilligheid , losheid en 
van niet mede in het zondige dezer wereld ingetrokken te 
worden. 



ii 



§. 10. 

In 't uitwendige ging het, gelyk wy reeds aangemerkt 
hebben, den Groenlanderen nog zeer zwaar, én dit was 
ook ongetwyfelt de reden, waardoor zig vele weimenende 
heidenen voor als nog lieten terug houden, van zig nader 
met de Broeders in te laten. Hunne neringe was niet al- 
leen fchraal en bczwaarlyk , maar dikwils ook met veel 
gevaar verzeld, fchoon ze hierin door den Engel des He- 
ren zo getrouwelyk bewaakt werden , dat niemand een 
ongeluk kreeg. „ Vier van onze Broederen (wordt 'er on- 
der de maand van Maart aangemerkt) waren by een yflè- 
lyk weer van fneuw en wind dermaten in het dryf-ys ge- 
raakt, dat ze nog voor- nog agter-waards komen konden. 
Eindelyk waren ze na een langen en zwaren arbeid naby 
het land gekomen, doch de zee was zo hol, dat ze niet, 
zoqder gevaar tegen de rotzen verbryzeld te worden, lan- 
deiï konden. Zy wenfchten, dat ten^minften een van hen 

mogt 




^i" 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1759. igj 

mogt behouden worden, om berigt te kunnen geven, waar 
de anderen gebleven waren. De vloed maakte eindelyk 
eene opening tufichen het dryf-ys , dat ze hunnen weg 
konden vervolgen , en dus , • door 's Heilands genade , 
behouden 'er uit komen. Toen wy ze levendig weder- 
om zagen , veroorzaakte zulks grote vreugde en vele dank- 
erkentenis. '' 

TweGroenlanders, die met brieven r\'2i'^v F^iedrichshaab 
gezonden waren , verhaalden by derzelver terugkomft , 
dat ze twe nagten in hunne Kajakken o^ hetys, dat in den 
beginne gedurig onder hen gebroken was, tot dat ze ver- 
volgens op een vaft ftuk gekomen waren , hadden moeten 
zitten. Den derden nagt waren ze eindelyk by een huis 
gekomen, en byaldien ze dat niet gevonden hadden, zou- 
aen ze van dorft hebben moeten verfmagten , alzo zy in 
twe etmalen geen water gehad hadden. Door den zwaren 
arbtid was hen het zweet door de klederen heen gedron- 
gen , en door de felle koude ten eerften 3^s geworden. Hun- 
ne Kajakken zyn zeer befchadigd , en de ene heeft door de 
koude ene ftyve hand gekregen. 

In November w^as hier zulk een zwaare ftorra, dat het 
huis , fchoon het onder een berg en dus zeer laag ligt,ter- 
wyl het tevens ene muur heeft, die vier voeten dikis, da- 
verde en beefde, als of 'er ene aardbeving was. Ook viel 
'er een ftuk van de muur om ver. De daken van vele 
Groenlandfche huizen hier omftreeks waren aan Hukken 
gebroken, de boten verbryzeld en de ftukken door den 
wind weggevoerd , terwyl tevens agt mannen in de zee 
gebleven waren. De onzen hadden hunne op het land 
liggende zaken voor het grootfte gedeelte nog te regter 
tyd voor de over heen flaande golven kunnen bergen. 
(*) Op verfcheide piaatfen had men voor en na den 
Itorm vuur-ballen in de lugt gezien. Een derzelven , na- 
by een huis neder gevallen zynde , had een begin ge- 
maakt met het zelve in brand te fteken. Dergelyke 
yerfchynzelen zag men ook kort na het Kers-Feeft op 

een 

(*) Deze flormmoet zig zeer ver verfpreid hebben, want men 
heeft aangemerkt , dat omtrent den zelven tyd vele fchepen in \ 
Kattegat en de Ooft-Zee verongelukt zyn. Ook vondt men het 
volgende voorjaar verfcheide (lukken van een fchip, als mede 
^en party van Schape-talk, 't geen ongetwyfeld van een ver- 
ongelukt Yslandfch fchip dervvaards gedreven is. 

M5 



^ f 



B. 



iSé Groenlandfche Hiflorie IX. 

een middag by hellen zonnefchyn. ( * ) Door den zo 
even gemelden ftorm was ook het ys gelcheurd, doch de 
gaten met fneuw weer toegewaid. Een onzer Broederen, 
te weten Piefer Rudberg ^ den volgenden dag over een 
binnen-water gaande, brak de bevrozen fneuw onder zy- 
ue voeten , zo dat hy in 't water viel. Dan dewyl hy een 
gordel om het lyf had , zo hieldt hem het water onder den 
pels zo lang over end , tot dat hy den grond met zynen 
Pols-ftok kon bereiken , rugwaards op het vafteys ko- 
men , en zig dus door de hulp der H. Engelen 'er uit 
werken. 



(*) By gelegenheid van deze in Groenland ongewone Liigt- 
verfchynfeien , moet ik nog van een Onweer fpreken, 't geen 
deo 22(len September 1757 by enen hevigen wind uit het Zui- 
Jen y zonder regen of fneuw , ontftondt , waarby gene donder-fla- 
gen gehoord, maar zulk eenblixem, en, naar zommigen menen, 
ook ene aardbeving befpeurd zyn , als geen Groeniander nog oit , 
en de Europeanen maar zelden , gezien hadden. 



HET 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut* 1760. ;g7 
HET AGT EN TWINTIGSTE JAAR 
I 7 60. 
INHOUD. 



I. VAN LICHTENFELS. 

S. I. Der Groenlanderen fcbraal hefiaan. 

§. 2. De opwekking der naburige heidenen is aan vele af- 
wijfelingen onderhevig. 

§. 3. De eerfteling Johannes voordt met de zynen ge- 
doopt. 

§, 4. De Broeders krygen hope van ene Kerh-zaaU en kort 
daarna de f mar te lyk e typing van het ontflapenvan den 
Ordinarius Fratrura. 

5. Schielyke vermeerdering en verdere aanhouwinge der 

Inwoneren. 

6. Afwijfeling van droevige en heugelyke geheurtenis- 
f en , in ''t hyzonder by de jeugt^ uitwerkfelen van da 
tugt der genade. 

§. 7. Zegen by de ïaatfte voorbereiding en bediening van 
den doop in dit jaar. 

II. VAN NIEUW HERRNHUT. 

§. 8. Geringe vermeerdering der Inwoner en , uit vielken 
vyf en tzvintig gedoopt worden, 

§. 9. De gedoopten nemen toe in de kennijfe van ^s men- 
fchen ellende en '5 Heilands verdienften. 



§ 10. 



ISS 



Groenlandfehe Hiflorie 



IX. B. 



WK' 



V §• lo. Inhoud van ettelyke redevoeringen der Groenlandfehe 
' mede-arbeider en aan de Gemeente. 

§. II. Aanmerkingen nopens zommige ontjiapenenm 

NAAR het uitwendige ging het den Groenlanderen 
naby Lichten fels in dit jaar niet veel beter, ja in den 
beginne zo zwaar, dat ze nauwelyks hun beftaan vinden 
konden : want tot omtrent het einde van May was 'er zulk 
ene koude en tevens zo veel ys, dat men nog tegen Pinx- 
teren,op den hoogden berg fl:aandé,geen open water in de 
zee zien kon. Van rondsom hoorde men over hongers- 
FiOód klagen. De onzen leden nog het minll, fchoon zé 
zig ook dikwils met kleine magere vifchjes en de weinige 
kraak-bezien, die den winter over op het veld gebleven 
Waren , behelpen moeden. Onze Broeders waren zelven 
niet dan van het nooddruftige voorzien , en konden hunne 
behoeftige Groenlanderen weinig mede delen. 

§. 2. 

Het bezoeken ter verkondiging van het Evangelie werdt 
intuflchen vlytig voortgezet , fcheen egter in den beginne 
van weinig vrugtte zyn. De Miffionaris vondt wel, dat de 
meeften Greenlanders , die omtrent de Loge wonen, zeer 
begerig waren om te horen , zo dat zy hem , wanneer Hy 
in het ene huis gepredikt had, naar het andere volgden, 
om nog meer te horen : des hen een Matroos het getuige- 
nis gaf, dat zy veel kriftelyker handelden dan de Euro- 
peanen , terwyl zommigen van hen alle avonden by el- 
kander kwamen en de vaarfen , die ze geleerd had- 
den, met velen aandagt zongen ; 'er zyn ook inderdaad ve- 
len van deze lieden in de Gemeente gekomen, en gedoopt 
geworden , doch by de meeften wèrdt het ipreekwoord 
waar: „ Hoc nader by de Kerk, hoe later 'er in ; '' ter- 
wyl hen ganfch vremde heidenen de genade , die ze alle 
dagen hebben konden , en daarom met onverfchilligheid 
behandelden, voor den mond, om zo te fpreken, weg na- 
men. De onwetende heidenen kunnen zeer gevocglyk ver- 
gele- 



Gefch, van Nièuw-Herrnhaté 1 760. 1 89 

;^elekenwotden niereen woeft land, op *t welk in 't ger 
heel niets waff, om dat men no^ niets aan het zelve ge- 
daan beeft; maar dat; zo dra men 't beploegd en bezaid 
'heeft, binnen kort. vete vrugten brengt ; daarentegen de- 
^zulken, die vele jaren verkeerd hebben met Europeanen , 
van welken ze dikwils vele flegte zaken zien en horert, 
met zodanig een land te vergelyken ?;yn., dat reeds vol is 
van doornen en dillelen CLuc, Vlll: 14.) waardoor het 
goede verdikt wordt, terwyl egter het onkruid niet ligte- 
lyk uit te roeijen is. Noit kwam'er deMifTionaris of een der 
Croenlandfche mede-arbeiders , zonder begerige toehoor- 
ders te vinden. Zy lieden kwamen ook vlytig naar Z/r^- 
tenfe/s-, om de Predikatien by te wonen, vooral wanne«£r 
de doop bediend iwerdt, en keerden noit dan mpteen be- 
wogen hart terug. Niettemin duurde het lang, eer hpt 
zaad de gewenfchte vrugt kon voortbrengen. Het was ge- 
lyk ene Heidinne eens zeide : „ lk:Weet; niet hoe 'ns^ v^y 
willen ons gedurig bekeren, en 'ef komt toch niets van'i 
want we willen, zonder egter regt te willen ,^^rwyl, wy 
•andere zaken liever hebben dan den Heiland. " 
.- Het bezoek by de Groenlanderen , aan de Ooft-zyde van 
het eiland,fcheen meer te beloven, ook kwamen dikwerf 
zommigen vanhen herwaards ten bezoek ; dus kwamen'er 
eens drie vrouws^perfonen, tot welken de anderen gezegt 
hadden, dat ze gaan zouden, om het woord van God te 
horen, en haar iieden'er ook: wat van mede te bretigen. 
Ik leerde en verklaarde hen (dus fchryft de Miffionaris^ 
het vaars: 

O dierbaar Licht! beftraale ons gemoed 
Leer ons jefus erkennen als 't een'ge Goed, 
Datwyin Hemblyven, enz. 

Zy leerden het van buiten en zeiden, datzy'tmeê wil- 
den nemen* ^ ^ ■ . ■ . ' 

Van andere plaatfen kwamen 'er ook nog gedurig heide- 
nen ten bezoek , die ten minüen een welbeHagen m't E- 
van^elie betuigden te hebben. ^ Een man, die in de Predir 
k'atie geweell was, had, zeer vergenoegd te huis gekDinea 
zvnde, tot zyne vröuw gezegt: dat het toch zeer aange- 
naam zy, zo wat te horen; indien we nader aan de zee 
woonden , wilde hy ten eerften by ons met 'er woon ko^ 
men en gelovig worden. Een ander ,.:wiensdogter onlangs 

on- 



tb^ 



Groenlandfche Hiftorie 



IX- B; 



ónder de leerlingen was aangenomen , werdt gevraagd , 
wat hy toch dagt, wanneer hy zo van den Heiland hoorde 
fpreken ? Hy zeide : „ Ik denk , dat ik in 't geheel niet 
deug, maar myne kinderen verlangen zeer, om*ervan te 
iioren, en die wil ik niet beletten, milTchien volg ik hen 
t' eniger tyd zelve , want 't is toch aangenaam hier te zyn, 
bm dat allen zig onderling zo liefhebben. " 

$' 3. 

Het bleef egter niet flegts by 't bezoeken , horen en be- 
loven. Het jaar der verloffinge was ook voor de heidenen 
hier omftreeks gekomen, en 't geen tot dus verre op hope 
gezaid was , begon zachtkens op te komen. Het enigfte huis- 
gezin, dat in 't vorige jaar herwaards gekomen was, werdt 
den 6den January, zynde het Feeft der heidenen , gedoopt. 
Dit huisgezin der eerftelingen dezer Gemeente beftondt, 
gelyk het eerfte huisgezin in 't jaar I739 it Nieuw- Herrn- 
hut^ te weten dat van Samuel Kaprnak^ uit vader, moe- 
der, zoon en dogter; daarenboven was 'took eerft onlangs 
uit het Zuiden gekomen, en, fchoon het tot dien tyd toe 
t' enemaal onwetend geweeft was , ging het egter hen , die 
het woord reeds lang gehoord hadden , voor. Van den 
doop dezer eerftelingen zal ik met de eigene woorden des 
Miffionaris fpreken : „ Reeds in den vroegen ogtentftond 
kwam 'er uit de naburige plaatfen veel volks. De eerfte 
vergadering was over het Feeft-Evangelie , waarby aange- 
merktwerdt: hoede eerftelingen der heidenen, den nieuw- 
geboren Koning gezögt en gevonden hebbende, hem aan- 
gebedenen gaven uit hun vermogen medegedeeld had- 
den ; dat wy niet in ftaat waren om hem zulke gaven te 
brengen, die hy ook zo min verlangde als behoefde, maar 
dat wy hem, volgens zyn woord en begeren, onze arme 
verdorvene harten brengen , die hy zig zelve door zyn 
bloed ter bewoninge toebereiden moet; dat we hem egter 
heden ook de eerftelingen, die zyn Geeft herwaards ge- 
bragt had , aanbieden en opdragen zouden , ten einde hy 
dezelve waflche, reinige en tot een lof hier op aarde ftel- 
le. Na deze vergadering fprak ik de dopelingen nogmaals 
aan , zy wiften van fchaamte en vreugde niets anders te 
zeggen , dan dat ze naar het bloed des Heilands hartelyk 
verlangden. Ondertuflchen vergaderden allen totdeu doop 

in 't 



«^M 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. ïy6o. 19 1 

in 't Groenhindfche huis. De 'vergadering werdt nogmaals 
aangefproken , en na dat deze vier eerftelingen de gedane 
vrao-en gelovig beantwoord hadden, doopte ik ze onder 
cen^innig gevoel van de tegerlwoordigheid der H. Drie- 
eenheid: de man, Kauvigak ^ wtrdt yobarines i de vrouw 
Puktsik -iEHfaheth ; de zoon , Annertuna^ Hendrik ; en de 
doirter, Tejftok^ Anna Johanna genaamd. De vyfde vaii 
dit huisgezin was een kind van drie jaren , voor 't welk de- 
tt genade bewaard wordt, tot dat het zelve zyn verftand 
zal kunnen gebruiken. '' In May werdt dit huisgezin met 
een jong zoontje vermeerderd, 't welk elf dagen nadeszeiS 
doop tot zynen Schepper terug keerde: met het lykje van 
<3it kind werdt een heuvel tot een Kerkhof ingewyd. 
• Op den eerden Pinkfter-dag werdt ook ene ongetrouwde 
Vrouws-perfoon , die van de Ooft-zyde des eilands her- 
Waards gekomen was, enden ganfchen winter hier gewoond 
had, gedoopt. Na de Feeft-predikatie over de afdeling üik 
BandeU ïl. werdt in de doop-reden het voorbeeld van Lj^ 
///^ voorgefteld, hoe de-Heer haar hart geopend had, om 
het Evangelie van den Here Jefus te horen, aan te nemea 
en op het zelve geloof gedoopt te worden. De dopeling 
deedt hierop , ingevolge van de haar gedane vragen, ene biy- 
moedige beleidenis van haar geloof, en ontving vervolgens 
het bad der w^edergeboorte onder ene kragtige betoninge 
der genade, en een tranen- vloed der vergaderinge. Zf 
werdt Agne$ genaamd. 

§. 4- 

Kort daarna werden de Broeders, by 't aankomeii van \ 
fchip,met de tyding verblydt, dat ze het volgende jaar een 
woonhuis, en tevens ene zaal ter predikinge van 't Evange- 
lie, verkrygen zouden. Deze blyde narigt fterkte hen ia 
de hope, dat dit in grote zwakheid begonnen werk des H^ 
ren flagen en toenernen zoude. 

Doch niet lang daarna werden ze in grote droefheid ge- 
dompeld door de fmartelyke tyding , die het fchip , té 
Godbaab aangekomen , mede bragt van het ontflapen dt^ 
dierbaren navolgers van den Here Jefus, en Ordinarius 
der Evangelifche Broeder-Gemeenten ,'t welk op den Qdeti 
May dezes jaars te Herrnhut gefchied was. Zywiften,dat 
de Heer zig van dezen zynen getrouwen dienaar niet alleea 

ïiiet 



:li ! 'I 



w 




ipa 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. Éé 



met zegen bediend had , om de Broeder-kerk te hertel- 
len, en het woord der verzoeninge in de Kriftenheid te 
verkondigen en te bewaren, maar vooral ook om de be- 
keringe der heidenen, die hem reeds van zyne tedere jeugd 
zo zwaar op het hart gewogen had , te bevorderen. Zy 
wiften, dat hy de zendingen met zyn gebed , met raad 
en daad, met al zyn vermogen, ja zelfs met het wagen v^n 
zyn Ie ven, bevorderd en onderfteimd had. Hetwasln hun- 
ne harten ter onuitwiffchelyke dankerkentenis gefchreven , ' 
van welken nut zyne onderregtinge en raadgevinge den ar- 
beideren, over 't geheel zo wel, als in 't byzonder onder 
de heidenen, geweeft zy; en hoe liefderyk hy de Pelgrims 
en vremdelingen dezer wereld in zyn huis ontvangen, ea 
ook op hunne bezwaarlyke poften naar ziel en iighaam ver- 
kwikt had. Des het geen wonder was , dat deze onver-» 
wagte narigt zo wel hen , als de Broederen te NieuwHerrn^-^ 
hut^ vele tranen uit de ogen perfre , en allerly zorgzame 
gedagten veroorzaakte. „ Dan (dus fpreekt men hier- 
van } wy ondervonden wel haaft dezen zalvings vollen 
trooil: ^ 

De Heer is nu noch nimmermeer 

Gefcheiden van ^yn' fchaapen. 
Hy blyft hun toeverzicht en eer. 

Hun vreede, heil, en wapen. 
Hy leidt en ftiert in allen ftand 
Hen als hun Vader by de hand. 

Looft onzen God en Heere ! 

Dezen vrede gevoelden we by allen fmart zeer kragtig ,en 
wy vertrouwen daarop , dat hy , die dood is geweelt, maar 
nu levendig is in alle eeuwigheid, Apoc. I: i8.dit in zynen 
naam begonnen werk onderhouden en gelukkig uitvoeren 
zal. " Door deze gevoeHgetyding,dieegter metenekragtige 
aanmoediging des H. Geeftes gepaard' werdt, werden de 
Broeders opgewekt, om zigte vafter aan het Hooft der Kerk, 
den Here Jefm Kriftus te houden , in alle hunne verrich- 
tingen op Hem te zien , en hun werk voort te zetten in die 
eensgezindheid en broederlyke liefde, die deHereJefus by 
deszelfs laatfte wil Joan. XVII. geboden, en die de zalige 
Ordinarius^ naar het voorbeeld van den Difcipel, die in~ 
den fchoot Jefu aanzittende was, door zyn geheel leven - 
ketragt , en tot den laatften adem toe aangeprezen had. 

%5^ 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 17^0; 193 



Hunne enigzins neer geflagene gemoederen werden kort 
daarna door ene fchielyke vermeerdering hunner kleine 
Gemeente opgeregt. Reeds in July kwamen twe huisge- 
zinnen , zynde bloedverwanten van den eerfteling Joban- 
fies^ om hier te blyven, of, naar ze zeiden , om zig te be- 
keren. In Auguftus kwamen vyf eigene Broeders met alle 
de hunnen. Het was ene byzondere vreugde , zulk ene 
kudde van bruine fchapente gelyk te zien intrekken. Kort, 
by 't intrekken in de winter-huizen vondt men, dat het hoop* 
je vermeerderd was met negen huisgezinnen, die, gevoegd 
by de genen welke afzonderlyk gekomen waren , vyf en 
vyftig zielen uitmaakten. Tans ontbrak het aan plaats, zo 
ten aanzien van woning als vergadering , des de laatfte , 
zo lang het weder zulks gedoogde , onder den blauwen 
Hemel moeft gehouden worden. Dienvolgens bouwden 
de Groenlanderen aan hun tot nog toe enig woon-huis een 
goed ftuk aan , zo dat het fes en zeventig voeten lang en 
veertien voeten breed werdt. De ongetrouwde zufters en 
weduwen bouwden voor zig byzondere huizen. In het gro- 
te woonhuis trokken veertien gehele huisgezinnen bene- 
vens ettelyke perfonen , die famen vier en feventig zielen 
uitmaak t-en. In het zelve werden ook de algemene verga- 
deringen gehouden. By 't intrekken hieldt de Miffionaris 
ene redenvoering over het woord van dien dag : Zullen tw$ 
f famen zvandelen , ten zy dat ze hyeen gekomen zyn. Amo% 
III: 3. „ Ik heb in 's Heeren hart en zin myn hart en zin 
gegeeven ". En inderdaad mag men 'er zig wel over ver- 
wonderen, dat zo vele menfchen , niet in verfcheidene ver- 
delingen van een groot huis, maar in ene kleine ruimte met 
derzelver ganfchen huisraad, niet alleen zonder kyf en 
twift (want dit doen ook, fchoon niet in zulk een groot 
getal, de wilden Groenlanderen ) maar in vrede en eens- 
gezindheid by elkander wonen konden. Dkn men behoeft 
flegts \Cor. Xlll. in te zien, om te bevroeden, wat de lief- 
de doen kan, wanneer ze door den H. Geeft in het hartuit- 
geftort is , en , gelyk het geloof, niet in vele geleerde of 
verdichte woorden, maar in waarheid en wezendlykheid, 
beftaat. 



ii 



///. Deeh 



N 



S. 6. 



194 



Groenlandfche Hiflorie 



.IX. B. 



OndertufTchenbefpeurde men doch nog afwiffelingen van 
vreugde en fmart by deze kleine kudde van heidenen, on- 
der welken nog vele ongedoopten en onkundigen waren. 
Dikwils ontftonden 'er drukkende oraftandigheden , die 
den Broederen ftofFe verfchaften ter beproevinge en 
oeffeninge van derzelver waakzaamheid, getrouwheid en 
geduld, maar die ook zodanig eindigden, dat de Broeders 
altoos den Here voor de gegevene overwinning danken 
konden. „ Wy hadden ( zegt men ) een zeer aangenaam 
gefprek nopens de inrichting van ons volk gedurende den 
winter. De mede-arbeidcren gaven ons vele aangename 
berigten van de nieuwe inwoneren en derzelver verlangen, 
om den Heiland te leren kennen. Dan ettelyke vérlei- 
dende jongens bragten ons in vele verlegenheid, alzo men 
ze onder gene tugtiginge brengen kan , zo lang de harten 
der ouderen ongevoeHg zyn, en hetgewigtvan de opvoe- 
dingeder kinderen niet bezeifen. 's Avonds deed ik ene 
cmftige vermaning aan de ouders, om beter op hunne 
kinderen te letten, en hen alle gelegenheden tot kwade za- 
ken af te fnyden. Dit gaf aan ettelyke ouderen aanleiding, 
om by my te komen , en nopens de opvoedinge der kinde- 
ren raad te plegen. 

Daarentegen vondtmen onder de gedoopte kinderen zeer 
verblydendc voorbeelden. Twe kleine kinderen (Irekten 
door hun zingen tot ene hyzondere opwekking in het gan- 
fche huis, vooral by de nieuw aangekomenen en derzelver 
kinderen, die nog ruw en onbefchaafd Vv^aren. Een klein 
meisje zeide: „ De Heiland moet doch zeer aangenaam 
zyn. " Wanneer het hierop gevraagd werdt, hoe zo ? 
gaf ze het volgende antwoord: „ Myn hart heeft altoos, 
wanneer ik van zyn bloed zingen en fpreken hore , een 
zeer aangenaam gevoel. " Van haar moeder, die niet wel 
te vrede was, zeide ze: „ Myne moeder is ziek, haar hart 
heeft pyn. " 

In deze vrouw zagen wy een voorbeeld, van hoe ligtelyk 
ene ziel ; die niet oVer zig zelve waakt en op hare hoede is, 
haar hartvcrliezenkan;hoezigde geveinilheid enonopregt- 
heidook by volkeren, die voor dom en onbelchaafd ge- 
houden worden , openbaart , en hoe zig de Geeft van God 

: .; . dik-. 



il- 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1760. 

dikwerf van zeer geringe en toevallige gelegenheden be- 
dient , om ene ziel, die hem uit de fchool gelopen is, tot 
inkeer te brengen. Uit verdriet over anderen, die ze be- 
nydde, was 'er niets , of zy vondt 'er iets in te bedillen ^ 
tot dat ze eindelyk ook uit de vergaderingen weg bleef. 
Wanneer men haar daarover aanfprak, gaf ze met ene ge- 
veinsde, maar vinnige, demoedigheid dit antwoord: „ Ik 
ben 'er immers te onwaardig toe. '* Daarbenevcns zogtze 
ook anderen op te hitfen ; doch ene ongedoopte vrouw gaf 
haar het volgende antwoord: „ Vergenoegd zvnde fprak 
gy ganfch anders van de gelovigen : een van tweën , of 
't geen gy toen zeide , of 't geen ge nu zegt , is onwaar ; 
daarom zal ik u voortaan niets meer geloven. '* Daarop 
ging ze met ene andere, die ze aan hare zyde gebrast had , 
by de Haburige heidenen. Dan toen ze door dezen ten 
eerften verzogt werdt , om hen iets van den Heiland te 
zeggen, maar tevens befpeurde, dat haar harten mond als 
gefloten waren, werdt ze ongeruft en voer met hare klei- 
ne dogter naar ene vergadering van wilden, die juift ene 
vrolyke party hadden. Hierover begon het kind tefchrei- 
jen , en badt de moeder, dat ze haar weer by de gelovigen 
brengen wilde. Hierdoor werdt de moeder getroiFen,kwam 
te huis, bekende hare valfchheden eerft aan de door haar 
geërgerde Groenlanderen, en naderhand ook aan den Mis- 
fionaris, des ze, na met vele tranen om vergiffenis gebe- 
den te hebben, in de gemeenfchap der gelovigen weer aan- 
genomen werdt. 



Binnen kort werden ook ettelyken der nieuw aangeko- 
mene lieden, by welken men een opregt verlangen naarden 
Heiland befpeurde, in ene nadere toebereiding genomen, 
en 'er werdt , zo dikwils men ze maar by elkander 
hebben kon, ene Katechifatie met hen gehouden, waarby 
zig het verlangen hunner harten op ene zeer aangename 
wyze openbaarde. Dus wordt 'er ergens gefproken : 
„ In de vergadering der tot den Doop aangenomene leer- 
lingen werdt over het ade Artikel van hetKriftelyk Ge- 
loof gefproken. 't Is ene byzondere vreugde, te zien, 
met welke graagte deze fchaapjes het getuigenis van deo 
N a Hert 




196 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



Here Jefus ontvangen. 



Openen anderen tyd werdt 



gefproken van het afleggen van den ouden menfch en het 
aandoen van Kriftus en deszelfs bloedige gerechtigheid. Een 
van Nieuw'Herrnhut tot een bezoek aangekomen Groen- 
landfch mede-arbeider vvas'er ook by , en verhaalde hen , hoe 
het hem geweeft zy , toen hy tot den Doop toebereid werdt. 
Zy waren zeer oplettende en vol van verlangen. De vraag: 
„ Weet gy 9 dat ge door de zonde t' enemaal verdorven 
zyt? " en ook deze „ wie kan U van de zonde vry ma* 
men ? *' beantwoordden ze meer met tranen dan met 
woorden. 

Dus kwam het den :i3ften November tot ene derde be- 
diening van den Doop in dit jaar. ,, De grondflag van de 
leerreden waren deze woorden : B^yn zoon , geef my uw 
tart , en Iaat uzve ogen myne wegen beivaren ; waarby te- 
vens in aanmerking genomen werden de woorden : Jk zal 
iet ft enen hart uit uw vleefcb wegnemen^ en zal u een 
vleefchen hart geven. De Heer was zeer gevoelig in 't 
midden van ons , en de tranen-vloed der agt dopelingen 
was een bewys van 't geen hunne harten gevoelden. Ver- 
volgens werden nog vyf onder het getal der genen aange- 
nomen, die eerlang ftonden gedoopt te worden. By gele- 
genheid van dezen doop is 'er in vele zielen een innig ver- 
langen naar het genot van dezelve genade verwekt. " 

Naderhand werden nog twe nieuw geborene kinderen 
gedoopt, des de Gemeente in dit jaar met leftien zielen 
vermeerderd werdt. 

By 't eindigen van deze maand wordt het volgende aan- 
getekend : „ In de maand November hebben we in alle 
vergaderingen de nabyheid van den Here zeer kennelyk 
befpeurd , vooral by de aanneminge en den Doop, als mede 
in de Katechifatien der leerlingen, die in de toebereiding 
zyn , het zy tot den Doop , het zy tot het Avondmaal. By 
\ lezen der brieven van de Apoftelen heeft men ene byzon- 
dere genade befpeurd. Ook is het den nieuw aangekome- 
nen zeer aangenaam, wanneer ze een begrip van het ge- 
fchrevene woord der waarheid krygen ; en in het huis , 
hoe vol het ook is van menichen en kinderen , die gene 
opvoeding gehad hebben, is het egter %o ftil en geregeld, 
als of het ene kerk was, " 



§, 8. 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1700. 
§. 8. 



Te Nieuw-Herrnhut eti daar omftreeks deedt zig in dit 
.jaar weinig gelegenheid op ^ om het Evangelie verder uit 
te breiden. Van Kangek en de Kookörmn waren de in- 
woners , uit vreze van het voorleden jaar verfpreide gc- 
rugt, (*) tot op vier kleine huisgezinnen vertrokken. Dit 
was ook de reden , dat 'er gene Zuidlanders voorby trok- 
ken , terwyl 'er egter ettelyke uit het Noorden voorby 
reizende aankwamen, van welken een huisgezin, behal ven 
ettelyke enkele perfonen, zeer gevoelig getroffen werdt, 
en ook met 'er woon aldaar bleef. Ook bragt de Koop* 
man, van zyne handels-reize naar Kellingeh te huis ko- 
mende, twe weduwen benevens vier kinderen mede, die 
hem verzogt hadden , om ze by hare eigene Broeders en 
Zufters te Nieuvj-Herrr.hut te brengen. Zy zyn beiden 
vrouwen van enen^en denzelven man geweeft, die bene- 
vens zynen oudften zQon in den Kajak omgekomen is. 

De vermeerdering der Inwoneren was derhalven zeer 
gering; dan de Gemeente werdt uit de reeds voorhanden 
zynde met vyf en twintig zielen , onder welken zig elf kin* 
deren bevonden, door é^n doop vermeerderd. 

§.9. 

De inwendige gang der Gemeente was intuffchen des te 
heugelyker. 'Er vielen by dit volk, dat anders zeer zwaar 
te behandelen is, weinige zaken Voor, die hunne leraren 
tot laft en zugtinge ftrekken konden. Dan dit is het min- 
fte. Het voornaamfte , dat ze in derzelver arbeid aan de 
zielen beogen , en waar door ze alle hunne moeite betaald 
rekenen , is de behoorlyke vereniging der levendige ken- 
niflè van den gekruiften Jefus en dtsz^lïs verdienilen met 
het befchamend en vernederend gevoel van *s menfchen 
ellende, dat niet dan uit het eerfte regt voortkomt, ter- 
wyl het eerfte zonder het laatfte noit zyne regtekragt ver* 
krygen kan. Dit befpeurden ze by hunne Groenlanderen 

ho^ 



(*) Zie het jaar 17 S9 §• !• 



N 3 







198 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



f:, 
ïy 



hoe langer hoe meer. Onder de Feeft-tyden was de Ly- 
dens-week en het Paafch-feeft byzondef gezegend. In de 
eerfte Coriferemie der mede-arbeideren^ die nahetPaafch- 
feeft gehouden werdt, verhaalde men, dat de Lydens-ge- 
fchichte enen kragtigen indruk op de harten van de on- 
zen gemaakt had , en dat ze met een onderling genoegen 
fpraken van 't geen ze de vorige week gehoord , en onder 
het gehoor gevoeld hadden. Voorts wordt het volgende 
gezegt: „ In de vergaderingen van heden befpeurde men. 
een byzonder zalig gevoel onder het overwegen der laatfte 
redevoeringen en gefchiedeniffen des Heilands» Over de 
Avondmaals leden hadden we byzondere reden om ons te 
verblyden, alzo wy by allen en een iegelyk een week en 
blymoedig hart vonden, 't Is als of ze allen hooft voor 
hooft in deze laatfte weken, in welken de Lydens-gefchicb- 
te opzettelyk verhandeld is, den Heiland merkelyk nader 
gekomen en bekender met hem geworden zyn. Hun in- 
nig verlangen naar het H. Avondmaal werdt allen -toege- 
ftaan , behalve ene weduwe, die zelve gene vrymoedigheid 
had om mede te gaan. In de maand November wordt 
aangemerkt, dat men op nieuws befpeurde, hoe de ge- 
nen, welke lezen kunnen , en waar van 'er nu reeds ver- 
fcheidene voorhanden zyn , vlytig in de overeenftemming 
der vier FA'angelie-fchryveren lezen, en dikwils komen, 
om naar den regten zin te vragen. Wy hadden heden met 
een van hen een zeer gezegend gcfprek over de gefchic- 
denis van 's Heilands bloedig zweet^, en de iniklling van 
het H. Avondmaal. " 

Van zekeren Groenlander verhaalt men het volgende: 
„ Hy decdt ene hartelyke en nederige belydejiifle van zy- 
ne llegtheid, en zeide: dat zyn hart zig met te vrede ge- 
ven kon, wanneer hy het een of ander misdaan had, 'en 
hy niet opregc was. Hy rekende het voor de grootfte ge- 
nade, dat de Heiland hem by alle zyne ellende nog gedu- 
rig een vergenoegt en blymoedig hart fchonk. *' Van enen 
anderen wordt 'er ggzegt : „ Hy kwam met zyne vrouw 
kort na het Avondmaal en beklaagde met vele tranen, dat 
zy zig beiden van het Avondmaal beroofd hadden, want 
kort te voren waren ze door een onvoorzien geval boos 
op elkander geworden, en dus hadden ze gene vryheid in 
hunne harten gevonden, om tot het Avondmaal te nade- 
ren. "^ 



§. ia 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1760. 199 




§• 10. 



De eigene armoede en de algenoegfame rykdom van 
*s Heilands verdienden waren ook de hoofd-ftofFe, die de 
Groenlandfche mede-arbeideren in hunne redevoeringen 
aan derzelver gelovige en ongelovige Landsgenoten voor- 
droegen , en waarvan ik hier v/eêr enige uittrekfelen me- 
dedelen zal : 

Den igden January hieldt A, de vroeg-vergadering iil 
welke hy zyne Broeders met een dankbaar hart erinnerde 
aan de afzending der eerfte Miffionariffen naar Groenland. 
Eerft fprak hy van den toeftand zyner eigene onweten- 
heid, in welke hy den Heiland niet gekend had, en zei- 
de eindelyk : ,; Ach, wat zou van ons geworden zyn, by- 
aldien de Heiland ons onze ieraars niet gezonden had , die 
ons het lyden en den dood di^s Heren verkondigd hebben. 
Tans kunnen we zyne genade genieten, en door dezelve 
zo zalig zyn , als wy wenfchen en begeren. De Heiland 
heeft ons ganfch niet te vergeefs herwaards geroepen. Hy 
wil by ons zyn en ons regt vergenoegd maken. Dan we 
hebben niets, dat ons vergenoegen kan, ten zy hy zig in 
zyne kruis-geftake aan onze harten openbare. Zyn bloed 
maakt ons tot ware kinderen van God; en derhalven zal 
het ons ook daarom alleen te doen zyn , dat we zyn bloed 
in onze harten ondervinden. Groters kunnen we toch niets 
denken noch wenfchen. " 

By ene andere gelegenheid zeide hy: „ GelykEva uit 
de zyde van Adam genomen is , zo zyn de gelovigen uit 
des Heilands zyde geboren, van zynen vleefche en van zy- 
ne benen. Want fchoon wy zeer flegte en verdorvene 
menfchen zyn , de Heiland heeft egter ons vleefch en 
bloed aangenomen , en wil ons nu één geeft met 2;ig 
maken. *' . 

Ene derde redevoering begon hy dus : „ Geliefde Broe- 
ders,, gy weet, dat de Heiland bittere fmarten voor ons 
heeft uitgeftaan , en dat zyn zweet werdt als grote drop- 
pelen bloeds, die op de aarde afliepen. Ene vrouw, wan- 
neer ze baart, heeft zware fmarten ; dan ze zyn niet te 
vergeiyken met degenen, die de Heiland voor ons uitge- 
ftaan heeft. Indien hy nu in onzer aller harten leefde ^ 
N 4 hoc 






200 Groenlandfche Hlftorie IX, B. 

hoe zalig zoude dan ons leven zyn. Dat we *er nog zo 
weinig van ondervinden, zulks is onze eigene fchuld. De 
Heiland wil ga^rn hebben, dat we alle dagen regt zalig 
zyn; daarom heeft hy geleden, en daarom geeft hy ons 
zyn lighaam en bloed te genieten. " 

C. begon met een verhaal van 't geen hy in de laatfte 
week voor Paafchen onder de verhandeling van 'sHeilands 
lydens-gefchichte gevoeld had , en drukte zig vervolgens 
onder anderen dus uit : „ Ik onderzoeke den toeftand van 
tnyn hart dikwils, of het ook koud en droog zy, en wan- 
neer ik iet dergelyks befpeur , zo wend ik my terftond als 
een arm en behoeftig zondaar tot den Heiland en deszelfs 
wonden , dan vind ik ten eerften hulp. Indien de Broeders 
en Zufters zulks ook dikwerf en zonder verzuim deden , 
ze zouden altoos zalig en wel te vrede zyn. Wantons hart 
is als een dor land, byaldien de Heiland het niet door den 
regen zynes bloeds bevogt. Gy lieden weet immers^ hoe 
de muggen doen , wanneer het zeer warm is. Wy kunnen 
ze, wel is waar, niet verdragen, en jagen ze derhalven 
weg, dan de Heiland is jegens ons ganfch anders gezind. 
Hy ziet zeer gaarn, dat we regt vaft aan zyne wonden kle- 
ven, en ons aan zyn bloed verzadigen. '' 

Een ander vergeleek ons hart met ene lamp, die den no- 
digen traan hebben moet, byaldien ze branden, het huis 
verhgtèn en w^rm maken zal: en wy konden ook geen 
ander licht en vi^armte mededelen , dan die we uit het bloed 
des Lams ontvangen. . 

^. zeide : „ Alles wat ik arme en ellendige U lieden 
zeggen kan , beftaat hierin : de dood des Heilands en al zyn 
lyden is my het aangenaamfte, waar van ik tot U lieden 
fpreek. Dan ook dit kan ik niet doen , ten zy de H. Geeft 
zulks in myn hart klaar maakt , en my 'er de woorden toe 
geeft. Vervolgens fprak hy van de grote zaligheid , die 
we als arme zondaren in de bloedige wonden des Lams ge- 
nieten kunnen, en dat we tot den Heiland, zo als we zyn, 
naderen kunnen en mogen. " 

Z). een man die anders van natuur zeer ftout en ruw 
was, fprak met een week en teder hart , zo dat hém de 
tranen langs de wangen rolden, 't geen men ook by vele 
toehoorderen waar nam. Onder anderen zeide hy : „ dat 
hy, by alle zyne armoede en gebreken, dikwils door de 
nabyheid des Heilands zeer befchaamd, en daardoor in 

enen 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1760. soi 

enen zaligen vrede bewaard worde. En dat wy toch den 
Heiland, om dat hy ons,hoeflegt en verdorven we ook 
zyn, zo zeer lief hebbe, wederom van ganfcher harte be- 
hoorden lief te hebben. " 

B. zeide in de eerde vroeg- vergadering, die hem opge- 
dragen werdt te houden: „ dat de Heiland vele moeite 
• met hem gehad had, eer hy hem tot het genot zynes bloeds 
en der vrugten zynes doods had kunnen brengen, terwyl 
men egter zonder dit genot niet zalig zyn kon, noch een 
waaragtig leven hebben. Dan indien we zyn vleefch en 
bloed lot ons dagelyks voedfel hadden , zouden onze har- 
ten warm worden, de nodige kragt krygen, en wy zou- 
den in ene onafgebrokene zaligheid kunnen voortgaan. " 

By ene andere gelegenheid fprak dezelve van de onuit- 
fprekelyke liefde en barmhartigheid des Heilands jegens 
alle arme en ellendige , die hunnen toevlugt tot zyne won- 
den nemen, om geholpen te worden : „ Hierby (zeide 
hy) was de H. Geeft zeer werkfaam , terwyl zulks niet 
dan door deszelfs voorkomende genade en leiding gefchiedt , 
alzo geen menfch uit en door zig zelve oit in de gedagten 
kreeg, tot den Heiland te naderen, om dat niemand een 
goede gedagte uit zig zelve had. " 

D. merkte in ene redevoering aan : „ dat dit ook ene 
grote genade zy, wanneer men van zyne flegtigheid een 
gevoel krygt; dat men zig egter niet moeft laten terug 
houden, maar zigteneerften naar den Heiland wenden, die 
ons met opene armen ontvangen wil , en het liefderyke 
hart, dat voor alle ellendige en verlegene zondaren open 
ftaat, teneerften laten gevoelen. " 

By ene andere gelegenheid merkte hy zeer wel en gron- 
dig aan: „ dat men onmogelyk een klaar en vergenoegd 
hart hebben kon, zolang men zig nog met zondige gedag- 
ten inliet, fchoon men niet tot zondige daden kwam. Maar 
byaldien men , zo dra zig iet dergelyks openbaarde , ten 
eerften zynen toevlugt tot den Heiland nam , en zig over 
alles , wat zynen zin niet gelykvormig is , fchame en be- 
droeve, dan nam de Heiland zulks door zyn bloed weg^ 
en dus kreeg men ten eerften weer een klaar en vergenoegd 
hart. *' 

M, fprak gewonelyk van zyn eigen hart, en hoe hy den 

Heiland danke , dat die hem tot zyn volk, en tot de ken- 

niffe zynes bloedigen doods gebragthebbe, en hoe hy zig 

N 5 2ulks 



2C2 Groenlandfche Hiftoric IX. B. 

zulks dikwerf met vele vreugde te binnen brenge , vooral 
wanneer hy alleen zy en in den Kajak vare. 

By gelegenheid dat de Heiland hem op ene wonderbare 
wyze uit het water gered had , wanneer hy door enen zee- 
hond omver gehaald was , terwyl hy zig anders , alleen 
zynde , niet ligtelyk over end brengen kon , zeide hy den 
volgenden dag in de vroeg- vergadering : „ dat zyn hart 
zeer vergenoegd en blymoedig zy, wanneer hy zig te bin- 
nen brenge, dat de Heiland door zynen bloedigen dood 
hem vry gekogt en tot zyn eigendom gemaakt had. Ook 
dankte hy den Heiland hartelyk voor deszelfs redding uic 
het water. " 

L. zeide onder anderen: „ dat men wel wift, hoe on- 
aangenaam het zy, wanneer iemand, die onder ons bevel 
ftaat, niet gehoorzaam zy. Des men ook ligtelyk bevroe- 
den kon, hoe onaangenaam het den Heiland zyn moet, 
wanneer men hem niet gehoorfamen wilde, terwyl hy't 
egter zo wel met ons meende. Dat wy ongemeen zalig en 
vergenoegd zyn konden , byaldien we altoos naar de ftem- 
me des H. Geedes luifteren wilden , om dat dezelve ons 
zo gaarn naar den Heiland leidt, in wiens wonden wy zo 
zalig zyn kunnen. Want door ons zelven kunnen we tot 
den waren ommegang met den Heiland niet komen, maar 
de H. Geeft moet ons daartoe brengen , en die do.et zulks 
ook zeer gaarn. " 

In ene andere redevoering zeide hy onder anderen, „dat 
een arm 'zondaar alle genade van den Heiland verwagten 
kan: dan wie zig zelven niet als een zondaar kent, die 
kan ook zyn aandeel aan den Heiland niet hebben of ge- 
nieten. " 

S- II- 

op dezen grond der volwigtige en algenoegfame verdien- 
ften des Heilands gingen ook in dit jaar twaalf zielen als 
arme en begenadigde zondaren gelovig naar de euwig- 
heid. Onder dezen waren de volgende de aanmerke- 
lykften. 

ï.) Martin , een jongeling, die in 't jaar 1747 ^^^ den 
zahgen Barjïllai uit de Fiorde herwaards kwam. De Hei- 
land klopte wel haaft aan deszelfs hart aan , en toonde 

hem 9 



•\ 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1760. 203 

hem, dat hy niet dan in het bloed des Lams leven en za- 
ligheid erlangen kon. In het volgende jaar werdt hy ge- 
doopt. Van deze genade had hy enen bly venden indruk 
behouden , gelyk hy nog kort voor zyn euide met tranen 
betuigde, wanneer hy de volgende woorden fprak: „Ach 
wat heeft de Heiland ene genade aan my bewezen, dat hy 
my tot zyn volk gebragt en door zyn bloed gewaflchen 
heeft! Ik fchame my zeer, dat ik hem nog na dien tyd 
dikwils bedroefd en my zelven het hart daardoor zo be- 
nauwd gemaakt heb, als of het tuflchen twe grote ftenen 
gekneld werdt. Dit is een gevolg geweeft van het ver- 
waarlofen der beloften, die ik hem by den doop gedaan 
heb. Ach hoe Ichaam ik my ! (deze woorden herhaalde 
hy verfcheide malen met tranen) doch de Heiland heeft 
my telkens weer daar aan erinnert, dat hy my zo lief 
heeft. Tans verblydik my, dat ik wel haaft by Hem zyn 

2.) £//>, een jongeling, kwam in 't jaar 1751 her- 
waards, werdt het volgende jaar gedoopt, en, ten aan- 
zien van den toelland zyns harten, vrolyk en vergenoegd, 
ook leerde hy goed lezen en fchryven, doch ten aanzien 
van deszelfs ligharaelyke geüeldheid v.^as hy zwak , en kreeg 
daarenboven een toeval aan het ene been, dat hy niet zon- 
der (lok gaan kon. Na het ongeluk gehad te hebben van 
omgeflagen te worden , en by die gelegenheid veei zee-wa- 
ter ingezwolgente hebben, werdt hy allengskens zwakker, 
kreeg de tering en werdt dikwils door bloed- fpu wen aange- 
taft. Dit droeg hy zeer geduldig, leerde zyne verdorven- 
heid grondiger' kennen, en dewyl hy een eenvoudig en op- 
regt hart had, zo diende hem alles ten bede. Dan vooral 
ftrekte het hem tot enen bly venden zegen, waanneer hy by 
ene zekere gelegenheid in een grondig en openhartig ge 
fprek met zynen Leeraar kwam , in 't welk hy alle zyne 
omftandigheden naar ziel en lighaam opende. In deszelfs 
ziekte betuigde hy met een blymoedig gelaat deszelfs in- 
nig verlangen, om haaft by den Heiland te zyn , v/aar« 
toe hem ene onverwagte bloedftorting den weg baande. 

3.) Clemens^ een getrouwd man , had vele jaren reeds 
ene roeping ter bekeringe in zyn hart gevoeld, en was tel- 
kens, wanneer hy ons bezogt, zeer aangedaan, doch hy 
verweerde zig, zo lang hy kon , tot 4at de Heiland heat 
voorleden jaar te fterk werdt. Hierop kwam hy , w^edu» 
wenaar zynde, met zyn huisgezin herwaards, en had m 



iiifi]i 



204 



Groenlandfche Hiftorie 



IX- B. 



dit voorjaar de genade, door den H. Doop, het bad der 
wedergeboorte , afgewaflchen te worden. Kort daarna 
trouwde hy ten tvveden male , en by deze gelegenheid 
befpeurde men zeer kennelyk , wat de Heiland aan zyne 
ziel reeds gedaan had. Hy was ons tot vele vreugde, en 
leefde in den korten tyd van deszelfs huwelyk zeer ver- 
genoegd. Op een morgen vroeg uitgevaren zynde,en niet 
ver van het land enen zee- hond getrofFen hebbende, werdt 
hy door denzelven om ver gehaald. Hy kwam wel weer 
over end, en zyne vrouw, die het zag, riep iemand , om 
hem te hulp te komen. Dan , eer dezelve kwam, was hy 
reeds ten t weden male om ver gehaald, uit den Kajak g^- 
kropen, en naar alle gedagten gezonken, alzo men zyn lig- 
haam niet vinden kon. Hy was anders zeer bedreven in 't 
over end komen , en reeds dikwils omgeüagen. Dan deze 
reis was zyn roer gebroken, en de hulp van 't land kwam 
te laat. 

4,) Aaron ^ een getrouwd man, kwam in 't jaar 1755 
uit het Noorden herwaards: hy was, uit de maagfchap van 
onzen geliefden Broeder Daniel^ de laatfte der genen , by 
welken de gemelde Broeder het Evangelie gepredikt had. 
Deze man had zig vry lang verweerd , dan het was als of 
dit ganfche geflagt door den Heiland uitverkoren was. in 
den beginne ging het met den overledenen zeer zwaar , want 
hy was van natuur ongemeen ruw, hard en onbuigzaam. 
Dan de Heiland heeft zig derraaten aan hem bewezen, dat 
men hem tot een levendig voorbeeld (lellen kan van de 
waarheid „ dat de ftraal van Jefus wonden ook fteenenfmel- 
ten kan. '^ De H. Doop bewees zyne kragt zeer kennelyk 
aan hem. Na dien tyd kwam 'er niets onbetamelyks by 
hem voor , of hy was 'er ten eerden zeer verlegen over 
en kon niet ruften, eer het hem vergeven werdt. Zyne) 
verandering werdt nog kennelyker, na dat hy tot het H.j 
Avondmaal toegelaten was: want toen zag men een ganfch ^ 
ander menfch, een menfch, wiens hart week, gevoelig en- 
door de kenniflë van zynen zondigen aart befchaamd en "^ 
buigzaam was Daarenboven had hy een gezond oordeel ^ 
een oeftig gedrag, en voerde met zyne vrouw en kinderen* 
ene zeer geregelde huishouding. By de Zahn-viflchery j 
werdt hy door een hevig zyde-wee aangetaft , dus liet hy . 
zig herwaards brengen , was onder wegen nog vry leven- ' 
dig, en fprakmetde zynen zeer hartelyk van den Hek 
land , en van zyne liefde en aanklevinge aan denzelvenJ 

Ein^ 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut 1760. 205 

Eindelyk zeidehy: „ Ik zal ongQtwyfeld tot den Heiland 
henen <yaan. " Vervolgens badt hy zyne vrouw en bloed- 
verwanten, dat ze zig niet te zeer over hem bedroeven 
zouden, om dat zulks lieden, die gedoopt zyn, niet beta- 
me, alzo zy den Heiland hebben. By het aanlanden, gaf 

hy den geeft. , n ^ 1 i 

5.) Eleafar^ een ongetrouwd Broeder, kwam, als een 
jonge van fes jaren, in ^'t jaar 1743 met zyne moeder en 
magen herwaards. Men befpeurde wel haaft, dat de Geell 
van God aan deszelfs hart arbeidde , om hem ten euwige 
leven toe te bereiden. Hy werdt in het dertiende jaar 
zyns ouderdoms gedoopt, en ging van dien tyd afin ei e 
genade ongeftoord en zalig voort. In 't jaar 1750 werdt 
hy tot het H. Avondmaal toegelaten , waardoor zyn h-r^ 
nog levendiger en gevoeliger werdt. Daar benevens w.s 
hy,by 't gevoel van zyne ellende, van harten nederig en 
buigzaam , zyn gebrek en armoede leerde hy hoe langer 
hoe beter kennen , en verlangde dus zeer om nog nader 
met den Heiland bekend te worden. By de leden van zyn 
koor, in welker huis hy een mede-opzienderwas , werdt 
hy doorgaans beminden zeer geacht, terwyl een iegelyk 
gaarn, nopens den toeftand van zyn hart, methemfprak. 
Door ene uitterende ziekte werdt hy tot uitwendigen arbeid 
onbekwaam, waarover hydikwils zeer verlegen was , ter- 
wyl hy zig egter aan den wille des Heilands onderwierp, 
en dus zeer geduldig was. Hoe meer hy tot zyn einde 
naderde*, hoe vergenoegder was hy, des men hem niet zon- 
der vreugde en verkwikking bezoeken kon. Voor vier ja- 
ren fchreef hy het volgende briefje : 

,; Schoon ik zeer arm ben , de Heiland veragt my egter 
niet. Dan ik fchame my zeer over de ongevoeligheid van 
myn hart. Jk zoude gaarn vroeg en laat naby den Hei- 
land zyn , want door zyn lighaam en bloed ben ik met hem 
verenigd, 't Is ondertuffchen nog zeer flegt by my ge- 
fteld, fchoon my niet bewuft is , dat 'er iets tuffchenden 
Heiland en my in den weg ftaat. Want wanneer 'er fleg- 
te gedagten in my opkomen, myn hart is dus geftcld, dat 
ik my ten eerften des Heilands bitter lyden en fterven te 
binnenbreng; dts het kwade terftond verdwynt. " — , 
In een brief voor twe jaren drukte hy zig dus uit: 
„ Schoon myne misilagen menigvuldig zyn, de Heiland 
is my egter naby. Alleen zynde is hy myn medgezel ,met 

wel- 



so5 



Groenlandfche Hidorie 



IX. B. 



welken ik verkere. Hy heeft my ook in dit jaar voor 
zonden in mynen ongehuwden (laat bewaard. " - 

In dit jaar fchreef hy nog het volgende: 

„Ik ben een arm zondaar en zeer verblyd , dat ik een 
Heiland heb; want anders moeft ik vergaan. Ik zal mv ook 
geduriglyk als een ellendeling aan hem houden , en gedu- 
rig zyne gedagtenis in my vernieuwen , ten einde' door 
hem gefterkt en toebereid te worden , of ik miflchien haaft 
naar de Gemeente, die boven is , mogt geroepen worden 
Myn hghaam is reeds zeer zwak , en 't is naar alle gedas- 
ten de laadfte keer, dat ik aan u fchryven zal. Ik zal u 
waarfchynelyk niet meer zien , dan de Heiland kent u en 
ook my, en heeft ons door zynen dood en bloed verenigd 
Aan hem zal ik ray houden , tot dat ik by hem ben. " 

6.) Nkodemus^ een man tufTchen feffig en feventig jaren 
oud. Zyn oudfte zoon, die hem in 't jaar 1752 verliet om 
by de gelovigen te wonen , was de aanleiding, dat hy met 
zyne vrouw volgde, en in 't jaar 1754. gedoopt werdt. 
Voorleden zomer werdt hy waterzugtig. Hy gevoelde ten 
eerften, dat hem dit ene gelegenheid zyn zoude, om tot 
den Heiland henen te gaan, en hoe meer de zwakheid van 
zyn hghaam toenam, hoe groter werdt ook zyn verlangen, 
\ welk hy, zo dikwils als men hem bezogt, met ene by-' 
zondere tederheid en blymoedigheid te kennen gaf. „ Jk 
ftelmy (zeide hy) den Heiland geduriglyk voor. Almyn 
vertrouwen ruft op en in hem. Het valt my hier reeds een 
weinig te lang , alzo ik gaarn haaft by hem zyn ,wiide. " 
Den dag voor zyn einde was hy uitnemend vergenoegd, en 
zong met ene gebroke ftemrae het vaarsje : 

Des Heeren bloed gerechtigheid 
Is 't bruilofts-kleed', voor my bereid. 
Daarin zal ik voor God beftaan , 
Als ik ten hemel in zal gaan. 



HET 




ym 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1761.' 207 
HET NEGEN EN TWINTIGSTE JAAR 



i 



I 7 6 Ie 

INHOUD- 

I. VAN NIEUW-HKRRNHUT. 



§. I. De Mijjionaris Böhnifch komt uit Dultfchland te 
rug^ verzehi door den Scbryver dezer Hlftorle. 

§. !2, Een der Groenlandfche mede-arheideren verkondigt het 
Evangelie met kragt en nadruk a^n de Zuidlanderen^ 
die in grote menigte ten bezoek kwamen. 

§. 3. Inde eilanden- zetten zig vele heidenen metier wooit 
neder ^ en zommigen van ben komen allengs kens tot 
de Gemeente. 

§. 4. De heidenen worden hezogt en zeer aangedaan. Ene 
jonge dogter wint door derzelver flandvaftigheid ba^^ 
ren vader. 

§, 5. Aanmerkingen nopens de leiding van ene jonge en 
weimenende ziel^ en nopens der Groenlanderen Jligte- 
lyke aanfpraak. 

§. 6. Zeer aanmerkelyke redevoeringen van enen Groen^ 
landfcben mede-arbeider. 

§. 7« Ettelyke redevoeringen van andere mede -arbeider en 
aan bun volk. 

%. 8. Naukeurige beproeving der Avondmaals-leden,, en zom- 
wiger Groenlanderen verklaringen ter gelegenheid 
van 't H. Avondmaal. 

S. 9. Aangename blyken van den arbeid der genade ^zo wel 

aan 



. SiOS Groenlandfche Hiftorie ix. B. 

aan jonge als oude lieden^ by verfcbeide gelegenbeden 
waargenomen, 

§. lo. Vyfen twintig worden gedoopt ^ f eft i en gaan uit den 
tyd-y onder de laatften zyn twe oude weduwen aan^» 
fnerkelyk, 

$•11. Moeijelyke arbeid^ en redding uit het water. 

II. VAN LICHTENFELS. 

S. 12. Het zaat des Goddelyken IVoords wortelt bier en daar 
in 't verborgen , wordt egter by verfcheidenen nog 
verftikt. ^ 

§• 13. DeGroenlanders verzuimen gene gelegenbeid 9 omhuH' 
ne heiden fche landsgenoten een woord def vermaninge 
toe te [preken. 

J, 14. Den bezoek enden Zuidlanderen wordt het Evangelie 
in en op hope verkondigd. 

%. 15. De Gemeente wordt met vier en dartig zielen ver^ 
meerderd. De noodzakelykheid van meer mede-arbei* 
^ ders en van ene vergader^plaatfe. 

§. 16. Het beloofde buis wordt gezonden en onder vele zwa^^ 
rigbeden opgebouwd. 

%. 17. Inwying van de Ker k-zaal : Gedenkteken in Groen* 
landfcbe vaerfen. 

§e ï8. De Heer en zyn Geeft bekent zig tot de inrichting ' 
der Groenlandfche Gemeente op ene gevoelige wyze. 

$. 19. De. Groenlanders Z'jn begerig naar het woord des Ie- 
v^n: , en nemen daardoor toe in kennijfe en ge 
natit, 

%, ao. Het aanvangelyk gebrek in het uitwendige », waar by 
de lydfaawbeid der hongerigen verwonderenswaardig 
was^ wordt door ene ryke zeehond-vangft vergoed. 



Gefch. van Nleuw-Herrnhut 1761.' 209 

§6 al, Zommige reddingen uit gevaren 9 en nc^tuurlyke ge* 
beurtenijen. 

§. I. 

f\P den eerften Auguftus dezes jaars kwam de Mifliotid^ 
^^ ris Bönifcb met deszelfs vrouw van derzelvet bezoek 
by de Gemeente in Duitfchland weer in Groenland aan* 
In dit gezelfchap kwam ik liicde herwaards, ten einde het 
land , zo ver ik komen kon , maar in 't byzonder den ftaat 
der Groenlandfche Gemeente op te nemen , om uit bet 
geen ik zag, als mede uit de voorhanden zynde fchrif- 
telyke aantekeningen , een naukeurig berigt op te (lellen. 
Onze reis van Kopenhagen naar Nieww-Herrnbut duurde 
elf weken , en was erie der bezv/aarlykilen , niet ten aan- 
zien van het gezelfchap (^ want wy werden aan boord 
van 'tfchlip Loui/enburg^i fchippet Cbriflian ^enjfen Pyl^ 
met welken we den i7den May onder zeil gingen , zo 
vrindelyk behandeld, als men 't immer verwagten kon) 
maar ten aanzien van de vele ftorm- en tegen-winden, 
die ons dermaten ophielden, dat we omtrent het verzon- 
ken land van Bus^ 'm een tyd van drie weken, nauwe- 
lyks drie niylen in onzen weg vorderden , terwyl we , 
behalven het gewone zware weder vyf ftormen moeden 
doorftaan, van welken de laatfte omtrent Statenhaek dö 
gevaarlykfte was. Daarentegen hadden de velen noorde- 
lyke en weftelyke winden, door welken wy zo lang op^ 
gehouden werden, de Straat dermaten van dryf-ys ge^ 
zuiverd, dat we, behalven enige grote ys-bergen , wel- 
ken we niet naderden , den inloop van Bals-rivier t' ene* 
maal open vonden. OndcrtufFchen geraakte het fchip,eer 
we inlopen konden , door ene plotfelyk ontdane kalmte , 
in het uiterfte gevaar , om door den vloed enfterkenftroom 
op de naby ons liggende klippen van de Kookornen gedre- 
ven te worden en te ftranden: Dan toen we nog maar twe 
of drie fnaphaan-fchoten van dezelven af waren, gaf Hy , 
die over de zee en derzelver golven het gebied heeft ^ 
zo veel wind , dat men van het land af in de zee ko- 
men kon. 

By myne tetugreis op den 7den September i'jó^ had- 
ëen we nog een zeldfamer geval van dien aart. Want , 

///. Deel. O . met 



ill 



210 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



met labber-koelte tufichen de Kookornen en de zogenaamde 
VilTcher-klip ( de gevaarlykfte plaats van dezen inloop) in 
zee willende fteken, ontftondt'er plotfelyk ene volftrekte 
kalmte, en tevens een mift, die, naar het zeggen der uit 
de eilanden naar ons toe haaftende Inwoneren , nergens dan 
rondom het fchip te zien was. In het zelve ogenblik was 
de ftroom , by de gewone afwifleling van den vloed , ver- 
anderd, waardoor het fchip tufichen de nj/cber-k/ipQUQen 
naby gelegen eiland, 't welk men egter niet, dan na het 
Verdwynen van den mift , zien kon , met geweld gedre- 
ven werdt. Men bragt ten eerften een boot van ^t fchip , 
als mede een Loots-boot van de volkplanting voor uit , om 
het fchip uit deze gevaarlyke plaatfing te brengen, doch zy 
konden het in 't geheel niet bewegen, beletteden egter, 
dat het fchip door den ftroom niet op de blinde klippen ge- 
dreven werdt. Zo drade Koopman en onze Broeders, van 
liethoo2:fte der i&^/^rfx-eilandcn , het fchip in dit gevaar 
zagen, ontboden ze alle vrouwe-boten, die 'er waren; en 
dezelven met dubbelde manfchap bezet hebbende, (want 
in geval van nood ilaan de Groenlandfche Mans-lieden ook 
handen aan 't werk ) haaftten ze naar het fchip, om het 
zelve te helpen, en na tien uren geboegfeerd te hebben, 
bragten zy 't ene myl ver in enen nood-haven by Kan gek ^ 
uit welken we den volgenden dag onze reis , zonder enig 
verder belet, vervorderden. 

§. 2. 

Wat nu de Gemeente te Niemv-Herrnhut betreft, het 
had aldaar zedert enige jaren gefchenen, als of dezelve 
van buiten niet ligtelyk enige vermeerdering te verwagten 
had ; zynde het land daar orcftreeks vry leeg gemaakt , eti 
de heidenen voor het grootile gedeelte vertrokken. En 
fchoon 'er nog nu en dan zommigen der oude bekenden 
uit de Fiorde en de eilanden tot een bezoek kwamen , zulks 
gefchiedde enkel en alleen van wegens de oude kennifle. 
Dan in dit jaar trok 'er weer ene grote fchare van Zuid- 
landeren hier voorby naar 't Noorden ; en ettelyke huis- 
gezinnen zettedén zig voor een jaar in de eilanden met 'er 
woon neder. Hierdoor deedt zig dan weer ene gelegenheid 
op, omdeil onwetende heidenen hunnen God en Heiland 

aaa 



Gefch. vaa Nleuw^Herrnhuü. t-jS 



r. 



211 



aan te pryfen, enettelyke zielen, ja zomtyds ganfche huis- 
gezinnen te winnen. Hiervan zal ik iets uit het Dag- 
verhaal by wyze van een uittrekzel inede delen: 

„ Den sden en 4den July hadden we vele Zuidlanders 
ten bezoek. Wy zogten vlytig naar de zulken , wier harten 
voor een woord van hunnen Schepper vatbaar waren , had- 
den ook zomtyds ettelyken in de vergadering. Dan het 
zyn voor 't grootfte gedeelte lieden , die reeds in 't 
Noorden gewoond hebben, en nu weer voornemens zvn , 
om derwaards te trekken , waarvan ze zig niet liatelvk 
laten terug houden. ^ •' 

. Den oden waren 'er weer enige Zuidlanders. In de 
vergadering wilden ze niet gaan , maar te vlytiger en bv 
menigte kwamen ze in onze vertrekken, fpraken van de 
Ichoonheid hunes lands in 't Zuiden, en zogten het ons 
Imakelyk te maken , derwaards mede te varen, in welken 
gevalle ze by ons wonen en ons horen wilden. Toen we 
hen den Heiland en de zaligheid der gelovigen aanprezen, 
zemen ze, dat zy de taal der Europeanen niet verftonden , 
dat hunne oren niet bekwaam waren, ora zulke vremde 
taal, van ene onftervelyke ziel, van enen Schepper en Kei- 
land , te vatten. Op hetzelve ogenblik tradt de Groenlander 
Daniel m t vertrek, toen werdt hen gezegt: ziet, daar is 
een Groenlander, dien's woorden zult ge toch verftaan. 
Na dat men hem verzogt had, de zaak klaar en duidelvk 
aan deze menfchen voor te (lellen, begon hy eerlKbv wv- 
ze van ene Katechifatie, over het ontdaan van hunne Ka- 
jakken en vrouwe boten met hen te fpreken; en toen ze 
toeftemden, dat niets uit en door zig zelve ontftaan kon. 
maar voortgebragt moeft worden door iemand die groter 
IS , en voorheen reeds een beftaan gehad heeft, zeide hv: 
" 9l ''^'^^" begrypt derhalven ligtelyk , dat ook de men- 
„ Ichen door iemand moeten voortgebragt zyn. Btztntiot- 

^^nwy Pingortitfirfok, A&n ScÈepper aller dinpen-.dïQ 2\- 

le menfchen tot een eigendom van hem gefchapen heeft 

Doch van hem afgevallen zynde, zyn ze door de zonde 

een roof geworden vanden Torngarfuk , die een zeer bo7e 

Geeft IS. Dan ae Schepper aller dingen ziende, dat de 

menfchen in t veroerf en onder ene euwige verdoemenis 

lagen, heeft zig over hen ontfermd; en is uit dien hoofde 

„ een mcnfch geworden gelyk gyen ik, doch zonder zon- 

„ de , heett zyn leven voor ons overgegeven en zyn b]o»d 

„ voor ons vergoten, om ons van de zoude en den duivel 

^^ „te 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B^ 



21% 

„ te verloflen. Dit is de reden waarom we onzen Schep- 
„ per ^efus Krijius noemen , Annaurftrfok , onzen Hei- 
„ land en Behouder. Wanneer we nu dit geloven en ons 
5, door zyn bloed van het kwade laten afwaöchen, dan 
„ worden wy kinderen van God ; en ftervende komen 
99 wy by hem en blyven by hem euwiglyk in ene onuit- 
„ fprekelyke zaligheid. Maar 9 dat gy lieden zegt, niet 
„ te weten , of ge ene ziel hebt 9 zulks is ene onwaar- 
„ heid. Gy lieden %vih het niet weten , en gene zorg dra- 
„ gen voor uwe onftervelyke ziel, om dat ge naar uw ei- 
5, gen goeddunken en naar den wille des vleefches begeert 
„ te leven; dit toch is de reden, dat ge niet horen noch 
„ .verftaan , en ook niet by de gelovigen komen wilt ; 
„ want gy weet wel , dat het anders met u lieden worden 
„ moet. ban gy lieden meent, dat ge naderhand geen ge- 
„ noegen meer hebben kunt : doch hierin bedriegt ge u 
„ t'enemaal. Eer ik in den Heiland geloofde had ik geen 
„ wezendlyk genoegen, maar van dien tyd af ben ik eerft 
„ regt wei te vrede geworden. Zo dikwils als ik my zy- 
„ nen dood en het ftorten van zyn bloed te binnen breng, 
„ wórdt myn hart vrolyk en vergenoegd ; uit dien hoof- 
„ de vrees ik ook den dood niet meer , gelyk gy lieden 
5, doet; want ik weet, dat ik by hemkome, die my heeft 
„ lief gehad , en by wien ik het hier reeds zo wel heb , 
^, fchoon ik hem nog niet zie. '' 

Door deze redevoering, die in tegenwoordigheid -Jer 
kooplieden met ene ongemene vrymoedigheid uit des 
Groenlanders hart en mond, als uit ene volle fontein voort- 
vloeide, waren de heidenen zeer gevoelig getroffen , en 
men befpeurde de verwarring hunner gedagten zeer klaar. 
Het was miflchien aan deze redenvoering toe te fchryven^ 
dat kort daarna door ene weduwe met twe dogters verlof 
werdt verzogt,om 'er te mogen blyven; en dat binnenzeer 
weinig weken twe huisgezinnen hunne haringen in 't Pro- 
viant-buis bragten, tot een teken, dat ze hier wonen wil- 
den. Daarentegen was 'er een jong mans-perfoon , die ze- 
dcrt negen jaren zeer bekend met ons , en ook niet zonder 
aandoeningen geweeft was, en van welken wy hope had- 
den, dat hy zig t' eniger tyd bekeren zoude , doch die, 
by deszelfs twejarig atzyn in- 't zuiden vier vrouwen geno- 
men hebbende , tans niet gaarn meer in onze nabyheiJ 
kwam. 



S-3' 



Gefch. van Nieaw-Herrnhut. 1761. »13 

§. 3. 

Van de omzwervende Zuidlanderen zetteden zig vïy ve- 
len te Kangek en in de Kookornen met 'er woon neder , 
't geen den Broederen te meer vreugde en hope veroor- 
zaakte, daar dit hun Filiaal of Voorhof, uit welken zy 
de meefte zielen voor den Heiland gewonnen hadden, nu 
byna zeven volle jaren vry ledig gedaan had. Ook kwa- 
men 'er van tyd tot tyd zommigen ten bezoek , en men be- 
fpeurde, dat ze allengskens gewilliger werden, om te ho- 
ren. Ettelyken bleven 'er terftond , en van anderen ervde 
men de nagelatenen. Dus bragt men \\\ den herfft het lyk 
van een man uit de Kookornen herwaards, om dat hy ver- 
zogt had, by de gelovigen begraven te mogen worden, en 
ook van voornemen geweeft was, om 'er zelve te wonen 
en zig te bekeren. Zyne twe vrouwen kwamen bydiegc- 
legenheid met derzelver kinderen ook herwaards. Aan 
het Bywyf had hy bevolen, by de Broeders te blyven ,• 
maar de rcgte vrouw had hy geraden , naar Kariak by 
hare bloed-verwanten te trekken. Dan toen ze zag , dat 
onze Groenlanders zorg droegen, om ook haar en haren 
zoon door te brengen, wilde zy 'er liever blyven. (*) 
Daarentegen werdt ene weduwe, die in nood zynde den 
toevlugt tot de gedoopten genomen had, om enen win- 
ter den koft by hen te hebben, weg gezonden, om dat 
ze haren zoon , van welken men goede hope had , aan et- 
telyke bezoekende wilden heimelyk mede gegeven had , 
uit vreze dat hy mogt gedoopt en zy daardoor in hare 
heidenfche oogmerken te leur gefield worden. 

Onze Groenlandfche mede- arbeidere gaven zig by de 
nieuwe buren in de eilanden vele moeite , om zommigen 
van hen , zo niet allen , deelgenoten hunner zaligheid te 

ma- 



(*) Sclioon een Groenlander lud heeft op ene plaats te wo- 
nen, hy wagt egter, tot dat hem iemand verzoekt. Want het is 
hem niet eigen , om iets te verzoeken. Wanneer derhalven een 
huisgezin by de Broeders blyven wil , dan zegt het hoofd van 't 
huisgezin gewonelyk tot den Miffionaris : „ Zulk of zulk een 
Groenlander heeft my bevolen hier te blyven , maar van U weet ik 't 
XiQ% niet, " dat is, ik weet niet, of gy 't my zult toeilaan. 

03 



£14- 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



tv 



maken; dus voeren zy vlytig naar hen toe, om ze te be- 
zoeken, enfpraken raet indruk op derzelver harten. De 
Broeders vernomen hebbende, dat in de Kookömen een 
cud man geftorven was, wiens kinderen dikwerf betuigd 
hadden , genegenheid voor ons te hebben , voeren twe der- 
waards^ om hunnen zin te vernemen. Dewyl ze nu nog 
zeer twyfelmoedig waren , ( want de Groenlanders blyven 
gaarn een jaar op ene plaats , waar de hunnen geflorven 
zyn, om dezelven te bewenen, tenzy, dat 'er ene.befmet- 
telyke ziekte regeert) zo bragt Daniel htn deze hei'denfche 
en bygelovige gewoonte uit het hoofd, des dit huisgezin, 
dat uit fes perfonen bcftondt, met hem kwam; en men be- 
fpeurde zeer klaar, dat in hunne zielen door den Geeft 
van God reeds ene goede voorbereiding gemaakt was. 

§• 4* 

Nademaal zig diis weer in de eilanden lieden bevonden , 
by welken men met reden hopen kon van eni^e vrugt te 
zullen zyn, zo was het der moeite wel waardig, dat de 
Miffionariflen weer begonnen derwaards te varen. Men had 
in den zomer reeds kennis met hen gemaakt, en gene ge- 
legenheid verzuimd om zaad uit te ftroijen. In December 
voer yoban S'órenfen met ettelyke Groenlanderen naarZ^w- 
gek^ waarhy goeden ingang vondt, en Daniel hielp hem 
getrouwelyk , door zynen landsgenoten te verkondigen, hoe 
goed men 't by den Heiland hebben kon. Verfchèide hei- 
denen werden gevoelig getroifcn , en onder anderen een 
ongetrouwd mansperfoon , Kigutikak genaamd , die het 
befiuit nam, om by ons te komen, zo dra zyn Kajak klaar 
zyn zoude. Dezen hebben ze de voeten afgehakt, om dat 
dezelven door de koude t' enemaal ftyf geworden waren : 
hy kruipt op de kniên, kan egter zonder huipe in en uit 
den &;>//' komen, en zo veel'verwerven , dathy niet al- 
leen wel beftaan kan, maar zelfs zig beter kleden, dan vele 
gezonde Groenlanderen. Zy bragten vier vrouws-perfonen 
mede, die hier ettelyke dagen blyven wilden, om nog meer 
van den Heiland te horen/Kort voor het Kers-feefI: kwam 
de vader van de ene der gemelde vrouws-perfonen , bene- 
vens zyne twe broeders, herwaards, om zyne dogter weer 
af te halen. Zy badt hem zeerhartelyk , om ze hier te la- 
ten, alzo zy in den Heiland geloven wilde* Dan befpeu- 

rende 



Cefch. van Nieuw-Herrnhut. 1761. 

rende dat ze niet flaagde, en dat hy ze met geweld zogt 
mede te nemen, liep ze in de Kerk-zaal, en badt om be- 
fcherming. Men bragt haren vader benevens deszelfstvve 
broeders tot haar. Hy deedt zyn beft om haar te overreden 
met hem te gaan, en beloofde , dat ze flegts dezen winter 
by hem blyven zoude, terwyl hy zelve voornemens was, 
om het aanftaande voorjaar herwaards te trekken en zig te 
bekeren. Dit werdt door zyne twe Broeders heveftigd , die 
haar tevens fraije nieuwe klederen en meer foortgelyke za- 
ken beloofden. Dan 'er was niets met haar te doen, zy 
weende, gaf hen geen antwoord, en wanneer zy haar wil- 
den aangrypen, om ze weg te halen , begon ze tefchreu- 
wen en te beven, dat de byftanders een innig medelyden 
met haar gevoelden. Eindelyk vroeg men haar: „ Heelt 
u iemand van de onzen overreed, om herwaards mede te 
varen , of hier te blyven? " Het een en ander met neeni 
beantwoord hebbende , vroeg men verder : „ Waarom 
wilt gy dan niet met uwen vader vertrekken? " Haar ant- 
woord was : „ Om dat ik my bekeren wil. " Hierop 
fprak men de haren aan en zeide : Gy lieden ziet tans , 
dat we de uwen van u lieden niet af- en tot ons trekken , 
en dat het hen vry ftaat, om, naar hun believen, tot de 
hunnen terug te keren ; dan gy lieden moet van ons niet 
eiffchen, dat wy ze weg jagen of overreden zullen, te ver- 
trekken, wanneer zy een eigendom des Heilands begeren 
te worden. Zou het niet beter zyn, dat gy lieden zelven 
hierbleeft en haar voorbeeld volgde? Gyzoudt u zulks 
niet beklagen. De vader, na zig ene wyl bedagt te heb- 
ben, zeide: w^aar myne dogterblyft, daar blytikook. De 
twe broeders, die ook niet meer ongevoelig zyn, zeiden : 
wy willen eerft naar onzen oudften Broeder in 't noorden 
varen, en van daar terug komende , willen wy ook hier 
wonen. Dus vertrok de vader naar Kangek-^ om zyne za- 
ken als mede zynen zoon herwaards af te halen. Onder- 
tuffchen ging de dogter ftilletjes heen , tot dat zy lieden 
vertrokken waren, om niet door hen verraft en weggevoerd 
te wwden. Een van deze lieden woonde de vergaderingen 
op het Kers-feeft vlytig by. „ Zyn hart (dus wordt 'er 
in het dag-verhaal gefproken) is in grote angft en onge- 
ruftheid , zo dat de verlegenheid uit zyn gelaat te zien 
is. Wanneer men hem vraagt , wat hy van de leer des 
Heilands denkt, dan betuigt hy, dat hem alles zeer wel 
behaagt, hy weet egter nog niet, wat hy kiezen zal. 

O 4 Toea 



mm 




Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



Toen 'er naderhand meer lieden van Kangek kwamen, zei- 
de hy tot een derzelven. ,, Indien gy giiteren (dit was de 
twede Kers-dag) hier was geweeft, dan zou gy wat ge- 
zien en gehoord hebben! Doch heden is 'er weer Predika- 
tie, wilt ge ook niet horen V " Doch deze antwoordde : 
„ ik ben maar bevreeft, dat ik daardoor ziek (dat is on* 
gerud) worden zal. " Zy kwamen egter beiden, en wa- 
ren zeer oplettende. " 

S- 5- 

VtXi de eilanden KelUngett , tien mylen zuidwaards van 
hier gelegen , waren ook verfcheide reifen ettelyken her- 
waards ten bezoek gekomen , en men befpeurde, dat on- 
der de heidenen aldaar ene opwekking begint te komen. 
De Koopman bragt ook van daar enenhupfchen jongen me- 
de, die gene ouders had, en van de heidenen by wyzevan 
een Toneelfpeelder gebruikt was geworden. Zyne bloed- 
verwanten , by welken reeds vvat goeds is , de verwaarlo- 
fmg van dezen jongen niet langer kunnende aanzien, zon- 
den hem naar de Broeders met verzoek, om voor deszelfs 
opvoeding zorg te dragen, terwyl zy zei ven voornemens 
waren, om t' eniger tyd by de Broeders te wonen. Wan- 
neer men dezen jongen, in de ecrfle Katechiiaiie, die hy 
bywoonde , vroeg, ofhy ook den Heiland wilde leren 
kennen en zi^ bekeren? antwoordde hy zeer vrymoedig : 
^, Ach ja, ik zal my haaft bekeren. " Een ander, dievoor 
een jaar van dezelve plaats herwaards gekomen en onlangs 
gedoopt is, ftiethera aan en zeide: ^, Gy fpreekt zaken , 
die gy niet verftaat; ge weet immers nog niet, wat het 
zeggen wil , zig te bekeren ; dit zegt : zyn hart met al- 
le kwade genegenheden ganlch aan den Heiland overge- 
ven. " 

Aan dezen jongen , op wiens gang ik , van wegens de 
^onderlinge en by de Groenlanderen zeldfame levendig- ,« 
heid, die ik by hii:m befpeurde, met byzondere aandagtge-aj 
Ier neb, heb ik vv^aargenomen , hoe weinig Haat 'er op den « 
g.Jtden wil en de toeftemmiiig der Groenlanderen te ma- 
ken zy, zo dra het aankomt op ene ware omkering van 
4cn diepflen grond des harten'-^ ( hoedanig Zr///^<?ri:/^ in des- 
2e!fs verklaring van het geloof fpreekt) en hoe weinig de 
lighamelyke omiiandighed^n ter verhindering of bevor de 

rinfl 



m 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. T7(Jr. 017 

ring van het werk der bekering onder de Groenlanderen 
toe brengen. Want deze arme oiiderlofe jonge was hier 
liy een man van vermogen, die gene kinderen had , en 
wiens erlgenaam hy ftondt te worden. Niet te min wilde 
hy uit ongeruftheid weer naar de heidenen gaan, zo dra 
hy een klaarder gezigt van zyne verdorvenheid kreeg, en 
geen ander weg zag , om den eifch des Heilands aan zyii 
hart te ontwyken, aan welken hy eindelyk toch gehoor 
gaf. Uit dit voorbeeld zag men ook duidelyk, waarin de 
ftryd of zogenaamde wordelingen by debekeringe beftaan^ 
by wien en uit welke oorzaken dezelven ontdaan , en hoe 
deze twiiltuflchen het fchepfèl en den Schepper een fch ie- 
lyk en gelukkig einde krygt, door dezen regel: Mynzoon^ 
g^eft my tnv bah \ eenvoudiglyk te volgen. 

Dit voorbeeld doet ons ook zien, hoe de Groenlanders^ 
die een waaragtig leven in 't hart hebben , hen , dit nog 
onkundig zyn en gene ondervinding hebben , regte begrip- 
pen van de bekeringe , volgens hunne eigene bevindinge , 
tragten te geven , en zig ten dien einde van alle voorko- 
mende gelegenheden bedienen. Dus zeide ene uit het 
Noorden herwaards gekomene weduwe tot de meer ge- 
melde Kerftina , die ook in 't Noorden gedoopt was: „Gy 
zyt toch zeer gelukkig, dat ge in alle vergaderingen der 
gelovigen komt, en ik kan het uit uwe ogen lezen, dat uw 
hart 'er altoos wat goeds geniet: en daar van is ongetwy- 
felt dit de reden, dat gy niet zo boos zyt, als ik. ""Doch 
hier op gaf de laatfte dit antwoord: ,, Neen , dit is de re- 
den niet': de Heilimd heeft my niet uitverkoren, omdat ik 
goed ben, ma^r om dat ik ene ellendige, arme, en verdor- 
yene zondareffe ben. Hy maakt zig niet dan met arme 
zondaren te doen , die zonder hem niet kunnen wel te vre- 
de zyn, de zulken zyn het, die door hem uitverkoren wor- 
den. G^ zyt geenzitis te ilegt voor hem; maar gy houdt u 
zelven miffchien voor beter!, dan gy zyt, en dat is de re- 
den, waarom ge u in den Heiland nietregt verblyden kunt." 

By gelegenheid dat ettelyke Groenlanders by enen Eu- 
ropeaanfchen Broeder waren en zagen , hoe hy enen van 
tin nieuw gegoten lepel bruineerde, kwam onzen meerge- 
melden Daniel de befnydenifle &t^ harten , naar Colojf. il: 
II. in de gedagten , 't geen hem aanleiding gaf aan de an- 
deren te zeggen: „ Tans kan ik my voorllellen , hoe de 
Heiland het by de befnydeniffe onzer harten maakt , en 
hoe hy de reiniging , die hy begint, wanneer wy hem ons 
Ö 5 hart 



8i8 



Groenlandlche Hiftorie 



IX. B. 



hart overgeven, tot aan ons einde voortzet. Eerft moet 
hy al het grove, dat niet deugt, affnyden, en naderhand 
vindt hy nog zo veel af te vylen. Dac maakt hem wel vele 
moeite , en het doet ons ook al wat zeer ; maar ziet , ge- 
lyk deze Broeder het bruineer- water giet op 't geen hy on- 
der handen heeft, ten einde het werk gemakkelyker ga, 
en de lepel te moijer en gladder worde , zo giet de Hei- 
land zyn bloed op ons hart, maakt ons de reiniging daar- 
door aangenaam , en arbeidt zo lang aan ons , tot dat wy 
hem welbehagelyk zyn. " 

§. 6. 

In ene vroeg -vergadering fprak dezelve Groenlander 
van 't lighaam en bloed des Heilands als het enige mid- 
del ter genezinge onzer harten , en om dezelven gezond 
te bewaren. Hieromtrent drukte hy zig dus uit : „ Ge- 
lyk lieden van verftand hunne lighamen zorgvuldig tragten 
te bewaren, zo moeten wy ook op onze zielen agt geven. 
Dewyl we dit nu uit en door ons zelven niet kunnen noch 
verftaan, zo hebben wy flegts naar de moederlyke ftemme 
des H. Geeftes te luifteren , om dat die ons gewiflelyk al- 
le gevaren en befmettingen ter regter tyd openbaardt , en 
tevens aanwyft waar wy hulpef kunnen vinden. " 

By ene andere gelegenheid fprak hy zeer wel van 't ly- 
den des Heiland, zo wel omtrent den Olyf-berg als aan 't 
Kruis, en hoe dezelve, onze krankheden op zig nemende, 
door zyne wonden een volmaakt genees-middel te wegege- 
bragt had. Hierop , ene vergelyking met lighamelyke 
ziekten makende, merkte hy'aan: Dat men Kon ziek 
zyn, zonder het te weten , of zonder het regt te agten, 
en dat dit het gevaarlykfte zy. Want zo dra men zyne 
ziekte gevoelde, verlangde men naar genees-middelen. Eu 
deze ingenomen zynde verwekten dikwerf pynen , 't geen 
menigmaal een teken van ene goede werking en fpoedige 
genezing was. " Hiervan maakte hy ene fchone toepas- 
fing op de geeftelyke krankheden der menfchen , als me- 
de op de genees-middelen , die ons de H, Geeft in 't ly- 
den, dat de Heiland naar ziel en lighaam by den Olyf- 
berg en aan 't Kruis ondergaan heeft , aanwyft en toe- 
dient. 

De meeftcn gcdoopten in den zomer uit de eilanden 

te 



Hl 



Gefch. van NiÊuw-Herrnhat, 

terug gekomen zynde , en op hun vertrek naar den zond 
ftaande, fprak hy ze in ene redenvoering onder anderen 
dus aan : „ Onder de wilden zynde horen wy niets van den 
•Heiland en zyne verdienden, maar (legts van aardfche din- 
gen, waar van ons hart geen voedfel krygt. Uitdien hoof- 
de kan het ligtelyk gebeuren, dat we droog, onagtzaam,en 
agterhoudende worden. Wy weten egter, dat, fchoonwe 
gene Leraars by ons hebben, die ons onderwyfen, de H. 
Geeft nogtans ons overal naby is , en ons zo gaarn aan den 
Heiland erinnert : doch hiertoe behoort een gehoorzaam 
hart en een luifterend oor. Waar dat niet is , daar kunnen 
de Leraars ook van weinig nut zyn. Gy lieden weet wel^ 
hoe weinig het ons eertyds gebaat heeft, dat onze Leraars 
ons en wy hen, fchoon dikwils , bezogten; want wy wa- 
ren toen nog zeer flegte menfchen , en hadden een onge- 
voelig hart. Doch tans , een gevoel van zyn dood en ly- 
den in onze harten verkregen hebbende, is het ons ganfch 
anders; ik kan ten minften zeggen , dat, waar ik fta of 
ga, daar is hy myner ziele naby, en dit doet niy beftendig 
vergenoegd én wel te vrede zyn. Dan ik weet , dat 'er nog 
velen onder ons zyn, die hun hart zeer ligt verhezen, en 
dus in zaken geraken , waar over ze naderhand benauwd 
zyn. Ik bid u derhalven, houdt den regten v/eg in 't oog, 
dien u de H. Geeft naar de wonden des Heilands wyft,en 
wanneer gy lieden gevoeld, dat gy 't niet wel hebt, gaat 
toch ten eerften tot hem , die ons door zyn bloed gekogt 
heeft, en bidt hem, dat hy u zyne nabyheid op nieuws in 
uwe harten doe gevoelen. En wanneer gy by de wilden 
komt, wagt u van fchade aan uwe zielen te lyden. Spre- 
ken zy onderling van ydele zaken , houdt gy lieden Jefus 
den gekruiften in gedagteniflè. Moet ge met hen fpreken, 
uwe voorname ftoffe zy, wat de Heiland aan u lieden ge- 
daan heeft en nog dagelyks doet. Ik wenfch dan, dat hy 
ons, zo als hy voor ons aan 't kruis geklonken is , beften- 
dig voor den geeft blyve, tot dat wy by hem zyn, '' 




sso 



Groenlandfche Hiflioric 



IX. B. 



W'' 



,'•»•,■ 



m. 



S-7. 

Dit was de eerfte rcdenvoering , die ik uit den mond van 
een Groenlander hoorde. Ik kon niet nalaten , de vrymoe- 
digheid en bevalligheid van zyn voorftel te bewonderen, 
en liet my dezelve na de vergadering ten eerden in'tHoog- 
duitfch vertalen. Uit elke redenvóering zulk een breed- 
voerig uittrekfel te geven, zou my al te wydlopig doen wor- 
den : Zommigcn egter zal het niet onaangenaam zyn , het 
hoofdzakelyke van ettelyken zulker redenvoeringen te le- 
zen , en daaruit te zien , hoe de Groenlanders in de leven- 
dige kenniffe van Kriftus toenemen. Zie hier ettelyke uit- 
trekfelen : 

p. zeide: ,, Ons hoogfte goed is het bloed des Heilands. 
Dit niet agtendezyn we niet beter dan de heeften. Zyn dier- 
baar bloed doet ons ook dierbaar zyn. Wanneer 

we ons te binnen brengen, hoe wy gedagt en gehandeld 
hebben, eer wy den Heiland kenden, dan fchamenwyons 
tans, dat wy 't zo flegt gemaakt hebben, en ook buitengaat 
v/aren, om het beter te maken. Dat wydande genade fchat^ 
ten , door welke wy uit de heidenen verkozen , tot den Hei- 
land en zyne v/onden gebragt, en dus tot andere menfchen 
herfchapen zyn. " 

^. ,, Ik weet u lieden niet veel te zeggen, om dat ik 
zelve zeer arm ben. Dan dit weet en gevoel ik, dat wy 
onmogelyk zah'g zyn kunnen, wanneer wy den Heiland uit 
het oog verliezen, en ons zyne wonden in handen en voe- 
ten niet gedurig voor den geeil blyven. Was de 

Heiland niet voor ons geilorven, en had hy zyn bloed niet 
vergoten ! wy zouden gene Gemeente zyn, gene Leraars 
hebben, en als de heeften rond lopen. Dan hy heeft ons 
doorzynen dood byeen gebragt, en wy kunnen tans het 
aangename woord van zyn lyden dagelyks horen, endaarby 
in onze haiten zalig en vergenoegd zyn. '' 

,7- be^;on zyne redenvóering dus : „ Geliefde Broeders 
en Zufters! ik zal totu lieden fpreken , daar ik egter zel- 
ve een arm hart heb, en myne onmagt en gebreken aan alle 
kanten gevoelc ; dan ik houde my dagelyks tot hetLamen 
zyne wonden , bekenne myne ellende voor hem, en hy 
duet my gedurig weer wel te vrede en vergenoegd zyn. 

Daar* 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1^61. 221 

Daarom han^ ik hem zo gaarne aan, gelyk een kind zyner 
moeder. " Hierop deedt hy ettelyke vragen aan de toe- 
hoorderen; hoe zy 't hadden, wanneer zy het aangename 
woord van 's Heilands bloed en dood hoorden? 

^. drukte zig in ene vroeg- vergadering, in welke ook et- 
telyke vremden tegenwoordig waren, nopens den dood en 
de ongevoeligheid van het menfchlyk hart, zo lang het niet 
door het bloed des Heiland levendig en gevoelig gemaakt 
is, dus uit: ,, De Heiland heeft door zynen dood allen 
fiienfchen het leven verworven. Niemand kan 'er iets door 
zyne eigene goede gedagten en werken toe brengen ; geen 
fterveling kan een ander hierin beletten , zo dra het hem 
daarom te doen is: doch zelve kan men zig hinderen , om 
dit leven te erlangen , wanneer men zelve niet wil , m 
den Heiland, die onze zielen zoekt, gedurig ontwykt. '" 

£. fprak van de hefde onzes Scheppers , hoe dezelve 
een menfch voor ons geworden zy, hoe vele wonden Hy 
voor ons ontvangen en ons door zynen dood verloft hebbe^ 
Zyne woorden luidden dus : „ Dewyl wy naar ziel en lig- 
haam verdorven zyn, zo heeft hy ook naar ziel en lighaam 
moeten lyden. Dewyl alle onze leden door de zonde be- 
fraet zyn, zo heeft hy alle zyne leden laten verwonden , 
ten einde wydezel ven niet meer ten dienile der zonde, maar 
tot zyne eer , gebruiken zouden. " 

Dezelve begon by ene andere gelegenheid dus: „ Het 
woord van heden , dat gy lieden reeds in 't Morgen-gebed 
gehoord hebt , komt my in de gedagten : Hy is wonder /yk 
in zyne iverken , en wy zien op hem. Wanneer wy ons te 
binnen brengen , wie wy zyn, en waar wy voor vele jaren 
waren, en tevens bedenken, dat we tans voor het grootile 
gedeelte niet alleen met zyn bloed gedoopt zyn, maar dat 
ook velen van ons deelgenoten geworden zyn van zyn lig- 
haam en bloed, en dat we dagelyks zo vele genade genie- 
ten kunnen , zo kunnen we niet nalaten te bekennen , dat 
hy 't met ons wonderlyk gemaakt heeft. Daarover zyn we 
befchaamd en verblyd* Doch vooral kunnen we ons over 
zyne nabyheid verblyden. Ja zeker, hy is ons nader dan 
de klederen , die wy aan hebben. Wy zien hem wel niet 
met onze lighamelyke ogen; dan de nieuwe menfch, wel- 
ken hy in ons gefchapen heeft, die heeft ogen , met wel- 
ken dezelve hem dagelyks in zyne lydens-geftalte zien kan^ 
en zyne byzondere nabyheid innig gevoelen. " 

sa 



mm 



S2S 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



§. 8. 

Dan ten einde men zig van den gaiafchen hoop Cwanteen 
ieder begrypt ligtelyk, dat de mede-arbeiders uitgezogte lie- 
den zyn) een regt begrip make, zal ik tans een berigt ge- 
ven van deszelfs üaat by- en kort na bet intrekken m de 
winter-huizen. Hiervan vind ik het volgende aangetekend : 
„ Hier en daar vonden wy, wel is waar, zaken, die ons 
fmertelyk vielen, en agt perfonen raoeften van het naafte 
Avondmaal terug bly ven ; over 't geheel egter konden we 
den Heiland niet genoeg danken voor de genade en bewa- 
ring, die hy dezen zomer aan de onzen bewefen had , des 
wy doch meer ftofie van vertroofting dan van verlegenheid 
by hen vonden. " By gelegenheid^dat de gedooptèn enige 
weken daarna gefproken werden , zegt men: „ Wy heb- 
ben deze reis aan de harten der gedooptèn ene byzondere 
genade-werking van den Heiland befpeurd. Velen fpra- 
ken met een innig gevoel en vele tranen van den toeftand 
hunner harten. Een van hen zeide, dat zyn hart voorheen 
als een groot en gevuld vat geweeft zy, maar dat de Hei- 
land het tans zo leeghad gemaakt, dat niets meer van ver- 
beelding en verwaandheid in het zelve plaats heeft. Hy 
betuigde, tans zeer wel te vrede te zyn, en in zyne ziel 
een innig verlangen te hebben, naar hem, door wiens bloed 
hy verloft was. 's Avonds hadden wy het H. Avondmaal , 
waarby hondert twe en feftig perfonen tegenwoordig wa- 
ren. Deze reis ontbrak ons flegts een perfbon. *' 

By deze gelegenheid moet ik aanmerken , dat onze Broe- 
ders ten aanzien der Avondmaals-leden zeer naukeurigzyn. 
Ten dezen opzigre zien ze niet zo zeer op een ordentlyk en 
geregeld gedrag , ( want indien tot een waardig gebruik 
van 't Avondmaal niets anders vercifcht werdt, zy zouden 
'er veel meer gedooptèn kunnen toelaten ) dan wel op het 
hongeren en dorden naar de gerechtigheid , op den geeft 
des levens die uit God is, welke geeft het brood des le- 
vens tot zyn beftendig voedfel hebben moet. Wie egter 
in zynen wandel niet ordentelyk en zedig is, of llegts enen 
fchyn des kwaads geeft, die moet ene wyl terug blyven, 
tot dat hy in het licht en met meervoorzigtigheid leert wan- 
delen. Onder de bovengemelde agt uitgeflotenen waren 
cttelykenjdie men van een vleefchelyk voornemen belchui- 

digd 



hi 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1761. 223 

digdhad, 't welk egter naderhand anders bevonden werdt. 
Anderen waren in hunnen wandel onvoorzigtig geweeft , 
en hadden daardoor den heidenen, die op de gelovigen zeer 
oplettende zyn , gelegenheid tot ergernis gegeven : Ene be- 
jaarde vrouws-perfoon had ettelyke ergerlyke maar onge- 
gronde zaken, op loutere vertellingen, niet by hare Lera- 
ren aangebragt , maar onder hare bloed -verwanten ver- 
fpreid. Dewyl nu zulks niet gefchied was uit onweten* 
hcid en onvoorzigtigheid , maar uit enen pharifeuwfchen 
oordeel-zieken geeft , die, om zyneeigenefchande te dek- 
ken , anderen zo gaarn ten toon ftelt , zo moeft ze tyd 
hebben , om zig zelven in den grond te leren kennen. 

Enen zonderlingen indruk op myn gemoed maakten de 
grondige en gevoelige verklaringen nopens liet H. Avond- 
maal , die ik uit den mond van een eenvoudig en in *t 
Heidendom grys geworden man hoorde, en uit welken ik 
opmaken kon , dat ook diergelyke oude lieden zig van zul- 
ke verborgenheden , die zonder een waaragtig leven in 't 
hart niet kunnen gekend noch genoten worden , een een- 
voudig begrip maken , en het zelve in een eerlyk en goed 
hart (wanneer zy 't hebben) bewaren. Van het Poet- 
%vajfcben had deze man nog niets gezien of gehoord, alzo 
hy niet tegenwoordig was geweeft m de gewone onderwy- 
zing der genen , die zedert het Paafch-feeft beveftigd en tot 
het Avondmaal toegelaten zyn, als waar men daarvan ge- 
fproken had. ( * ) Toen hy 't nu dezen herfft voor het cer- 
fte by woonde, zeidehy ettelyke dagen daarna tot een der 
Europeaanfche mede-arbeideren : „Wat, en hoe was het 
toch met die handeling, die voor het Avondmaal gehou- 
den werdt? Daarvan heb ik nog noit iets geweten. " De 
Europeaanfche Broeder vroeg hem : „ Hoe had gy 't by 
die handeling. „ Ach , zeide|hy, ik wiftniet, wat het be- 
tekenen zoude, maar ik dagt, de Heiland zal dat ook wel 
bevolen hebben; en toen my ne voeten gewaflchen werden, 
was ik zo befchaamd, dat ik nauwelyks op de bank kon 
blyven zitten , maar myn hart was naar den Heiland* ge- 
wend , en innig vergenoegd, Eindelyk dagt ik , dit zal het 

zyn 5 



(♦) Wy hebben meermalen reeds aangemerkt , dat de Broeders 
in Groenland aan hunne gedoopten gQne verklaring geven van ene 
yerborgenheid j eer dezdven in Haat zyn, om ze te genieten en ie 
ondervinden. 



ii24 



Croenlandfche Hiflorie 



IX. B, 





iëmw 



zyn , dnt de Heiland my met zyn bloed wafTchen wil. En 
toen was het my, als of ik door bem ze/ven gewaflchen 
werdt. (*) Ik heb den ganfchen nagt veel daar over ge- 
dagt; en 't is my nog wel, wanneer ik 'er om denk. '* 

§>9- 

Van den laatften Gemeente-dag dezes jaars wordt *erdus 
gefproken : „ In het gezelfchap der medearbeideren ver* 
namen wy 'er enen lieflyken naklank van, Zommigen der 
ongedoopten hadden van de Predikatie, ettelyken van de 
narigten uit andere Heiden-gemeenten, en anderen van het 
gebed, enen byzonderen indruk gehad. Een ongedoopt man, , 
die wel voornamelyk om zyner vrouw en kinderen wille 
herwaards getrokken was , was zonder zyn weten in de 
vergadering der gedoopten gekomen , en 'er zo gevoelig 
aangedaan, dat hy kort daarop een volkomen befluit nam, 
om hier te wonen en een eigendom des Heilands te wor- 
den. Zommige meisjes hebben elkander gevraagd 

over 't geen ze in de Katechifatie gehoord hadden , waar- 
by ze zo aangedaan waren , dat haar de tranen in de ogen 

kwamen. Ettelyke vremde Groenlanders, die by 

geval enige kleine meisjes in een huis vonden, waar zy, 
hare boeken in de handen hebbende , zaten en uit dezel- 
ven zongen , werden daardoor zodanig getroffen, dat zy 'er 
ganiche'uren bleven , om te luifteren ; ja twe van deze lie- 
den namen het befluit , om hier te blyven. Van 

enen huisvader vernam men , dat hy de zynen dikwils , 
over 't geen zy in de vergaderingen gehoord hadden ^ 
katechifeerde, en onderzogt, hoe zy 't verftaan hadden. " 

Van de nieuwe In woneren werdt verhaald , dat ene 
vrouw, die eerft onlangs van de wilden herwaards geko- 
men is, tot ene Zufter gezegt had, dat ze altoos by 't op. 
ftaan en flapen gaanbadt,en, gegeten hebbende den Schep- 
per aller dingen daarvoor dankte , want dus zouden ( naar 
ze gehoord had ) de gelovigen doen. Ook was het haai? 
zeer indrukkelyk geweeft, wanneer zy by ene zekere gele- 
gen* 

(♦) In den Katechismus van Lufi[?er wordt in het HoofdHuk 
van de Sleutelen des Hemelryks gezegt : ^, A/s ofjefui Kriftui 
zelve met cm handelde^ " 



Gefch.van Nieuw-Herrnhut. 1761: 

geilheid gehoord had , dat God in 't midden van ons zy. 
Ditdeedt haar ene grote agting voor de gelovigen heb- 
ben. 

By gelegenheid dat 'er gefproken werdt over het woord 
van den dag, uit Num. XIV: 14. Ook de Imvoneren deze^ 
iands hebben geboord -i datgy>, Heer^ in U midden dezes volks 
zyt ; dat gy , Heer , oge aan oge gezien wórdt ; befpeurde 
hien ene zonderlinge beweging ohdei* dé toehoorderen* 
Naderhand werdt ons door de niede-arbeiders berigt, dat 
zy by verfcheidene van onze nieuwe lieden , als mede by 
ettelyken van de bezoekende heidenen een byzonder ver* 
langen naar den Heiland en de getneenlchap der gelovigen 
befpeurd hadden. . Zomiiiigen fpreken gedurig van den doop , 
en velen dromen 'er van. Wy gevoelen tans enen byzon- 
deren geeft der genade in 't midden van ons, en fchooti 
deszelfs zuifen zagt en ftil is^ het is niet te min kennelyK 
cnlieflyk. '* 

$. lÓ. 

Dus was het tegen het einde des jaars gefield. In déti 
cerften beginne van 't jaar had men een padt verblydende 
voorbeelden van Zondaren , die , in 't heidendom oud ge- 
worden zynde , nog ter laatftcr ure gered werden. Hier- 
van fpreekt men dus : „ Den asftèn January in den vf ö^- 
gen morgen-ftond zondt ene oude zieke weduwe twemaat 
tot ons, eu liet met velen aandrang om den doop bidden, 
met byvoeging , dat ze wel onwaardig zy , maar doch niet 
gaarn wilde verloren gaan. Zy was voor twe jaren heir- 
waards gekomen met haren tans reeds zaligen zoon C/(?« 
njéns en twe dogters, die oök reeds beiden gedoopt zyrr. 
Dan zy zelve was niet van voornemen öili zig te bekeren , 
terwyl ze gewonelyk zeide, dat we de haren maar onder- 
\vyferi en dopen zouden , ^y zelve zy röeds te oud , en zou- 
de waarfcliynelyk niet gelovig worden. Doch voor weinig 
maanden ziek wordende en befpeurendé , dat haar verblyf 
in dezen tyd van genen langen duur meer zyn zoude, werdt 
ze verlegen, om dat ze niet wift, waar henen zy ftondt te 
gaan. Des begon ze naar den doop tè verlangen, zydorft 
^r egter niet om verzoeken i uit vrè^e , dat het haar zou 
geweigerd worden, om dat ze zig daar omtrent zo lang on- 
verfchillig getoond had. Eindelyk zondt ze e» liet 'er ora 




226 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



verzoeken, en haar verzoek werdt aangenomen. Ettelykc 
dagen daarna nam de Heiland hare ziel tot zig. 

Ene andere oude zieke weduwe, die den oden January 
gedoopt was, zag hare ontbinding met een zeer blymoedig 
verlangen te gemoet, 't welk ook op den 24ften Jannuary 
vervuld werdt , na dat ze nog hare laatfte uren in ene on- 
gemene vreugde , over de liefde van haren Heiland en 
Verzoener toegebragt had. Ettelyke weduwen hadden 
haar verfcheidene vaarfen voorgezongen, waarover zy zig 
zeerverblyd had, en de fpraak reeds verloren hebbende , 
wees zy nog , gelyk de kleine kinderen , met den vinger in de 
handen , om hare aanklevinge aan de wonden des Heilands 
te kennen te geven. De mede-arbeidfter onder de wedu- 
wen wift gene woorden te vinden om hare vreugde hier 
over , als mede over den gang der genade in haar huis in 
*t algemeen, uit te drukken. 

By 't einde des jaars vondt men , dat de Gemeente niet 
vyf en twintig zielen (waar onder vyftien kinderen geteld 
veerden ) vermeerderd was, terwyl uit de wilden een en 
dartig herwaards gekomen waren. Behalven de zo even 
gemelde twe weduwen waren nog veertien perfonen naar 
de eeuwigheid gegaan , maar dit jaar niemand in de zee ge- 
bleven- Daarentegen kwam "Jonas , Johanans zoentje , een 
jongsken van drie jaren op de volgende wyze om het leven. 
Een groot iluk ys aan het land gedreven zynde , hadden 
zig ettelyke Groenlanderen agter het zelve geplaatfl: , om 
zittende de warmte van de zon te genieten. Onder dezen 
hevondt zig de moeder van- en met het gemelde jongsken ; 
de moeder weg gegaan zynde , om voor het kind water te 
halen , ten einde aan het zelve te drinken te geven , was 
een groot ftuk van het ys door de warmte der zon los ge- 
laakt , en , op het kind vallende, werdt het zelve daar door 
verbryzeld. De anderen , die 'er agter zaten , waren kort 
te voren weg gegaan. Dit geval was te fmertelyker, om 
dat het een byzonder levendig kind was , dat zyne oude- 
ren en deMiirionariflen door deszelfs lieflyk zingen dikwils 
iiad verblyd. 



S* ^^i 



Gefch. van Lichtenfels. 1761. 



227 



I' De arbeid onzer Broederen hoe langer hoe moeijelyker 
wordende, gemerkt zy tans den turf t we en drie mylen ver 
op de eilanden , en het hout dikwerf meer dan vier mylen 
ver aan de uiterfte zee-ftranden zoeken moeiten , fcheelde 
het weinig, of een , zo niet twe , der Europeaanfche Broe- 
deren , te weten ^ohan Sörenfen en Hendrik HükkeU zouden 
hun leven daarby ingefchoten hebben. Want by ene ilyve 
koelte en holle zee willende landen, en de eerfte de rots , die 
hy met den boots-haak bereiken wilde, milfende, viel voor 
over uit den boot enettelyke vademen diep in 't water; de an- 
dere, die hem helpen wilde, glipte langs de flibberige 
rots insgelyks in 't v/ater. Deze klauterde weer de klip 
üp , en de eerfte , onder water zynde , greep de kiel van 
den boot, bragt zig dus boven het water , en werdt door 
ene Groenlanderin weer in den boot getrokken. Den 
ganfchen nagt moeften ze in hunne natte klederen zon- 
der vuur onder een enkel zeil doorbrengen , en wy dank- 
ten den Here , die ze ons • als op nieuws gefchonken 
had. 

.i 12- 



Te Lichtenfels ontbrak het ook den Broederen niet in 
dit jaar aan arbeid, alzo zy een groot woon-huis, benevens 
ene kerk-zaal voor hunne Gemeente, opbouwen moeften. 
Dan , eer ik hiervan breedvoeriger fpreek , zal ik voor af 
iets melden van de uitbreiding des Evangelie onder de hei' 
denen. Daartoe konden de Broeders , in dit jaar , door op- 
zettelyke bezoek-reizen weinig toebrengen, maar moeften 
't meeften deels op het komen en bezoeken der heidenen laten 
aankomen. Want z^^^die aan de ooft-zyde van hun eiland 
woonden, waren otnaar de Broeders, of naar elders ge- 
trokken; en die nader by woonden , waren veel al reeds 
verzadigd, en keerden tot hunne heidenfche levens- wyze 
weer terug, fchoon ze voorheen altoos gezegt hadden, dat 
zy , wanneer de Broeders zig in hunne landllreek kwamen 
neer te zetten, de eerften wilden zyn, die zig bekeerden : 

P 2é des 



5ö8 



Groenlaridfche Hiftorle 



IX. B. 



des men ook hier de waarheid zag, van 't geen de Heiland 
nopens het Koningryk der Hemelen zegt : De eerflen zullen 
de laatflen zyn , en de laatflen de eerflen. 

Ondertuflchen was 't geen by zommigen zonder vrugt 
fcheen gézaid te zyn , niet t' enemaal vrugteloos. Hier en 
daar waren 'er doch zielen, die een vonkje in 't hart ge- 
kregen hadden, 't geen , hoe klein het ook immer was,' in 
de duifternis ghnfterde, en velen tot nadenken bragt. Dus , 
by voorbeeld, had het verlangen, 't welk de bovengemel- 
de Makkigak^ kort voor zyn einde, naar den Heiland en 
de gemeenfchap der gelovigen te kennen gaf, ( by welken 
hy ook wilde begraven worden) by vele heidenen te In- 
fjukfvik zulk ene aandoening veroorzaakt, dat ze tans de 
Broeders vly tiger bezogten, en het Evangelie niet zonder 
zegen hoorden. Wanneer men na eene Predikatie met zommi- 
p;en, die dezelve zeer oplettende bygewoond hadden, een 
géfprek hieldt, kwamen hen de tranen in de ogen , en eeji 
van heti zeide: dat hy tans niet lang van ons zou kunnen 
van daati blyven, alzo hy wel zag, dat het niet genoegzy, 
nu en dan ictwes van den Heiland te horen , maar dat het 
beter zy dagelyks te horen en te zien , hoe vergenoegd 
men by hem zyn' kon. By anderen daarentegen befpeur- 
de men wel fterke overtuigingen; dan ten aanzien van de 
gehele overgave des harten maakten ze nog allerly veront- 
fchuldigingen. Een ongetrouwd mans-perfoon , die eer- 
tyds met de Europeanen reeds vele jaren verkeerd had, ver- 
trok weer , om dat hy zig aan de Groenlandfche koft en moei- 
]eïyt{e levens wyze niet weer ge wennen wilde , erivandes- 
zelfs Leraar geen lighamelyk brood verwagten kon. Een 
der bezoekenden, gevraagd wordende, wat hy, over 't geen 
zo even voorgelezen was, (te weten het XVllde Hoofd- 
Huk uit het Evangelie van Joannes^ dagt, antwoordde: 
„ Het behaagt my zeer wel, maar ik kan my tans nogniet 
bekeren, want ik heb nog zo vele bloedverwanten in 't zui- 
den , om welken ik zeer dikwils denk. Nu heb ik aan hen 
wel laten zeggen ^ dat ze herwaards komen zullen : 
doen zy zulks, daiY koiiae ik tot u en bekere my; maar 
indien ze niet komen , dan moet ik naar hunnent , 
want ik verlange heel zeer naar hen. Ik wil derhal- 
ven niets beloven ^ dat ik niet zeker denk te houden. " Een 
ander bediende zig van de gewone verontfchuldiging, te 
weten, dat hy gene kundigheid had, om hier ter plaatfc 

zeo 



11 



Gefch. van Lichtenfels. 1761. ?2S> 

zee-honden te vangen , wanneer hy ouder en zyne zonea 
groter zyn zouden , zo dat deze zig zelvcn onderhouden 
feonden,-dan wilde hy herwaards trekken. Het zy hem 
intuflchen aangenaam, dat ene van zync dogteren by ons 
woonde en reeds gedoopt zy. „ Ik zelve, zeide hy , ben 
^en arm menfch , (*) zulks weet ik, en Hannefe (dit is 
Bek^ h^eft my 't ook dikwils gezegt. '' 

§. 13- 

Soortgelyke bezoeken had men ook van andere plaatfen , 
en wel in 't byzonder van Kellingeit. Ook zogten onze 
Groenlandfche Broeders , by gelegenheid van hunne nerin- 
ge , de heidenen tot het Koningryk van? God te nodigen. 
Van zommigen geeft men het volgende berigt : „ Zy kwa- 
men zeer vergenoegd te huis , om dat ze gelegenheid ge- 
vonden hadden , van den Heiland met vry moedigheid te 
getuigen. Een oud man had tot hen gezegt : „ Deze 
myne lieden willen gaarn van den Heiland wat horen. '' 

• Hierop vergaderden zig allen, ook velen uit andere 

huizen, by een, en onze mede-arbeider 4* hieldt hen ene 
redevoering van de liefde des Scheppers tot de gevallene 
menfchen, door welke hy zig heeft laten bewegen, zelfs een 
menfth te worden; van deszelfs wandel hier op de aarde 
en van de wonderwerken door hem verrigt ; maar voor al^ 
van deszelfs lyden en derven voor alle menfchen. Allen 
luifterden met graagte en oplettenheid. Met velen fprak 
ijien afzonderlyk , en befpeurde, dat velen een op- 
regt verlangen naar den Heiland hadden ; doch gewonelyk 
vindt men , dat man eö vrouw van verfchillende gedag- 
ten zyn , des de een door den anderen terug gehouden 
wordt. " 

Wanneer ettelyke Groenlandfche Zufters. naar 4e Loge 
gegaan waren, om aldaar enige vrouws-perfonen te bezoe^ 
ken, die niet met de anderen naa^: de Panfery gevaren wa- 

rea 



(♦) Ajorpunga^ ik deug nitt: dit is by den Groenlanderea 
even zo dubbelzinnig als de gewone fpreekwyze : Wy zyn allen 
arme zondaren \ 't geen zo wel ene verontfchuldiging kan beteke- 
nen, waarom incn niet beter wordt ^ ak eue bc^etvaardi^e bely- 
ëeniiFe van zyne ellende. 



230 



Groenlandfche HIflorïe 



IX. B. 



ren en dikwils reeds om bezoek verzogt hadden, werdt 
aan ene oude zieke vrouw, die hare benauwdheid voorden 
dood te kennen gaf, geantwoord : „ Gy hebt in -der daad 
reden benauwd te zyn , om dat gy niet weet , waar ge na 
den dood (laat te komen. Wy zyn even benauwd geweeft , 
eer we den Heiland kenden. Dan zedert dat we^in hem 
geloven en weten, dat hy ons van de vreze des doods ver- 
loft heeft, en dat wy na den dood by hem euwiglyk wezen 
zullen , zyn we voor den dood niet meer benauwd. " 
Hierop zeide de vrouw: „ Ach hoe gelukkig zyi gy he- 
den! '" Zy verzogt tevens , dat men haar nog meer van 't 
goede zeggen zoude. 

§• 14' 

De Zuidlanders naar hunne gewoonte weer naar 't Noor- 
den trekkende, vondtraenook gelegenheid, om de harten 
van zommigen dezer nog t' enemaal woefte Heden door het 
Evangelie gevoelig te raken , en wy hopen , dat wy hier , gelyk 
eerty ds te Nieuw - Herrnbut ^ uit deze heden den beften 
trek doen zullen. Van hunnen bezoek zullen we uit de 
daar omtrent gemaakte aantekeningen het volgende mede- 
delen : „ Den poften Juny kwamen vele Zuidlanders 
om hunne vrinden en bloed - verwanten by ons te be- 
zoeken. Den !26ften kwamen agt, en den sjften twe boten 
met Zuidlanders hier aan , die hunne tenten by ons op- 
lloegen. Dan in de vergadering kwamen weinigen, en et- 
telyke vrou ws perfonen, die in de tente waren , in welke 
de vergadering gehouden werdt , liepen 'er ft:hielyk uit. 
Met ettelyke mans-perfonen geraakte ik in een gefprek 
nopens hun euwig heil, en de reden, waarom wy hier 
zyn. 

Den ^9ften hadden wy een talryk bezoek van Zuidlan- 
deren, die egrer zeer wild en , ten aanzien van al wat goed 
js , byzrndcr lomp waren , ook tevens alle gelegenheid, om 
iets van den Heiland te horen ,als het vuurfchuwden. Zora- 
riii>^i;en waren evenwel nog vry (oplettende, maar het jonge 
volk i^ zeer ongebonden. Ettelyken voeren 's avonds nog 
raar de Loi^^e, alwaar ze met de heidenen hier omftrceks, 
die daartoe nog kift hebben , danzen , en een zing-ftryd 
houden wilden. De overiL^en vervolgden den anderen dag 
hunne reis naar \ noorden.' Daarentegen kwam hier een 

an- 



ü 



Gefch. van Lichtenfds. 1761. 



231 



ander huisgezin van Zuidlanderen aan : deze lieden , die 
magen van Auguftus zyn, waren zeer verlegen wegens hun- 
ne dogter, die een manrlchoon hy reeds twe vrouwen 
heeft, hebben wil , dewelke haaren vader met den dood ge- 
dreigd heeft, byaldien hy ze niet aan hem laten wil. On- 
ze Groenlandfche Zufters verbergden haar voor haren ver- 
volger , die 's nagts kwam om haar te zoeken , doch , toen 
hy ze niet by hare ouders vondt , vertrok, eer wy opgc- 
ftaan waren. Dit meisje wilde gaarn by ons blyven , en 
haar vader ook, maar hare moeder en oudfte broeder kant- 
ten zig hier tegen aan. De laatfte door enen Groenland- 
fchen broeder hier over aangefproken en daardoor kwaad 
geworden zynde, werdt de Groenlandfche Broeder door 
de oude vrouw gedreigd, dat zy hem voor deszelfs onver- 
zogten dienft wel zou weten te betalen. Wanneer nu de 
vrouw van den gemelden broeder kort daarna ene kwaad- 
aardige zwere aan een harer vingeren kreeg , had men 
werks genoeg , om haar te beduiden , dat zy met beto- 
verd zy. ^ . ,, n 

Den 4den July verhaalden ons ettelyke Zuidianders, dat 
voorleden jaar twe vrouwe-boten van de ooft-zyde by hen 
gekomen waren, om enigbondwerk tegen meffen , nadelen 
en ander yzer-werk te verruilen ; deze menfchen waren 
zeer groot van lighaam geweeft , en derzelver taal , wan- 
neer ze met elkander fpraken , hadden zy niet verftaan. 
(*) Een van deze Zuidlanderen was eens te ^teuw- 
Herrnhut reeds geweeft , en had ook een weinig ken- 
nis. Ik gaf hen ïn een kort begrip nog verdere onderng- 
ting van de Schepping, den val, en de verloilmg der men» 
fchen, als mede van het woord der verzoeninge. Noit heb 
• ik Zuidianders gezien, die zo oplettende* waren, als deze. 
Een van hen beantwoordde 't geen ik zeide met aandagti- 
ge gebaarden: wanneer ik, by voorbeeld, van 'sHeilands 
wonden in handen, voeten en de zyde fprak, zo wees hy 
altoos met zyne vingeren naar die plaatten. Hy betuigdi^ 
ook, dat hy en zyne vromv hier zeer gaarn biyven zou- 
den, maar dat hy zig van de anderen niet los maken kon, 
om dat hy zelve genen boot had , en dus niet zyn eigen 
heer en meefter zy. '' 

(*) Hiervan is boven reeds ia 't iVde boek §. 11. breder ge- 
fproken. 



P4 



S- 15- 



mmk 



ti% 



Groenlandlche Hiftorie 



IX. B. 



§• 15* 

De Predikinge van 't Evangelie en het naarftig bezoeken 
der heidenen had in dit jaar zo veel uitgewerkt, dat de In- 
woneren van Lkhtenfeh met een en dartig perfonen ver- 
meerderd werden, en aan vier en dartig uit de leerlingen 
van t voorleden jaar de H. Doop toegediend werdt. De- 
ze onverwagte en Ichielyke aangroei der Gemeente deedt 
de Broeders hartelyk naar meer mede-arbeiders verlangen; 
doch daartoe was in hun toenmalig Groenlandfch huisje 
gene bekwame plaats. Daarenboven was het ook reeds 
zeer bouwvallig, zynde ettelyke malen een ftuk van de muur 
ingeftort, terwyl de zeehond- vellen, die over het dak ge- 
ipreid waren , door de hongerige raven dermaten aan ftukken 
waren gebeten, dat de regen o vera! door. kwam ; ook woei 
inden wmter dikwerf de fneuw zo 'er over heen, en bedekte 
het zodanig, dat men over het dak gaan kon. Met de verga- 
deringen wift men ook genen raad meer. hi den winter kon 
men ze wel m ^t grootfte Groenlandfche huis houden: dan 
wanneer de Groenlanders in de tenten Honden, kon nauwe- 
lyks het fesde deel tevens in ene tente by een komen , terwyl 
het w(?er met altoos zo was, dat men onder den blauwen he- 
mel prediken kon. Hen was wel in 'c voorleden jaar een 
huis beloofd; zy begonnen egter uit' vele redenen te twy- 
felen, of zy \ m dit jaar reeds bekomen zouden. In deze 
onzekerheid dagten ze om de verbetering van hun oud en 
reeds vry wat gezakt huis. Doch toen ze hier mede be- 
zig waren, werden ze den 8ften July met de aangename 
tyding yerblyd, dat het fchip te Freaerlkshaab-.^XiO^tkoxsi^xi 
zy , en hen een huis mede gebragt hebbe. 

§• i6. 

2o zeer zy hier over verblyd waren, zo verleden wer- 
den ze , wanneer zy overwogen, hoe weinig 'er nog van den 
•zomer over was, om zulk een groot huis^opte bouwen, 
gemerkt zy met meer dan drie menfchen waren , van wel- 
ken de een aan een zeker ongemak onderhevig was, 't welk 
h^m verpligtte, zig van de minfte fterke beweging te was- 
ten. Daarenboven hj^dden zy in 't geheel gene toebereid- 

fe- 




■^ 



Gefch. van LicHtenfels. 176 1. 



233 



felen tot den bouw kunnen maken, om dat ze eerft het ant- 
woord nopens de zwarigheden , die zy ten aanzien van de 
plaatfe opgegeven hadden , als mede de grond-tekening^van 't 
huis, afwagtenmoelften , alzode fchipperditaan denGroen- 
landfchen Poft-Kajak niet had willen toevertrouwen. Wan- 
neer zy nu zulks den lóden July, en tevens, naar gewoon- 
te, het tekft-boekje dezes jaars ontvingen, werden zq inhun^ 
ne verlegenheid en zwakheid zeer opgebeurd door de ver- 
maning van dien dag , dus luidende: Gy zult gedenken des 

Heren ^ uwes Gods^ dat by 't is^ dien kracht geeft op 

dat hyzyn verhondheveftige: — - gelyk het ten dezen dage 
is. Deuter.Vill: 18. „ Ach, dat myn hart dit noit vergat.'^ 
Dus floegen ze met vreugde handen aan *t werk, en lei- 
den op den i8den July, terwyl even vyf Grc^enlandfche 
Broeders van de plaatfen hunner neringe ten bezoek geko- 
men waren, onder gezang en gebed den grondfteen van dit 
huis , met wenfch, dat de Heer het werk hunner handeu 
gelieve tê zegenen ; dat Hy allen , die 'er aan arbeiden 
zouden, voor rampen beware, het huis tot ene lieflyke wo- 
ning des vredes, tot een tabernakel van zegeningen, en toe 
een huis make, in 't welk zyn naam moge geëerd, zyne ver- 
dienden en lyden tot aan 'c einde der dagen verkondigd , 
en door de heidenen -tot hun euwig heil aangenomen wor- 
de. De arbeid ging egter maar Hapjes voort , want de 
^rond zeer oneffen zynde en aan den enen kant naar bene- 
den hellende, moeden zy aan dien kanteerft ene muur tien 
voeten hoog metfelen , en vervolgens den grond met fte- 
nen en aarde vullen , om denzelven over 't geheel gelyk te 
maken. Hiertoe werden vele menfchen vereifcht, die zy 
in den beginne niet hebben konden, en ook niet eer kre- 
gen, dan wanneer hunne Groenlanders van de haring- 
vangd te huis kwamen, die hen dan getrouwelyk hielpen, 
door ftenen en aarde aan te brengen , dewelke zy in hun- 
ne oude klederen, die ze in plaats van zakken gebruikten, 
op den rug droegen. Omdertuiïchen was ^e^s flaven van 
Nieuw- Herrnhut tot hunne hulp aangekomen, en d.eichip- 
per , zynde dezelve, met welken zy voor drie jaren her- 
waardsgekomcn waren, verligtte hunnen arbeid niet alleen 
door, in plaats van het hout ene halve myl verder na by de 
Loge xt lofTen, een haven inde nabyheid van de plaats, 
waar gebouwd werdt , volgens de gunftige aanwyzing der 
H^ren Direfteuren, te zoeken ; maar daarenboven was het 
hem ene vreugde 5 dat hy, benevens zyn in§gelyks zeer ge- 

P 5 wil- 



iU 



Groenlandfche Hiftorie 



IX-. B. 



'I 



II. 

.'.iif 




MÉ 



willig volk het hout aan 't land kon brengen, en, toen 
hy naar de Loge zeilen moeft , den Broederen ettelykcn 
van zyn volk, die hy miffen kon, laten, om hen in 't op- 
zetten te helpen , waar mede zy dan ook binnen drie we- 
ken, en dus, in aanmerking van het intuffchen dikwerf in- 
gevallen üegte weder , ongemeen fchielyk klaar raak- 
ten. C*) 

§• 17- 

De vier Broeders waren vervolgens mét allen vlyt in 't 
voltoijen van het werk bezig, en bragten het in den begin- 
ne van October zo verre , dat zy twe kamers met vreugde 
bewonen en hunnen goedertieren Heer van harte danken 
konden voor de verleende kragten en de afwendinge van 
alle onheilen of merkelyke ongelukken; want, fchoon ze niet 
zonder gekwetfte handen bleven , werdt egter de bouw- 
meefter, vanboven neer vallende op ene zonderlinge wy- 
ze bewaard. Ook vergaten ze niet , de weldoenders voor 
dit gefchenk , als mede de bevorderaars der overzending 
en der opbouwinge voor derzelver gedienftige handreikin- 
ge , den Here tot ene genadige vergeidinge aan te beve- 
len. 

Intuffchen was de Miffionaris ^oBan Bek met deffelfs 
vrouw van Nieuw- Hermhut aangekomen, om te gelyk 
mtXiMatthaeusStachditïGtmtQim^ met het Evangelie en met 
de nodige ziel-verzorging te dienen. Om met het aankwe- 
ken van Vee een begin tot enige verligtinge van de huis- 
houding te maken , bragte de eerftgemelde drie fchapen 
mede, Vdioon de arbeid der Broederen daardoor enigzins 
vermeerderd werdt, alzo zy het nodig hooi voor een lan- 
gen winter van alle kanten by een zoeken moeften. Daar- 
benevens moeiten ze ook nog brand-boutin de eilanden zoe* 
ken. Zy bragten 't egter in 't uitbouwen van de Kerk- zaal , 
fchoon ze dezelve, uit mangel van planken , niet dan ter 
helfte bcvlocren konden, afs mede in 't weg ruimen van 't 
vorige woon-huis , 't welk voor de ene deur van 't huis in 
den weg ftondt, zo ver,datzeop den iften November met 

hun 



(*) Het huis was te Kopenhagen t' enemaal in gereedheid g«- 
bragt , eii behoefde flegts opgezet te worden. 



Gefch.vanLichtenfels* I76r; 235^ 

hun Groenlandfch volk de inwying van de Kerk-znal met 
vreugde vieren konden* ^r. . . . -n/r 

Deze dag viel op den 24ften Zondag mTrimtatts. Mat^ 
tiMus 5/^.f hieldtdeinwyings Predikatie over het woord 
van dien dag: Henoch wsindelde met God^ Cjenei. V: ^i. 

Ik zal als Jefus eigendom 
' Met; mynen fchoonften Bruidegom 
In eeuw'ge liefde leeven. 

De Predikatie geëindigd zynde viel hy met de Gemeen- 
te op dekniën, en badt den Heiland, dat het hem behage^, 
deze. zaal en dit huis met zyne beftendige tegenwoordigheid 
te heiligen, het getuigenis van zynen dood met zyne god- 
delyke kragt te paren, zyne verdienden aan ene iege!yke 
ziel door den H. Geeft te verklaren , en zig, in 't byzonder 
by de H. Sacramenten , als de behouder en het hooft zy- 
nes lighaams, te verheerlyken. y, r r. 

De Namiddags-predikatie werdt door Johan Bek gehou- 
den over Openb, II: 9. Ik weet uwe armoede. Vervolgens 
werdt een liefde-maal van gedroogde haringen gehouden 
met alle inwoneren, wier getal honderd zevenen darng 
uitmaakte; te weten zeven en dartig,die van Nieuw- Her rn^ 
hut herwaards getrokken waren, en een honderd, die ni 
de drie jaren uit de ongelovigen by gekomen waren. By 
het liefde maal werdt het LXlte Hoofdft. uit Jefmas : maakt 
uop^ wordet verlicht enz. gelezen, en tevens aangemerkt^ 
dat de benoeming dezer plaats, Licbtenfels , gefchied zy 
met betrekking tot de gemelde grote belofte van de beke- 
ringe der heidenen. Eindelyk werdt een éoox Johan Bek ^ 
naar aanleiding van Jef. LX. op dit Feed vervaardigd 
Groenlandfch lied voorgezongen, 't geen ik hier met ene 
woordelyke vertaling plaatfe. 



Wyze : 



n6 



Groenlandfche Hifloric 



IX. B. 




Wyze: Myne weide zy^ o lief ft e Heer el 

Daar ik 's bemeh goed in [maak , enz. 



I. 



I. 



Kaulerftnniarit , Kaumarfuk- Word fchielyk verlicht, want 
fit het licht 

Tikkiumet illingnut Komt tot u 

Nalekabh pijfnfomarpdtit En de Heer wil u leiden 
AugHngnut^ Ikkiminuti Tot zyn bloed, tot zync 

wonden : 
Ardlagut innuit terfanétut Eertyds waren de menfcheu 

hier 
Manor fmagalkarei Tartub'^ Door de duifterniffe ingeflo- 

ten ; 



Mahnakulle Kaumarfok 
Illingnut nuilerpok. 

Uitit kennerniardlutillö^ 

Innuit ornigmatit 
ïlUgengniaromavlutillo 

Tipeitfukfinnarauit 
XJmiello piginnaungormyput 
Uli2Stit Akullugit illingnut 

Auanga^ Kauangalo 

Finga uJforMugo, 

3- 
Siorncet Innukajuitfoüt 
Neijornekaratillo : 



Tans egter begint het licht 
Ovcru op te gaan. 



Heft uwe ogen rondomme 
op, en ziet 
Hoe de menfchen tot u 
komen 
En metu gaarn gemeenfchap 
willen hebben ; 
Om dat gy altoos blymoe- 
dig zyt. 
Ook maken zig verfcheidenc 

boten gereed 
En rigten eenparig hunnen 
weg naar u 
Uit het noorden en het 

zuiden, 
Uit het ooiten , met lof zin- 
gen. 

3- 

Voor ettelyke jaren zyt gy 
woellen ledig ge weèil 
En hebt gene inwoners ge- 
had: 

Mahna- 



Geffeü. tM LicFitenfels. ifóu ^37^ 

Mahnak ilTerhmfauitit Maar rans zal men tot u in- 

gaan 
Manniardhitilh. En u beminnen. 

Mattoma Kingormlo innuit En voortaan zullen de men^ 

fchen 
Tamarmik taimaromarpdtit Allen U noemen 
Karfomik Kaumarfomik Den verlichten berg , 

Nalekab neijormath. Om dat de Heet by \i 

woont. 



^efua ! Kenauvitfam mahna Ach Jefus ! hier voor lïw 

^ aangezicht 

Kattiffimarfarpogut^ Zyn we tans vergaderd, 

K^trauvlgekkMutit tamaüu Ten einde u eenpariglyk te 

danken, 

Piffïarangautignt Om dat gy ons gekocht 

hebt 

Annïarmk ,^ Amgniglo ik- Door uw lyden , bloed en 

kingnik: wonden: 

Ahkfarnut Umattivut pi- Tot ene betahng neem onze 

kit'-, harten, 

Üdhillo nungulïugit Dagelyks en altoos 

llluarfarniakiu Bereid dezelven. 



Terfanllo XJdlut nunguUugit 

Kattïfmeijfss gaitta; 
Tokkungnik Amgniglo An- 
niarnik 

Okkallungniarlata 
Nakktut tamafa mijungikit 

Aftnèrnermgïo ajunginnèr' 
mik 
Siuteillo Umcstteit 
Angmartinniakin-eh l 



Wanneer we hier van dag 
tot dag 
Zullen vergaderd zyn ; 
Van uwen dood, bloed e^ 
lyden 
Doe ons fpreken. 
Wees allen toehoor deren 

naby ^ 
Ëii door den Heiligen Geeft 

Hunne oren en harten 
Wilt toch openen , ach be- 
minde t 

6. Td^ 





^38 Groenlandfche Hiflorie IX. B, 

6. 6. 

Tava Umkeillo Inufult Dan zullen de ouden en de 

jongen 
IJfiketth puttorfut Uwe doorboorde voeten 

Kunnik far omar peit Kodlin- Kullen met tranen , 
nermik 
Nachoginginmutigut ; 



Illageengnuik pijfipantigut , 
TipeitfungakuUuta ilUngnut ^ 

Mat t oman et i Uut a 
lllingnik ajfavluta» 



Dat gy ons niet veracht 
Maar tot de Gemeente ge- 

bragt hebt , 
Ten einde we ons overuver- 
blyden, (of door u 
zalig worden) 
En zo lang we hier zyn 
U lief hebben. 



Attatarputl Sernigirfartigut 

Parinniardlutalo 
Gum Anernera pauvkerfarti- 

TeJJiorfardlutalo 
Sauarkam ikkénut Auanulïo 

Aniartitómut Timanuïïo l 

Annaurfirferput 1 Aungnik 

Umattivut tennikit ! 



Onze Vader ! befcherm ons 

En behoed ons ! 
O Heilige Geeft! verzorg ons 

En leid ons by de hand 
Tot des Lams wonden en 

bloed 
En tot deszelfs gemarteld 
lighaam ! 
Onze Heiland ! door uw 

bloed 
Wilt onze harten zalven! 






§. 18. 

De Broeders dus ene wel ingerigte woning, en deOroen- 
landers ene fchoHe en ruime vergader-plaats gekregen heb- 
bende , kon de predikinge van 't Evangelie en de daar me- 
de verknogte Gemeente^ en koor- vergaderingen , Liturgien 
engezelfchappen^ligteren in ene betamelykere orde dan 
voorheen gehouden worden, en men befpeurde, dat de 
Heer een behagen vondt, in deze plaats te wonen . in 't 
iTiidden van zyne kinderen te wandelen en zyn aangezicht 
m genade over hen te doen lichten, 'twelk men beter fma- 
ken en genieten, dan befchryven kan. Ongetwyfelt moet 

het 



mm 



Gefché van Lichtenfels. 1761. 



^39 



het enen getrouwen leraar tot ene zonderlinge vreugde 
ftrekken, wanneer hy by 'c verkondigen van 't woord ,- en 
by de bedieninge der H. Sacramenten een zagt en lieflyk 
zuifen des Geefles onder zyn volk befpeurt , enen dauw 
van den Hare, die hem tot een zeker voorteken ftrekt, 
dat het woord niet vrugteloos op de aarde gevallen, maar 
door het bloed des Heilands befprengt zy , en op zyn tyd 
vrugt ftaat voort te brengen. Wanneer hy dus het zaad 
nu hier dan daar ziet opkomen, en, hoe wel onder aller- 
ly afwiffelingen groeijen en ter ooftinge ryp worden , het 
kan niet nalaten deszelfs hope te doen toenemen , en hem 
op nieuws ter plantinge en nat makinge aan te moedigen. 
Én dit is 't geen, waar van ik hier nogmaals iets melden zal 
tot roem van den Heiland, die beloofd heeft , dat hy met 
en by ons zyn wil tot aan de voleindinge der wereld, niet 
alleen met en by de uitverkorene eerfte getuigen, ik me- 
ne de Apoftelen, maar met en by allen, die door hun 
woord in hem geloven zuilen. 

§• 19- 

In de 2]s:emene vergaderingen, die in de week gehou* 
den werden , werdt, in plaats van ene redenvoering over 
ene Bybelfche fpreuk, eenftuk uit de Evangeliften en de 
brieven der Apoftelen voorgelezen , en kortelyk opgehel- 
derd. De Groenlanders waren hier omtrent zeer opletten- 
de, en het had, behalven den gemeeBzamen zegen , ook 
deze nuttigheid, dat ze 'er dikwils onderling van fpraken ^ 
den waren zin en het nuttig gebruik van de een of andere 
Itoffe met elkander nafpeurden , en , wanneer ze het een 
of ander niet regt begrepen hadden, om nader onderrigt 
vroegen. In de aantekening van het Paafch-feeft wordt 
het volgende gezegt : „ De eenvoudige gefchiedenis van 
het lydèn, fterven en de opftandinge des Heilands heeft zig 
in deze dagen zeer kragtig aan de harten bewezen en in de 
huizen tot'vele zalige gefprekken aanleiding gegeven. Et- 
telyken kwamen om te vragen, wat de Heiland door den 
beker begrepen hebbe, welken hy gebeden had, dat zyn 
Vader van hem wilde weg nemen ? En wanneer men hen 
zulks verklaard had , zeide een van hen ; „ Dit is juift de 
fioffe, die my zo dikwerf tranen afperft, " -~- Den 2dm 
Paafch-dag hielden we met ons ganfch volk een liefde- 

maa! 



^2 



^k 



'm 




540 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



maal van Angmurfet, Wy hadden toen juift in het lezen 
van de Paafch-geïchichte het verhaal van 's Heilands open- 
baring aan de zee van Tiberias , wanneer hy ook met zyné 
difcipelen ene niaaltyd van vifch hieldt en Petrus nopens 
deszèlfs liefcte onderzogt; 't welk den Groenli^nderen zeer 

indrukkelyk was. By ene andere gelegenheid ver- 

zogten de weduwen een nader onderrigt van het Ilde 
Hoofdftuk in de Handelingen der Apoftelen : wanneer ik 
hen nu zulks verklaard en vervolgens gezegt had, dat ze 
heden van de uitftortinge des H. Geeftes horen zouden , 
waren zy 'er zeer verblyd over en konden den bepaalden 
tyé nauwelyks inwagten. Dit werdt ook met ene zonder- 
linge graagte aangehoord , en de aanmerking nopens de eens- 
gezindheid en gemeenzaamheid der gelovigen werdt met 
opene harten ontyangen. De gefchichten van Annanias 
en Saphira^ van PüuIus bekeringe , als mede die van den 
Stokbewaarder, en L'^dia , en eindelyk Paulus affcheid van 
de gemeente te Epbefen , gaven insgelyks aanleiding tot 
nutte zamenfpraken. • 

In de vergadering der gedoopten werdt voorn amelyk over 
de Litany gehandeld , en zo wel de onbekende woorden , 
(want by den Groenlanderen moet men nieuwe en dus on- 
bekende woorden maken, alzo zy gene geeftelyke taal heb- 
ben ) als elke bede in 't byzonder verklaard. Aller harten 
en oren waren by deze gelegenheid geopend. Op ene an- 
dere plaats vindt men het volgende aangetekend : ,, Onze 
lieden zyn zeer leergierigen willen gaarn zeer veelinhun- 
ne gedagtenis bewaren. Ik beantwoorde hunne vragen met 
genoegen, ziende dat daar door de arbeid des H. Geeftes 
aan hunne harten bevorderd wordt ; dan by dat alles doe ik 
hen het ene noo4zakelyke gedurig in 't oog houden , hen 
dikwils het voorbeeld der eerftelingen dezes volks voorhou- 
dende, vooral dat van den zahgen 5^^//^/, Sarah tn Ju- 
dith , welker gedagtenifle nog by hen lieden in zegeninge 
is, en die by derzelver niet zeer ver gevorderde kennifle, 
als ten welken opzigte dezelve tans door velen , die nog 
niet tot den Doop aangenomen zyn, overtroffen worden, 
zulk ene tedere liefde tot den Heiland hebben doen bly- 
ken , en door hun woord en wandel den heidenen tot zul* 
ke ftigting geftrekt hebben , dat zy daar door zeer veel 
tot de grote opwekking onder de heidenen toegebragt heb- 
ben. '' 
Van de eerfte Gemeente-dagen (welke plechtige én al- 
toos 



i 



Gefch. van Liehtenfels. iy6i.' 



^4* 



toosby uitnemendheid gezegeFide vergadering ter dezer 
plaatle niet, dan na de opbouvvinge van de Kerk-zaal,kon 
gehouden worden ) wordt het volgende gezegt : „ De on- 
zen waren ongemeen verblyd over de narigten van derzel- 
ver zwarte en bruine Broeders en Zufters , te weten de 
Negers in de Weft-lndifche eilanden en, de Indianen iii 
Noord- en Zuid- ^//2mc^. Ook waren zè allen te huis ge- 
.bleven, ten einde niets te verzuimen, en den volgenden 
dag kwamen velen van hen en zeiden , hoe wel zy 't gis- 
teren in alle vergaderingen gehad hadden ; 't geen 's a- 
vonds in de gezelfchappen nog kennelyker bleek. Wy 
vernamen tevens, dat hen de dagelykfe uit de H. Schrift 
genomene woorden tot enen wezendlyken zegen (Irekken, 
en datzy, die het morgen-gebed niet bywonen kunnen , 
de anderen ten eerften vragen : hoe de erinnering van het 
Goddelyk%vöord(A\JiS noemen ze de kusoïétn text des dags) 
luidt, en zo iemand dezelve niet wel verftaan heeft, die 
vraagt 'er op nieuws naar. Een van hen zelde in zyn gc« 
zelfchap, dat hy heden, in dtn Kajak zynde, veel gedagt 
had over dit woord :,, Hy doet naar zynen wille met het 
beir des Hemels en de inwoners der aarde, " Dan^ IV. 35» 
. Ten aanzien van de gezelfchappen vind ik op den kiften 
December deze aantekening : „ Een der onzen , gevraagd 
wordende , hoe hy den Heiland had leren kennen? gaf 
zulk een bondig antwoord nopens de verandering van zyn 
hart, en de vreugde, die hy ondervonden had^ wanneer 
de Heer Jefus zig het eerfte maal in zyne lydens-geilalte 
aan deszelfs hart geopenbaard had, dat men 't niet horen 
kon zonder zeer kennelyk en met blydfchap te befpeuren , 
dat het niet van buiten geleerd was, en dus als ene les op- 
gezegt werdt ^ maar dat hy uit ene wezendlyke bevinding 
fprak. Wanneer vervolgens alle de anderen gezegt had- 
den, wat zy daarvan by ondeivindinge kenden, deedt de 
eerile een harteiyk gebed. " 

Van de nieuw-gedoopten wordt dus gefproken : „ Hun- 
ne zielen worden van dag tot dag x'Srlichter en hunne har- 
ten gevoeliger. Wat ze "van den ommegang met den on- 
gezienen vriend hunner zielen horen , wordt hen allengs- 
kens kiaarer,en zy beginnen zelven nopens den toeftand 
hunner harten met Hem te fpreken, -^ — - Een van hen 
kwam by ene zekere gelegenheid, enigzins bedroefd^ by enen 
Èuropeaanfchen Broeder, en dewyl deze bemerkte, dat 
de andere hem wat zeggen wilde, zo kwam hy denzelven 

IlL Deel. Q te 



242 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



te voor en zeide : gy wilt ongetwyfeld een pleifter heb- 
ben? (want hy had ene vry grote zwere) Ach neen, 
was het antwoord, dat is tans niet de reden van mynekom- 
(le. Hierop begon hy dermaten te fchreijen , dat hy een 
geruimen tyd geen woord voortbrengen kon : eindelyk 
bragt hy met wee^noed deze woorden voort : Ach ik el- 
lendige ! ik heb nog zeer weinig gevoel van den Heiland 
en zyn bloed, en niet te min befpeur ik, dat hy my zeer 
liefheeft. Daarover heb ik genoegfaam .dezen ganfchen 
nagt, in tranen toegebragt. " 

Aan de ongedoopten en leerlingen (van welken een mede- 
arbeider by zekere gelegenheid zeide : zommigen van hen 
2yn als of ze reeds gedoopt waren ) arbeidde de genade 
insgelyks zeer kragtdadig ter overtuiginge van hunne ellen- 
de. Eenen derzelven , in enen kleinen boezem van de zee 
zynde, vondtm.enin zynen Kajak fchreijende zitten. Wan- 
neer een Groenlandfch Broeder hem vroeg, wat hy aldaar 
doe? zeide hy: „ Ach wat ben ik een ellendig menfch! 
Ik denk om 't geen onze leraars van den Heiland, en de za- 
ligheid der genen , die Hem kennen, zeggen, en dat myn 
hart zo leeg van Hem is ! '' 

De getrouwe Herder, die een arm verloren fchaap niet 
lang kan zien fchreijen, ontfermde zig wel haaft over de 
zen ouden man, want hy kwam kort daarna onder de leer- 
lingen, en werdt ook niet lang daarna gedoopt. 

§. 20. 

Wat de uitwendige omftandigheden dezes jaars aanbe- 
langt, de koude was tot omtrent het beginvan May ze 
ftreng, dat in zommige ftreken alles met ys bedekt was 
en de heidenen in groten nood geraakten. Vooral had- 
den ze in 't zuiden zulken honger geleden , dat velen ge 
Horven waren , gemerkt het land t' enemaal door het yi 
bezet en 'er tevens ongemeen veel fneuw gevallen was. Ze 
dra weer open water werdt, wilden ettelyke heidenen ui 
de Fiffcher-Fiorde naar een gezelfchap van vrolykheid ei 
vermaak varen , werden egter door enen plotfeling onftaar 
ftorm overvallen, zo dat zy ter nauwer nood het land kre 
gen. En dewyl ze twe dagen en enen nagt in de felftekou 
de onder den blauwen hemel toe brengen moeften , gemerk 
zt gene tenten mede genomen hadden , werden ettelyker 

ze 



mm. 



Gefch. van Lïchtenfels. I7ëi» 243 

zo ftyfen gevoeleloos, dat men ze naiiwelyks door klop- 
pen en trekken ('tween by zulke omftandigheden een ge- 
woon gebruik der Groenlanderen is ) tot hen zelven bren- 
gen kon. Wanneer nu, deze lieden dit geval aan ene ge- 
doopte verhaalden , nam dezelve deze gelegenheid waar, 
om hen wat yan het genoegen der gelovigen , die den Hei- 
land kennen en beminnen, te zeggen. 

Te Licht enf els hadden zy in den beginne van \ jaar zulk 
ene voorfpoedige neringe , dat by ffil en moi weer menig- 
maal tien zee-honden op enen dag aanland gebragt werden. 
Dan , de koude en het ys tegen het voorjaar weer toene- 
mende, kreegen zy 't insgelyks vry wat fchraal. (*) Zie 
hier 't geen op den 8ften April aangetekend wordt : ,, Na 
(Je avond-vergadering ging ik door het grote huisden zag, 
hoe de Groenlanders hun avond-maaltyd klaar maakten. 
Myn hart had een innig medelyden met de armoede van 
zommigen. Twe weduvs/en met hare kinderen hadden een 
blad van zee gras in de hand, en hier mede moeften ze 
gaan flapen; zy waren 'er egter zo wei mee te vrede , voor- 
al de laatft gedoopte Naèmi met haar zoon, dat ze nog 
noit over gebrek geklaagd hebben, ik vernam flegts door 
de anderen, dat ze niets hebben, dan 't geen zy by laag 
water aan d^tn oever der zee opzoeken , te weten fchulp- 
viffchen en zee-gras. 't U waar ,zy helpen elkander zo goed 
ze kunnen, en wanneer iemand enen zee-hond vangt, zo 
krygen allen, die in \ huis zyn, 'er wat van; doch wan- 
neer een zee-hond in m.eer dan zeventig delen verdeeld 
wordt, dan worden de portien zeer fober, te meer in de- 
zen tyd, daar de zee-honden, die gevangen worden, jong 
en klein zyn, dewelke nu ook haaft dieper in de zee gaan. 
Den volgenden dag deelden wy nogmaals onder de armen 
Angmarfet uit , die we gewonelyk in den zorner vergade- 
ren, óm 'er de behoeftigen mee te helpen. Doch totliier- 
toe hebben wy, uit mangel aan huizinge, niet veel kunnen 

be- 

(*) De Fiorde ene wyl door dryf-j^s t' eiiemaal bezet T^m^(^^ 
zag men op nieuws de hand der albedierende goddelyke Voor-' 
zienigheid zeer kennelyk. De zee-vogelen , dieniet wel vliegen 
kunnen, maar onder water duikende hun voedfel vinden , moeden 
op het land vlugten : dewyl ze nu door den fneuw geblind wor- 
den , werden ze door de Groenlanderen , die wegens het ys oies 
op het water konden komen , levendig gevangen. 



— ^^a^mm 



244 



Groenlandfche HiHiorie 



IX. B. 



bewaren , en door de vogtigheid hebben de Groenlanders 
ook veel daarvan verloren, omdat ze zulk een pi-aviant- 
hiiis , als te Nieuw-Herrnhut^ niet hebben; (^ts ze, aan *t 
geen men anders hetdagelyks brood noemt, groot gebrek 
lyden. '* 

Daarentegen was de ncringe der Groenlanderen in den 
zomer en den herfft zo ryketyk gezegend, dat de koopman 
den ganfchen winter werks genoeg had, met het gekogte 
zeehond' fpek af te halen en te bergen. Hy toonde een zon- 
derling genoegen daarover , dat de handel , zedert dat de 
Broeders zig aldaar nedergezet hadden, van jaar tot jaar 
dermaten toegenomen had, dat hy tans van onze weinige 
lieden even zoveel, als eertyds, en ook nog in dit jaar, uit 
de gehele landftreek , gekregen had. Volgens zyn zeggen 
beliep het omtrent honderd en veertig tonnen , en hy hoop- 
te, dat het voortaan jaarlyks nog meer toenemen zoude, 
vooral indien de Gemeente , gelyk te Niemv Hermhut ge- 
fchied was, door aankomelingen uit de uiterfte geweften 
in 't zuiden vermeerderd werdt. Men moet hier egter ook 
aanmerken , dat dit jaar een voor de Groenlanderen van 
deze landftreek ongemeen gelukkig jaar geweeft zy , en 
dat de vangft een ander jaar liegt uitvallen kan. 

§. 21. 

Ten befluite zal ik nog melding maken van ettelyke by- 
zondere reddingen , die de Groenlanders in levens-gevaren 
ondervonden hebben. Een onbedreven jongeling bleef 
met zynen Kajak niet ver van het huis in 't ys zitten, zo 
dat hem niemand te hulpe komen kon. Na ettelyke uren 
lieen en weer gedreven te hebben, kreeg hy eindejyk zo 
veel opening , dat hy het land onbefchadigd bereiken 
kon. 

Twe mannen, in een zee-boezem op het ys zynde om 
zee-honden te vangen , en intuffchen ene menigte van Pa- 
tryfen op enen berg ontdekkende, waagden zig al te ver 
aan den fteilen kant des bergs. De ene glipte op een met 
fneuw bedekt ftuk ys , doch , door een ftuk bevrozen aar- 
de in 't vallen aan te grypen , redde hy zyn leven. Want 
beneden ftonden zulke puntige en fcherpe rotsflenen , te- 
gen welke hy t' enemaaf zoude verbryzeld geworden zyn. 
IJy zeide, dat hem, over end gekomen zynde, teneerften 

inge-. 



Gefch. van Lichtenfels* 1761. 



245 



ingevallen zy: Dit heeft gewifTelyk de Heiland gedaan, 
die heeft my behouden ! By die gelegenheid verhaalde hy 
veifcheidene voorbeelden van de hulpe, die hy , nog on- 
der de heidenen wonende , in de uiterfte gevaren, op des- 
zelfs gebed van den Heiland verkregen had. 

Een Groenlandfch mede-arbeider, als bode n2L2Lr Gedhaab 
gezonden zynde, werdt op deszclfs terug reis door ftorm 
op ene der gevaarlykfte plaatfen overvallen , des hy en dts- 
zelfs reisgezel, wiens Kajak ene fcheur gekregen had, ter 
nauwer nood het land bereiken konden. Zy moeden den 
nngt onder den blauwen hemel in ftorm en jagt-fneuw door- 
brengen. Hy badt dtn Heiland om goed weder ter voortzet- 
tiiige van hunne reis; en toen het weder tegen ogtend t' ene- 
maalbedaarde, zeide deszelfs nog ongedoopte reisgezel met 
vele aandoening: „ Nu vernemeik in der waarheid , dat 
de Heiland het gebed der zynen verhoort. *" 

Wy hebben nog van een paar natuurlyke gebeurteniffen 
een weinig te melden. Den ir^den November hadden we 
hier vroeg ene verduiilering der Maan , waardoor te agt 
uren de Maan t' enemaal verduifterd was. Zy kon hier 
gezien worden, om datdenagten in dezen tyd van 't jaar 
op deze hoogte reeds vry lang zyn. Inden Kopenbagenfcken 
Almanak was deze verduiilering in 't geheel niet aangete- 
kend, en in den Berlynfcbên was ze als onzigtbaar , te we- 
ten na half een uur 's namiddags, opgegeven; waaruit men 
den afftand tufTchen den raiddaglyn van deze plaats en dien 
van Berlyn opmaken kan. 

Een oud man, die door het voet-euvel zeer gekweld is, 
wilde zyne voeten open fnyden, ten einde ,zig enige ver- 
ligtingte verfchaiFen. Doch zyne vrouw kwam en badt om 
genees-middelen, Dewyl men nu daarvoor niets wiiï te ge- 
ven , zondt men hem enige voorhanden zynde droppelen in 
een weinigje brandewyn. De Groenlander gelovende, dat 
dit genees-middel onfeilbaar helpen moeft, werdt kort daar- 
na van deszelfs pvnen en zwelling bevryd. De minfte ver- 
andering van fpyzen kan den Grbenlanderen tot verligting 
in ene ziekte ftrekken. Een ftuk gemeen roggenbrood, of 
wat gort doet by hen zo veel , als de koftelykite artfenyen 
hy anderen, vooral wanneer zy 'er hevig naar verlangen, 
en 'er zig met ene valle overreding veel van beloven. 



Qs 



HF^ 



S4Ö Groenlandfche Hifto|rié IX, B. 

HET DARTIGSTE JAAR 

I 7 6 2. 

I N H O U D. 

I. VAN LICHTENFELS. 

§, I, Het bezoeken der beidenen wordt in zegeninge voort* 
gezet. 

§. 2, Vele geraakte heidenen hegeven zig naar de Gemeen^ 
te^ gaan egter ten dele weer te rug. 

§. 3. Uitvoerig herigt van een talryk bezoek van Zuidlan^ 



§. 4. Vele Zuidlanders zetten zig daar om fir eek s neder ^ 
geven egter weinig hope van hunne hekeringe. 

§. 5. Kragtdadige betoninge der genade aan de gelovigen , 
zo wel in de openbare vergaderingen als in de huis* 
oefeningen. 

§. 6. Voorbeelden van de kragtdadige genade * werking 9 
vooral in de fcbolen m katechifatien. 

g, 7. Als mede onder de ongedoopt en en afgewekenen. 

§. 8. Zonderlinge leidingen van ettelyke gedoopten. 

§. 9 Der Mijjionarijfen velerly uitivendigs arbeid. 

§. 10. Aanmerkingen ter gelegenheid van zommige ontjla- 
penen. Het bly moedig einde ener gnlangs gedoopte jon- 
ge dogter. 



'<:' 




IL VAN 



m 



Gefch. van Lichtenfels. I7(52* 
II. vj^ NIEUW-HERRNHUT. 



247 



$. II, By 'A bezoeken der heidenen worden vele zielen ge- 
wonnen» 

$• ir^. Fe/e overtuigde heidenen houden zig nog terug ^ 
anderen zoeken de ongeruftheid van bun hart te ont- 
waken of te onderdrukken* 

€. 13. Uit de heidenen hïyven veertig perfonen h de gelo- 
vigen ; de meeflen van hen waren reeds lang overtuigd 
geweeft : vier en veertig , aan welken zig de genade 
kragtdadig bewezen had-i worden gedoopt. 

§, 14. Korte uittrekfelen uit der Groenlanderen redenvoer in- 
gen en vermaningen* 

§. 15. De Groenlanders worden in hunne neringe door zieh 
ten zeer belet , kunnen egter zeer wel bejtaan. 

§• 16. ISegentien ontjlapen: Uitvoerig verhaal van 't leven 
en 't einde van den gezegenden Groenlandfchen Pre- 
diker Daniel. 

|. §• I» • 

DE goede verwachting van ene fchielyke vermeerdering 
der Gemeente te Lichtenfels-, die men tegen het einde 
desvorigen en het begin dezes jaars, ter oorzake van 't 
tah-yk bezoek der heidenen zo wel uit deze landftreek als uit 
het zuiden , met reden gehad had , fcheen tegen het einde 
dezes jaars te verdwynen , en de verdorvenheid , de af- 
keer, ja zelfs de vyandigheid der heidenen veroorzaakte 
den Miffionariffen vele droefheid en bekommering, dewel- 
ke egter door den rykdom der genade, die zig aan hunne 
gedoopten openbaarde, merkelyk verzagt werden. 

Onze Groenlandfche Broeders en in 't byzonder de me- 
de- arbeiders bleven by aanhoudenheid nog even yveng 
in de verkondiging en aanpryzing van den Heiland aan de 
heidenen, wanneer zy wegens hunne verrichangeo by de- 

Q 4 zei- 



* 



üiè 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



zelven kwamen. Zy werden ook op vele plaatfen uitge- 
nodigd, om het Evangelie te verkondigen. 

Op ene reis, die Mattbceus Stach met ettelyke Groen- 
landeren in 't voo\]^Viru2i2ir Nieuw- Her rnhut deedt, om eni- 
ge bouw-ftoften en gereedfchappen van daar herwaards te 
brengen, bezogthyde heidenen, die in zynen weg woonden, 
en zogt het vuur, dat by dezeiven glimmende was , aan te 
•wakkeren, 't geen ook by andere gelegenheden op de ove- 
rige plaatfen gefchiedde. Ook kwamen 'er nog van tyd 
tot tyd ettelyken ten bezoek, die de predikinge van 't E- 
vangelie bywoonden , en by afzonderlyke gefprekken te 
kennen gaven, dat hun voornemen zy , naar de gelovigen 
te trekken, en zig te bekeren, doch dat ze daarin voor als 
nog door de hunnen belet werden: fchoon 'er ook waren , 
die zig nog zelven op ene zeer beuzelagtige wyze veront- 
fchuldigden, dat ze tans nog niet konden of wilden. On- 
der anderen was 'er ook tm^ngekok^ die reeds ettelyke 
jaren ongerufl ge weeft was , zonder zig tot nog toe tot de ge- 
hoorfaamheid des geloofs te hebben willen laten overre= 
den, maar nu weer door enen droom, welken hy met vele 
bf kommering verhaalde , gefchud was geworden. 

§• 2. 

„ Onze lieden (dus fpreekt men in *t dag-verhaal on- 
der den 5den May ) ha3den de heidenen hier omftreeks in 
den winter van tyd tot tyd vlytig bezogt, en hen op der- 
zelver verlangen den Heiland verkondigd ; zommigen had- 
den ook hier de predikatien naarftig bygewoond , on- 
der welken de H. Geeft zig kragtig betoond had, om 
een verlangen naar hunnen Verlofler in hen te verwekken. 
Hiervan ontvingen we gifteren ene vrugt, in een huisge- 
zin van vyf, en heden weer ineen van' vier perfonen, die 
herwaards kwamen om by ons te blyven. Voor ettelyke 
dagen trok ook de grote Danzer , een anders aan de ydel- 
heden t' enemaal overgegeven menfch, van de Loge her- 
waards, en betuigde, dat hy tans voornemens zy , alle 
begecrlykheid des vleefches te verzaken , en in den Here 
Jefus te geloven; hy badt zeer, dat wy hem toch aanne- 
men zouden, fchoon hy een zeer verdorven menfch zy , 
en het tot hier toe zeer flegt gemajikt hebbe. Tot dit 

huis- 



Gefch. van Lichtenfels. 1762. 



549 



huisgezin behoren twaalf perfonen , van welken zom^ 
miger bloed - ver wanten hier reeds wonen. Ook is 'er 
' ene vrouw onder dezel ven, die voor vier jaren, ongetrouwd 
zynde, onderde eerften uit deze landftreek by ons geko- 
men, doch ene wyl daarna weer vertrokken was ; voorts 
ene vi^eduwe met twe kinderen, die voor ettclyke jaren 
door den Miffionaris te Godhaab gedoopt^ doch naderhand 
weer onder de heidenen gegaan was. Wy verblydden 
ons, dat dit arme verloren fchaap ons gelegenheid gaf, 
om het weer den weg naar deszelfs Herder te wyzen. '* 
Ook kwamen 'er van andere plaatfen eenige huisgezin- 
nen , als mede verfcheide enkele perfonen, om hier te bly- 
.ven: onder anderen ene weduwe, die voor ettelyke jaren 
"te Kangek gewoond en te Nieuw- Herrnhut veel van den 
Heiland gehoord had. „ Doch zulks (zeide ze) heb ik 
onderde heidenen t'enemaal verloren , tans wil ik op nieuws 
beginnen en my van ganfcher harte bekeren. " 

Deze nieuwe lieden gaven in den beginne reden , om 
veel goeds van hen te hopen. Zy woonden de vergaderin- 
gen naarftig by, fpraken ook met de MifTionariiTen en de 
Groenlandiche mede-arbeideren , die van zommigen ge- 
tuigden , dat zé niet te verzadigen w^aren in 't horen van 
den Heiland. Dan het is met de blote toeftemming niet 
gedaan. Ene Groenlandfche mede-arbeidfter, by welke 
ettelyken van de gemelde vrouws*perfonen zig beklaag- 
den , dat zy het goede , 't geen ze hoorden niet bewaren 
konden, zeide tot dezelven, waarop het aankomt , en wie 
de lieden zyn, die ahyd leren en nimmer tot kennijfe der 
%vmrheid komen. Zy drukte zig dus uit : „ Ik WTet zeer 
wel hoe 't gaat, men fchat de waarheid nog niet naar be- 
horen, en, terwyl men nog geen volkomen befluit geno- 
men heeft, om zyn geheel hart aan den Heiland over te 
geven , kan men ook niets wezendlyks leren en bewaren." 
Dus ging her ook met de meeften van deze nieuwe lieden. 
Hun gemoed was in den zomer zo verftrooid en ydel ge- 
worden, dat velen , en onder anderen ook de bovenge- 
melde Danzer, met de hunnen weer naar de heidenen trok« 
ken, waardoor dan het laatfte met deze lieden erger werdt 
dan het eerfte , gelyk den volgenden winter uit de droe« 
vigfte voorbeelden gebleken is. 



Q5 



S' 3' 



iSo 



Oroenlandfche Hiftorje 



IX. B, 



i: 



$' 3- 

Dat het verderf en de magt der duifternis de overhand in 
zulken hogen trap weer onder de reeds geraakte, maar nog 
niet beveiligde heidenen kreeg, daartoe gaven de wilde 
Zuidlanders , van welken een groot gedeelte , by derzel- 
ver togt naar 't Noorden , hier omftreeks bleef, vele aan- 
leiding. Het zal niet onaangenaam zyn, ene enigzins breed- 
voerige befchryving van den aart en inborfl: dezer lieden , 
zo als dezelve in 't dag- verhaal der MiffionarilTen gevonden 
wordt, te lezen, temeer, daar onze meeden Qroenlanders 
uit zuiden af komfttg zyn. 

„ Den poften Juny kregen wy een bezoek van enen ou- 
den Zuidlander , die een broeder was van den vader der 
weduwe Rebecca. Hy was van de ooft-zyde van 't land , 
ettelyke dagreizen ver, herwaards gekomen , om haar en 
hare kinderen te zien. Zy deedt al wat ze kon , om hem te 
overreden, dathy hier, ten minften enen winter, blyven 
zoude* Hy fcheen 'er ook enige genegenheid toe te heb- 
ben, twyfelde egter , of zyn zoon , die tans heer van 't 
huis is, blyven zoude, om dat dezelven ettelyke zaken in 't 
zuiden agter gelaten had. Naderhand vernamen wy , dat 
de ene Schoon-dogter dezes ouden mans verhaald had , dat 
hy, in zyne tente gekomen zynde , zynen zoon benevens 
de anderen aangefproken had, om hier te blyven, met by- 
voeging; " dat deze Kahluncet mtt \.t vrezen waren, ter- 
wylhet integendeel aangenaam was, hunne woorden-te 
horen , en zy de Groenlanders lief hadden , in plaats van 
hen, gelyk men zig anders verbeeld had , enig leed te 
doen. „ En toen de zoon 'er niet van horen wilde , had hy 
hem geraden , om zelve derwaards te varen en de goede 
menfchen te zien en te horen. Deze vrouw voegde 'er het 
volgende by: „ Ach! indien myn man , die deoudftezoon 
van 't huis was, leefde, hy bleef gewiflelyk hier, want 
hy heeft dik wils van de gelovigen gefproken, en gereik- 
halsd, om onder hen te wonen. " Voorts berigtte deze 
vrouw ons, dat EUfaheth^ die ons als een kind van vyf ja- 
ren uit het huis ontilolen was , aldaar by den broeder van 
haar moeder zy , en zeer verlange , om weer by hare le- 
raars te zyn; dat ze ook verlof vcrzogt had, om meê te 

varen 




I 



Gefch. yan Lichtenfels* 1762. 



yaren en, wanneer haar zulks geweigerd werdt, bitterlyk 
had beginnen te fchreijen. , ^ . •,, . 

Den a4ften hadden wy veel bezoek van Zuidlanderen ^ 
en den ^sütn lloegen ze elf tenten by ons op , doch de 
meeden voeren naar de Lo,^e. Velen, vooral van de 
vrouws-perfonen , kwamen in de vergadering, waar ge- 
fproken werdt over de wporden: Werki niet om defpyfe ^ 
die vergaaU enz. 

' Den aóften hadden wy weer veel bezoek van hen; onze 
zaal en vertrekken waren den ganfchen dag niet leeg. Wy 
zoeten, zo wel in de openbare vergaderingen als m de by- 
zondere gefprekken, gelegenheid, om hen hunnen Schepper 
en Heiland op het beminnenswaardigfte voor te ftellen : 
dan hunne harten zyn nog zo hard als ftenen, die niet te 
vermurven zyn, en zy weten hunne verontfchuldiging , 
dat ze nog zeer onwetende zyn, en ons niet verftaan, 
C waar door ze op ene beleefde wyze te kennen geven , dat 
ze niet willen^ zeer wel voor te brengen Onze Groen- 
landers zogten huniie bloedverwanten te winnen, doch 'er 
was niets by hen te doen. Wanneer men zulk een woeft 
en wild veld aanfchouwt , en dan zyne ogen wendt naar 
het hofje, dat de Heer hier geplant heeft, dan wordt men 
yan dankbaarheid en befchaming zo doordrongen, dat men 
niet weet, wat men zeggen zal. 

Den !27ften werdt over de Zondags-afdehng van het 
verloren Schaap gepredikt; van de vremden waren 'er wei- 
nigen onder het gehoor. 'Etn gtAoo^tt^ Xt Fr iedrichibaab 
te huis horende, kwam van de Loge^ om de predikatie by 
te wonen. Hier zag hy voor 't eerftemaal fchapen ,'tgeen 
hem tot een klaarer begrip van de gelykems m't Evange- 
he diende ; en gelegenheid gaf, dat hy naderhand een aan- 
genaam gefprek met ons daarover had. ^ 

Den ooften vertrokken de meeften Zuidlanders van hier. 
Onze "fQnathan hieldt egter enen jongeling van zyne bloed- 
yerwanten by zig- En den soften verzogt een ander onge- 
trouwd perfoon verlof om hier te blyven. 

Den iften July woonden vele Zuidlanders de vroeg-ver- 
sadering by, die door een onzer Groenlandfche mede-ar- 
beideren gehouden werdt. Hy drukte zig onder anderen 
dus uit : „ Gy arme lieden zwerft zo rondom , en zoekt 
ilegts het een of ander ten behoeve van uw lighaam te 
verkrygen. Daarby zyt ge ongeruft en vindt nergens een 
waar en wezendlyk genoegen. Eertyds waren wy ook net 

even 




55^ 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



even eens. Indien gy lieden den Heiland leerde kennen , 
dan^zoudt ge de ware ruft vinden. Ook voor u liedenis hy 
aan 't kruis geftorven , om u van de zonde en de euwige 
pynen te verlöilèn. Ach ! kondt gy dit geloven , gy 
zoudt iet hebben, dat u euwig verblydenkan." — — - Een 
man , wiens gehele lighaam, zelfs de hairen van 't hoofd , 
t'eneraaal wit geworden zyn , des hy niet dan in \ aange- 
zigt bruin is , verzogt voor zig en zyn huisgezin verlof om 
hier te blyven. Ook zonderde zig den 2dén, op den raad 
éQs zo even gemelden mans, ene weduwe met drie kinder 
ren van de vertrekkende Zuidlanderen af, en bleef by hem, 
Ettelyke boten Zuidlanders voeren in de Florde op de ha- 
ring-vangft, onzeker zynde, of ze wederom komen , dan 
verder varen zouden. Een ander boot voer naar Innuhfuk^ 
om enen doden , dien ze voor ettelyke jaren aldaar begra- 
~ ven hebben, nogmaals te befchreijen. Twe huisgezinnen 
bleven agter, met voornemen om by ons te wonen. Een 
Angekok^ die een oude bekende van onzen Nicolaas is, 
heeit zig met dezen in een gefprek ingelaten en gezegt : 
5, Dathy, d Nicolaas') zig toch willende bekeren, zeel wel 
deedt , dat hy zig van ganfcher harte bekeerde et geloof- 
de; alzo hy (^Angekok) in den Hemel geweeft zy, al- 
waar hy de gelovigen en van ganfcher harte bekeerden ia 
den heerlykften toeftand gevonden hebbe. Zy waren kos- 
telyk gekleed , en hadden geen gebrek aan keurlyke fpy- 
lèn. Daarentegen zy , die zig niet regt bekeerden , in de 
lugt geheel naakt zweefden, van koude de tanden dermaten 
knarffende , dat zig velen reeds de tong t'enemaal aanftuk- 

ken gebeten hadden. '' Hieruit ziet men, hoe zig 

deze Apoftelen van den bozen Geeft naar de genen , die 
ze voor zig hebben, weten te fchikken , en hen naar den 
niond te fpreken. Jegens ons laten ze"'zig in 't geheel niet 
uit, en draijen alsdeflangen, ten einde ze in hunne blind- 
heid niet gevangen worden. 

Den oden kwamen de Zuidlanders , die tot hiertoe by 
d^e Loge geftaan hebben , in 't voorby varen by ons aan. 
Een van hen beval ons zynen broeder , die hier blyveii 
wil , aan. Gevraagd wordende , waarom hy zelve ook niet 
hier blyven wilde ? antwoordde hy : „ Ik heb tans veel 
kruid en lood gekogt, dat moet ik eerft in 't zuiden, waar 
de rendieren in overvloed zyn , verbruiken. " Een ander 
wilde zig eerft aan bezien verzadigen , en een derde enen 
goeden boot kopen , daarna wilden ze komen en gelovig 

wor- 



Gefch. Van Lichtenfels. ij6^. 



253 



worden. Zie daar, hoe \ gaat:. de ene koopt enen akker ^ 
de andere offen , de derde trouwt een wyt, en verzuimt 
'er den tvd der genade door. Onder deze lieden bevondt 
ziff ook de oude man , van welken onder den poften Juny 
meldina getïiaakt is, en die de zynen niet overreden koa 
om hier te blyven. Zy fleepten enen jongeling mede weg, 
die tot een huisgezin behoort, 't welk, nopend het hier 
blvven, het niet onderling eens was. In zulke gevallen 
krvEt gewonelyk de party , die tegen het goede is , de 
overhand. Ondertuffchen hebben we reeds vele voorbeeld 
den, dat de weimenende party door den dood der tegen- 
ftanderenin vryheid geraakt is. _ ..... 

Den aften July bragten ze enen zieKen,aiehet zyde-weê 
had herwaards. Wy gaven hem 't geen we hadden , en het 
was van goede uitwerking. Zyne drie vrouv/en, die allen 
kleine kinderen hebben , kwamen met den vader van den 
zieken, die een Jngekok is, ook herwaards en waren dank- 
baar voor onze hulp. Wy prezen hen den Arts der zie- 
len aan, maar het maakte weinig indruks op hen. „ In- 
dien wy (zeiden ze) naar het zuiden komen wilden , dan 
wilden zy zig ook bekeren. " Den ouden man heeft voor 
ettelyke jaren een witte Beer , dien hy benevens een andet 
Groenlander in de zee aangetafthad, de neus afgebeten, 
en nog meer fchade aan 't lighaam toegebragt , maar des- 
zelfs medgezel gedood. De Zuidlanders hebben ene be- 
fmettelyke hete ziekte mede gebragt, die zig nu ook on-» 
der de onzen begint te openbaren. 

Den isden en i4den Auguftus hadden wy veleZuidlan- 
deren, die uit het noorden terugvaren, ten bezoek. Door 
den ommegang met de Europeanen zyn ze reeds veel be- 
fchaafder geworden , dan wanneer ze voor 't eerft uit het 
zuiden komen ; maar van de ware kenniffe huns Schep- 
pers en Verloffers hadden ze geen luit te horen. 

Den i23ften kwamen nog ettelyken van daar, Zommige 
mannen hoorden met oplettenheid, 't geen hen van 'sHei- 
landsmenfchwordinge , dood, en opftandinge gezegtwerdt. 
Zy woonden ook de vergadering by , en namen het be- 
lluit, om in de nabyheid te wonen. 



^ 



^^ 



m 



rawiiïïnrïi 




aj4 



Groeijlandfche Hifiorie 



IX. & 



S. 4. 

\ Vele Zuidhnciers , zetteden zig hier omftreeks, en in ^t 
by zonder na by de Loge^ neder, maar trokken velen, die 
in \ voorjaar naar Lkhtenfels gekomen en nog onbeveftigde 
menfchen waren , tot zig , en voerden zodanig een leven , 
dat men van derzelver redding weinig hopen kon. Ette- 
lyke huisgezinnen bouwden het vervallen en tegen Lkh- 
tenfels over gelegen huis Akonamiok weer op, om aldaar te 
overwinteren. Ook deze lieden hadden wel gene gene- 
genheid voor het goede , doch op het laatft werden even- 
wel ettelyken van hen gewonnen. Hoe 't met deze vrenï- 
den gegaan is , zal ik ook uit het dag-verhaal mede de- 
len. 

„ Den Sften September kwamen velen van onze Groen- 
landeren naar huis, ten einde hunne winter-huizen te her- 
ftellen. Twe huisgezinnen , die in 't voorjaar van de Loge 
herwaards getrokken waren ,zyn agter gebleven , en hebben 
zig in 't aanbouwen by de Zuidlanderen gevoegd , die bang 
zyn , om by ons te wonen, uit vreze, dat iemand der hun- 
nen gelovig en gedoopt mogt worden. Ettelyke weken 
daarna vernamen wc nog ene andere reden. De Angekok^ 
van wien wy hier boven, onder den ^iden July §. 3., ge- 
fproken hebben, had aan onzen Nkolaas gezegt, dat in 't 
zuiden het gerugt algemeen zy , dat wy Europeanen de 
zodanigen , die zig met ons inlieten en weer weg trok- 
ken , dood baden : waarvan men voorgaf vele voorbeel- 
den te weten, des hy verzogt , hem toch te zeggen , wat 
hier van zy. Hierop heeft Nkolaas geantwoord , dat hy 
nognoit iemand van ons iet dergelyks had horen bidden, 
maar dat we in tegendeel zeer dikwils, en alle zondagen 
opentlyk, baden voor het leven en de zaligheid der Groen- 
landeren. EttelykQ dagen daarna kwam de Angehok 'm 
de predikatie over het woord van dien dag : Ik hidde nkt^ 
dat gy hen uit de wereld weg neemt , maar dat gy hen he- 
'waart van den hozen. Joh. XVll: 15. By welke gelegen- 
heid hy ook zyne vraag beantwoord kreeg. 

Den i4den November waren hier vele Zuidlanders van 
de Loge. Zy kwamen niet in de predikatie , maar een on- 
zer Groenlandfche mede-arbeideren hicldt in deszelfs huis 
ene rcdenvoering voor hen, die niet f enemaal zonder vrugt 

fchcen 



Gefch. van Lichtenfels. 1762 



^SS 



fcheen te zyn. De Koopman klaagt ook over het onge- 
bonden gedrag dezer lieden. Zeker Angekok heeft ze door 
'deszelfs gochelaryen dermaten ingenomen , dat men voor 
als nog niets by hen uitregten kan; Hy werdt egter , op 
ene zyner voorgewende reizen naar den Hemel of deHelle^ 
eens ongemeen verfchrikt door enen loffen fnaphaan-fchooto 
Onze buren varen vlytig derwaards, om de dans- entover- 
gezelfchappen by te wonen, maar wagten zig zeer van on- 
ze vergaderingen. Twe ongetrouwde mans-perfonen , die 
onlangs by ons gekomen zyn , hebben reeds vele ver- 
zoekingen van hen moeten doorftaan. Wy hebben ze 
ernftig aangefproken , ^en hen te kennen gegeven , dat ze 
een befluit nemen moeiten , om zig of van ganfcher harte 
te bekeren en gene gemeenfchap te hebben met deonvrugt- 
bare werken der duifternis, of ons te verlaten , om dat ze 
anders een verdrietig en geplaagd leven by ons leiden zou- 
den Den enen hebben w^e vervolgens by een ander huis- 
gezin befteedt, ten einde dezelve gene reden hebbe, over 
deszelfs uitwendig beftaan te klagen: de andere heeft ons 
.verlaten, maar nog voor het einde van den winter berouw 
'er van gehad, en met vele tranen verzogt, om weer aan- 
genomen te worden. 

Den asften November kwam hier ene vrouws-perloon , 
Geertruid Margaretba genaamd , aan. Zy was te. Ged- 
haah door den Heer Br oen gedoopt, maar naderhand weg- 
gelopen. Haar zufters m.an ze tans tot een by wyf willen- 
de nemen , nam zy haren toevlugt by ons en badt om be- 
fchermiiig: Zy was met haar kind, benevens een meisje 
van de Loge^ te land door diepen fneuw herwaards ge- 
vlugt. De gemelde man volgde haar wel haaft agter na, 
en wilde ze met alle geweld hebben. Wy beduidden hem, 
dat we haar de befcherming , zo lang zy die begeerde, 
niet weigeren konden, en zogten hem te overreden , van 
'zyn vuifvoornemen af te zien. Dewyi hy nu van begrip 
was, dat, nademaal zyby ons niet gedoopt was, wy ons 
over haar in 't geheel niec behoorden te bekommeren , zo 
gaven wy hem te kennen, dat hy dan naar Godhauh varen 
kon, en aldaar een fchriftelyk verlof zoeken. Hierop 
werdt hy zeer gramftorig en vertrok. Naderhand kwam 
ook de vrouw en badt hare zufter met vele tranen, dat de- 
zelve den wil van haar man doen zoude, om dat hy ge- 
dreigd had, haar anders te zullen verftoten. Doch dege^ 
vluste bleef by haax voornemen, Zy hebben in 't vervolg 
* meer 



S56 



Groenlandfche Hiftoriè 



IX. B. 




lueer dan eens beproefd, haar het kind té ontftelen ^ doch 
men heeft het nog p;edürig uit hunne handen gered, 't Is 
niet anders, dan of de boze Geeft het fchuim zyner diena- 
ren nu in dit gewell: gezonden had. Zy zyn ook in deszelfs 
dienft zo onvermoeid, dat zy verfcheide nagten na elkan- 
der in braiTen, danzen, toveren en foortgelyke h'gtvaar- 
digiieden toebrengen. Zelfs zulke heidenen , die anders 
eerbaar geweeft zyn, worden mede weggelleept. Dan 
onzen gedoopten ftrekt zulks tot ene ftoffe van meer 
dankbaarheid, dat ze Van de magten der duifternis en de 
heerfchappy der zonde verloft zyn, en wy befpeuren tot 
nog toe in 't minfte niet, dat iemand fchade 'er door gele- 
den heeft; zelfs de kinderen , die anders, wanneer ergens 
ene zwierende en juichende dans-party voor by vaart, ten 
eerften 'er naar haken , zyn tans voor dit gejuich zo be- 
vreesd, als of het vyanden waren, die voorby voeren. 

Den 7den December moeft een boot, die vol was van 
Groenianderen , welke van ene danzery terug kwamen ^ 
wegens fterken fneuw-jagt, by ons aanleggen en overnag- 
ten. Zy luifterden met oplettenheid in de vergaderingen^ 
die de mede- arbeiders, wegens het flegte weder, in hunne 
huizen hielden. By gelegenheid , dat een jong Angekok 
zyn gevoelen nopens den oorfprong der eerfte menfchen te 
kenn.en gaf, verhaalde hem een der mede-arbeideren de 
gefchiedenis der Scheppinge, en drukte zig onder anderen 
dus uit: ^ Dat 'er een Schepper zy, die alle dingen en de 
menfchen voortgebragt hebbe , zulks is ganfch niet 
zwaar te geloven , en dit moet elk redeiyk menlch ten 
eerften begrypen en toeftemmen ; dan dat de Schepper 
een menfch geworden zy, en den dood voor de verdor- 
vene menfchen ondergaan hebbe, zulks kan geen menfch 
uit en door zig zelven begrypen en geloven. Hierop 
komt het egter ten aanzien van al ons heil en zaligheid 
geheel en al aan. Want nademaal de menfchen niet even 
-als de beeften fterven, maar derzelver zielen na den dood 
gedurig bly ven leven en noit vergaan , zo moeten ze hier 
hunnen Schepper en Heiland leren kennen , bvaldien ze 
niet hier nama:.:ls aan de plaats der pjmiginge komen wil- 
len, maar met en by hunnen Heiland in euwigheid le- 
ven. " Dit gefprek werdt tot laat in den nagt voortge- 
zet. Onze mede-a 1^ eiders verzuimen niet ügtelyk enige 
gelegenheid , om ue heidenen te porren. DikwiJs ziet 
men wel geen vrugt 'er van , doch by deze lieden be- 

fpeur- 



Gefcb^ van Lichtenfels. 17Ö2. 



257 



fpeurde men , dat ze byhun woeft leven niet t' enemaal ge- 
ruft zyn en naar wat beters verlangen ; gelyk ze dan ook 
om bezoek verzogten. 

Met de Zuidlanderen, die na by Lichten fels woonden, 
was het niet beter gefteld. Zy kwamen in gene vergade- 
ring en wagteden zig zorgvuldig van alle gelegenheden , die 
hen in hunne heidenfche oogmerken en wandel zouden 
kunnen ontruften. Het was niet dan tegen het volgende 
voorjaar, dat 'er enige beweging onder hen befpeurd en 
een derzelver gewonnen werdt. Wanneer een oud man 
door een der mede-arbeideren gevraagd werdt: Of hy dan 
nog niet voornemens zy, gelovig te worden ? antwoordde 
hy: ^, dat hy reeds voor vele jaren gehoord had, dat 'er 
een God zy ; dat hy ook begonnen had over deze zaak te 
denken ; dan dewyl zulks hem te hoog geweeft was , ent 
hy 't niet had kunnen begryp.en , had hy afgezien van 
gelovig te worden. " Onze Groenlander wilde van den 
Heiland met hem fpreken ; maar hy viel hem ten eerften 
in 't woord , en vroeg: Of hy den Heiland gezien had? Toen 
nu de onze hem hierop antwoordde: „ Met myne ligha- 
lyke ogen heb ik hem niet gezien , maar in niyn hart ken 
ik hem , en weet, dat hy my lief heeft;/' viel hy den- 
zelven weer in 't woord , en liep henen* 

By deze gelegenheid ontdekte men , wat vele domme 
Groenlanders eertyds gedagt hadden , wanneer ze van 
God hadden horen fpreken/ Want dewyl men het Deen^ 
fche w^oord Gud gebruikt had , zo hadden zy zulks met 
het Groenlandfche woord Kuut ^ dat is ftromen , ver- 
ward, en zig dien volgens verwonderd, dat men gedu- 
rig van 't aanwezen der ftromen fpreke, 't geen niemand 
in tvvyfel trok. Dus gaf ook een wilde , wanneer hy 
door een der gedoopten gevraagd werdt ; of hy een God 
gelöve ? met verdrïed dit antwoord : Waarom zou ik 
toch zulks niet geloven? Ik heb immers deszelfs ftem- 
me C^e weten het ruiffchen van den ftroom) gehoord. 



///. Deü. 



& 



§•£* 



258 



Groenlandfche IliHorie 



IX. B. ' 



$' 5- 

Dan wat de levendige kenniffe van onzen Here Jefus 
Kriftus by dit anders zo dom en woed volk uitwerken 
kan 5 en hoe zig weer de genade in dit jaar aan deze klei- 
ne Groenlandfche Gemeente bewezen had , daarvan vindt 
men by verfcheidene gelegenheden vele verblydende voor- 
beelden , die ik niet t' enemaal met ftilzwygen voorby gaan 
kan. Van de openbare vergaderingen fpreekt men dus : 

„ Wanneer de Miffionaris Bek op den gedenk-dag van 
deszeifs wonderbare verloffing voor dartig jaren, toen hy 
door den Engel des Heren uit de gevangenis r» in welke hy 
wegens den Godsdienft geketend en gebonden lag , gered 
en naar de Gemeente te Herrnhut, die hy te voren niet 
eens had horen noemen , geleid werdt, en welke hem na- 
derhand naar Groenland, alwaar hy nu reeds twe Gemeen- 
ten uit de heidenen had mogen beleven , gezonden had , 
zyne kniën met de Gemeente voor den Here boog, en den . 
Heiland voor alle hem en den Groenlanderen in deze dar- 
tig jaren verleende genade dankte , borden velen in een 
vloed van tranen uit; en drukten zig , naderhand by hem 
komende , dus uit : ^ Hoe zullen wy den Heiland toch 
onze dankerkentenis betonen, dathy ons zo lief heeft ge- 
had, en ons door zyne gezanten tot zig laten roepen V 
De Miffionaris kon hen niks beters zeggen , dan : 

Ach, dat zyn dood en lyden. 
Tot lyf en ziel zich fcheiden, 
Gevoelbaar in uw' harte ruft'. 

Entgy zult den dood des Heren verkondigen, tot dar Hy 
komt ! 

Den i5den May waren de harten der toehoor-leren zeer 
bewogen zo wel in de vroeg-vergadering , fti welke het 
woord van heden : Hoordt na my gy , die de gerechtigheid 
fiajaegt ^ enz. verhandeld \verdt, als 's avonds onder het . 
lezen van cl Cor. VI. De woorden : Ziet ^ nu is V de ivelaan* 
gename tyd^ ziet^ nu is 't de dag der zaligheid; konden wy 
fnet blydfchap op onzen tyd toepaffen, en we vermaanden 
onze Groenlanders, dat toch een iegelyk van hen zig de- 
zen 



Geféh. van LichtenfeJs. 17Ö2. ojp 

5^en tyd der i;enade regt zoude te nutte maken, en bcnaar- 
liigen orii zyiie rbepinge en verkiezinge vall te maken, op 
dat hy wete, in wien hy gelooft, en met vrymoedigheid 
kunne betuigen : In den Here zyn gerechtigheden eri 
flerkte. 

By ene andere gelegenheid wordt aangetekend , dat dé 
mede- arbeiders zeer verblydende getuigeniffên gaven van 
den dagelykfen ommegang onzer Broederen en Zufteren 
in derzel ver huizen, en dat velen eikander vragen over 't 
geen ze in de vergaderingen gehoord hebben , en zulks mei 
bunne bartQH vergeleken (*), ook elkander vermanen, om 
den Heiland ernftig te zoeken, en hem regt te Ieren ken- 
nen. 

Een onzer Broederen , in den vroegen morgen-ftond 
voor het algemene morgen-gebed de ichapen uitlatende, en 
een ongemeen lieflyk gezang in ene tente horende jvondt^ 
dat de huis-vader het m^orgen» gebed met de zynen hieldt^ 
Hy wenkte ons, (fchryftde Miffionaris) en genaderd zjm- 
de, hoorden we dit lieflyk zingen ffilletjes en niet zulk ene 
byzondere aandoening onzer harten aan, dat ons ds tranen 
, in de ogen kwamen. 

Wat, dagtik, kan toch het bloed des Heilands by zon- 
daren niet uitwerken ! Deze menfchen waren nog voor twe 
jaren wilde heidenen , en nu zingen se den Lamme , dat 
geflagtis, zulke lieflyke d^nk- en lof-liederen, dat men 't 
niet zonder de gevo*^eligile en innigfte aandoening horeo 
kan. Hoe onze gedoopten ter dezer plaatfe in zulken kor- 
ten tyd zo fchoon en zuiver hebben leren zingen, weren 
we niet, want van ons kan het niemand, en muzykale ia- 
ftrumenten hebben we ook niet, behalven ene oude fluit , 
op welke niemand fpelen kan dan ettclyke Groenlanders^ 
die \ nog te Nku-jj-liermbut geleerd hebben. '' 

%. 6. 

Een lieflyk en met gevoel van 't hart gepaard gezang is 
geen der geringde delen van enen redelyken Godsdienft, 
en de Godgeleerdheid , in liederen vourgefteld, is daaxomte 

meer 









^^M 






v^ 



( * ) Deze uitdrukking betekent : zig daar nsar te beproeven eïa 
te onderzoeken, 

R Ê 



26o 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



meer gezegend , dewyl de gezangen zelfs door de kleinfte 
kinderen ligtelyk geleerd, met bevalligheid ];ezongen, en 
hen dus alle, zelfs de gewigtigfte waarheden, als 't ware 
fpelende , tot enen onuitwiiTchelyken indruk ingeboezemd 
worden. Onze Groenlandersbenaarftigenzig, zonder 'er toe 
aangezet of vermaand te worden, van zei ven, om de keur- 
lykfte liederen te leren vatten en zingen , en de zegen , die 
dit op de harten , en ten opzigte van 't toenemen in de 
kennilTe , zo wel by de jongen als de ouden heeft , kan 
men niet befchryven. 

Onder den aiften January vindt men deze aantekening : 
^, 's Avonds kwamen velen om te leren zingen/ Zy die niet 
lezen kunnen, zetten zig in een kring by elkander , en elk 
behoudt enen regel, welken ze naderhand te huis van elkan- 
der leren, en langs dezen weg vatten ze fchielyk ettelyke 
vaarfen. De ongetrouwde Zufters behoeven deze leerwy- 

ze niet, alzo de raeeften der zei ven lezen kunnen. 

's Avonds na de vergadering hebben we menig vergenoegd 
uurtje met onze Groenlanderen , nu eens met zingen , dan 
met lezen , een andermaal weer met beantwoorden van 
vragen , waarby men den wasdom in de kennifle zeer ken- 
nelyk befpeuren kan. " 

„ Den soften January konden de Broeders wegens het 
ftormagtig weder niet in zee fteken, en kwamen derhalven 
naarftig om vaarfen te leren. Tan aanzien van 't zingen , en 
in meer andere opzigten, worden ze door de Zufters over- 
troffen, om dat de mannen van jongs af genoegfaam dage» 
lyks op zee moeten zyn , en dus niet veel tyd hebben om 
zig te oeffenen ; terwyl ze te huis komende gewonelyk moede 
en afgemat zyn. Doch de Heiland weet hen zulks op ande- 
re wyzen te vergoeden, des ze, wat de hoofd-zake aan- 
gaat, niets miften. " 

Van de School-kinderen virordt <3nder den i4den Decem- 
ber gezegt: „ Zy werden niet moede van 't leren en zingen 
van een nieuw Kers-lied, waarin Jobafi Bek degefchiede- 
nis van 's Heilands geboorte berymd had. " 

Over de kinderen en de nog ongedoopte jonge lieden der 
Groenlandfche Gemeente waren wel de Miffionariften tot 
nog toe niet t' enemaal vertrooft , en zugteden menigmaal 
met een gevoel van fmarthunnentwegen tot den Here. Hier- 
omtrent drukken ze zig dus uit: „ Wy wagten met een 
hertclyk verlangen naar een bezoek der genade van on- 
zen getrouwen Heiland onder ons vry talryk jong volk. 

Wy 



Gefch. van Lichtenfels. 1762. 



261 



Wy houden wel dagclyks ene afzonderlyke vergadering 
'met hen , zy wonen dezelve ook naarftig by, en men 
kan niet klagen over grove uitfpattingen : dan het vuur, 't 
eeen de Heiland reeds in de dagen zyns wandels hier op 
aarde wilde ontfteken zien, brandt nog niet in hunne har- 

^Q^^ " ^ Ondertuflchen liet zig de genade , die zig 

aan de volwaffenen en gedoopten zo kragtig betoonde, 
geenzins by hen onbetuigd, maar bewees zig dikwerf 
zo kragtdadig onder hen , dat men zig ten hunnen opzigte 
niet al te zeer behoefde te angftigen, nog de hope op te 
geven. Men b^fpeurdc in tegendeel menigmaal in hunne 
vergaderingen, katechifatien en fcholen, ene byzondere ge- 
nade. Dus merkt men onder anderen aan, hoe by gelegen- 
heid dat in de fchool van 's Heiland ftryd en bloedig zweet 
aan den Olyf berg gelezen werdt, men zulk ene ongemene 
aandoening befpeurde, dat de fchoolhouder zo min als de 
fcholieren de tranen konden terug houden, noch iet anders 
denken ^ dan : 

Ik dank, ik dank van harten, 

O Jefus , Vriend in nood ! 
Voor uwe Zielen-imanQn 

En droefheid tot de dood. 
Als 't hart uw zware lyden 

Zo ondervindt in kracht. 
Waar 't gaerne t' eeuw'gen tyden 

Op dai alleen bedacht. 

Dus hebben we ook by de volwaffenen onder het lezen 
van de lydens - gefchichte meer dan eens ene byzon-- 
dere genade befpeurd^, welke ook vlytig in de huizen ge<» 
lezen wordt. 

§• 7' 

Deze genade was geenzins te vergeefs aan hen hefteed , 
zy verzelde den arbeid der Miffionariffen , die hoe vlytig 
ook immer hun onder wys zyn mogt, den menfchen egter 
niet geven konden , 't geen vereifcht wordt om een leven- 
dig lid van 's Heilands lighaam te worden. Een oud en 
ziek man liet door enen Gi-oenlandfchen mede - arbeider 
R 3 den 



■^i^ 









VS 




SÖ2 Croenlandiche Hiftoiic IX. B. 

den B/Sederen weten, dat in den voorleden liagt iets aan 
hem gefchied zy , dat hy niet befcbryven kon. Hy be- 
klaagde tans den tyd , welken hy voorheen zo nutteloos toe- 
pbragt had, en badt zeer, om onder de aanftaande dope- 
lingen aangenomen te worden. Deze bede werdt hem ook 
op zyn ziek-bedde tot zyne overgrote blydfchap toep;e- 
ftaan, en zulks verzagtte tevens §yne pynen zeer kenne- 
jyK. 

Ene weduwe kreeg een zonderling toeval aan 't hoofd , 

tgeen zulk ene buitengewone zwelling by haar veroor^ 
zaakte , dat zy en een iegelyk haar einde te gemoed zas. 
In deze omlhndigheid werdt ze zeer verlegen over hare za- 
ligheid, en klaagde met vele tranen, dat ze nog eene ver- 
zekermg van den Heiland had, aan wdke ze zig houden 
kon. In deze verlegenheid bewees zig de Heiland aan haar, 
als de getrouwe Vriend van zondaren , dienaar Hem verlan- 
gen. Want in den volgenden nagt had, volgens hare be- 
tuiging, de Heiland zig in deszclfs lydens-geftalte aan haar 
hart geopenbaard , en haar van zyne genade verzekerd. 
Daarover werdt ze van vreugde als buiten zig, en toonde 
Cwant zy kon met veel fpreken) allen, die by haar kwa- 
jnen , hoe de Heiland aan handen en voeten verwond was, 
en hoe bloedig zyn met doornen gekroond hoofd gewecft 
zy.^ Zy verlangde tans zeer naar de gemeenfchap der ge- 
lovigen, en werdt den volgenden gemeente -dag op haar 
ziek-bedde aangenomen. Over dit genade-teken was ze on- ' 
gemeen verblyd , en dankte den Heiland, dat hy haarniet 
had willen veragten. Tans reikhalsde ze voornamclvknaar 
hare ontbinding • bragt haren tyd zo vergenoegd als een 
klein kindeken door , verheugd over den eerden gena- 
de-blik van den gekruiften en verwonden Heiland. Zv 
ging ook, na ene ziekte van vier weken, in een vaft ver- 
trouwen op zyne verdieaiften , naar de eeuwigheid. 

Zommige leerlingen moeiien op de aannemhige , of op 
den doop lang wagten , anderen verkregen dezelve binnen 
korten tyd, naarmate men namelyk de gefteldheid hunner 
harten vondt. Twe paar egte-üeden, die reeds zeer lano- 
Baar deze genade verlangd en dikwils met tranen gevraagd 
hadden : Ach hoc lang zal het nog duren, dat wl buiten 
oegemeenfchap der gelovigen zyn moeten! " werdendoor 
de narigt, dat ze onderde aanftaande dopelingen zouden 
aangenomen worden, cngemeen vexLiyd. En vernemen- 
de 



Gefch. van Lichtenfels. 1762. 



263 



de, dat ze, weinige dagen daarna, te weten op het Heiden- 
feeft, dadelyk zouden gedoopt worden , geraakten ze van 
vreugde als buiten zig. 

By ene andere ifyclegenlieid vindt men het volgende aan- 
getekend: ,0 Door ene mede-arbeidfter werdt berigt, dat 
de zufter van de onlangs gedoopte Helena ^^\t met de laat- 
fte te gelyk aangenomen was, niette trooften zy , en met 
vele tranen tot deze gezegt had : Ach ik ellendige ! van 
my zal 't toch Vv^el niets worden. Waarop Helena haar 
getrooft had en gezegt: „ Lieve Zufter, zo moet ge niet 
fpreken ; de Heiland heeft ons immers door de aannemin- 
ge beiden de verzekering doen geven, dat hy ons onder 
zyn volk rekenen en niet verachten wil : dat ik zo fchie- 
lyk gedoopt ben , zulks heb ik niet verdiend , maar myn 
hart heb ik hem geheel en al gegeven, dat heeft hy nu in 
zyn bloed gewaflchen, en gy hebt hetzelve nog te ver- 
wagten. Dat het niet reeds gefchied is, daar van zal on- 
getwyfeld de reden by u zelven te vinden zyn. Gy hebt 
niets te doen, dan u zelve te beproeven, en uw hart ge- 
heel en al aan den Heiland over te geven, hy zal ugewis- 
felyk niet afwvzen. Ik zal hem ook vóór u bidden. " Op 
den volgenden gemeente-dag werdt ze ook dezer zo zeer 
gewenfchte genade deelagtig, en zeer verblyd zynde, be- 
antwoordde ze voor de ganfche Gemeente , alle haar ge- 
dane vragen met vele vrymoedigheid, niettegenftaande ze 
anders zeer befchroonui is. Dus v^^aren 'er in dit jaar 
twaalf bejaarden en vyf jongskens gedoopt. " 

Wy hebben hier boven reeds aangemerkt, dat ook zom- 
migen van hen, die terug waren gegaan, wederom geko- 
men waren. Onder dezen bevondt zig , behal ven de reeds 
gemelde, ene vrouws-perfoon , Kezm genaamd, die, door 
den Heer Drachart gedoopt zynde , nadeszelfs vertrek m^t 
een koopman naar de uiterfte grenzen van het zuiden geva- 
renj»en,na vervolgens overal omgezworven te hebben, in al- 
lerly flegte dingen geraakt was, tot dat ze eindelyk hier by 
hare gedoopte zufter aankwam. Zy begon tans haar verdor* 
ven hart te leren kennen, fchreide om den Heiland en de 
gemeenfchap der gelovigen , deedt ene openhartige belyde- 
niffevan hare zonden, welker vergevinge haar den ipdcrl 
December in de vergadering der gedoopten met enen ge- 
zegenden indruk op' allen, die tegenwoordig waren, onder 
opiesdn^-e der handen en eenvloed van tranen, verkondigd 

^ ^^ "^ R 4 werdt^ 



... -r-m 



HF f 

'■.f 



264. 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 

werdt, wordende zy dus in de Gemeente der gelovigen weer 
aangenomen. ^ ^ 

Van de gedoopten wordt 'er ergens d us gefproken : „ Een 
onzer mede-arbeideren betuigde, dat hy «iet zyne huis- 
lieden nog genen winter zo aangenaam doorgebragt hebbe , 
als dezen, pn dat de nieuw-gedoopten zo leergierip zvn. 
dat hy vele halve nagten in gezegende gefprekken met de- 
zeiven toebrenge. Zyne vrouw had egter aangemerkt, dat 
een derze ven aan het bygeloof der Groenlanderen nog 
Kleetde, alzo hy zyne vrouw had bevolen, datzenogmaar 
een jaar de anders onder de wilden gewone onthouding 
van zekeren arbeid en fpyfen in agt nemen zoude, ten ein^ 
de het kmd geen fchade lyden mogt ; 't geen egter de 
vrouw afgekeurd had, hem tevens vermaanende, zvn ver- 
trouwen in den Heiland te ftellen. '^ 

't Is waar , alle gedoopten maakten niet even groten 
voortgang in de genade en zuivere kenniffe van Kriftus. 
Dqs de voorbeelden der genen, die in een onafgebroken 
verlangen naar ene volkoraene overzwemming door den 
Itroom der genade voortgingen, te heuglyker waren. Een 
Bian, die wemig langer dan een jaar gedoopt was, fchrei- 
debitterlyk, om dat hy niet, gelyk zyne vrouw, tot het 
±i. Avondmaal had kunnen toegelaten worden. By ene 
wekere gelegenheid ontdekte men, dat deze man, bene- 
vens oeszelis vier broeders en ene zufter, die tans allen 
gedoopt zyn en tot onze blydfchap in de genade voortgaan , 
neven en mgten zyn , van den meermaals onder de laren 
1735 en 1736 genoemden Ippegau^ die de Broeders in der- 
zelver grootften nood met zeehonds^vleefch onderhouden 
iieett. „ Het was ons (zegt men) gene geringe vreugde 
te vernemen, dat onze goedgunftige Heer , die beloofd 
heelt, zelfs genen beker koud waters onbeloond te laten , 
zynen zegen en beloninge op het genacht dezes mans had 
laten Romen, en nu de vrugt van ons gebed en tranen, 
waarvan de regte af komehngen wel iets gezien maar wei- 
mg genoten hebben , om dat ze te vroeg geftorven zyn , 
zo rykelyk m de bloed-verwanten van dien man doet op- 
komen. ' ^ 

Van een ander man, die eerft voor ettelyke maanden ge- 
doopt 



Gefch. van Lichtenfels. 1762. i6s 

doopt is, fpreekt men dus: „ Hy betuigde, zeer naar het 
H. Avondmaal te verlangen, ep hieldt by deze gelegen- 
heid een grondig gelprek nopens den toeftand van zyn hart. 
Dit zyn verlangen herhaalde hy meer dan eens, en wanneer 
men hem met den inhoud van het zo eyen vertaalde 
vaarsje: '^ 

Barmhartigheid , genade , en trouw 

Verligten 't zware op aarde , 
Daar ik in 't hart verheugd aanfchouw 
Gods Kerk , zo hoog in waarde. 
g,,v En als myn ziele van hier fcheidt, 
|>w Zo zal ik zyn in eeuwigheid 
|f By Kriftus , mynen Heere. 

vertrooftte, werdt hy zeer aangedaan en zeide: Ja 't is 
waar, ik ondervinde ook dik wils, hoe de Heiland my met 
genade en barmhartigheid achter volgt. Gifteren, m den 
Kajak varende, was het als of iemand tot 'my zeide : vaart 
naar het land. Ik deed het, viel op myn aangezigt om te 
bidden , en gevoelde daarop ene innige vrede en vreugde 
in rayne ziel. ^' j tt 

Deze man ftrekt ons tot een nieuw bewys , dat de H, 
Geeft, wanneer dezelve in ene ziel eens, en voor al in de 
jeugd, het bewint krygt, niet nalaat aan haar te werken, 
tot dat hy ze tot het genot brengt van 't geen zy zelve nog 
niet regt begrypen of noemen kan. Hy verhaalde , hoe hy 
voor vele jaren, toen zyne ouders enen winter te Kangek 
woonden, als een klein kind iets vanden Heiland te A^/Vf/w- 
Herrnbut gehoord enten eerften ene genegenheid befpeurd 
had, om by de gelovigen te blyven; doch dat hy van zy- 
pe ouders niet had kunnen los komen , eer ze geftorven 
waren , als wanneer hy naar deze landftreek getrokken 
was , om dat hy zynen broeder had moeten volgen. Hier 
had hy ziglang met de ongeruftheid van zyn hart gekweld, 
tot dat hy zig zei ven eindelyk overwonnen had om van zy- 
nen broeder te fcheiden. Om dezen zynen broeder te win- 
^ nen heeft hy naderhand nog vele moeite gedaan , doch te 
' vergeefs ; hebbende deze arme menfch kort daarna een 
droevig einde genomen. 



R5 



|. 9< 



266 



GroeHlandfche Hiftorie 



IX. B. 



S- 9- 

Om nu nog kortelyk iets te melden van den uitwendi- 
gen arbeiden zodanige verrichtingen, die zowel der Mis- 
fionanffen als der Groenlanderen neringe betroffen: zo had- 
den de eerften hun huis nog te voltoijen ; zy moeftenenen 
door den vorft geborüen en ingeftorten fchoorfteen weer 
opmetfelen , het dak met mos en werk ftoppen en benevens 
de wanden teren, het overige van de zaai be vloeren, waar- 
toe ze vier dozynen planken van Godbaah haalden, en voor 
ene van Kopenhagen ontvangene klok een klein torentje 
bouwen. Ook herftelden ze hunnen ouden bouwvalligen 
boot, groeven enen bron , leiden een tuin aan , en ver- 
hoogden ten dien einde een moerafiig Huk lands; de grond- 
muur van 't huis, tien voeten hoogzynde, maaktenzewy- 
der, zogten turf in de eilanden en dryt-hout in de zee, en 
"tgeen hen nog aan brand-hout ontbrak, zogten ze door 
takke-boffchen uit de valeijen te vervullen. In dezen ar- 
beid werden ze in 't midden van den zomer door fneuwen 
ys zeer belet, en geraakten m.enigmaal , by 't ontdaan van 
een dikken mift, in groot gevaar; waarby in 't algemeen 
aan te merken is , dat in de Vijfcber-Fiorde de Ichaars- 
heid aan turf en hout, als mede aanleeftogt, groter is, dan 
in Bals-Rivier^ gemerkt men hier zelden een rendier ziet , 
eneider-vogelen,als mede vele foorten van viffchen, worden 
hier m 't geheel niet gevonden. Op zommige plaatfen be- 
gon men egter ettelyke Kaheljauwenitv^ingtn^ en ene myl 
van hier vonden de Groenlanders ene plaats , waar zig 
Heilbotten ophouden. 

Ten aanzien van de neringe hadden de Groenlanderen 
het in dit jaar zwaarder dan in het voorledene, des ze ook 
den koopman weinig meer fpeks , dan de helft van 't vorig 
jaar, leveren konden, 't geen egter ook tans weermeer uit- 
leverde, dan alles wat hy uit deze ganfche landilreek, 
fchoon 'er zig zeer vele vremden ophielden , byeen krvgen 
kon. De Groenlanders geraakten op hunne neringe in vele 
gevaren , uit welken egter de tneeften wonderbaarlyk ge- 
red werden. Wanneer een van hen wegens ftorm en ys 
op het land gevlugt was , werdt een grote fteen van de 
rots , onder welke de Groenlander fchuilde , door d^^n ■ 
wind neer geworpen , waardoor de Groenlander , om 

dat 



Gefch. van Lichtenfels- 1762- 



267 



dathv niet wyken kon, ongetwyfelt zoude verbryzeld ge- 
worden zyn , byaldien de afrollende pitote fteen met te- 
gen enen anderen gefloten had, endaar door was blyven 

^^len jongëken, met enen groten vifch-hoek fpelende , 
flak zig met denzelven derniaten in den mond , dat de 
lioek in de wangen bleef zitten. Hy moeft met geweld 
uitgetrokken worden, egterwerdt de wonde gelukkig ge- 
nezen, 

Ettelyke Groenlandfche vrouwen, by donker weder uit- 
gevaren zynde, om eijeren te zoeken, zagen in de zee wat 
wits liggen ; zy roeiden 'er naar toe, in de verbeeidmgzyn- 
de, dat het .een (luk ys zy , waar van ze iets mede nemen 
wilden, om haren drank daar door te verkoelen. Dan, 
nader by gekomen zynde , zagen ze ^ dat het een yffelyk 
grote witte Beer was. Zy, die nog noit zulk een beeft ge- 
zien hadden, werden zeer verfchrikt en fchreuwden,doch 
hy bleef ftil Hggen, zonder dezelven agter na te zwemmen. 
Zy haalden ettelyke Groenlanders met fchiet-geweer,doch 
zy vonden hem niet meer. 

By 't herftellen der huizen viel een grote fteen op het 
been van ene weduwe en 't lyf van ene meid , zonder eg- 
ter enige raerkelyke fchade te veroorzaken. 

Ettelyke kindeken , die op een onlangs verbeterd oud 
dak zaten, om, naar de Groenlandfche gewoonte, de warm- 
te van de zon te genieten, werden gewaarfchuwd , dat ze 
'er af klimmen zouden; nauwelyks hadden zy't gedaan, of 
het ganfche dak ftortte in. 

Kort na dat de weduwen in haar huis ingetrokken wa- 
ren, ontwaakte ene derzelven desnagts , terwyl alle de an- 
deren (liepen, door het kraken van 't dak: zy wekte de an- 
deren en riep, dat ze zig allen naar den wand keren zou- 
den ; en dit was nauwelyks gtfchied, of het dak brak in 't 
midden, en verbryzelde, in 't nedervallen,het grootfte ge- 
deelte van het huisraad , terwyl niet dan aan den wand, 
op welken de dwarsbalken ruften, ene holte bleef, waar 
uit ze allen onbefchadigd kruipen konden. 

Twe jongskens , uitgevaren zynde om te vifTchen , wer- 
den door enen ftorra overvallen en omgeflagen , doch door 
twe Broeders, die hen te hulpe kwamen, overend en aan kind 
gebragt. De ene was reeds half dood eo door het inge- 
zwolgen zee water zeer opgezwollen , werdt egter door 






v-ï 



268 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B, 



maagfterkende droppelen , die men hem in brandewyneaf, 
Ichielyk weer beter. ^ 



<; 



^. lO. 

Daarentegen moeft een aankomend jongeling, Lodewyk 
genaamd, die zynen vader op de zeehond- vangft agter na 
gevaren was, zyn leven in de golven infchieten , zonder 
weer gevonden te worden. Hy werdt in dit jaar eerft ge- 
doopt, leerde vlytig lezen, en ging buiten den fchool-tyd 
ook by een der Groenlandfche mede-arbeideren , om te le- 
ren zmgen. Deze getuigde van hem , dat hy dikwils met 
gevoel van zynen toeftand gefproken had. Voor het ove- 
nge was zyn wandel onberispelyk , alleenlyk hoorde men 
nu en dan daar over klagen, dat hy vry wat ftyf hoofdig 
was , en , van 't geen hy voornam , niet af te brengen, ge- 
lyk uit deszelfs laatfte onderneming bleek , wanneer hy , 
tegen den wil van zyne moeder, zynen vader agter na ge- 
varen was. Dit is onder de Groenlandfche jeugt een zeer 
gemeen gebrek, om dat de ouders hunne kinderen van 
jongs afin alles toegeven; en dus naderhand ook ter bel©- 
ninge zien moeten , dat de kinderen niet doen , 't geen de 
ouders begeren. Want by de Groenlanderen is het dus 
gefield, dat men, in (lede van te vragen: waar is een va- 
der, die zynen zoon niet kailyden zoude? vragen moet: 
waar is een vader, die zynen zoon kailyden zoude ? ten 
zy, datwy hen, by de ene of andere grove uitfpatting, 
daartoe verpligten. (* ) Dien volgens werden ook de ou- 
ders, by gelegenheid van dit droevig toeval, vermaand, om 
hunne kinderen van jongs af tot gehoorzaamheid aan te 
houden , ten einde in 't vervolg van allerly nood en droef- 
heid bewaard te blyven. 

Behalven dezen gingen nog fes zielen naar de euwigheid, 
onder welken zig Laban , een bloed- verwant van den eer- 
fleling Johannes^ bevondt. Hy werdt in 't voorleden jaar 
benevens deszelfs vrouw en twedogters gedoopt, van wel- 
ken tyd af hy enenftillen en geregelden wandel voerde, 

op 

(*) Zie hier omtrent de afdeling van de Groenlandfche opvoe- 
ding der kinderen, lilde boek §. 14, 



ütfül 



[RFJü^i 



P'i^ 



Gefchi van Lichtenfels. i?Ó2. 



269 



op welkeh niets te zeggen viel; dan wat de kenmffe van 
zi" zei ven enden Heiland, en gevolgelyk ook het genot 
vw 's Heilands verdienden , aanbelangt , daann maakte hy 
genen nierkelyken voortgang, des men zig over hem niet , 
dermatcn verblyden kon, als over anderen, die met hem 
te ffelvk gedoopt waren. Doch in zyne ziekte befpeurde 
men , dat de H. Geeft aan deszelfs hart meer moeft gedaan 
hebben , dan ons gebleken was. Want wanneer men hem , 
onder zyne hevige pynen op de borft, het bittere lyden 
van den Here Jefiis in gedagtenis bragt, zeide hy : „ My- 
ne pvnen zyn wel groot, zy kunnen my egter met beletten 
aan de pvnen van mynen Zaligmaker te denken. Zyn dood 
en Ivden zyn ook de enigfte gronden van myn vertrouwen." 
Des nagts hoorde een onzer mede-arbeideren de huisgeno- 
ten des zieken weenen, hy ging naar deszelfs tente, waa- 
neer hy hem op het uiterfte vondt. Dus zegende onze 
mede-arbeider hem in , onder de vaarzen : O^Hoofd vol bloed 
en wonden ! enz. (*) , ^ ,• 

Dan het heugelykfte voorbeeld, en tevens de eerfte,d!e 
uit de hier gedoopten bejaarden naar de euwigbeid ging , 
was de ongetrouwde zufter Sufanna. Zy was te Innuk- 
fuk, ene my 1 van Licht enf els, geboren, en, hare ouders 
seftorven zynde, van ene harer bloed-verwanten aangeno. 
men, met welke ze ook in 't jaar 1760 herwaards kwam. 
Het woord van Jefus lyden trof haar hart ten eerften, zy 
kreeg een teder gevoel en verlicht gemoed, des ze uit elke 
vergadering iets voor haar hart weg droeg. Niet te mm 
werden velen van de genen, die met haar herwaards ge- 
komen waren , eer dan zy gedoopt. Hier over was zy zeer 
verlegen, en zeide tot de Zufter, die m het huis het op- 
zicht'had : „ Ik weet niet hoe 't met my is, om dat ik 
door het bloed des Heilands nog met kan afgewaffchen 
worden ; ik wil toch gaarii de zyne wezen, en wenfche 
maar te weten, waar aan het by ray ontbreekt. _ Dezer 
genade werdt ze den igden January des vongenjaars tot 
hare grote vreugde deelagcig. _ . 

Zy had een opregt en openhartig beftaan, des ze mets 
verzweeg, waar door haar hart enigzins kon gedrukt Avor- 
den. Over 't geen ze niet begreep , vroeg ze de j;edagte 
Zufter, welker raad ze ook getrouwelyk volgde. Ten aan- 



dien: 



(♦) Zie III. Deelpag. 69.7^' 



.:^-, ^»" 



1 



S70 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



lilfl 






zien van t uitwendige was ze zo geduldig, dat, fchoon ze 
enen ganfchen dag mets te eten had, zy zig ester nok be- 
klaagde eer men haar iets gaf. Door ene afte grote dienft^ 
vaardigheid, door welke zyzig op de Rendie?-jagt met al 
te zware laften beladen had, had ze haar lighiam derma 
ten verzwakt, dat ze het bloedfpuwen mede bragT,?2™en 
hier, terwyl zy zig op generly wyze ontzag , afiengsken" 
toenam. Voor ene maand , wanneer ze op nieuws doS 
deze kwaal aangetaftwerdt, befpeurde zy , dat hare ontbin- 
ding naderde. Zy zeide dikwils tot hare zufter- ^Ach 
hoe verbiyde ik my dat ik enen Heiland heb! Hoe be- 
nauwd zou ik voor den dood wezen , byaldien ik mv niet 
aan den Heiland houden kon. " Wanneer Snhng/ eS 
kind begraven werdt, ftondt ze voor de glafen , om de be 
grafFenis te zien, en zeide naderhand tot de zufters-,,Dat 
was toe 1 zeer aangenaam ! hoe lieflyk hebt gv lieden st 

^uf"7^l^fVT'''-^^ "^5^"' begrafFenirookzo H 
gen! Zy gaf het vaarsje te zingen : 

Wanneer ik zal verbleeken 

Jn Jefus arm en fchoot 
En 't bloed , het geen als beeken 

Uit zyne wonden vloot, 
Aan 't ttervende gebeente 
^ De laatfte zalving geeft , 
Zo vaar ik ter Gemeente, ' 

Die by Hem eeuwig leeft. enz. 

Eendervaaifen, diezy in hare ziekte liefll hoorde en 
zong, was uit de Litany. "^uiac en 

Gedenk aan uwen bitt'ren dood. 
Zie aan uw heilig bloed zo rood , 

Dat IS toch 't losgeld voor elk een, 
.Voor alle menfchen gaaft Gy't heen: 
liierop vertrouwen wy altyd. 
En hoopen op barmhartigheid. 

Dit vaarsje badt ze . toen ty niet meer zingen kon , das 
en nagt. Voor ettelyke dagen door hare huis-vfouw II 
vraagü wordende: of ze dan hier niet langer blyveïvSl 
de? antwoordde ze: „ Daarvan mag ik niets meer horen 
Iaat my toch gaarn tot den Heiland henen gaan. '' £n S'- 

neer 




Gefch. van Lichtenfels. if 62. 



271 



neer ene zufter hierop zeide : gaat dan in vrede henen ! 
voesde zv 'er dit by: ,, Ach hoe verlange ik naar den He- 
re jefus'! Ach dat hy toch haaft kwam en my tot zig 
nam ! " Eergifteren herhaalde ze dikwerf hare daiikze^- 
c;ing, dat de Heiland haar gezocht en gevonden had, en 
Öat zy zig met een vaft vertrouwen aan hem houden kon. 
Hare zufters gifteren, zyndehetfeeft van Maria Boodfchap, 
zeer verblyd zynde en den ganfchen dag tuffchen de ver- 
gaderingen met zingen toebrengende , begon ze ook nog 
met hare zwakke ftemme mede te zingen , en toen ze niet 
meer kon , badt ze zugtende , en zeide : 

'tLigchaam is wel krank, onmachtig, 
Maar de ziele krachtig. (*) 

's Na,^ts zeide ze meer dan eens: „ Ach myn Heiland 
kom toch haaftelyk , kom, ja kom Heer Jefu ! " ^ Hare 
zufters moeften nog verfcheide vaarfen voor haar zingen , 
en wel de zulken \ die ze in hare ziekte altoos begeerde 
te horen , onder welken het vaars haar vooral behaagde : 

U dankt myn ziel van harten, 

O Jef us ,' Vriend in nood 1 
Voor uwe ziele-fmarten. 

En angit tot in den dood. 
IMiets kan noch zal ons fcheiden. 

Tot U myn oog aanfchouwt. 
Myn' fterkte is in uw lyden , 

Dat eeuwig my behoudt, 

Eindelyk zeide ze: zingt nog: Pibikfara nelUupet enz. 
Nu flaat^myn' ilonde , mï is *t uit. enz. Hier op lag ze 
ene wyl ganfch ilil , doch by 't aankomen van den dag, 
zettedé zy zig onverwagt overend , en zag ilarogende naar 
boven. En toen de zufters , die naaft haar zaten eu 
haar onderfteunden , vroegen , waar naar zy zag ? ant- 
woordde ze : ., Naar dat grote licht , ziet toch dat 
grote licht! '' Zy wilde toen opftaan en het zelve te ge- 
moet 



m 



(*) Uit een vaars, 't geen de Graaf Chriflian Renètm van 
Zinzendorf gQmz^ki hQcft ,^ en zelve onder het zingen daarvaii , 
en van andere iieüyke vaarien , ontfiapen is* 



PK-^ 



^ii 






I 



272 Groenlandfche Hifloriè IX. B. 

moet gaan ; doch agter over zakkende viel zë iri de at^ 
men van hare zufters en gaf den geeft, op den aöften 
Maaft s' morgens te fes uren, in den ouderdom van om- 
trent 24. jaren. 

Deze was nu het eerfte dier bloemtjes, die in dezen 
hof des Heren geplant zyn en gebloeid hebben. De tyd 
van deszelfs wasdom was kort , alzo het haaftelyk ryp 
werdt. De Heer heeft het tans voor zig zelven afgeplukt, 
om zig in het zelve, voorzyne moeite en arbeid, te verlus- 
tigen. Hem zy de eer in euwigheid , Amen ! 

§• !!• 

Wat de Groenlandfche Gemeente te Nieuw* Herrnhut 
aangaat, men had aldaar , gedurende den winter, veel be- 
zoek van Kangek en de eilanden , zo wel van oude als 
nieuwe inwoneren , van welken egter zeer weinigen in de 
Gemeente kwamen : want de nieuwen waren nog te on- 
kundig en ruw, en de ouden hadden het kunftje geleerd, 
zig over de ongeruftheid van hun hart te vrede te flellen. 
Uit de berigten , die de Broeders van hunne bezoek- 
reizen onder deze lieden gegeven hebben , kan men zig 
den toeftand derzelven beft voorftellen. 

Van ene dier bezoek-reizen fpreekt men dus : „ Na et- 
telykc huizen bezogt en met derzelven bewooners gefpro* 
ken te hebben, namen wy onzen intrek by enen ouden 
vriendelyken Zuidlander, Kukillangoak genaamd. Hier 
vonden wy ettelyken onzer gedoopten , die met den onder- 
koopman te Pifuhik geweeft waren , om fpek af te halen. 
Zy werden gevolgd door een boot vol van heidenen, die 
met een yffelyk gefchreuw hervvaards kwamen , om ene 
danzery en enen zing-ftryd te houden. Dan ziende, dat 
wy 'er waren , en dat hun gefchreuw niet beantwoord 
werdt, voeren ze voorby naar ene andere plaats. Van het 
jonge volk liepen de meeften derwaards , maar de ouden 
bleven te huis. Dezen hield ik ene redenvoering van hun- 
nen Schepper en Heiland. Den iften April bezogten wy 
nog ettelyke huizen. Dan toen onze Daniel hen ene re- 
denvoering houden zoude, begon ene oude vrouw zulk een 
geraas te maken, dat men haar naar buiten brengen moeft. 
In een ander huis hield ik ene redenvoering, onder welke 
ene vrouw my in 't woord viel, zeggende: dat ze tans van 

die 



-1 




Gefch. van Nieuw-I lerrnhut. 1762. 273 

die zaak niet horen wilde, om datzy'er niet wel van werdt^ 
en zig voor als nog niet bekeren kon , maar by bare terug 
komft uit het noorden wilde ze by ons komen en ons ho- 
ren. Ik liet my egter niet ftoren. Naar onze herberg te- 
rug kerende werden we door velen gevolgd. Dezen lazen 
wy het derde Hoofdftuk uit de Handelingen der Apodelen 
voor, en ik voegde 'er ene vermaning by. De ouden hiel- 
den zig ftiU luillerden , en betuigden hun genoegen, fche- 
nen egter niet zeer geraakt te zyn : doch by ettelyke jonge 
lieden befpeurde men klaar , dat ze aangedaan waren,. 
zy gaven ook aan onze Groenlanderen te kennen, dat ze 
gaarn by ons wonen zouden, 's Avonds liet ik onzen Da- 
niël ene redenvoering houden. Den aden April, na dat 
de fterke wind uit het Noorden en de felle koude merkelyk 
verminderd was , begaven we ons allen op de terug reis, 
en namen ene weduwe met haar zoon en twe dogters me- 
de : de oudfte dogter dezer w^eduwe is onlangs gedoopt , 
en dit heeft de moeder ook het befluit doen nemen , om 
by ons te wonen. De oude Uikiek^ die in de Kersdagea 
des voorleden jaars door de Itandvaftigheid zyner dogter 
bewogen werdt , om by ons te blyven , volgde ons met 
deszelfs boot en tente , na dat alvorens zyne twe broeders 
by hem en zyne dogter nogmaals ene vergeeffche poging 
gedaan hadden r> om ze te overreden ,met hen naarhet Noor- 
den te varen. '' 



§. 12. 

Door dit bezoek, en der gedoopten Groenlanderen her- 
haalde aanfpraken, waren verfcheide heidenen tot naden- 
ken gebragt. Dan de genegenheid en gewoonte om heen 
en weer te zwerven , de aanklevinge aan de afwezende 
bloed-verwanten, en de luft tot ydeie vermaken hielden 
de meeden nog terug , van zig den Heiland geheel en al over 
te geven. Een van des zo even getnelden Uikleks broe- 
deren verhaalde aan onze Groenlanders, dathy in enen 
droom den Heiland aan 't kruis had gezien, ('t geen een 
bewys is, dat het woord van's Heilands kruis-dood enen 
indruk op zyn gemoed gemaakt had) en dat hy daar door 
zeerongeruft geworden zy, maar dat hy het verlangen, 
oranaar zynen oudften broeder iai 't noorden te varen , 
niet wederftaan kon. Doch by aldien hy den zelven be- 

IIL Deel- «, ^ ^ 



!■ ! 



274- 



Groenlandlche Hiftorie 



IX. B. 






il'' 



wegen kon, om mede herwaards te komen^ dan wilde hy 
zig bekeren. De andere broeder was tegenwoordig, wan- 
neer de vader onder de aanftaande dopelingen aangenomen, 
en de zoon gedoopt werdt , en men befpeurde , dat hem 
de tranen in de ogen (tonden. Dan kort te voren tot enen 
zing -ftryd uitgedaagt zynde , en daarin te kort gefchi.ten 
hebbende, had hy tans geen tyd, om aan de bekeringe te 
denken , om dat hy eerft zyn verlies vergoeden en ovcr 
zyne tegenparty in 't zingen zegepralen wMq. Een man 
in de Kookörnen , die onzen Groenianderen , wanneer ze 
vnnhuis moeten wezen, vele liefde betoont, was van be- 
grip, dat hy tans nog niet tot onzent behoefde te komen, 
om dat onze Groenlanderen , die zeer dikwils hun verblyf 
by hem houden, hem genoeg onderwyfen: dan wanneer 
zyn zoon, die benevens de moeder een groot verlangen 
naar den doop heeft , zal vohvaflen en in ftaat zyn , om 
een huisgezin te onderhouden ; wilde hy denzelven niet 
alleen niet beletten, naar ons te trekken, maar ookzelvo 
mede komen. OndertufTchen wift hy wel , dat , byaldien 
hy voor dien tj^d, zonder gelovig en gedoopt te zyn ,ftierf,^ 
zyne ziel in de duiilere 'plaats ftondt te komen ; doch 
hy geloofde, dat God hem het leven zo langïparen zou- 
de.» tot dat hy kon gedoopt worden. 

Soortgelyke weimenende Groenlanders , die , terwyl ze 
hunne liefde tot de waarheid by verfcheide gelegenheden 
toonden, hunne voordelige woonplaats egter niet verlaten 
wilden, bevonden zig ook te Kellingeit}v^n welken wy 
zomtyds ettelyken tot een bezoek kregen: zy wenfchten 
yerufalem op hunne wyze vrede, en Vermaanden hunne 
bloed-vervvanten , die hier reeds woonden , tot gehoor- 
faamheid jegens derzelver Leraren. 

Ook voeren hier vele ZuidJanders voorby naar het Noor- 
den , doch zeer weinigen floegen hunne tenten by Nieuw 
Berrnhut o^p^ en nog weiniger kwamen in de Predikatie, 
om dat ze vreesden in hunne heidenfche voornemens ge- 
ftoord en ongeruft te zullen worden. Men bezogt ze eg- 
ter in de buurd ., en de meellen kwamen ook Lerwaurds. 
ten bezoek . des 'er zich toch altoos enige gelegenheid op- 
deedt, om het goede zaad.fchoon niet dan by tnkele per- 
fonen, uitte ilrjijen. üit 't geen ik by foortgelyke gele- 
genheden waarnam, heb ik aangemerkt, dat men zelden 
Wilden vindt, die niet reeds enig denkbeeld van God, van 
lumne verdorvenheid en van de noocUakelykheid der be- 

ke* 



Gefché van Nieuw-Herrnhut. i7Ö2é 



^7É 



keringe hebben. Zy zyn overtuigd , dat het anders met 
hen worden moet. 't Geen men van God en deszclfs ei- 
genfchappen met hen fpreekt^ laten ze als bekende waar- 
heden gelden. Spreekt men met hen van de deugd en 
's menfchen verpligtin^ tot dezelve, zy horen ^t bedaard i 
maar tevens onverlchiilig aan , tragten het door hunne 
goede hoedanigheden op te helderen en anderen door den 
hekel te halen* Maar zo dra men van het geloof in den 
Here Jefus en deszelfs bloedige verdienden begint te fpre- 
ken, 't is niet anders, dan of ze door een vuur ontfteken 
urorden. De jonge lieden, die voor het grootfte gedeelte 
nog onnozel engoedwilligzyn, horen zulks met ene aan- 
doening , die hen zeer dikwils doet zugten en tranen ftor^ 
ten , verontfchuldigen zig egter gewonelyk daar mede , 
dat ze niet hunne eigene meefters zyn. By de ouden , die 
teeds lang overtuigd geweeft zyn , maar de duiftemis meer 
beminnen dan het licht , verwekt het verdriet, tcgenheid ^ 
en toorn. Het heeft my menigmaal enen fchrik aange^ 
jaagt , wanneer ik zag, hoe velen dermaten 'er door aaar 
gegrepen worden, dat ze als het gejaagt en benauwd Wildt 
trilden, brieffchen en blazen, en als een zieke , nu aan den 
rok, dan aan de laarfen plukken om de ongeruftheid van 
hun hartre verzagten^ en, zo dra de predikatie eindigt^ 
zo fchielyk als ze maar kunnen, weg lopen, ten einde alle 
gelegenheid tot ene nadere toepaffing op het gemoed te 
ontwykeii; ten bèwyfe hiervan zullen we tans alleenlyk 
aanmerken , dat uit deze grote menigte van Zuidland- 
landeren, (want 'er waren ruim dartig boten vol) niet 
meer dan twe ongetrouwde vrouwé-pêrfoiien verlof vet* 
zogten, om hier te blyven* 

§• 13- 



Daarentegen bleef een man, wiens huisgezin üit elf me- 
rendeels volwaflene perfonen beftondt , die niet ver vari 
ticbtenfeh gewoond hebben , en aldaar dikwerf onderwe- 
zen en aangedaan waren geweeft, te Nieuw- Her mh ut. 
Ook waren nog voor het einde van den winter, de meefteri 
inw^oners van het naburig Kariak^ die reeds dikwils be» 
zoek hadden gehad , en ook het Evangelie met zegen ge- 
hoord hadden , door het ys genoodzaakt g€wgrden 3 hun- 

S a tie: 



OT»I 



nMMi 



MÜH 



Ö76 



Groenland fche Hiflorie 



IX. B. 



ne woonplaats te verlaten: hun getal beftondt uit een en 
twintig, die allen te Nieuw- Herrnbut ontvangen werden. 
De overigen volgden hen in den zomer , doch tegen den 
winter vertrokken ze wtèn. Onder de eerden bevonden 
zig ook ettelyken , die nog niet van voornemen waren , 
om zig te bekeren ; gelyk bleek , wanneer een oud man 
zynenzoon beftrafte, om dat dezen zyn Angoêtk of Amw* 
letum^ (*) zo dra hy op ons land kwam, met deze woor- 
den weggeworpen had : ,, Tans is my deze Angoak van 
geen nut meer, hier wil ik my aan den Heiland houden en 
al myn vertrouwen in Hem ftellen. '* Dan by de meeden 
befpeurde men wel haaft, dat ene voorkomende genade 
werkzaam aan hen geweeft was , en hen door uitwendige 
middelen herwaards getrokken had ; zo dat het woord , 
'twelk ze nu dagelyks , en gewonelykmet vele graagte, 
hoorden, binnen kort ene merkelyke verandering by hen 
veroorzaakte. De ene man, die reeds lang geraakt is ge- 
weeft, verloor een kind, dat hier ftierf, en zyne vrouw 
bragt kort daarna een ander ter wereld. Dit wilde hy gaarn 
gedoopt hebben , doch toen hem zulks geweigerd werdt 
en te kennen gegeven , dat de Broeders gene kinderen do- 
pen van ouders, die nog heidenen, often minften nog niet 
onder de aanftaande dopelingen aangenomen zyn , en dus 
nog niet beloofd hebben, hier te blyven en hunne kinderen 
op ene kriflelyke wyze te doen opvoeden; kwam hy met 
zyne vrouw, zufter en zwager, en verklaarden , dat het 
hun voornemen van den beginne af geweeft zy , hier te 
blyven -^' ^t^ ze den doop van het kind , welken ze nog- 
maals verzogten, aanmerken zouden als een bewys , dat 
men hen niet veragte. Dienvolgens kon men hen hun ver- 
zoek niet weigeren; de vader zelve werdt ook nog voor 
het einde van 't jaar gedoopt, en deszelfs bloed-verwanten 
kwamen voor het grootfte gedeelte onder de aanftaande do- 
pelingen. 

Dus was het getal der inwoneren met veertig perfonen 
uit de wilden vermeerderd , terwyl der Gemeente vier en 
veertig zielen , onder welken zig negen jongskens en fes 

meis- 

(♦) Dit was een ongeboren en gedroogd hondeken, 't welk 
de nog onbedrevene kinderen, naar hun voorgeven, voor ongeluk- 
ken bewaart en hen den weg wyil. 




I 



Gefch.van Nieuw-Herrnhut. 1762. 277 

meisjes bevonden, door den H. Doop ingelyft waren. Tot 
het H. Avondmaal waren agtien perfonen toegelaten , en 
drie paaren waren in den egten-ftaat getreden. 

Van de byzondere betoningen der genade aan enkele zie- 
len zal ik tans niets byvoegen , om dat zulks onder de 
vorige jaren meermalen 5 en ook onder dit jaar by de be- 
ligten van L/c-&/(?«?/^/^, reeds breedvoerig gefchied is. Ik 
kan egter , als een oog-getuige , niet nalaten , over 't ge- 
heel dit nog aan te merken : dat, wanneer ik de katechifa- 
tien , de voorbereidingen tot den Doop en het H. Avond- 
maal , bygewoond heb, ik niet alleen door der Groenlan- 
deren , en zelfs der oude lieden , antwoorden en op- 
regte verklaringen nopens derzelver zin en verlangen, maar 
ook door de zig daar by betonende genade, en de aandoe- 
ning der gemoederen, waarvan hun befchaamd gelaat, en 
de dikwils langs hunne wangen afrollende vele tranen, ge- 
tuigden, dermaten aangedaan en verblyd was, dat myn 
hart van vreugde opfprong , en myne ogen de tranen met 
konden terug houden. Ik kan den Goddelyken vrede des 
gemoeds , dien ik onder dit volk by de bedienmgen van den 
Doop en 't Avondmaal gevoeld heb , niet uitdrukken , en 
ik zal noit vergeten , welk een blik van fchaamte, van 
buiginge,en blydfchap, ik gewonelyk na deze plechtige 
handelingen in hunne wezens waargenomen heb. 

§. 14- 

Ziehier egter nog een kort uittrekfel uit ettelyke open- 
bare redenvoeringen der Groenlandfche mede-arbeideren 
aan hun volk. 

A. fprak by ene zekere gelegenheid op ene zeer aange- 
name wyze van den wasdom in de genade onzes Heren , 
die hy door zyn bloed verworven heeft, en van de zalig- 
heid, die men altoos genieten kon , wanneer men des Heren 
dood en lyden gedurig in ene hartelyke gedagtenis 
hieldt. , , , . 

By ene andere gelegenheid gebruikte hy deze gelykenis: 
„ Wanneer wy des zomers by fterkcn wind eeu licht (*) 

van 

(♦) Te weten droog mofch met traan gevuld en aangeHoken, 
waarvan brandende droppelen afvallen. 

S3 



S78 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 



van de ene naar de andere tente brengen, dan vallen 'er 
dikwils vonken van op de aarde, en fteken het dorre gras 
in brand. Dus is de Heiland op aarde gekomen en heeft 
een vuur mede gebragt , 't geen hy onder de menfchen ge- 
worpen heeft. Maar nu zendt hy zyne dienaren onder alle 
volkeren uit: by heeft ze ook tot ons gezonden, en hen 
zyn woord aan ons gegeven. Dit hebben ze onder ons ver- 
fpreid, en het heeft onze harten brandende en levendig ge- 
maakt, anders zouden wy , gelyk de anderen , die nog in 
de duifterniffe wandelen , dood zyn. 
^.toonde, by gelegenheid dat hy het vaars: 

Uw Bloed, zo hoog geacht. 
Heeft zulk een' fterkte en kracht. 

Pat ook één drop het leeven 

Kan aan een zondaar geeven. 
Ja hem uit 's Duivels kaaken 

. Ganfch vry en zalig maaken. 

tot een onderwerp zyner redenvoering nam, hoe het bloed 
des Heilands uit zulke verdorvene Wilden ganfch andere 
menfchen maken kan. 

" Wanneer dezelve uit ene zware ziekte herfteld was, ver- 
geleek hy het leven der menfchen met ene fchaduwe, die 
haaüelyk voorby gaat; met het gras, dat zig flegts enen kor- 
ten tyd in zyne fchoonheid vertoont, naderhand verwelkt, 
ter neder valt en vergaat; 3iiet de bladeren van kleine 
boomtjes, die de wind verwait. „ Ach! (zeidehy) hoe 
j^oed is het , wanneer wy dan den Heiland in onze harten 
hebben , om dat we dus weten , waar onze zielblyft,wan- 
fjeer het lighaam valt en vergaat. " 

jD. bekende opentlyk, dat hy zedert enigen tyd zyn hart 
niet regt bewaard en dus den Heiland uit het oog verlo- 
ren had, des het drie dagen ganfch niet wel by hem ge- 
field was geweefr. „ Eertyds, (zeide hy) toen ik den 
Heiland nog niet kende, en myne verdorvenheid ook zo 
niet, als tans, gevoelde, kon ik my over alles zeer ligt 
te vrede (lellen ; maar tans weet ik genen raad, zo dra ik 
j?iet gevoele, dat de Heiland my genadig is. " (*) 

^ Op 

(*) By na op dezelve wyze drukte zi^ ene onlangs gedoopte 
v/eduwe uit, wanneer ze tot hare arbeidfler zeide: „ Toen ik 

nog 



Gefch. van Nieuw- Herrnhiit. 1/(52. 279 

Op <*()eden vrydag had de katechifeerder in het avond- 
gehedeenender ongetrouwden Broederen verzogt ene nan- 
fpraak te doen , waarvan hy het volgende onthouden had : 
,r Heden hebben we gedagtenis gehouden van s HeilaiH.s 
Ivden hoehyvooronzezondenbloed gezweet heelt, hoe 
!! zvn hoofd door doornen en vervolgens zyn geheel hghaam 
verwond werdt. Dank hebbe de Heiland, die ons zo hef 
heeft gehad, dat kyzig voor onze zonden heett laten krui- 
!! fieen , en zyne zydc door ene fpere openen, zo dat zyn 
! dierbaar bloed op de aarde gevallen is, en voor allemen- 
' fchen betaald heeft! Ja, dank hebbe onze grote Ontfer- 
! mer , die ons uit het midden der onwetenden uitveikc- 
!' ren 'beroepen en tot de Gemeente gebragt heeft, waar 
r we dagelyks gelegenheid hebben, om van dezen groten 
Liefhebber der menfchen te horen! Ach, dat toch me- 
! mand van ons by dat alles ongevoelig blyve , en buiten 
! deelagtigheid aan de genade, die hy ons door zyn bloed 
1 verworven heeft! Wie nog gevoelt, dat zyn hart geen 
wezendlyk deel aan 's Heilands verdienften en wonaen 
" heeft; dat dezulke toch tot den Heiland nadere, en met 
n ophoude te bidden, voor dat zyn hart week en oritüo- 
' ken worde. Doen we dit, dan zal de H. Geeft m onze 
harten woninge maken, ons onderwyfen en erinneren, 
r dat we van onze harten niet afraken, en den Heiland en 
' onze Leraren bedroeven. Ik weet zeer wel, hoe t gaat. 
Wanneer de gedagten onzer zielen van den Heiland en 
Z deszelfs verdienften afgetrokken zyn, dan zouden we 
Z gaarn naar ons eigen goeddunken handelen. Maar hoe 
is het dan met ons gefteld? Hebben we daar vrede by? 
!' Neen zeker! Ik worde ten eerden ongeruft , duitter en 
radeloos, des 'er niets anders over blyft, dan my met 
aile de verdorvenheid, die ik in my gevoele , voorde 
voeten van den Heiland neder te werpen , en hem zo 
lans om verefFenis te fmeken, tot dat hy my weer van 
zvne Penade verzekert. Deden we dit, zo dra ons onze 
verdorvenheid begint te kwellen , we zouden noitm droe- 
r vip-eomftandigheden geraken, 't Is waar , wy zullen, zo 
r lang wy in deze wereld zyn, altyd nog onze verdorven- 
\ beid gewaar worden; maar we hebben ook enen geopen- 
'^ ^ „ den 

no2 onder de heidenen was, dagt ik , dat de gedoopten reeds, 
alles hadden, wat ze hebben moeten; doch nu, zelve ^gedoopt: 
iiynde, gevoele ikmyne armoede en. ellende eerft regu " 
S 4 



99 
99 



il 



28o 



Groenlandfche Hiftorie 



1 

IX. B.f 



den wegen vryen toegang tot den Heiland, en zyn bloed 
kan onze harten reinigen en bewaren. Laten we maar 
zo lang wy leven, onophoudelyk op hem zien , en ons 
met ziel en lighaam aan hem geheel over geven. En na- 
demaal de tyd weer nadert, datwy van onze Leraren wes 
varen, zo willen we het lyden van den Here fefuste vlv- 
tiger in gedagtenis houden , en ons onderling diiartoe 
, opwekken : daardoor zullen we van het kwade bewaard 
worden , en ons met elkander verblyden, wanneer wv 
hier indenherfft weer zullen byeen komen. '* 

§• 15- 

Tot roem van den Heiland moeten we ook met danker- 
kentenis betuigen , dat onze Groenlanders , zo wel jongen 
^\s ouden, zig, by derzelver verftroijing en arbeid gedu- 
rende den zomer, zonder merkelyke fchade van het kwade 
hebben laten bewaren, en ook niemand van hen omgeko- 
men IS , fchoon velen omgeflagen zyn, en zelfs nu en dan 
door enen zee-hond omver getrokken, ja ene wvl onder 
water mede geileept werden. 

In den beginne van ^t jaar waren ze in hunne nerino-e 
voorfpoedig, zy vongen vele zee-vogelen en nu en dan ook 
zee-honden. Omtrent het begin van April kregen ze enen 
IValrus^ 't geen hier wat zeldfaams is, en de twede die 
men in dartig jaren gevangen heeft. Door den velen re^cn 
werdt van hunne haring-vangft niet weinig bedorven, nfer- 
door werden ook de Europeaanfche Broeders in derzelver 
uitwendige bezigheden belet,. en toen de maand Auguftus 
byna ten einde was , zonder dat ze het fchip te zien kre- 
gen , met het welk. Volgens de berigten, die ze met het 
mar de Zuider- volkplanting beftemd fchip ontvangen had- 
den, twe Broeders tot hen komen zouden, geraakten ze 
m gene geringe bekommering , werden egter, tocnmenzifr 
reeds gereed maakte, om van de Zuider-volkplantingmond- 
behoeftens te halen, op di^n aóften Auguftus door de aan- 
komtt van het fchip verblyd. De twe Broeders waren 
Ceorg Hendrik Meyer en Joban Böhnifch. De eerfte kwam 
ïn de plaats van Pieter Haven te Lkhtenfeh^ en de twede 
bleef te.iV/tf«it;.fl?m/^^/,terwyl Jens Haven met my terug 

De Zeehond- vangft der Groenlanderen in den Zond was 

dit 



Gefch. van Nieii w-Her rnhut. 1762. 281 

dit jaar ganfch niet voorfpoedig , vooral toen'er ene ziekte 
onder hen kwam , waardoor velen belet werden , om den 
koft te winnen. Zy hebben egter, volgens de jongfte na- 
rigten, niet alleen in den winter hun beftaan gehad, maar 
hebben zelfs nog kunnen afgeven, Gedurende de ziekte 
werden ze door den Miffionaris bezogt , zyn berigt hiet 
van luidt dus : 

„ Den ï25fl:en September ontvingen we door de genen , 
die uit den Zond herwaards tot het Avondmaal kwamen , 
de fmartelyke tyding, dat ettelyken , en in 't byzondertwe 
mannen,gevaarlyk ziek waren. Wy zonden ten eerden eni- 
ge artfenyen derwaards , die egter van gene uitwerking 

•waren. Den aSften voer ik, na dat de harde wind 

bedaard was, naar den Zond, om de zieken, die 'er zeer 
naar verlangden , te bezoeken. Ik vond enen der gevaar- 
lyk zieken iets beter, en in ene aangename gemoeds-ge- 
fteldheid. Hy betuigde gereed te zyn , om zynen Here 
te volgen , indien dezelve hem afroepen wilde , en dat 
hem niets meer in den weg was , om tot den Heer te komen. 
Van den anderen, iS'//«o/? genaamd, werdt my berigt, dat 
hy reeds ontdapen , en het lyk ter begraffenis overgevoerd 
was. Na de overige zieken in haaft bezogt te hebben , 
volgde ik het lyk ten eerften agter na , en liet het zelve, 
na ene redenvoering van den ommegang met den Heiland, 
die ons vergenoegd doet leven en zalig fterven , begra- 
ven. Van de zieken had ik twe mannen mede ge- 
nomen. Myn voornemen was ten eerften weer naar den 
Zond te varen, werdt egter door ftorm en regen tot den 
iften Oftober opgehouden, wanneer het lyk van Beat a , 
ene dogter van DanieU herwaards gebragt werdt. De ziek- 
te neemt nog gedurig toe, en de zieken lieten om bezoek 
bidden, in 't byzonder Kiutikak ^ii\^ gene voeten heeft, en 
dezen winter by ons gekomen is: hy is in 't voorjaar on- 
der de aanftaande dopelingen aangenomen, en verlangde 
tans\zeer naar den doop. Schoon nu de overige, drie Broe- 
ders voor vier dagen uitgevaren zyn, en dus niemand by 
de zieken alhier was, voer ik egter ten eerften naar den 
Zond , en kwam te eerft by den kreupelen Kiutikak. Hy 
herhaalde zyn har tel yk verlangen naar den doop , en hier 
over met hem gefproken hebbende, vond ik gene reden 
zulks langer uit te ftellen ,des doopte in hem, en gaf hem 
den naam Micbaeh De Goddelyke vrede , welken zyne 
ziel by deze handeling genoten heeft 9 ftrekte tevens ter 
S 5 fter- 



f 



È^2 



Groenkndfche Hiftorie 



IX. 



fterking van zyn lighaam, zo dat hy van dien tyd af be- 
gon beter te worden. ( *) Vervolgens bezogt ik de ove- 
rige zieken, hield 's avonds in ene'tente vergadering voor 
zo velen , als 'er plaats konden vinden , en wy gevoelden 
de genade in 't midden van ons. Den liden kreeg ik ty- 
ding, dat onze Broeders gelukkig, fchoon met vele le- 
vens-gevaar, van Okeitfut met twe volle boten te huis ge- 
komen waren. Dit maakte, dat ik hier nog blyven, en de 
zieken verzorgen kon. Den 3den werd ik by Matth(zus 
geroepen; doch hy kon niet meer fpreken , en beantwoord- 
de myne vragen niet dan met gebaarden en een vriendclyk 
gelaat. Na ene korte aanfpraak zegende ik hem, en beval 
hem in de armen des Heren. Daarna bezogt ik de overige 
zieken, deed by zommigen ene aderlating, en deze werden 
ook binnen kort beter. Den 4den vernam ik reeds vroeg , 
dat Matth(eus ontflapen was ; ik nam derhalven het lyk ^ 
als mede de weduwe en hare twe kinderen, in myneii 
boot, en bragt ze ter begrafFenis naar Nieuw-Herrnbut. 

§. I6. 

" De zieken waren voor het grootfte gedeelte beter gewor- 
den, doch dermaten verzwakt, dat ettelyken nog in dit , 
en anderen in den beginne van het volgende jaar naar de 
euwigheid gingen. Het getal derzelven in dit jaar beliep 
negentien: ik zal tans van nicmands , dan des laatften, le- 
vensloop enig gewag maken. 

Deze was onze geliefde en onwaardeerbare Z)^;7/V/, de ge- 
zegende getuige onder deszelfs volk. Hy was omtrent den 
tyd der komfte van den Heer Egede in dit land, in 't zui- 
den niet ver van TunnuUarhik geboren. Zyn vader was 
een verftandig en ryk Groenlander, had behalvenhemnog 
vyf zonen en drie dogters, en was. geiyk demeeftenZmd- 
lar.ders, gewend, in het land om te zwerven; zo dat hy 
een jaar in 't zuiden , het twede hier in de buurt te Kan- 
gek^ en het derde omtrent Disho woonde, en dus gedurig 
van woonplaats veranderde. Op ene dezer reizen gebeurde 
het in 't jaar 1745, dat de Heer Dracbart ^ ter gelegen- 
heid 

(*) Hy werdt weer gsnfch gezond, en in 't volgende voor- 
jaar getrouwd , maar ook binnen kort weduwenaar. 



P Gerch. van Nieuw-Herrnhut. 1762. 283 

heid vnn een bezoek te Kangek , by dezen man zyn ver. 
blyfnam, en den Groenlanderen het Evangelie Verkondig, 
de. Onze An^iifma ( dit v^as zyn naam voor deszelfs doop ) 
kreeg het eerfte maal, dat hy het getuigenis van de verlos- 
fmg door.'sHeilands bloed hoorde , terftond zulk enen 
indruk in zyn hart , dat hy het befluit nam , een eigen- 
dom vanden Heiland te worden, en by de gelovigen te 
blyven. Doch hy kon van zynen vader niet al komen , en 
moeft denzelven dien zomer tot omftreeks de Zuidbay vol- 
ven. In den herfft van 't jaar 1746 kwamen ze terug, wan- 
neer hy als de oudfte zoon, die reeds een huisgezin had , 
zig van zynen vader, van zyne broeders en zufters, af- 
fcheidde, en naar de volkplanting Göö^/^^^Z^ trok. Hywerdt 
in den Here Jefus gelovig, nam in de kenmffe der waar- 
heid toe , en werdt by enen talryken doop hier te Nieuw- 
Herrnhnt^ den asften January 1747 door den HttvDrac 
bart gedoopt. Hy ging eenvoudig en ongeftoord m de ge- 
pade van den doop voort, en was zyne Leraren tet vreug- 
de. Dan dewyl zyns vaders broeder reeds by ons woonde 
en gedoopt was, zo verlangde hy by denzelven te wo- 
nen. Dit werdt hem verfcheide malen geweigerd ; hy bleef 
egt er aanhouden, en badt zynen Miffionaris om verlof, die 
gene zwarigheid maakte, om hem dezelve te geven , met 
hartelyke toewenfchinge , dat hy in de genade regt mogt 
bevefligd en bewaard worden. Dus kwam hy in de maand 
September 1748 met vele vreugde by ons aan. Hy nam toe 
in de genade , leerde zyne ellende en verdorvenheid gron- 
dig kennen, en werdt binnen kort tot het H. Avondmaal 
toegelaten. Zyne vrouw derzelve genade deelachtig ge- 
worden zynde, werdt hen in 't jaar 1750 de kerkelyke ze- 
gen tot hunnen egten-ftaat mede gedeeld. In 't jaar 1751 
geraakte hy in ene verzoeking, doch 'er was voor gebe- 
den, dat zyn geloof niet ophieldt, en de vyand met roe- 
men kon , dit eenvoudig hart ten val gebragt te hebben. 
Intuffchen ftrekte hem zulks tot vernedering en meerdere 
benaarftiging in getrouwheid en waakzaamheid. Na het 
. eerftemaal het H. Avondmaal genoten te hebben, óntftondt 
ten eerden een vurig verlangen in zyn hart, om den dood 
des Heren te verkondigen. Hiertoe werdt hy nog meer 
opgewekt, wanneer hy,by de Fifitatie in 't jaar 175^ t> een 
medelid van 't gezelfchap der mede-arbeideren werdt. Hy 
fprak vroeg en laat uit den overvloed van zyn hart. De 
heidenen hoorden hem gaarn en met enen zonderlingen in- 

dru}^, 



284- 



Groenlandfche Hiftorie 



IX. B. 



druk , des ze ook altoos ene byzondere liefde voor hem, en 
ene uiineniende agting, voor 't geen hy fprak, betoonden. 
Miervan waren we dikwils oog- getuigen, en wy namen hem 
• ook zo aikwerl, als het maar immer doenlyk was, op de 
bezoek-reizen onder de heidenen mede, ten einde ons getui- 
gems door deszelfs woorden en voorbeeld te doen beves- 
tigen. Hy verzuimde gene gelegenheid, om den heidenen 
den Heer Jefus aan te pryfen , en zulks deedt hy met veel 
beleid en voorzigtigheid. Heidenen , die nog t' enemaal 
onvyetende en ruw waren , fprak hy van zelven aan, zoat 
de by hen voorhanden zynde denkbeelden van God en de 
on tervelykheidder ziel, door vragen en antwoorden op te 
helderen , hen hunne verdorvenheid onder 't oog te brengen, 
endezelven dus de noodzakelykheid der verloiling te doen 
bezeilen; vervolgens prees hy hen het geloof in den Here le- 
lus inet een brandend hart en dikwils met tranen in de ogen 
aan. Ten dien einde kwam hy gewonelyk van de neringe te 
buis, zo dra hy verwittigd werdt, dat 'er een gezelfchap van 
Zuidlanderen aangekomen zy; hybragtze overal en ver- 
klaarde hen het oogmerk der zamenwoninge van zo velen 
hunner landsgenoten : en wanneer hy befpeurde, dat ze de 
openbare vergaderingen fchuwden , dan bezogt hy ze in 
hunne tenten, en zeide hen , zonder dat ze zyn doelwit be- 
merkten, het een of ander, dat tot hunnen vrede dienen 
i^*'";^ , ^ vyandige menfchen, die een afkeer hadden, vaa 
Ooddelyke zaken te horen fpreken, hieldt hy zig ffil, ten 
einde gene vergeeffche woorden te fpreken , en de waar- 
heid te doen verachten en befpotten. Dan indien dezelven 
van vuile zaken zogten te fpreken, of de gelovigen te be-, 
/potten, zo beftrafte hyze heufchelyk, en zogt de ene of 
andere Itoite, die hen van nut kon zyn, op debaantebren- 
gen. Ook onderwondt zig niemand ligtelyk , hem te na te 
komen. Gebeurde het, dat hy, ten behoeve vanzyne ne- 
nnge, ergens overnagten raoeft, (en een ieder herbergde 
nem gaarn) hy werdt gewonelyk verzogt, ene redenvoe- 
ring te houden. Dit deedt hy (volgens het zeggen der be- 
dienden van den koophandel, die hem dikwils in diergely- 
ke gevallen met verwondering gehoord hebben, en hem 
uit dien hoofde den Man Gods noemden ) op de volgende 
wyze : hy ontblootte zyn hoofd, vouwde de handen, zong 
ettelyke yaarfen of badt, en hieldt dan zonder voor de te- 
genwoordige Luropeiinen befchroomd te zyn , den heide- 
nen zulk ene zielroerende Leerreden , dat hen de tranen 

uit 



k 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1762. 285 

uit de ogen kwamen ; en dikwils duurde nog het gcfprek daar 
over tot in den laten nagt. Des winters werdt hem te huis 
dikwils de tyd te lang, en dan voer hy in zynen Kajak . 
naar zulke plaatfen ten bezoek, waar zyne Leraars niet 
komen konden, of waar hy wift, dat zig ene geraakte ziel 
bevondt Zyn getuigenis aan de heidenen was levendig , 
vrvmoedig en bondig; zyne openbare redcnvoenngen aan 
deszelfs Broederen, eenvoudig, hartelyk en zielroerende. 
Hv fprak merendeels door gelykeniffen , (waar van wy 
reeds enige voorbeelden mede gedeeld hebben ) en will 
dezelven op ene aangename wyze op het hart toe te 

^^De redding en behoudenis zyner landsgenoten, en in 't 
bvzonder zynerbloed-verwanten, lag hem zeer aan 't hart. 
Dit was de reden, dat hy in't jaar 1753 de Miflionariffen 
verzogt , te gedogen , dat hy ene reis naar 't noorden deed , 
om zynen vader, zyne broeders en zufters , op den weg des 
levens te leiden. Dit zogt men hem af te raden , door hem 
de veelvuldige gevaren voor ziel en lighaam , die men op 
deze reis te gemoet zag , onder 't oog te brengen ; dan toen 
hv by zyn voornemen bleef, liet men hem , benevens enen 
anderen Groenlandfchen mede-arbeider en deszelfs huisge- 
zin , deze reis met den zegen der Gemeente doen. Binnen 
agt weken kwamen ze vergenoegd en wel weer te huis, 
na velen fmaad en befpottinge geleden , maar tevens het 
Evangelie aan vele honderden van Groenlanderen verkon- 
digd te hebben; waarvan men de vrugten in 't vervolg ge- 
zien heeft. Onder anderen zyn hem alle zyne bloed-ver- 
wanten, behalven de vader en een zyner broederen, die-reeds 
geftorven waren, gevolgd, in de Gemeente gedoopt, be- 
lieven, en ten dele reeds ontflapen. Zedert ettelyke ja- 
ren dagt hy ook veel om ene reis naar zyn vaderland in 't 
zuiden te doen ; doch dit wilde zigi^niet fchikken. 

Hoe hy gedagt heeft, en hoedanig de gefteldheid van 
zvn hart geweeft is, zal het volgende uittrekfel uit et- 
telvken zyner brieven beft kunnen aantoneu: 

Ik heb u in langen tyd niet gezien , ma^r ik heb u 
nog lief. Dus ben ik ook jegens den Heiland gefield- 
Want fchoon ik hem nog niet gezien heb , heb ik hem 
ceter van gaufcher harte lief, om dat ik gevoele dat hy 
mv, zo als ik ben, niet veracht , maar my dagelyks ge- 
nade betoont- Indien my zyne genade niet bewaarde , 

zou-» 



286 



Groenlandfche Hiflorie 



IX. B. 

Ik dank 






zoude ik dikwils op enen dwaalweg geraken, 
hem voor zyne nabyheid enz. '' 
. „ Tans zal ik u fchryven , hoe ik het dezen winter ge- 
bad heb. Ik gevoele myne armoede en tevens de grote 
hefde des Heilands: hierover ben ik verbaasd en befchaamd. 
Ik verblydemy, dat hy allengskens van my weg neemt, 
't geen hem in my mishaagd. Hoe goed is het toch , dat 
we zulk enen almagtigen en alomtegenwoordigen .Heiland 
hebben, voor wiens ogen niets, het zy in 't hcht, het zv 
in de duifternis, kan verborgen blyven. Hy kent ookmyn 
hart, en dat het voor hem opregt is. Wanneer wyhet 
lighaam des Heren genieten zullen, dan doorzoek ik myn 
hart vooraf zeer naukeurig , vervolgens fpreek ik met myne 
Leraren, en dan bevind ik, dat ik tot zyn hghaam naderen 
durf. Wanneer we van zyn lighaam eten en zyn bloed drin- 
ken, ontvang ik het met een heilig zidderen, om dat mv 
het onderfcheid tuffchen dit heilig en al ander voedfelzeer 
klaar is,- ik denk dan ook : Ach dat ik het toch tot een 
wezendlyk zegen genieten moge! Dus geve ik my dan aan 
den Heiland tot ene beftendige bewaring over. De- 

wy! ik nu ook den arbeid des H. Geeftes zo kragtdadig iii 
myn hart gevoele, zo bevele ik myne ziel en leden aan 
deszelfs toezigt en bewaring, en bid hem, dat hy my be- 
Itendig, vooral wanneer ik alleen ben, gelieve te verzeilen 
en in my te wonen , ten einde ik noit van den Heiland afd wa' 

Ie. Ik ken u , myne geliefde Broeders in Eurofia^ 

met van aangezigt, maar ik bid doch voor u heden. En 
dewyl ik genoord heb, dat de vegtende Europeanen rond 
om u heden oorlogen, heb ik veel medelyden metu; maar 
ikgelove, aat de Heiland u tegen al het kwade befcher- 
men kan. " 

,, Ik wil u tans fchryven, hoe het met de gefteldheid 
van myn hart is: voorleden jaar was ik niet regt verge- 
noegd, om dat ene myner dogteren overleden was. Dan 
ikbefpeurde wel haail de ongefteldheid van myn hart, 
en bad den Heiland met tranen om vergiffenis. En daar 
op heeft hy my ook door zyne nabyheid vertrooft en een 
vergenoegd hart gegeven. By de grote vergadering , in wel- 
ke ons de vergevmge van zonden verkondigd werdt , en 
by het daarop volgende Avondmaal^ 't geen we kort na- 
onzen intrek in de winter-huizen hadden, werdt mvn hart 
door den Heiland regt week gemaakt. Ach, wie nóg bui- 

teiï 



Gefch. van Nieuw-Herrnhut. 1^62. 287 

ten hem iet anders zoekt en liefheeft , die kan zyne ge^ 
nade niet genieten: maar de armen en ellendigen,die hem 
nodig hebben en om genade fmeken , ondervinden de zel- 
ve : want hy is gekomen, om de ellendigen te helpen. Ik 
wil derhalven mynellegtheidnoch voor hem, noch voor zy- 
öe dienaren verbergen. Zy kennen my , en voor hem is 
de diepfte grond van myn hart openbaar. " 

In deszelfs laatften brief, dezen zomer gefchreven, 
drukt hy zig onder anderen dus uit : „ De genade des 
Heilands heeft my tot hiertoe bewaard , want zelve kan 
ik my niet bewaren. Ik ben wel zo nog niet, als ik be- 
hoorde te zyn: maar hy heeft my daarom niet veracht, in 
tegendeel hy heeft my zelfs onder zyne dienaren gerekend. 
Ik heb al myn vertrouwen in den Heiland geteld, hy kent 
my beft, en weet , wat my ontbreekt. By de vergadering 
op het feeft van den H. Geeft heb ik by my en alle myne 
Broederen enen zonderhngen zegen befpeurd. De H. Geeft: 
is ook onze leraar, beftierder en troofter. By myn bezoek 
onder de wilden te Kangek heb ik my niets , dan het woord 
van 's Heilands lyden kunnen te binnen brengen. Ik ge^ 
voele ook gene neiging tot andere zaken , en ik fpreke ook 
van niets met zulk een genoegen als vaii 's Heilands bloe- 
digen martel-dood : dit toch is het kragtigfte en grootfte , 
dat men den menfchen (*) zeggen kan. enz " 

Deze beminnenswaardige Man had ons vele blydfchap 
veroorzaakt , en zelden enige reden van bekommering 
gegeven. Dan in het voorjaar moet, naar het fchynt, 
ene geringe zaak, die men gewonelyk ene begeerte noemt 
om zig eens te laten horen ^ hem aanleiding gegeven hebben, 
om zig zelven, in zyne in der daad grote en byzondere ga- 
ven, die hy zelve tot hier toe weinig bemerkt had, te be- 
hagen. Zedert dien tyd befpeurde men ene verandering 
by hem, die ons ten zynen opzigte verlegen maakte. Men 
werdt wat twyfelmoedigs by hem gewaar, zyne gaven ver- 
minderden , en zyne redenvoeringen waren met de gewone 
zalvinge en indruk niet verzeld. Hierby kwam ook , dat 
deszelfs nog overige en enigfte dogter van vyftien jaren , 
j&^^^ö genaamd, inde maand September hy de befmette* 
lyke ziekte in den Zond zahg ontfliep. Dit verlies trof hem 

te 



f? 












(*) Of den Groenlandzen y want ze noemen zig eenYoudig- 
Innuity dat is menfchêa. 



288 



Groenlandfehe Hiflorie 



IX. B. 



te fmertelyker, om dat zy niet alleen een zeer gefchiktkind 
was, maar, om dat hy zelve niet had leren lezen, hem ook 
dienen moeft met hem het gefchrevene woord van God voor 
te lezen , waar van hy zo wel in deszelfs gef prekken met 
zyne huls-lieden , als in zyne redenvoeringen aan de hei- 
denen een goed gebruik will te maken. In dezen toeftand 
bleef hy van 't Avondmaal te rug, vverdt egtcr binnen kort 
te regt gebragt, en genoot, als een vertrooll zondaar, nog 
in de voorleden maand November voor het laatfte maal 
des Heren lighaam en bloed, tot ene uitnemende fterking 
zyns -geloofs. Kort daarna werdt hy door het zydc-wee 
sangetaft. Men deedt hem ten eerden ene aderlating, en 
gaf hem zulke genees-middelen als men tot zyne herftelling 
dienftig oordeelde, doch alles was zonder enige uitwer- 
king. Wanneer men hembezogt, vondt men hem altoos in 
zalige overdenkingen en zamenfpraken met den Vriend zy- 
jier ziele. Alleenlyk beklaagde hy, dat hy nog de reis 
naar 't zuiden niet had kunnen doen, „ Want gy lieden 
weet (zeide hy) hoegaarn ik myne landsgenoten tot den Hei- 
land brengen zoude , en hoe gaarn ik ze even zo zalig zag, 
als de Heiland my uit genade gemaakt heeft. " Dit was 
de reden zyner onzekerheid, of hy door deze ziekte zoude 
ontbonden worden. Dan wanneer men hem den !2den De- 
cember bezogt, zeide hy meteen byzonder blymoedigge- 
laat: „ Tans ben ik verzekerd, dat ik tot den Heiland he- 
5, nen ga , en het zal niet lang meer duren , want myn kleed , 
„ waarop ik tot hiertoe gewagt heb, isklaar. Ach hoever- 
.„ bh/d ben ik ,en wat zal het dan eerft wezen , wanneer ik, 
,5 gelyk T/jcmas^mynthanü in zyne zyde fteken zalen uit- 
„ roepen : Myn Heer en myn God ! Ach hoe zal ik hem dan- 
„ ken dat hy my uit de heidenen heeft uitverkoren ,door zyn 
5, bloed afgewafichen ., door zyn vleefch gefpyzigd , door zyn 
„ biOudgedrenkt,eninzyne gemeenfchap be waard. " Toen 
men hem den 3den December in den ogtenftond bezogt , 
was hy nog vry fterk , beval ons zyne tvve zonen en der- 
zei ver moeder, waar by hy zulk een liefiyk en vriendelyk 
gelaat had, dat zyn aangezigt een glans had als dat vaneen 
Engel. Hy verloor allengskens de Ipraak en begeerde tot 
zyne ontbinding ingezegend te worden , 't geen door de 
Mifiionarifien verrigi: werdt, onder een hartroerend gevoel 
aller aan wezenden , met oplegginge der handen en eenen met 
vele tranen verzelden affcheids-kus. Nauwelyks was men 
te huis gekomen, of men kreeg de tydirig,dathy op het uit- 

erite 



Géüh van Nieuw-Herrrihut. 1762: sgi? 

êrftewas Men haaftede ten eerden derwaards, en ver- 
zelde den levendigen geeft van dezen begenadigden getui<^ 
gen des Heilands met een liefiyk gezang naar zyns Heren 
vreugde. Zyne eigene broeders en zuftersen overige bloed- 
verwanten, die ilieh had laten byeeil roepen, betoonden 
zig by dit geval, zoals het kinderen Gods betaamt, fchoon 
ze hem vele tranen agter na zonden , 't geen wy ook de- 
den. Want in hem hebben we een onwaardeerbaar ge- 
fchenk der genade; een hart, dat in 's Heilaiids bloe^ en 
verdienften leefde; enen altoos vriendelyken en liefheb- 
benden Broeder; een wezendlyk fieraad der Gemeente; 
enen getrouwen mede-arbeider; enen gezegeriden verkon- 
diger van 't Evangelie en den dood des Heren ; en enen 
bv kriftenen en heidenen zeer geagten Man Gods verloren^ 
Doch wat zeggen we, verloren. Hyis nu doorliet Vöor- 
hano-fei ingegaan tot zynen en onzen Heer , eti waar wy 
euwlg wenfchen te wezen. Zyn lyk, aan 't welke de ziel 
lieflyke en agtbare trekken nagelaten had , werdt den 4den 
December onder een groot gevolg van Groenlanderen, als 
mede van de kooplieden, door fes Groenlandfche mede- 
arbeideren naar het graf gedragen , na dat de Miffion^tis 
alvorens de lykreden had gehouden over de woorden des 
Heilands uit ^ob. XX: 29. Zalig zyn ze^ die niet zullen ge- 
zien Meen 5 en nogtans zullen geloofd hebhen. 




rïv 



UL Dtel 



HET 



HET TIENDE BOEK 

DER. 

GROENLANDSCHE 

HISTORIE, 

VERVATTENDE 

Ene hefcbryving van de in- en uitwendige ge- 
fieldbeid der Grqenlandfche Gemeente. 

INHOUD. 

I. Het oogmerk en beloop dezer verhandeling. 
a. Befcbryving van Nieuw-Herrnhut. 

3. Befcbr'jving van Lichtenfels. 

4. Het getal en de gefteklheid der Groenlandfche huisge- 
zinnen te Nieuw- Herrnhut. 

5. Verdeling der GrO&nlanderen naar derzelver zomer'- 
en winter-ivoningen. 

6. Nuttigheid en noodzakelijkheid van ^t hyeen - zvoneH 
der gedoopten. 

7. Fan de vryheid hunner neringe en huishoudingen en 
bet opzïgt daarover, 

8. Fan de armen en verlat eneneen in hoe ver de Geween* 
te door dezelven aangegroeid is. 

9. De verzorging der armen onder de Groenlandfche huis- 
gezinnen door hulp der Mij[fionari[len. 

§. 10. 



INHOUD. 



ügt 



f. ÏO. De Groenlandfcbe Gemeente heftaat zier wel , en is 
den koophandel tot voordeel. 

€.11. Fan de liefde- gift der Groenlanderen ^ en de goede 
K, werken in V verborgen. Der Mijfionarijjen invloed 
Pi in de huisboudinge der Groenlanderen. 

% 11. Getal en moeijelyke neringe der Mifwnarljfen en hun- 
ner mede-arbeideren. 

§. 13. Derzelver moeite en naarftigheid in '^ leren van de 
Groenlandfcbe taaU 

§. 14, Roem der Goddelyke bewaring van hun leven en ge- 
|^.> zondbeid by zo veler I3 zwarigheden. 



|. 15. Fan derzelver be^^oek-reizen naar Duitsland^ en ver- 
kwikking naar ziel en ligbaam. 

§. 16. Fan hunne gemeenzame huishouding ^^ en van waar 
^ zy , en de overige zendingen , hunne onderhouding kry^ 

ip»- gen. 

$. 17. Aankwekinge van Groenlandfcbe mede-arbeiders^ der- 
zelver werk en nuttigheid^ als mede de daar omtrent 
gebruikte voorzigtigbeid. 

§. 18. Algemene en byzondere vergaderingen op zv er k- dagen. 
§. 19. Op zondagen. 

% 20. Op de grote en kleine Kerhfeeften , ah mede de Ge- 
m. denk' dagen. 



% 11. Fan de opentlyke Leerredenen ^en het lezen der H» 
Schrift. 

§. 1CL. Fan het zingen en de Muzyk der Groenlanderen in de 
vergaderingen. 

§, i23. De voorname inhoud van- en de leerwyze in de openU 
hke Leerredenen^ en derzelver nuttigheid. 

T a ( S- H^ 



I 






■rm 



';>^l 



':^m 




INHOUD. 



§. 24. AanmerVtn^en over den wasdom der Qroenlanderen in 
de kennijfe en ondervindingen 

§. 25. Fan den Kinder-doop. 

§. 06. Van de aanneminge en toehereidinge der 'bebaarde 
Leerlingen. 

§. 27. Van den Doop der bejaarden , en deszelfs blyvende 
zegen. 

%, 28. Van de toebereiding en bevefiigtng tot bet H. Avond- 

maaU 

§. !29. Van de Bediening des H. Avondmaah. 

$. 30. Van de Liefdemalen en bet Voetwajfcben. 

f, 31. Van de onderzoekingen teregtwyzing der Groenlan- 
deren ^ en de Kerkelyke tugt. 

%. 3a. Redenen , waarom de MiJjJonarifen ook de verdee- 
lingen der Koren in de Groenlandfche Gemeente in- 
gevoerd hebben, 

%• S3* ^^'^ ^^ Koor-vergaderingen en gezel fcbappen. 

§. 34. Van de opvoeding^ der jeiigt en derzelver overgang 
van de ene verdeling naar de andere , ah mede van 
de Scholen. 

§• 35« ^« ^^^ verloven en trouwen. 

%. 36. Hoezig de Mijponarijfen jegens de zulken gedragen ^ 
die elkander in 't heidendom getrouwd hebben. 

§• 37* ^» ^^ weduwen en weduwenaren en derzelver ver-* 
zorging. 

§. 38. Van de geeflelyke en lighamelyke verzorging der zie* 
ken , affcbeids-zegen en begrafenis. 

S. 39- 



INHOUD, 



2P3 




' J. 39. L^ll van let getal aller van den beginne af gedoop- 
ten^ ontflapenen^ ah mede der nog in leven zynde , 
naar derzelver verfcheidene verdelingen. 

§. 40. Kort begrip van den inwendigen toe/land der Groen- 
landfche Gemeente. 

S. I. 

N de voorgaande Hijiorie hebben we hier en 
daar van verfcheide goede regelen en inrich- 
tingen der Groenlandfche Gemeente zo veel 
gemeld, dat men zig een vry klaar begrip van 
. derzelver gefteldheid zal kunnen maken. Daa 
dewyl het velen van myne Lezeren te wydlopig vallen zal, 
om de velerly verftroide narigten in enen behoorlyken za- 
menhang te brengen, en zig daaruit een kort en net denk- 
beeld te maken, heb ik het niet ondienftig gerekend , de 
inrichting en gebruiken der Groenlandfche Gemeente ^ zo 
als ik dezelve by myn hier-zyn vinde, in een kort begrip 
onder het oog myner Lezeren te brengen. Wat derzelver 
uitwendige en burgerlyke inrichting aanbelangt , dezelve 
komt hier wel eigentlyk in gene aanmerking : ook is in 
het 3de boek reeds breedvoerig van dezelve gefproken ^ 
alwaar wy tevens ene befchryving mede gedeeld hebben 
van delevenswyze der Groenlanderen , in welke men, voor 
zo verre dezelve met geen kwaad en ongeregeld gedrag ver- 
knogt is, weinig veranderen kan. Dan nademaal de ge- 
doopte Groenlanderen op ene plaats by elkander blyveii, 
en, in ftede van de kleine, toevallige en zeer veranderly- 
ke maatfchappyen der heideneh , ene talryke , geregelde 
en duurzame maatfchappy uitmaken, welker beftaan on- 
derhouden en bewaard wordt door de banden van nutte 
en nodige inrichtingen, die onder de heidenen niet gevon- 
den worden , en tevens op de geeftelyke gefteldheid enen 
invloed hebben; zo moet ik vooraf kortelyk iets melden 
van de zamenwoninge der gedoopten, en van verfcheidene 
ten dien opzigte gemaakte inrichtingen* 






T3 



3* ^* 



f. 'i 



Ï94 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



§. 2. 

In Groeniafid bevinden zig tans twe Broeder-gemeenten 
te weten : Nisuw-Hêrrnbut in Bals-rivier en Lichtenfek 
in de Fijfcber-Fiorde. 

Van de gelegenheid van ^ró-rm^r, en deszelfs natuurly. 
ke gefteldheid, kan men in het eerfte boek §. 4. de be- 
Ichryving vinden. De Groenlandfche Gemeente Nieuw 
Herrnhut is aangelegt tuffchen de volkplanting Godhaab 
en de haven, op de Z. W. zyde van een half eiland, 't 
geen in de^e Fiorde drie mylen van de grote zee hgt. De 
uiterfte kuft dezes lands heeft drie grote ftranden of oe- 
vers, die van elkander gefcheiden worden door khppen en 
rotfen,diezigtot in de zee uitftrekken. Het ftrand beftaat 
uit ronde ftenen , die door de zee , by wyze van een dyk , op- 
geworpen zyn : het zélve verheft zig, allengskens hoger wor- 
dende, m ene valleije tuflchenderotfen, in welke ene kleine 
beke is , die egter in den winter toevrieft. Het Gemeente-hun 
hgt op het ftrand, dat in \ midden is, en niet verder van 't 
water, daii men enen fteen werpen kan. Dit huis heeft met 
deszelfs twe vleugelen en den voorhof, ten minften in 
Groenland^ het aanzien van een klein paleis , fchoon het 
niet meer dan ene verdieping heeft, die flegts van hout op- 
gezet, met planken bekleed, en voorts met pik en riet 
rondom gedekt is- hi 't midden van 't dak ftaat een klein 
torentje met ene klok. Het is omtrent zeventig A^oeten lang 
en dartig voeten breed. Naaft de zaal , die de kerk der 
Groenlanderen is , zyn vier vertrekken ter bewoning , als 
mede twe voor-kamers , de ene wordt tot ene eet-zaal en 
de andereter fchole voor de meisjes gebruikt. Inde vleu- 
gel aan de noord-zyde heeft men eefft het voorhuis , dan 
de fchooi-kamer voor de jongens , en eindelyk de woning 
Van den katechifeerder. Hier heeft men ook in het onder- 
huis, 't geen de hoogte uitlevert, de keuken, de bakkery 
en den kelder ; in de keuken is de put , die voor het 
huis zeer voordelig is, gemerkt men eertyds, om in den 
winter water te krygen , ys en fneuw in de kamer fmelten 
moeft. De vleugel aan de Zuid-zyde beftaat in eenproviant- 
huis en loots voor het brand-hout. Naaft dezelve ftaat 
tans ook een ftal voor de fchapen, naar de Groenlandfche 
wyze gemctfeld. Voor het huis ligt de tuin, in welken 

egter ■ 



i 



i 



Gefleldheid der Groen). Gemeente. 



^9S 



cgter niets anders groeijen wilvdan falaat , radys, witte 
knollen, kool en prei jen. Langs den zei ven loopt 'er een 
ileegje naar het ftrand, aan 't welk een naar Groenlandfche 
manier gemetfeld lchuiten>huis ftaat, waar in twe grote 
boten , als mede timmerhout, by ftorm en fneuw kiinnen 
geborgen worden. 

Aan wederzyden van het Gemeente-huis (laan tot aan 
het water op hoge rotzen de Groenlandfche winter-hui- 
zen, agter welken kleine proviant-huizen zyn , in welken 
de Groenlanderen hun zeehond- vleefch en fpek bewaren. 
Dan hunne haringen , die hen genoeglaam tot dagelyks 
brood ftrekken , bewaren ze, benevens hunne tente- vellen 
en anderen huisraad, in een groot proviant-huis , 't geen 
met borden van , Ceder-hout gedekt is. Dit hliié ftaat op 
ene -rots, en wordt wegens deszelfs witte gedaante by 't 
inlopen uit de zee het eerft gezien, üphet zélve is de 
hooi'zolder voor de fcliapen 5 gelyk de turf-zolder op het 
grote huis is. • r 

De tenten, in welken de Groenlanders des zomers 'wo- 
nen. Haan ze op de grote plaats tüflchen de twe lange 
ryen van huizen op, dat ze, als 't ware ónder 't oog van 't 
gemeente-huis ftaan, waarinde MiffionarifFen Woneui De 
genen, die aldaar gene plaats hebben, legeren zig aan de 
twe ftranden, temvederzydén van 't huis gelegen.' 'Des 
winters ftaan de vrouwe- boten op de plaats, omgekeerd 
en op palen ruftende , onder dezelven bewaren i^e Kuniie 
Kajakken ^ ttmt-rv^liQn en hun overig vifch-gereêdfëbap, 
van den regen. ^^Agter de huizen aan de noord-zyde is de 
kerk-hof der gedoopten , en' naaft denzels^o die nier oiu 
gedoopten. De graven worden op de rots van ileneii op- 
gezet en met zoden gedekt; zy groenen zo fclioon, datde 
kerkhof in dit woede" land een aanzien heeft-, als of het 
een tuin met kleine bedden was. ^ " "' 

Zó bar en woefthet ga-nfchè 'land uit ziet, zo aangeiiaam 
en groen vertoont -zig tlit Gi-benlandfch fteedtje; Vy^ant 
de Groenlandfche huizen zyn van boven èn ropdómxlè zy- 
den met lepel-bladen en gras béwaffen;, én op de plaats ^ 
die anders t' enêmaal uit zand befiaati, ja zelfs op de rot- 
ien, wad tails, na zo vele jaren door bet bloed en den (pek 
vanzêe-hondert'gemefl" t-e zyit-j'het fchoonfte gras.'.' i'en 
tyde dat de Groenlanders in hunne winter-huizen wotien, 
'km men alle avonden en den ganfchen nagt ene Illuml^^- 
T4- 






j/é 



Groenlandfche Hiftorie 



X. E. 



tie zien, die tp fraijer is, om dat de huizen, in twe byna 
gelyke reijen, even hoog gebouwd en alle venfteren ver- 
licht zyn, 

§. 3. 

Lkhtenfeh^ de twede Groenlandrche Gemeente, is ag- 
tien mylen verder naar 't zuiden in de Vijfcher-Piorde gele- 
gen. ^ Het uiterile land van deze Fiorde naar het zuiden is 
een eiland, van vier mylen in deszelfs omtrek /t geen niet 
ver van de zee enen kleinen en engen bogt heeft, die land- 
waards inloopt^ en met kale rotzen omringd is. Deze an- 
ders voor Europeanen zeer onaangename plaats heeft Mat- 
theiis Stach in 't jaar 1758 ter aanlegginge van ene nieuwe 
zendinge verkozen 5 voornamelyk uit deze reden, dat ze 
ene goede halve myl nader aan de zee ligt, dan de Loge. 
Het Gemeente-huis, 'tweik aldaar in 't jaar 1761 gebouwd 
is, heeft ook wel niet meer dan ene verdieping, maar twe 
ingangen, en de Kerk-zaal is zonder zuilen, en in allen 
opzigte veel fraijer, fterker, en ook een weinig groter, dan 
die te Niemv-Herrnbut^ fchoon het huis in een hoek flaat, 
waar men gene levendige ziel zoeken zoude. Aan hetzel- 
ve zyn drie vertrekken ter bewoninge, twe kamers en ene 
keuken. Agter dit huis hebben de Broeders een moeraiiig 
iluk lands verhoogd, eenen tuin aangeleid, als mede een ge- 
deelte van hun voormalig Groenlandfch huis tot een Scha- 
pen ftal klaar gemaakt, enter zyde een Provianthuis van 
planken opgeOagen. Op de plaats voor het huis, die maar 
klein is , ilaan tans nog niet meer dan vier Groenlandfche 
huizen , en aan de overzyde van den bogt, over welken men 
by laag water droogs voets gaan kan, is 'er ruimte voor 
meer huizen. De kerkhof is 'er niet ver van daan. Zy 
hebben aldaar ook dit voordeel , dat hunne beek noit toe- 
vrieft of leeg loopt. De Gemeente bellaat 'er tans uit hon-^ 
derd en zeventig Groenlanderen. Myn eigenlyk oogmerk 
is tans ene befchryving van Nieuw-Herrnhut te maken ;eH 
devvyl Llchtenfeh , als 't ware,dedogtervan Nieuw- Herrn^ 
hut is , zo zal men , uit de befchryving van de laatfte zig 
ïigtelyk een klaar denkbeeld van de eerfte kunnen maken. 



§.4. 



Gefteldheid der Groenl Gemeente. S97 



§• 4' 

Te Nieuv>'Herrnhut wonen tans, te weten by myn ver. 
trek, vier honderd en zeventig Groenlanderen m feftien 
huizen, onder welken zig drie koor huizen bevinden. In 
het ene wonen vyf en vyftig ongetrouwde mans-perionen 
en aankomende jongelingen; in het twede agt^en zeventig 
• ongehuwde vrouws-perfonen en meisjes; en tot het derde be- 
horen t we en leftig weduwen, van welken de meeften in 
dit huis bv elkander wonen, terwyl ettelyken, die k ei- 
ne kinderen hebben, in andere huizen by getrouwde he- 
den inwonen. ^ . ^ ^^ ^4.4.^ 

'Er zvn vier en feftig huisgezinnen, onder welken ette- 
Ivke weduwenaren mede begrepen zyn. Deze hebben zig 
in de overige dartien huizen in diervoegen verdeeld , dat 
'er in zommige huizen, twe, drie ja zeven huisgezinnen 
bveen wonen. Elk huisgezin behoudt deszelts kinderen 
niet alleen by zig in huis, tot dat ze die jaren bereiken , 
in welken dezelven zig, volgens het gewone gebruik der 
Broeder-gemeenten, in hunne Koor-huizen verdelen , (waar- 
van in 't vervolg nader) maar zelfs zoeken zodanige huis- 
gezinnen, die daar toe in ftaat zyn, ouderlofe kmderen 
op te voeden, of nemen dezelven, by aldienzy zelven gene 
kinderen hebben , voor hunne kinderen aan. En nade- 
maal de volwaffene ongehuwde vrouws-perfonen, alsmede 
de weduwen, zonder Ferwerver niet beftaan kunnen, zo 
houden zig ene of meer van dezelven tot het een of ander 
huisgezin , en dus komen ze, behalven't geen zy^ ze ven 
verwerven kunnen , aan haar beftaan, terwyl ene legelyke 
'er zo veel voor doet, als ze kan. En dewyl een onge- 
trouwde mansperfoon gene huishouding hebben kan , ten 
zy hy ene moeder of zufter heeft , zynde het zelts onder 
de heidenen iet ongewoons , dat een ongetrouwd mans- 
perfoon met ene meid huis houdt; zo moet hy zig msge- 
lyks by een huisgezin voegen. Ja zelfs wanneer zyne moe- 
der met zyn verworven goed naar believen voor haar en 
hare kinderen huis houdt , of hy zelve zyne zaken be- 
ftiert, moet zulks egter in gemeenfchap met dat huisge- 
zin gefchieden , aan \ welk zy zig met hare overige kin- 
deren houdt. , 

Schoon nu de Groenlanderen niet zeer vrugtbaar zyn , 
T 5 en 






298 Grocniandfcbe Hiflorie x. B* 

en zelden meer dan Cqs kinderen hebben , terwyl vele huis- 
gezinnen in 't geheel gene kinderen krvgen; een huisgezin 
kan egter door aangenomene kinderen , door verzorging 
van arme kmderen, weduwen en ongehuwde vrouws-perfo- 
nen, die als *t ware huisgenoten zyn, vry talryk worden . 
indien de huisvader een bekwaarii verwerver is. By 'de 
GroenlandereR kan men in 't algemeen niet meer dan vïet 
of vyfperfonen aan enen verwerver, dat is een zeehond- 
vanger , ter onderhouding toerekenen. By de onzen be- 
ftaan de middelmatige huisgezinnen in agt of tien perfonen. ' 
Ondertuflchen zyn 'er arme huisgezinnen , die zwakker 
zyn, maar'erzynookfterkere, zo dat men wel een vindt , 
"'t welk Uit zeventien zielen beftaat. 



§' 5- 

Wanneer de Groenlanders 'm den zomer, daar waar ze 
hunne neringe menen te Vinden, in tenten ftaan, woont 
elk hmsgezm afzonderlyk. Doch arme lieden, diezigvan 
gene tente voorzien , of dezelve niet onderhouden kunnen^ 
worden van andere huisgezinnen ingenomen ,- gelyk ook 
ouders van hoge jaren by hunne gehuwde kinderen inwo- 
nen. Daarentei^en zyn 'er vele weduwen, die , elke met 
hare kinderen, in kleine tenten afzonderlyk wonen.' Dan 
elk huisgezin voert zyne huishouding af/onderlyk, to- h^ft 
in de tente zyn eigen haart en leger. >• • . :. 

De vrouwe-boten zyn nog zwaarer te onderhouden, om 
dat dezelven jaarlyks met de befte wllen op nieuws moe- 
ten bekleed worden, terwyl 'er ook altoos het een of an-' 
der aan 't houtwerk te heritelien is ; des een huisp-ezinnietf 
meer dan een dezer boten hebben kan. Van onze Groenlan- 
deren hebben twe en dartig huisgezinnen hunne vrouwe- 
boten, de overigen moeten door de anderen geholpen 
worden. Daarentegen moet elk mansperfoon van enen 
Kajak ^n het daartoe nodige ^^creedfcliap voorzien zyn , 
ten emde , zo hy niet bekwaam zyn mogt om zeehonden 
te vangen, hy egter in ftaat zy, zyn beftaante vinden met 
vogelen en viücnen te vangen. 

Des winters wonen altoos ettelyke huisgezinnen te flutien 
in één huis, om dus niet alleen het bouwen , maar ookhet 
onderhouden van \ huis, gemakkelvker (amen te dragen ^> 
maar oak om te meer warmte door de menigte van lampen 

te 



Gefleldheid der Groenl. Gemeente. s99 

te hebben. Dewyl nii onder de Groenlanderen gene fuhor- 
dimtiepl^m heeft, zo heeft ook niemand in 't huis lenig 
bevel over de anderen, behalven dat de iunderen hunne 
ouders volgen, en de overige volwaffea ongehuwde per- 
fonen en weduwen voor hunnen Ferwerver werken, en 
door denzelven van 't nodige voorzien worden. Onder- 
•tuiTchen houden zig. de naalte bloed -verwanten gaarn 
by elkander, en gedragen zig naar den . oudften en erva- 
renlien* 



§.6. 

Ten opzigte van de tot hier toe befchrevene uitwendige 
inrichting en levenswyze is 'er tuffchen de gedoopten en 
andere Groenlanderen weinig of geen onderfcheid te vin- 
den, en ook niet' wel enige verandering van belang te ma- 
ken. Het voorname onderfcheid beftaat hierm , dat de 
eerden niet, gelyk eqrtyds, in 't land omzwerven , of et- 
telyke mylen van hunne Leraren af wonen , maar zig be- 
ftendig in derzelver nabyheid ophouden , ten emde der- 
zelveronderwyzing, opzigt en vermaning, te genieten, 't Is 
waar, men zou kunnen denken, tlat het beter zyn zoude, 
indien ze in hunne geboorte-plaatfen bleven, of zelfs m 
het land rondom trokken , eensdeels om dat een leglyk op 
zodanige plaats, waar hy de gewone neringe kent , zym 
beftaan beft vinden kan ; en in de twede plaats , om dat 
ze de ver af wonende heidenen door hun woord en wandel 
tot het geloof zouden kunnen opwekken-, en dus de> uit- 
breiding van 't Evangehe bevorderen , vooral op plaatzén, 
waar de MiiTionariffen niet komen kunnen. Dan het tegen- 
deel zou, volgens 't geen de ondervinding tot hier toe ge- 
leerd heefd, waar zyn. Want wat het uitwendig beftaan 
aangaat, de Wilden, fchoon ze ook op hunne plaatzén ene 
gemakkelykere en rykere jagt en vifTcherydan de onzen ge- 
had hebben, geraken egter byna alle jaren voor het einde 
van den winter in zulken nood, dat ze by de onzen naar 
Ipys moeten omzien , alzo ze van wegens hunne natuurly- 
ker losheid niet in ftaat zyn , om den Goddelyken zegen 
behoorlyk te verdeelen en tot hunnen nooddruft aan te 
v/enden. En fchoon velen der gedoopten, door de plaat- 
fen te verlaten , op welke ze van jongs afgewend zyn ge^ 

weeft 



300 




Groenlandfche Hiftorie 



X. B. 



weeft hunne neringe te zoeken , het in den beginne zwaar 
hebben, om zig aan ene andere manier in de vifch- en zee- 
hond-vangft te gewennen, zy hebben daarentegen dit voor- 
deel, dat ze door de anderen mede voortgeholpen worden, 
en in derzelver gezelfchap zeer ligt de bedrevenheid ver- 
krygen kunnen, waar door zyzig zelven kunnen onderhout 
den, ene goede huishouding voeren, voor anderen iets 
over hebben, en den koophandel dienen. 

Wat nu de uitbreiding van 't Evangelie aanbelangt, men 
zoude dezelve zeer bezwaarlyk bereiken , byaldien men de 
Groenlanderen na derzelver doop liet wonen en trekken, 
waar ze wilden, vooral in zulke ver afgelegene plaatfen , 
waar men ze niet ligtelyk zou kunnen bezoeken. Het klei- 
ne vonkje van geloof zoude, by gebrek aan dagelyks voed- 
zel, of binnen kort uitgeblufcht v/orden , en het onlangs 
verlicht gemoed, de onderwyfing t' enem^al miffende, in 
de vorige duifternifle weer geraken , of 'er zoude, wan- 
neer het diep ingeworteld bygeloofweêr de overhand kreeg, 
en met de nog zeer zwakke begrippen van de waarheid 
vermengd werdt, ene foort van Samaritanery voorden dag 
komen ; terwyl daarenboven hunne heidenlche bloed-ver- 
wanten en bekenden alle kragten infpannen, om, zo niet 
de ouden, tenminften de kinderen en jonge lieden, in de 
heidenfche dingen in te wikkelen , ten einde den vyand 
ftoffe van hoon en befpottinge te verfchafFen, en zig zelven 
te kunnen verontfchuldigen. Dit zyn de redenen , uit 
welken men zig verpligt vindt, de nieuw-bekeerden by een 
te houden, op dat ze gelegenheid mogen hebben, om in 
de kenniffe en genade van Kriftus te wallen, en daarby zo 
te leren wandelen, dat de bedieninge des Geeftes by de 
ongelovigen niet onteerd maar verheerlykt worde, en neg 
velen door het wandelen in 't licht opgewekt worden, tot 
het waarachtig licht te naderen. Dat men dit oogmerk 
tot hier toe bereikt hebbe , en vele Wilden door het ge- 
tuigenis en den (wandel der gelovige Groenlanderen gewon- 
nen zyn, daarvan zyn in de voorgaande Hiftorie ene me- 
nigte van voorbeelden te vinden. 



S. 7. 



Gefleldheid der Groenl. Geiïieente. 301 

I::: S- 7- 

f' Des niet tegenftaande ftaat het enen iegelyken Groen- 
landfchen huisvader vry, zyne neringe te zoeken, waar, 
wanneer, en met wien hy benevens zyn ganfche huisgezin 
ten dien einde uitvaren wil. Zy hebben 'er flegts kennis 
van te geven, wanneer ze ergens tot een bezoek willen 
uitvaren, of zig met derzelver ganfche huisgezin naar ene 
afgelegene plaats ter neringe begeven, ten einde men we- 
ten moge, waar ze te vinden zyn, v^anneer men ze , ge- 
ïyk'jaarlyks meer dan eens gefchiedt, bezoeken wil. Men 
heeft reeds van den beginne af dezen regel gemaakt en in 
agt genomen , dat ze niet voor Paaffchen, immers niet ver 
en voor een langen tyd, het land verlaten, ten einde dit 
gewichtig Feeft niet te verzuimen , en dit zyn ze ettelyke 
jaren herwaards zo gewend, dat zelden iemand van hen 
zelfs een geruiraen tyd na Paaffchen om het vertrekken 
denkt , terwyl zy hoe langer hoe meer den gemeenzamen 
2egen der zamenwoninge leren fchatten. Dan ten einde 
zt niet door gebrek van levens-middelen genoodzaakt wor- 
den voor dqn gewonen tyd uit te varen, zo wordt, by alle 
vryheid,die ze hebben , om met het hunne naar believen 
huis te houden, daar op naukeurig gelet, dat ze niets nut- 
teloos verkwiften , en tegen allerly nodelofe zaken ver- 
ruilen , of t' enemaal laten bederven. Ten dien einde 
heeft men het grote Provianthuis voor hen gebouwd, in 't 
welk een ieder zyne gedroogde haringen , zyn vifch en 
vleefch , bewaren ,' en 'er wekelyks twe en drie malen zo 
veel van halen kan , als \j^ wil. Dit toch is in den winter 
hunne pieeft gewone ïpys, fchoon ze ook allerly kleine 
viffche'n en vogelen vangen , terwyl nu en dan ook wel 
een zeehond, door de zulken , die in de zeehond-vangft be- 
dreven zyn, gevangen wordt, waarvan zy des winters, 
volgens de loffelyke gewoonte aller Groenlanderen , aati 
alle hunne huislieden mededelen. 

In de maand May, zynde de tyd om op de haring-vangft 
uit te varen, dragen de Broeders zorg, dat de Groenlan- 
ders, die intuffchen zeehonden zoeken te vangen, ty digi yk 
naarde eilanden varen, ten einde ze hunne meiden met 
de boten terug kunnen zenden, en de armen, die gene bo- 
ten hebben, op dezelven kunnen verdeeld worden, om zig 

ook 



É 
i 



I 



i 



.f:-:' 



im'üliiftTilifllI 




3Ö2 



Groenlandfche Hiftorie 



X. B^ 



ook van het nodige te voorzien. Van de Miffionariffen 
vaai t 'er altoos een nieê, die insgelyks naarftiglyk harin- 
gen fcbept, ten einde , in geval van gebrek, iets voor de 
armen te hebben , en hen door Z5'n voorbeeld tot naarftig- 
heid aan te moedigen. Hy houdt gedurende den tyd der 
viflchery, die gewonelyk vier weken duurt, hunne ver- 
gaderingen , en let voor het overige naukeurig daar op , 
dat inden tyd, wanneer gewonelyk de grootfte wanorde 
onder de heidenen heerfcht, en véle flegte ftukken uitge-^ 
voerd worden, alles in ene goede orde bewaard wor- 
de, en niemand buiten nood agter biyve, of den op zig 
zelven korten tyd des zomers met de fendier-jagt verkwis- 
te , waartoe de Groenlanders , die gewonelyk zeer zorge- 
loos zyn, ene zonderlinge genegenheid hebben. Men kan 
hen deze jagt niet t' enemaal verbieden , ondertufTchen 
tragt men hen zo veel mogelyk van dezelve af te brengen, 
en wel om deze redenen : i. om dat ze ganfche maanden 
op dezelve toebrengen , de verkondiging van 't Goddelyk 
woord en alle aanfpraak verzuimen , en, een ganfch huis» 
gezin in de wildernis omzwervende , de een of ander aan 
allerly verzoekingen ligtelyk bloot gefield wordt. ri. Om 
dat de rendieren dermaten verminderd zyn, dat het nauwe- 
3yks den tyd en de moeite v\^aardig is, om dezelven wegens 
ettelyke weinige moije vellen (want van het vleefch bren- 
gen ze weinig te huis) agter na te lopen. Hierby komt 
nog 3. en wel voornameiyk , dat ze intuflchen de befte 
vifch-en velen zelfs de zeehond-vangft verzuimen ; terwyl 
hetnogtans eigendiyk de zeehond is, waar van ze hunnen 
leeftogt, kledinge, tenten, booten en brand hebben, en 
w:aar voor ze de overige behoeftens kopen kunnen. Wie 
derhalven deze vangft verzuimd, die moet nood2:akelyk 
in armoede geraken, en anderen tot laft vallen, gevolgelyk 
ook voor den koophandel nietfalleen onnut, maar zelfs fcha- 
delyk worden , gemerkt de naarftigen Feriververs zo veel wei- 
niger fpek verkopen kunnen , als ze aan dezen verruilen , 
en wanneer de laatften geen fpek krygen kunnen , zo is 
het gewonelyk nog voor het einde van den winter met hen 
gedaan. 

Eindelyk letten de Broeders ook daarop zeer naukeurig, 
dat hunne Groenlanders alles, wat ze te verkopen hebben, 
by den aangefteiden koopman aanbrengen , en genen lluik- 
handel voeren, of de befte koopwaren voor het fcheeps- 
volk, en veel minder voor vremden, bewaren. 

§. 8. 



wm 



k 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 303 
§. 8. 



Dc meefte moeite, die de Broeders ten aanzien van 't 
uitwendige met hunne Groenlanderen hebben^ veroorza- 
ken de armen , en vooral de weduwen en wezen. Want , 
om dat de Groenlanderen gene fchatten hebben nog ver- 
gaderen kunnen, maar van jaar tot jaar , om zo te fpreken, 
ïiit de hand in den mond leven, zo geraakt het rykile huis- 
gezin door het overlyden van den huisvader , indien 'er 
gene volwaffene bekwame zonen voorhanden zyn , in de 
grootile armoede ; gemerkt ene v^eduwc, fchoon ze boot 
entente, dat haar voornaamfle goed is, heeft, dezelven 
egter met de nodige vellen niet onderhouden kan , en dus 
verpligt is, dezelven aan enen anderen man over te laten, 
door welken zy met hare kinderen moet verzorgt worden , 
terwylzy hem daarvoor dienen moet. Heeft in tegendeel 
de man haar genen boot en tente of ander koftelyk jagt- 
fijereedlchap nagelaten, dan mag ze (ik fpreke tans van de 
Wilden) zien, hoe ze haar beftaan krygt. In zulke ge- 
vallen heeft de anders zo zeer geroemde gaft-vryheid en 
liefde der Groenlanderen gewonelyk een einde; te weten, 
wanneer zy gene weder-vergeidinge te verwagten hebben , 
des het einde van zulke arme lieden gewonelyk is, van hon- 
ger en koude te vergaan. (*) 

Deze wrede gewoonte der Groenlanderen heeft vele we- 
duwen , wezen , en andere verlatene menfchen , den toevlugt 
tot de Broederen doen nemen ; ja vele mannen , die een 
weinig vooruitzigt gehad hebben , hebben tydiglyk zorg 
gedragen, om nog voor hun einde, 't welk hen by der- 
zelver gevaariyke koilwinning zeer ligtelyk overkomt , de 
hunnen in zekerheid te brengen. Zal derhalven enig tyde- 
lyk oogmerk de beweegreden zyn, dat zig by de Broeders 
meer Groenlanders , dan ergens anders , bevinden , en na- 
derhand door het Goddeiyk woord opgewekt en gedoopt 

wor- 

(*) Ja ze worden , byaldien dezelven genen nabefraanden en 
tevens aanzienelyken bloed-verwant hebben , of van het hunne 
beroofd, of, fchoon ze door den een of ander voor hun boot en 
tente in verzorging genomen worden ^ binnen enigen tyd verla- 
ten» 



m 

'm 
m 



m 



m 



^^^-..Mé,-^ 




S04 



Groenlandfche Hiftofié 



X« Bo 



worden; Cfthoon het ook in zulke gevallen gewonelyk zo* 
danige lieden zyn geweefl: , die reeds voorheen, en dik- 
werfjaren lang , het Evangelie met indruk gehoord heb- 
ben; terwyl in tegendeel velen, om dat ze nog dood wa* 
ren door zonden en misdaden , zelfs in den uiterften nood, 
door de hartelykfte voorftellingen hunner bloed-verwanten 
niet hebben kunnen bewogen worden , om te blyven ) het 
zal dan gewiffelyk gene andere dan deze zyn: Zy zien, dat 
het onder de gelovigen eerlyk en geregeld toe gaat ; dat 
elk zyn eigendom met zekerheid bezit; dat 'er, uit hoofde 
van rykdom en armoede, gene aanneminge des perfoons 
plaats heeft; dat arme weduwen haar beftaan vinden; dat 
arme wezen verzorgd en tot bekwame menfchen opgevoed 
worden , en , ('t geen by de ongehuwde Groenlandfche 
vrouws-perfonen gene zaak van weinig belang is) dat ge- 
ne vrouws-perfoon tot het huwelyk gedwongen, gene ge- 
trouwde vrouw verftoten, en aan genen man töegeflaan 
wordt meer dan ene vrouw te nemen. (* ) 'Er wordt ge- 
wonelyk veel van ergerniffen en aanftoten gefproken , waar- 
door de heidenen afgefchrikt worden , van den Kriftelyken 
Godsdienft te omhelzen : fchoon ik nu niet weet , in hoe 
verre zulks by de Groenlanderen plaats heeft, dit weet ik 
egter zeker, 'dat hen niets meer affchrikken zoude ^ dan 
byaldien zy zien zouden , dat de nieuw-bekeerden of der- 
zelver kinderen onbekwame menfchen wierden, die van 
een anders genade zouden moeten leven. Want deze 
heidenen kennen gene andere deugd, ter beloninge van 
welke zy in de andere wereld ene goede plaats verwag- 
ten (t), dan tot het een of ander bekwaam te zy^, braaf 
te arbeiden , en voor zig zelven en anderen van nut te 
zyn. Weshalven ook zulke gedoopten , die hen ten de* 
zen opzigte alzins evenaren, of zelfs overtreffen, in gro- 
te agtinge by hen zyn. 

§^ 9. 

Wanneer derhalven een huisgezin van 'leszelfs hoofd be- 
roofd wordt , oi dat ene weduwe met hare' kinderen , of 

ook 



e*) Zie het lilde. Boek §. 13. en 17. 
(t) Zie het lilde Boek §.37. 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente* 305 

ook enkele jongelingenen meisjes, die gene nabeftaande 
vrienden in de Gemeente hebben, welke voor hen zorgen 
kunnen, den toevlugt tot de Broeders nemen ; dan wordt 
zulks aan den Gemeente-raad, die uit bekwaame en me- 
rendeels welgeltelde mannen beftaat , voorgefteld , ten 
einde aldaar overwogen worde, hoe zodanige lieden beft 
te plaatfen en te verzorgen zyn. De leden dezer vergade- 
ring hebben de belle kennifTe van de omftandigheden hun- 
ner huisgenoten , en gewonelyk biedt zig in dergelyke 
gevallen de een of ander van zelve aan, om zulke ar- 
men aan te nemen , en dezelven onder de hunnen voort 
te helpen. Zyn het verlatene kleine^ kinderen , of zelfs 
zuigelingen , dan laten zig zodanige huisgezinnen, die wei- 
nige, of zelfs gene, kinderen hebben, overreden, om eea 
jongsken of meisje als hun kind aan te nemen. 

Doch deBroeders moeten zulke Heden onderfteunen en hen 
te hulp komen, door zodanige aangenomene arme kinderen 
mede van kledinge te voorzien, en den jongelingen, wan- 
neer ze groot worden , enen Kajak te verfchaiten , ten einde 
dezelven niet, door gebrek van het nodige gereedfchap, 
in hunne jonge jaren verzuimd en daardoor onbekwaam 
worden, om zig zei ven t' eniger tyd te onderhouden. Dit 
is te meer een voorwerp van de oplettenheid der Broe- 
deren , om dat de Groenlanderen ten opzigte van de 
opvoedinge hunner eigene kinderen zeer nalatig zyn. Zy 
moeten egter ook in 't helpen wysheid gebruiken , en aan 
niemand geven, dan die in der daad nood heeft, ten einde 
de Groenlanderen niet lui en los worden , of zelfs zig ver- 
beelden , dat de Zendinge verplicht zy , hen te onderhou- 
den, ten minden derzelver arme huisgenoten te verzorgen ^ 
om dat ze zig dopen laten. 






§. 10. 

Dus kan men zeggen, dat onze Groenlandfche Gemeen- 
te tot hier toe,' voor het grootfte gedeelte, uit arme lieden 
heeft bertaan , vooral zedert de jaren 1752 en 1754, wan- 
neer zo vele mannen, en wel de beften Fenververs^ ontfla- 
pen zyn; zo dat derzelver nagelatene huisgezinnen door de 
overigen hebben moeten onderhouden worden, totdat nu 
de jonge lieden beginnen groot en allengskcns bekivaara te 
worden , om zig en de hunnen te verzorgen. Behalven de- 

///. DeeL . V zen 



,f:':v 



mmÊm 




SOÖ 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



zen zyn ook nog te Nieuw Hermhut ettelyke nndere huis- 
gezinnen , die \ wegens derzelver in vroegere jaren ver- 
zuimde opvoeding, of van wegens ouderdom en zwakheid, 
niet in fiaat zyn, om zig zei ven hun beflaan te verlchaiTen, 
maar door de andere Groenianders moeten onderfteund 
worden. Sclioon men nu van zommigen dezer beken- 
ren moet , dat zy luije verzververs en flegte huishou- 
di^Ys zyn , ( en by foortgelyke menfchen is het gewonelyk- 
ook inwendig niet ten beüe gefield) men moet egter tot 
roem der overigen betuigen , dat men zig niet genoeg ver- 
wonderen kan, hoe zy zig en derzelver talryke huisgezin- 
nen onderhoudenkunnen, en tevens nog zo veel over hou- 
den , dat de koophandel op gene plaats in deze landftreek 
zo veel fpek krygt , als in onze met zo vele arme men- 
fchen opgeprop'te Gemeente; ja dat, wanneer de honger 
slomme de overhand heeft , hier nog altoos zo veel over 
js, dat ze aan anderen kunnen mededelen, en zelfs gan- 
fche huisgezinnen tot hunnent ontvangen, als waar van ik 
in dezen ,"fchoon zeer gematigden , winter vele ftigtelyke 
voorbeelden gezien heb/ Want- onder onze vier en feftig 
huisgezinnen bevinden zig niet meer dan veertien, immers 
niet 'boven feitien, die ganfche verwervers ofryke heden 
kunnen genoemd worden, dat is, lieden, die, in een mid- 
delmatig jaar^ van drie tot agt tonnen fpek verkopen kun- 
nen ; de overigen hebben of niet meer dan hun eigen be- 
flaan , of kunnen maar zeer weinig over houden , om te 
verkopen. Ons volk heeft egter in dit jaar , fchoon de 
vangfl: maar middelmatig was, van de maand September 
1761, tot in February 1762, honderd en veertig tonnen 
geleverd; tervvyl vier naburige heidenfche plaatfen, op 
welke, weliswaar, weinigcr menfchen , maar tevens ook 
weiniger te verzorgen zyn, daar integendeel 'er veelmeer 
Ynngers, dan by ons^ wonen, niet veel boven de helft 
geleverd hebben, fchoon de meeftennabyde zee, en dus 
ter neringe veel gelegener wonen. 

Dus worcit ook in het Vv^oefte Groenland de bekende 
Helling: „ Dat een Staat gene ingezetenen hebben kan, 
die van meer nut of beter zyn, dan de kinderen van God; *' 
met de daad bewezen. Een regtfchapen leraar, die zig vooral 
over het geeftelyk bloeijender hemtoevertrouwde Gemeen- 
te verheugt, zal zig in detwedeplaatfe over niets meer ver- 
blyden, dan wanneer hy door zyne kudde het befte van dat 
volk zoekenen bevorderen kan^onder wiens Hoofd de kin- 
deren 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 307 

deren van God een (lil en .2;eruft leven leiden mogen. Hy er- 
kent het als ene genade van den Koning der Koningen, wan- 
neer Dezelve hem en de zynenals dezulken in de harten van 
de Schilden der aarde openbaar maakt, en gedoogt aiet, 
dat de veelvuldige hinderpalen, die hy ontmoet, noch eni- 
ge ongemakken en gevaren , zynen y ver zouden doen ver- 
flauwen, om zig met de daad als enen dienaar van God te 
betonen, die niet om een loon te hebben, of, als een ogen- 
dienaar, ilegts ommenfchente behagen, maar om Krillus 
wille zyn leven voor het euwig welzyn der arme verloorne 
heidenen verilyt, en ze tevens tot menfchen maakt, die 
hunnen Heren en Meefteren , in (lede van den zelven las- 
tig te vallen, voordeel toebrengen. 

Deze aanmerkingen , tot welke my h^et befchouwen vaii 
den ilaat der Groenlandfche Gemeente, en de gunftige ge- 
tuigeniffen der kooplieden aanleiding gegeven hebben , zal 
men my niet kwalyk aüiemen , te meer , om dat ik voor mya 
perfoon geen deel aan den roem heb ; men zal 'er veel eer 
den Vader, die in de Hemelen is, voor pryzen. 



m 



■*3 



II. 



Onder de Groenlanderen vindt men gene bedelaars, die 
rondom lopen, om te bedelen ; des men te Nieuw- Herrn- 
hut gene ^r/,^^;^-y^<^^ nodig heeft. Onder de heidenen zoekt 
men zig van armeen onbekwame menfchen te ontdaan, of 
men laat ze vergaan. By ons zorgt de Diaken voor zulke 
menfchen, en zoekt dezelven, zo als we hier boven gezegt 
hebben, onder andere huisgezinnen te plaatfen, en langs 
dezei) weg te onderfteunen. 

In de Groenlandfche Gemeente heeft men niet meer dan 
ene kas, dat is de Traan-kas , hierin beilaande , dat de 
Zaal-dienaren , eenmaal in den herfll , zig van allen , die 
zeehonden gevangen hebben, door ene vry willige gifte zo 
veel fpek of traan laten geven ,^ als ter onderboudiDge der 
lampen op de Kerk-zaal nodig is. Ten dezen opzigte moe- 
ten we de edelmoedigheid onzer Groenlanderen roemen, 
daar het anders een van natuur gierig volk is , *t welk neer 
van nemen , dan van geven , houdt. De mildadigheid ve- 
ler huisvrouwen , die zig zelven fober behelpen , ten einde 
iets A/oor denood-hebbendenen zieken ter mededelinge over 
te houden, kan meo niet nalaten als ene vrugt van 'i: geloof 

Y a tt- 



^ 



3o8 



Gfoenlandfche Hiftorte 



X. B. 



te erkennen, te meer, daar zy dezelve zonder ophef bete 
nen , en van de vrugten des geloofs op verre na niet zo 
veel als van het geloof zelve gefproken, veel min aan de 
eerden enige verdienilelykheid toegefchreven wordt. Zelfs 
worden deze goede werken gevvonelyk niet voor het einde 
van den winter bekend, wanneer itien nagaat, hoe de ar- 
men hun beilaan verkregen hebben. 

Dit zal nopens de uitwendige gefteldheid der Groenland- 
fche Gemeente genoeg gezegt zyn. In 't algemeen heeft 
ook hier, gelyk elders, de gewone aanmerking. Lands 
wyze^ Lands ere ^ plaats; waar omtrent de Broeders, be- 
lialven de zorgvuldige af keringe van alle ongeregeldheden 
en zondige gewoontens, weinig te veranderen ofte verbe- 
teren vinden, gemerkt ze niet als meefters of nieuwe wet* 
gevers, maar als dienaren en gezanten van Kriftus wege; 
gezonden zyn , om den heidenen het Evangelie te verkon- 
digen, en hen door de middelen der genade op den weg 
der zaligheid te leiden. Kunnen ze dezelven tevens teil 
aanzien van 't uitwendige 'm ene betere orde brengen , en 
hen in dezelve bewaren, zo dat zy lieden het in- en uit- 
wendig beter hebben, en hunnen aardfchen Heren en Mees- 
teren meerder voordeel toebrengen, de Broeders doen zulks 
van ganfcher harte en naar hunne befte kenniffe. Dan dit 
kan geenzins gebiedender wyze, maar alleen by wyze van 
bidden en vermanen gefchieden , om dat men anders de 
heidenen in hunnen argwaan , als of men hen door^ het 
Kriftendom van hunne vryheid zogt te beroven, fterken , 
en dus den loop van het Evangelie t' enemaal ftremmen 
zoude. 



§. 12. 



Wat de Kerkelyke gejïeïdheid der Groenlandfche Gemeen- 
te aangaat, ik zal myn berigt ten dezen opzigte moeten be- 
ginnen met een weinig van de Miffionariffen en derzelver 
mede-arbeideren vooraf te melden. 

Gewonelyk is op elke plaats een Miffionaris met twe Dia- 
kenen, die hem zo wel in 't geeftelyke als 't lighamelyke 
tot hulpe zyn. Deze drie perfonen zyn getrouwd. Hunne ' 
vrouwen nemen niet alleen de huishoudinge waar , maar 
zy zyn tevens de eigentlyke mede-arbeidfters hunner man- 
nen onder de vrouwelyke kunne, by welke ze onder het 

bellier 



M 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente, 309 

beflier vau den Miffionaris de byzondere ziels-verzorging 
waarnemen, ten einde, en in gevolge van de inrichting der 
Broeder-kerk, den arbeid der Leraren ligter te maken, 
jen allen argwaan en kwaadfprekenheid (waartoe de Groen- 
ianderen boven anderen volkeren ene zonderlinge gene- 
genheid hebben) voor te komen. Behalven dezen zyn'er 
nog twe ongetrouwde mansperfonen als mede-arbeiders : 
de ene is de Katechifeerder ^ die de jongens-lchooi houdt, 
en tevens de ziels-verzorging onder de ongetrouwde mans- 
perfonen en aankomende 'jongelingen waarneemt; de ande* 
re is de Miffions-ajfiflent , die de huishoudelyke zaken me- 
de waarneemt , des hy in ftaat moet zyn, om raet allerly 
werk van hout, yzer en metfelary, om te gaan, en, des 
noods zynde, enen bouw te kunnen bezorgen; hy is te- 
vens de mede-arbeider van d^tn Katechi (eerder , en een 
van de voornaamfte voorwerpen zyner oplettenheid is, dat 
de aankomende jongelingen , die het eigentlyke fteunfel 
der Groenlandfche huishoudinge zyn, tot den arbeid aan- 
gevoerd worden. 

By de Miffion of zendinge te Nleuw-Hermhut bevinden 
zig, in het tans lopende jaar i76'2, de volgende perfonen: 
3. Frederik B'óbnifcb , Miffionaris zedert het jaar 1734. 
2.. Joban S'órenfen ^ Diaken zedert 1746. 3. Michael Bal- 
knhorfl , Diaken zedert 1747, doch tans afwezig en in 
Duitfchland: deze drie zyn getrouwd; behalven dezen is 
'er ook nog de oude Moeder Stach. 4. Hendrik Huk' 
keU Kc^techifeerder zedert 1759. ^.Jens IMimn^ BiiffJons* 
affijient zedert 1758. 

By de zendinge te Lichtenfels zyn tans i. Matth^us 
Stacb^ Miffionaris zedert 1733. ^. ^^johan Bek^ Miffiona* 
ris zedert 1734^ en getrouwd. 3. Pieter Rtddberg^ Mis- 
fions - aljïjïent zedert 17-^5. 4. Pkter Haven , zedert 

1758. C'^) 

By 

(*) Deze is in het zelve jaar 1762 van wegens ziekelykbeld 
naar Europa terug gekeerd , en den ipden September 1763 te 
Herrnhut ontflapen. hi zyne en deszelfs Broeders plaats. , die 
ook terug keerde , zyn Qeorg Hendrik Me^er'Qn Joban Böhnifch 
gekomen. Ook kreeg men nog-^voor het einde van 't jaar 1763 
de tyding, dat Frederik Böhnifch den spden July , te Nieim- 
Herrnhut na ene langdurige ziekte ontflapen was \ by is dus, in 
Groenland dt eerfle Miffionaris, diezynen loop voleindigd heeft , 
V3. ^" 



Sio 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



By ene zendinge moeten zig altoos vier of vyf mansper- 
fonen bevinden. Want nademaal onze Miffionarifien genen 
Joon trekken , maar behalven meel , peulvrugten en een 
weinig vleefch en drank, 't geen hen 2:ezonden wordt, zig 
welven door de jagt en viiïchery verzorgen moeten , hun- 
re kerk, hunne woonhuizen en vaartuigen onderhouden, 
en, in den korten tyd des zomers , zig van den nodigen 
1 rand voor enen langdurigen winter voorzien; zo word^'er 
tlxoos een genoegfaam getal van manspcrfonen vereifcht, 
die, wel is waar, de reiskoften zwaarer maken, maar daar 
en tegen de onderhouding , als ook den geeftelyken ar- 
beid , waartoe twe Miffionarifien niet toereikende zyn, 
grotelyks verligten. Zy hebben dus des zomers de han- 
den vol werks, te meer daar ze ook hunne Groenlanderen 
en de heidenen van tyd tot tyd bezoeken moeten. En dit 
?.yn in der daad gene reizen van uitfpanning en vermaak , 
maar reizen, die met vele levens-gevaar en ongemakken 
verzeld zyn; alzo de zee zeer onfruimig en het weder aan 
vele fchièlyke veranderingen en ftormen onderhevig is , 
terwyl ze zelden ene veilige haven voor hun vaartuig vin- 
den, en te huis hetzelve altoos ver op het land moeten 
halen. Deswinrers, als wanneer aan de zielen het mees- 
te te doen valt, ontbreekt het ook geenzins aan uitwendigen 
arbeid; want de huizen moeten herfleld worden, en men 
moet ook vogelen zoeken te fchieten , 't geen hier te lan- 
de op verre na gene zo aangename en, gemakkelijke bezig- 
heid is, als men 't zig in andere landen zou kunnen ver- 
beelden. 



§. i; 



Den 'tyd, die hen nu nog overfchiet , moeten ze aan ^t 
leren van de taal, aan de overzetting van het een of ander 
fluk uit de H. Schrift, en aan de liederen voor hunne 
Groenlanderen hefteden. Uit den inhoud der Groenland- 
fche Gr^j;7n?at:ca ^w'dktn we in het 3de boek §. 44. mede- 
gedeeld hebben , zal men ligtelyk bevroeden, dat dit zelfs 

voor 



en , na negen en twintig iaren daar gediend te hebben , in den ouder- 
dom van riüra drie en vyftig jaren in zyns lieren vreugde inge- 
gaan is. 



Gefleldheid dex Groenl. Gemeente. 

voor geletterde lieden, die gewend zyn andere talen, 
naar taalkundige regelen, te leren, een moeijelyke arbeid 
zy, zo dat iemand, die het in drie jaren zo ver brengt, 
dat hy de Groenlanderen en zy hem verdaan kunnen , ene 
zonderlinge bekwaamheid bezitten moet. Dien volgens 
kan men ligtelyk begrypen, hoe/ zwaar zulks den eerllcn 
drie IVXoravifche Broederen heeft moeten vallen ; te meer 
daar ze noit ene Grammaticn gezien hadden , en dus alle 
de Latynfche taalkundige kund-woorden eerft leren moes- 
ten uit een toen nog onvolkomen opftel van wylen den 
. Heer E^ecie , die , der Hoogduitfche taal niet magtig zyn- 
de , zyne gedagten niet duidelyk genoeg aan hen me- 
dedeelen kon , zo dat zy,om de Groenlandiche taal te le- 
ren, verpligt waren een weinigje van de Latynfche, en, 
om hunnen Leermeefter te verdaan, de Deenfche-taal te 
leren. Door de dagelvkfe oefFening konden ze de ta^lniet 
leren, alzo zy in de éerite fes jaren gene Groenlaiidersby 
zig hadden. De volgende Broeders hebben wel het voor- 
deel , dat ze de taal volgens ene verbeterde Grammatica , 
en tevens door de oeffening, leren kunnen, moeten egter 
eerft alle, zelfs in andere talen ongewone, kund-woorden 
verdaan, en ene menigte van Paradigmata en Compofita^ 
van buiten leren. Deze ongeletterde lieden hebben \ egter 
door vele naardigheid zo ver gebragt, dat ze , zonder een 
opdel te maken , in de Groenlandfche taal vaardig kun- 
nen prediken, en vele, ten dele zware, liederen en By- 
belfche dukken vertaald hebben; terwyl ze ook nog, by 
elke gelegenheid , de verdandigde Groenlanderen uitvor- 
fchen, en dus hun Woorden- boek en Grammaticasi'^^niitQi' 
deren en verbeteren. 

§. 14. 

Als iet zonderlings heeft men aangemerkt , dat , niette- 
p;endaande het ruwe v;eder, den zwaren arbeid en veeltyds 
het fchrale en flegte voedfel, als mede zo vele gevaariyke 
reizen op ene onduimige zee tuifchen eilanden en klippen, 
tot nog toe van alle naar Groenland gereisde Broederen geen 
een overleden is, C^) ja dat ze zciis wemig ziek ge weed 

zyn, 

f*^ Dus was het in 't jaar 1762 toêa 4it gefdireven werdt. 
V 4 



^^^'^^^^^^^'^^^^^ 



Groenlandfche Hiftorie 



X. B. 



zyn, daar by de overige zendingen, vooral in de Cary- 
h'tfch e-eilanden , zeer velen hunnen loop binnen kort geëin- 
digd hebben. Indien men dit enkel en alleen aan de zui- 
vere en gezonde lugt der koude Noordlanden wilde toe- 
ichryven, diende men zig egter te binnen te brengen, dat 
jn deze landen de fcheurbuik en andere ongemakken vele 
droevige gevolgen hebben , v^aarvan men hier ook voor- 
beelden genoeg gezien heeft, vooral in 't jaar 1728 , toen 
^er te Godhmh ene menigte van Europeanen geftorven 
zyn. (*) Men kan dit derhalven niet zo maar als een ge- 
woon gevolg van den algemenen loop der natuur aanmer- 
ken , maar moet den Here pryfen , die onzen Broederen 
moed , geloof, kragten en gezondheid, verleend, en hen 
by zo vele gelegenheden zyne wonderbare hube betoond 
lieefcgelyk zulks, by gelegenheid dat drie perzoonen te 
ïierrnhutin de Opper-Laufits by zeer gering fchynende 
omflanden het leven ingefchoten hebben , 1736 ge- 
fchied is in een Lyk-dicht, waarin onder anderen gezest 
wordt: 

Dat men wafcht in Petershach : (|) 
Of een plank , by klaaren dag, 
Op een dakje wordt geflagen ; 
Of hout in de fchuur gedragen : 
Of, (neem regt de vraag in acht) 
Dat men Peft-volk, met bedacht , 
Laat in Groenland by zich woonen , 
Om hen allen dienfl te toonen: 
Koude lydt en hongers-nood : 
Storm en ys rondsom het boot; 
Zeg : by welken onder dezen 
Heeft zich 't meeft gevaar beweezen ? 
Sterft de Wafchiler door een fchrik 
Op dat èigenfle oogenblik : 
Moet men dood van 't dak hem draagen. 
Die de plank had aangeflagen: 
Doodt het hout den Man op 't uur. 
Dat hy 't hout draagt in de fchuur: 
En die vyf verloor en Booden 



Lee- 



C*) Zie het IVde boek §-39. 

(t) Een Beekje, dat Hermhut voorby vloeit» 



Gefleldheid der Groenl. Gemeente. 

Lecven onder duizetid dooden! 

Zo hangt doods- en leeveiis-lot 

Ganfch alleenlyk af van God, 

En in Ooft, Weft, Noord en Zuiden, 

Zorgt Hy trouw voor zyne Luiden. 

§. 15. 

Dan ten einde zy 't beter op dezen zwaren poft uithou- 
den, en zig ook van tyd tot tyd naar den geeft verkwik- 
ken mogen, zo ftaathet hen vry, om beurtelings na elkander 
ene bezoek' reis naar Düitfchland te doen, en zig den win- 
ter, of, byaldien de terug reis niet zeer noodzakelyk is, 
ook nog den volgenden zomer en winter , in de Broeder- 
gemeenten op te houden. Deze beurt krygt een ieder om 
het fesde jaar, fchoon zommigen wel eens tien jaren en 
langer daarop hebben moeten wagten. 

Voor het overige wordt hen jaarlyks, behalven de nodi- 
ge onderfteuning in het uitwendige, alles gezonden, wat 
het voorgaande jaar by de Broeder gemeenten in gefchrifte 
uitgekomen is, als mede de narigten, die uit het ryk van 
Kriftus onder kriftenen en heidenen vergaderd zyn, terwyl 
zy ook de narigten van zig en hunne zendinge mededelen , 
op dat ze met de overige Gemeenten in enen gedurigen 
zamenhang blyven, en met dezelven in genade en keniire 
van Kriftus waflen mogen. Zulke fchriften en narigten 
maken ze zig by de lange winter- avonden gemeenzaam te 
nut, en eindigen met het avond-gebed, gefykze eiken dag 
met het morgen-gebed, doch den zondag rnet de Litany 
beginnen, en alle middagen ene korte huis oefTening heb- 
ben. 

§. 16. 

Hunne huishouding is gemeenfchappelyk en wordt onder 
het beftier van den daartoe aangeftelden Diaken gevoerd, 
die jaarlyks ene lyft van alle noodwendige zaken aan het 
ter verzorging- der zendingen aangefteid Collegïe over- 
zent , en deze lyft wordt vervolgens naar Kopenhagen ge- 
zonden, om de verlangde zaken volgens dezelve aldaar^'te 
§7 V 5 ko» 



ISlMit«i»li 



SH 



Groenlandlche Hiflorie 



X. B. 



kopen. De ene heeft het niet beter dan de andere, maar 
allen even eens; niemand verwagt enig loon, gefchenken 
of bygiften. Elk flaat de handen aan den uitwcndigen ar- 
beid, en doet zo veel hy kan; en wat de een of ander 
verwervt^ wordt ten behoeve van de gemene huishoudinge 
aangewend. 'Er is egter buiten de viflchery en de jagt, 
die maar zeer gering is , niets te verwerven^ en om iets te 
winnen, kan men in 't geheel niet denken. Het meefle 
moet hen derhalven gezonden worden , 't geen niet nalaten 
kan grote koften te veroorzaken. De zendelingen moeten 
niet alleen in den beginne van reis-geid en de nodige kle- 
dinge voorzien worden, maar men moet hen ook jaarlyks 
enen aanzieneiyken voorraad van allerly levens-middelen 
en klederen , als mede van tyd tot tyd de nodige vaar- 
tuigen en woningen , en voor de Groenlanderen de 
opentlyke huizen overzenden, en daarvoor zo wel als voor 
hunne perionen dê behoorlyke vragt betalen. Wanneer 
ze terug geroepen worden, of tot een bezoek in de Euro- 
peaanfche Gemeenten komen , kunnen ze niets mede bren- 
gen, en worden tot op derzel ver terug reis verzorgd , en 
tot dezelve op nieuws van het nodige voorzien. Hunne 
lvinderen,tot welker opvoeding ze onder de heidenen nocH 
tyd noch gelegenheid hebben, worden inde kinder-huizen 
<jer Broeder-kerk, zonder betaling, met dezelve zorgvuldig- 
heid en geenzins ilegter opgevoed , dan de kinderen, voor wel- 
ken de ouders betalen , en overeenkomftig met derzelver na- 
tuurlyke vermogens tot letter-oeffeningen, konflen of am- 
bagten, aangevoeld. Van de gelovige heidenen kunnen ze 
niets verwagten. En fchoon het by de Broeders als een 
zetregel aangemerkt wordt, dat men gene heidenen door 
\veldaden aanlokken moet, maar by* alle gelegenheden , 
in welke men hen te hulpe komen moet, vele omzigtig- 
heid heeft te gebruiken, ten einde ze door weldaden niet meer 
bedorven dan verbeterd worden ; het blyft egter altoos zo, 
?ils de Heiland gezegt heeft: De armen hebt gy ahyd met u. 
Deze moeten gedeeltelyk van wegens ouderdom en zwak- 
heid verzorgd, gedeeltelyk opgevoed, en in ftaat geüeld 
worden om te kunnen arbeiden: de zieken moeten verzorgd 
01 van genees-middelen, doorgaans zonder betaling, voor- 
zien worden; terwyl men tevens allen , die lezen kunnen, 
van de nodige boeken , en de kinderen van de middelen , 
om iets te leren, zonder betalinge voorzien moet. By de 

zen- 



Gedeldheid der Groenl Gemeente. 



3ï5 



zendingen onder de Negers ,en vooral onder de Indianen , 
komen nog veel meer Ibortgelyke gevallen voor , in wel- 
ken men zig veipligt vindt, om nu veel dan weiniger -dan. 
den heidenen te doen , doch daarvan is 't hier depluatü 
niet te fpreken. 

Tot het een en ander hebben onze MiiTionaniren geen 
ander fonds dan den Goddelyken Zegen, welken ze by 'c 
werken met hunne eigene handen genieten . en de vry vvil- 
lige onderfteuning hunner Broederen en Vrienden , wier 
harten van liefcle en medelyden jegens de arme heidenen 
vervuld zyn. Toen ze de zendingen ondernamen, dagtenze 
in hunne eenvoudigheid dus : „ Het zwaarite voor ons 
„ zal zyn, om by de heidenen te komen; waren wy 'er 
„ maar eerft , dan zouden we met hen en op hunne wyze 
„ wel beftaan, of onzen koil by anderen winnen. " Dit 
hebben ze ook getrouwelyk gedaan , en gaan nog gedurig 
voort, met zig , zo veel doenlyk is, zei ven door te bren- 
gen. Dan nademaal ze dus gebrek zouden moeten lyden 
en vergaan, of hun voorname oogmerk, te vleten den dienft 
aan en onder de heidenen, verwaarlozen ; men zwygevan 
de velerly uitgaven , die tot hun eigen beftaan en den 
welftand der Gemeenten uit de heidenen vereifcht worden; 
zo wordt tot hunne onderfteuning nog ene merkelyke fora- 
me gelds vereifcht, waartoe een ieder in de Broeder-Ge- 
meente naar vermogen en met een blyd hart gaarn iets roe- 
brengt. En hier van willen zelfs de kinderen niet uitgeflo- 
ten zyn , ja de daggelders fparen het liever aan hunnen 
dagelykfen koft , dan dat zyhet geno^^gen mifien zouden, 
van mede, in de bevordering van het werk Gods onder de 
heidenen , deel te hebben. 

't Geen op deze wyze vergaderd wordt, wordt 'm han- 
den van ettelyke verflandige mannen , die tot de Diaconie 
der zendinge onder de heidenen , doch zonder wedde , aange- 
fteld zyn, gefteld, door hen berekend, en tot de uitgaven , 
die ten behoeve van alle zendingen zonder onderfcheid ge- 
fchieden, aangewend. Schoon dit nu tot hier toe niet toe- 
reikende gewèeft is , des men nog iranier ten dien einde 
enig geld heeft moeten opnemen, 't welk men van tyd tot 
tyd mgt af te leggen ; men heeft egter reden om God , den 
Gever aller goede gaven, te danken , dat hy onzen Broede- 
ren en Vrienden een gewiUig hart gegeven heeft, om dit 
sezegend werk te onderfteunen , en dat hy het gebed zy- 

ner 






^1 






i^TliSliiitlli 




gi5 



Groenlandfche Hiftorie 



X. B. 



ner knegten, om allen weldoeneren rykelyk te versjelden 
oogfchynelyk verhoord heefr. Op hera is ook onze hope 
gei^rond, dat hy by alle zware omftandigheden dit werk, 
- want 't IS bet zyne , verder bevorderen-, en ook op andere 
plaatfen hefderyke harten, ter onderfteuninoe vandeszelfs 
uitwendige verzorging , verwekken zal, welker weldaden 
door de gelovige heidenen en derzelvcr dienaren met dank 
zullen erkend ^en niet vergeten worden by Hem, die 2:e- 
2egt heeft : yoor zo veel gy dit een van deze mme minjie 
Broedtrs gedaan hebt^ zo hebt gy dat my gedaan. 

^ De Broeders hebben uit de Groenlanderen van den be- 
ginne af ettelyken der verfiandigften en wegens hunnen 
wandel geagte heden van beide kunnen als mede- arbeiders 
by derzelver volk gebruikt, en deze werden by de vi^ 
tatie m\ jaar 1752 in een geregeld en vaft gezehchap, 
dat uit meer dan twintig perfonen beftondt , ingericht , 
en den volke als voorgangers voorgefteld. Met dezen ko- 
men de Broeders twemaal in de weekibycen, en worden 
door dezelven verwittigd, hoe 't op het land en in de 
huizen (want byna in elk huis woont een der ledenvan dit 
gezelfchap) toegaat, vooral ten opzigte van de opvoedin- 
ge der kinderen, de huis-orde en den dagelykfen omme- 
gang en wandel der in woneren. By deze gelegenheid geeft 
men hen nutte errinneringe, die zy weer by de anderente 
pas zoeken te brengen. 

hl 't byzonder wordt men door hen verwittigd, hoe iXg 
de nieuwen inwoners, die nog gene leerlingen "zyn , fchik- 
ken, of wat men by de heidenen , die ten bezoek komen, 
gewaar wordt. Zy worden ook vlytig aangemoedigd , om 
den heidenen den weg der zaligheid voor te ftellen; en 
wanneer ze van huis en onder de heidenen zyn , wor- 
den ze zelfs door dezen verzogt om 'er van te fpreken. 

Zaken , die tot de inwendige beiliering betrekking heb- 
ben, worden in de zo even gemelde Conferentie met de 
Groenlandfche mede-arbeideren niet verhandeld , maar in 
de wekelykle Conferentie der Miffionariflen en derzelver 
Europeadnfche mede-arbeideren overwogen, en vervolgens 
aan de Groenlandfche mede-arbeideren meegedeeld. Wat 

inte- 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 

intep;endeel tot het beftaan en den iiitwendii^en welftand 
van 't volk dienen kan , vooral wanneer een algemene togt 
naar de afgelegene plaatfen der neriilge voorhanden is ^ 
zulks wordt met hen lieden overwogen, waarby ze tevens 
vermaand worden, om onder hun volk ene goede orde te 
houden; en zulke mannen, die 'er de nodige bekwaamheid 
toe hebben , worden gelaft , zo dikwils , als het immer 
doenlyk is, vergaderingen met de genen te houden, die 
met hen op één land ftaan , en daarby de heidenen ook 
niet te vergeten. Des winters , wanneer ze allen te huis 
zyn, laat men de Groenlandfche mcde-arbeideren de 
opentlyke vroeg- vergadering op de zaal, een of twemaalin 
de week, houden, waarby egter altoos een der Miffiona- 
riffen tegenwoordig is. 

Uit deze mede-arbeideren worden by elke kunne ettely- 
ke tot dienaren aangefteld, die de kerk-zaal in behoorlyke 
orde en fchoon houden , de banken zetten, de lampen be- 
zorp-en , het doop- water inbrengen , en voorts al 't geen 
verrigten, wat op andere plaatfen het werk van denkofter 
is. Behaiven dezen is niemand der Groenlandfche mede- 
arbeideren door enigen byzonderen naam of arat , by 
voorbeeld : ouderling , voorftander , katechifeerder enz, 
onderfcheidentlyk betekend, fchoon ze met de daad alles 
verrigten, wat zulke perfonen betekenen zullen ; doch al- ^ 
les vry willig zonder bezoldinge of rang. En in der daad, 
al was het dat de Broeders, het vermogen hadden, (gelyk 
zy't niet hebben) om aan de zulken, die hen dm arbeid 
^igter maken, enig voordeel toe te voegen, zy '.souden, 
zulks doende, het eigentlykdoelwit, te weten de verbete» 
ring van het volk, miflen, en tot allerly kwade gevolgei 
aanleiding geven. 

§. i8. 

Dus kome ik nu op den openbaren GodscUenfl^^ zo als 
dezelve des zondags en in de week verrigt wordt. 

Op de werkdagen is alle morgen te fes uren het mor- 
o-en-gebed , *t welk alle gedoopten, zo groten als kleinen, 
by wonen. Te agt uren 'is de Fröeg-vergadering voor allen 
en een iegelyk , in welke altoos over ene fpreuk uit deu 
Bybel geTproken wordt , doch niet langer , dan dat de ver- 



mÊSÊÊm 



3^8 



Groenland fch e Hiflorie 



X. B. 



gadering, het zingen inede gerekend, binnen een halfuur 
eindigd. Daarna varen de mannen op hunne bezigheden 
uit. Kort daarop is de vergadering der kinderen , ef de 
katechifatie. Deze geëindigd zynde gaan de meisjes by 
eiien getrouwden MilTionaris of Diaken, en de jongens by 
den katechilèerder, in de fchool, waar ook enige jonge 
lieden, zo veel en wanneer ze tyd hebben, komen , ten 
einde zig beter in 't lezen en fchryven te oeffenen , en 
den Schoolhouder by de kleine kinderen behulpzaam te 
zyn. 's Avonds, wanneer de mannen uit zee te huis ge- 
komen zyn 5 wordt nog ene algemene vergadering gehou- 
den, in welke of kortelyk gelproken , of flegts gezon- 
gen wordt, en daarom noemt men dit de Zing-ver gad^- 






Dit zyn de algemene vergaderingen op eiken dag. Na 
de Zing-vergadering blyven de Avondm.aais-leden op de 
zaal, alwaar hen pne korte vermaning gehouden wordt. 
Ook wordt de Conferentie met de Groenlandfche mede-ar- 
beideren tvvemaal in de week gehouden. Na het avond- 
eten , wanneer een ieder zyn dag^verk geëindigd heeft, 
is in de Koor-huizen het avond-gebed. 



§. 19. 

Des zondags na het Morgengebed worden aan elk der 
verfcheide Koren afzonderlyk korte vermaningen , over- 
eenkomftig derzelver kunne, ftaat en ouderdom, gehou- 
den. Dit noemt mien Koor-vergaderingen» Des zomers , 
wanneer dikwils niet dan zeer weinigen te huis kunnen 
zyn , of byaldien het weder zeer liegt is , wordt in plaats 
van deze vergaderingen, ene algemene leer-reden gehou- 
den. De eigentlyke Predikatie over het Zondags-evange- 
lie, of ene ander Bybelfche ftoffe , wordt 's namiddags ge- 
houden, enverlchilt van ene gev/one vermaning of ftigte- 
lyke redenvoering in niets , dan dat in de Predikatie de 
waarheden meer in derzelver verband befchouwd, of meer 
lerender wyze voorgedragen worden dan in andere verga- 
deringen; dat dezelve ook wat langer , en dus omtrent 
een uur, düurt; terwyl de Miflionaris , in plaats van agter 
de tafel, (want hy heeft geen Predikftocl ) geiyk in an- 
dere vergaderingen, te zitten, overend ftaat, ten einde 

men 



I 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 319 

men liera, over de gehele zaal, die als dan gewonelyk zeer 
vol is, als mede in het voorhuis en de vertrekken ter zy- 
de van de zaal, duidelyk horen kan. 

's Avonds wordt alle zondagen, met de gedoopten en de 
reeds aangenomene leerlingen, de Litany of het plechtig 
Kerk-gebed : Here ontferm U onzer ! enz. , met tuffchen- 
voeginge van vaarfcn,die gezongen worden , gebeden: by 
de voorbiddinge voor de ganfche Kriftenheid is ook die 
voor de hoge en lage Overheid gevoegd , dev/elke hier in 

deze bewoordingen uitgefproken wordt: " En in 't 

by zonder de Overheid dezes lands, onzen dierbaren Ko- 
ning Frederik den Vyeden, en alle deszelfs 
Amtenaren leiden en befchermen , opdat wy, onder hun 
beflier, een geruft en ftil leven leiden mogen in alle God- 
zaligheid en eerbaarheid ! Ferhoor ons Mcnfcblievende God 
ên ontfermende Heer ! 

Na het H. Avondmaal en de plechtige bediening van den 
Doop is deze vergadering , in welke de Litany gebeden 
wordt, by den Groenlanderen de gewichtigfte, tervvyl de 
lieflykeen aanbiddelyke tegenwoordigheid van ónzeji Here, 
deszelfs Vader, en dtn H. Geeft , dikwerf op ene zo ge- 
voelige wyze in deze vergadering befpeurd wordt, dat ve- 
len in tranen uitbarften. Uit dien hoofde zal ook niemand 
dezelve ligtelyk verzuimen, zelfs hebben de kinderen, die 
'er we2:ens mangel aan plaats niet tegenwoordig zyn kun- 
nen, gebeden, dat men dezelve den volgen dag met hen 
houden zoude. Onmiddelyk na deze vergadering hebben 
de getrouwde lieden het Avond-gebed op de zaal, en de 
on^etrouwden in derzelver koor-huizen. \ 



m 



§ 






§. 20. 

Behalven de zondagen , worden ook in Groenland de ge- 
wone en in de algemene Kriftenheid bekende hoge Feeft- 
dagen gevierd ; by voorbeeld : paafchen , pinkfteren , en 
het kers-feeft. . Op den eerflen Faafcbdag "$ m&rgens tegen 
den opgang van de zon komt de Gemeente op de zaal by- 
een, en gaat, na dat de Miffionaris de vergadering met 
deze blyde woorden : De Heer is waarlyk opgefiaan l ge« 
groet en ene korte aanfpraak gehouden heeft , naar den 
kerk hof ; aldaar worde uit de Paajcb-Liturgre é^i Broe- 
der- 



ür^ 




-m 



320 



Groenkndfche Hiftorie 



X. B. 



der-kerk gebeden en gezongen , als mede gedagtenis der 
in 't voorleden jaar ontllapene gelovige Groenlanderen, on- 
der meldinge van derzeiver namen , gehouden, terwyl 
men tevens voor de nog in leven zynde bidt om ene insgc- 
Iyk& zalige voleindige des geloofs, en de eeuwige ruil by de 
wonden des Heilands. Daarna wordt de gefchiedcnis van 
's Heilands opftandinge, volgens de overeenilemming der 
vier Evangelie-fchryveren , gelezen , opgehelderd en be- 
zongen, 's Namiddags wordt over de Feeftdags-aföcling , 
of ene andere vrye Paafch-ftofte gepredikt, en de dag, 
zo als op zondag gewonelyk gelchiedt, niet de Litany ge- 
ëindigd. Op den tweden feeltdag worden 's voormiddags 
de koor- vergaderingen en 's namiddags de predikatie ge- 
houden, en tevens, byaldien 'er dopelingen voorhanden 
zyn , de doop bediend. 

Byna op dezelve wyze wordt het P'mhfler- en Kers-feeji 
gevierd, alleenlyk met dit onderfcheid, datmenzig, ten 
aanzien van het eerfte , fchikken moet naar de omftandig- 
heden van dien tyd des jaars, als wanneer de meeften op 
de hariüg vangft zyn, en het feeft aldaar vieren ; terwyl 
men, wat het Kers- feeft aangaat, den avond voor hetzel- 
ve de KerS'Yiagtvoake houdt, in welke de gefchiedenis der 
geboorte des Heilands overwogen wordt, epmen tevens et- 
telyke Feeft-liederen zingt. Ook v^^orden in dezen tyd ge- 
wonelyk ettelyke liefde-malen met de Gemeente , en wel 
in verlcheidene verdelingen, gehouden: by voorbeeld, met 
de kinderen gefchiedt zulks op den aSften December, zyn- 
de de dag der onnozele kinderen , als wanneer na ene op 
de tyds-omftandigheden toepaflelyke katechiiatie, ook et- 
telyke overgezondene geringe zaken, by wyze van Kers- 
feeft-gefchenken , onder heri uitgedeeld worden. 

Ook worden hier de Witte- donderdag ^è.t Goede-vrydéig ^ 
en de Hemelvaarts- dag ^mQ,i de betrachting der gefchiede- 
nifTe volgens het berigt der Evangelie-fchryveren, gevierd. 
Op Goede -vrydag vv^ordt de 'gedagtenis van 's Heilands 
dood , in en onder het Sacrament zyns lighaams en bloeds, 
gewonelyk met enen byzonderen" zegen en aandoening, 
vernieuwd. 

Op Nieuw- ja'etrs'dag wordt gedagtenis gehouden van 
'51-Jeilands verdienüelyke belhydenilie , als de gelegen- 
heid , vv^aarby hy het eerfte maal bloed ftortte , en tevens 
over den heilrykcn naam \m'Jefus geiprokeu. Inden voor- 
gaan- 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente; 321 

gaanden nagt worden in de nagt-wake alle in 't afgelopen 
jaar ondervonden^ bewyfen der genade en goedertieren- 
heid des Heren der Gemeente voorgehouden , en het oude 
jaar met een, gewonelyk, door vele tranen verzeld gebed, 
voorbiddinge en dankzegginge , befloten. 

Het feeft der verfchyninge van Kri(ius , of het Heiden- 
feeft, dat is, de gedenk-dag van de inhuldiging des nieuw- 
geboren Konings der Ere door de eerde heidenen , wordt 
op den eden January met ene predikatie , met voorlezing 
der berigtcn van andere bekeerde heidenen, en ge wonelyk 
met ene bediening van den Doop , gevierd. 

Op den 2dcn February wordt met den weduwcnaren en 
weduwen een liefdemaal gehouden , waar by hen het 
voorbeeld van Simeon tn Anna , 'en derzelver met blyd- 
fchap vervuld wagten op de vertroftinge Israels , voorge- 
fteld wordt. De asfte Maart, zynde de gedenk-dag der 
menfchwordinge des Heilands, wordt door de ganfche Ge- 
meente gevierd; en nademaaldeze menfch wording de grond 
en het begin is van onze verloffinge en heiligmakinge , ent ' 
de Groenlanders in dezen tyd nog allen by elkander zyn , 
zo wordt de gewichtige llofFe van de heiligmakinge onzer 
zielen en lighaamen door de verdienden der met de Godde- 
lyke natuur verenigde menfchheid des Heilands by elke 
der twe kunnen , naar derzelver verfchillenden ouderdom , 
met ene byzondere toepaffing op het gemoed, verhandeld» 
en der aangroeijenden jeugd tot den nieuwen graad van 
ouderdom een zegen mede gedeeld. 

De overigen in verfcheide Evangelifche landen gewone 
feeften, by voorbeeld, dat van Joannes den Doper, en 
Micbael , worden alhier niet plechtig gevierd , terwyl de 
Groenlanders in dezen tyd gewonelyk afwezig zyn; onder- 
tuffchen wordt in de gewone dagelykfe vergadering de 
feeft-ftoffe aangeroerd. 

iOp den dag des Apoftels Thomas , zynde de 121 (Ie 
December, wanneer de Groenlanders van ouds af gewend 
zyn, enemaaltyd, ter gelegenheid van den Zonneftand, 
te geven, wordt in ene vergadering gefproken over 's Hei- 
lands woorden, by Joannes in 't XXile Hoofdftuk vf. 27. 
Brengt uwen vinger bier^ en ziet myne banden^ en brengt 
uwe band en fleekt ze in myne zyde , en zyt'niet ongelo- 
vig ^ maar gelovig: welke ftoffe by de daarop volgen- 
de maaltyden dikwils zeer lieflyk ia de huizen bezongen 
wordt. _ 

UlDeeh X ^ Des 



322 



Groenlandrehe Hiftorie 



X. B. 



Des zorners wordt, indien de Groenlanders byeen kun- 
nen koraen, niaandelyks, veertien dagen na het H. Avond- 
maal, de Gemeente- of bid-dag op een zondag gehouden. 
Behalvcn de gewone predikatie worden alsdan zommige 
vertaalde narigten uit de heiden- en andere-Gemeenten , als 
mede de levensbefchryvingen van ontflapene Broeders en 
Zufters mede gedeeld, een ftuk uit de Pfalmen oï Prcphe* 
ten gelezen en opgehelderd, en gewonelyk ettelyke leer- 
lingen, na ene aanfpraak, met den kus des Fredes onder 
de aangaande dopelingen aangenomen , of ettelyken der 
laatften der Gemeente door den doop itlgélyft, en eindelyk 
deze plechtige dag met een gebed, onder 't welk de Ge- 
meente knielt, befloten. 

§. 2U 

In de algemene vergaderingen wordt altoos eneBybelfche 
fpreuktoteen grondflaggelegt; doch in de redevoering daar- 
over wordt de ftichting en opwekking, meer dan ene taal- 
kundige ea geleerde verklaring van den Text -^htoogt. En 
wat de redevoeringen der Groenlandfche mede-arbeideren 
in 't byzonder aanbelangt, het zyn gewonelyk belydeniffen 
van derzelver eigene en dagelykle bevinding, van het ge- 
not der zaligheid, en van 't geen ze ervaren, dat hen ten 
dien opzigte tot voortgang of tot hinderinge ftrekt : en de 
ondervindinge bewyft, dat dergelyke redevoeringen enen 
zonderlingen indruk op de harten der Groenlanderen ma- 
ken. Op de feeft- of gedenk-dagen, en in 't gemeen wan- 
neer de dagelykfe vaftgeftelde Bybelfche fpreuken gene ftofFe 
bevatten, die op de omftandigheden der Groenlanderen 
toepalFelyk is , wordt een ftuk uit de H. Schrift, en wel 
gewonelyk uit de Evangelie-fchryveren , voorgelezen , 't 
geen zoratyds , wanneer men. 't nodig agt , door ettelyke korte 
en eenvoudige aanmerking^en opgehelderd wordt. En de- 
wyl vele Groenlanderen reeds vaardig lezen kunnen , zo 
leeft de een of ander dikwils den overigen hier en daar in 
de huizen een ftuk voor , 't geen dan aanleiding geeft tot 
nutte gefprekken , of, wanneer zy iets niet wel vatten, om 
by de leïaren nader onderrigt te vragea, 



•5^2«. 



Gefieldheid der GföenL Gemeente. 523 



$. 22. 

. De Groenlanders , vooral de vrouws-perfoncn en de 
kinderen , zingen d'en meeften tyd by derzelver arbeid ^ 
zo wel te huis als buiten het huis zynde , geeftelyke liede- 
ren. In vroegere tyden hieldtmen met de zulken, die goe- 
de ftemmen hebben, byzondere zing^fcholen. Doch tans 
zyn die niet meer nodig, alzo de meeften zeer wel zingen^ 
de meed in gebruik zynde liederen van buiten kennen ^ 
of in ftaatzyn, om dezelven uit het gezang-boek te leren. 
En ik moet betuigen , dat, gelyk Vremden den regelmati- 
gen en lieflyken kerkzang der Broedergemeenten in 't al- 
gemeen met genoegen horen en bewonderen , het gezang 
der Groeniandfche Gemeente my dermaten behaagd heeft, 
dat het zelve, myns oordeels, dat van verfcheiden onzet 
Broeder-gemeenten in Europa overtreft, 't Is waar , vele 
mansperfonen hebben ene enigzins fchorre Hem , en zingen 
derhalven maar zagtjes ; maar daarentegen hebben de 
vrouws-perfonen ene zeer zuivere en lieflyke ftem , en zin* 
gen allen zo geregeld en zamenftemmende, dat het geluid 
van verre niet anders gehoord wordt , dan of het ene en- 
kele ftem wa«. Onder dezen zyn in 't byzonder de kleine 
meisjes door de zuiverheid en levendigheid des gezang uit^ 
muntende. 

Het enigfte gebrek ten dezen opzigte , te weten dat ha- 
re ftem by ene lange zang-wyze of me/odie enigzins lageif 
wordt, heeft men door de Muzyk gelukkig verbeterd. 
Doch deze Muzyk is zeer eenvoudig, zo als men *t van 
zulk een gering dorpje verwagten kan, en beftaatflegts uic 
twe of drie violen en zo veel fluiten, diezomtyds door et- 
telyke harpen of guitarn onderfteund worden. Zommige 
Groenlanders hebben alle hen bekende geeftelyke zang- 
wyfen op deze fpeeltuigen in de eerfte en twede ftem vry 
zuiver en vaardig leren fpelen , en zouden, indien men 
zulks nodig en nuttig oordeelde, het daarin miflchien zeer 
verre brengen, alzo, de meeften ene natuurlyke neiging tot 
de Muzyk hebben. Ettelyken hebben ook "geleerd op de 
trompet en de wald-hoornen te blazen , doch deze fpeeltuigen 
worden niet by 't gezang gebruikt, maar flegts om de ge- 
doopten en Avondmaals4eden tot derzelver vergaderingen 
byeea te roepen. 



324 



Groenlandfche Hiftoriê 



X. B. 



§. 23. 






1/ 



Het voorname oogmerk, 't geen in alle Predikatien , 
Katechifatien en geCprekken bedoeld wordt, is de levendi- 
ge kenniffe van Jefiis Krlflus den gekruiften, en uit deze 
bron worden alle andere waarheden afgeleid. Tot dezen 
Heiland worden alle zielen door de Miirionariffen gewe- 
zen, ten einde in zyne wonden vergevinge der zonden, le- 
ven en zaligheid te zoeken , en zig door zyn bloed naar 
ziel en lighaam te laten heiligen en bewaren. In't byzonder 
tragten de Miffionariffen ene iegelyke ziel tot enen inni- 
gen ommegang te brengen met dien getrouwen Vriend der 
2ielen , dien ze wel nog niet gezien hebben, doch wiens 
nabyheid zy overal , onder vurige verzuchtingen tot- en har- 
tens-gefprekken met hem , genieten kunnen ; 't geen tot 
een dagelyks voedfel van 't leven , dat uit God is , ver- 
llrekt, en niet gedoogt, dat de kaars des geloofs uitge- 
blufcht wordt. 

Op welke wyze ze de onwetende heidenen tot kenniflfe 
der waarheid tragten te brengen, daarvan zyn, in de voor- 
gaande Hiftorie, voorbeelden genoeg te borde gebragt. Zy 
hebben ondervonden, hoe weinig men by de domme Wil- 
den uitvoert , wanneer men dezelven eerft tot redelyke 
menfchen maken , hen van het aanwezen van God , van 
deszelfs eigenfchappen , en van de daaruit voortvloeijende 
pligten overtuigen , en langs dezen weg tot aanneming^ der 
lere van de verzoeninge toebereiden wil. Na enen vergeef- 
fchen arbeid van fes jaren hebben ze ondervonden , dat de 
eenvoudige, maar met gevoel van 't hart gepaarde , verkon- 
diging van 's Heilands lyden, deszelfs oorzaken en zalige 
gevolgen, de befte voorbereiding is, en tevens de zekerfte 
weg, om ingang te vinden in de duiftere en woefte ge- 
moederen der heidenen , en dezelven vervolgens in alle 
waarheid allengskens in te leiden. En ik heb niet dan met 
de grootfte verwondering gezien, hoe kragtdadig het woord 
des kruifes zig by heidenen, die nog t' enemaal onwetende 
en woeft waren , betoond heeft, terwyl ik dezelven, in den 
eerften opflag , nog in 't geheel niet bekwaam zoude ge- 
oordeeld hebben , om deze grote verborgenheid der God- 
7.aligheid te omhelzen. 

ui 



Cefleldheid der Gfoenl. Gemeente. 325 

In deze leerwyze zyn ze, niet alleen door ene eigene on- 
dervinding van vele jaren , maar ook door het voorbeeld 
hunner medearbeideren onder andere heidenfche volke- 
ren, beveiligd geworden; ja dezelve leerwyze is ook by 
andere knechten Gods in Ooft- en Weft-IndVèn beproefd be- 
vonden onder heidenen, die veel fchranderer en op hun- 
ne wyze geleerder, maar tevens verwarder zyn , waarvan 
ik uit Joban Lucas Niekamps Kurtzgefaften Offindifchen 
MiJ/ïons'Gefchichte ^ miteinervorrede des Herrn Pr of. Fr an^ 
kens , (legts het volgende mede delen zal : „ De Heren 
,, Miffionariflen (dus wordtin het zo even gemelde Hoog- 
5, duitfche werk bladz. I40gefproken ) hebben meermaals 
5, opgemerkt, dat de gemoederen meeft getroffen en be- 
9? gerig gemaakt worden , om zig nader te laten onderrig- 
„ ten van de verdorvenheid der menfchen , en de nietig- 
„ heid hunner Goden , wanneer men hen terjlond en by 
5, de eerfie aanfpraak de heilryke boodfchap van Gods vrye 
„ ontferminge in Kriftus Jefus over het verlorene men- 
„ fchelyke geflagt met nadruk verkondigt. Daarentegen 
,, hebben de Katechifeerders, eer dezelven de voorname 
55 zaak^ die een dienaar van het Nieuwe Verbond te ver- 
„ kondigen heeft, regt inzien , zeer dik wils moeten on- 
5, dervinden , hoe zveinïg nien hy deze beldenen flacigt^ door 
„ ben ene reeks van zedelyke begrippen van Gods overbetr* 
„ lyke eigenfcbappen , en allerly verpligtingen^tot deugd 
„ voor den geefi te brengen. Want fchoon ze ook alle 
„ waarheden van dien aart uiterlyk toeftemmen , zy trag- 
„ ten egter dezelven door allerly tegenwerpingen kragtt- 
5, loos temaken, en zulks temeer, om dat hun verkeer- 
„ de wil gene genegenheid tot dezelve heeft, " En 
bladz. 465. word gezegt : „ Den meeden aandagt en op- 
5, wekking befpeurde men by het voordel van Evangeli- 
5, fche doffen , en vooral by dat van 's Heilands lyden 
5, enz. " 

Hetzelve heeft ook wylen David Brainerd , Miflionaris 
van ene Preshyteriaanfche Maatfchappy in Schotla^id^ on- 
der de hidianen in de Provintien jerfiy en Penftlvanien 
waargenomen. (*) Van dezen getrouwen en tot deszelfs 
maar al te vroegtydigen dood toe onvermoeiden man weet 

men , 



(*) Ziet de merkwurdige Heiden-bekebrtmg in PFefl-hdien 3 
i^ het 3de en 4de deel van Frefenii Pajloral-Samlungen, 



m^ 



526 



Croenlandfche Hiflorie 



X. B. 



men, en het blykt ook uit deiiganfchen zamenhang zyner 
berigten , dat dezelve , zo lang hy volgens de gewone 
leervvyze en manier , van te willen overtuigen , gepredikt 
heeft, niets by de Indianen heeft kunnen uitregten ; dan 
zo drahy, naar het voorbeeld zyner buren , van welker 
zegen onder de heidenen hy zelve een oog-getuigewas ge- 
weeft , het befluit nam, orn den heidenen van den ttrilta 
beginne af en terftond den Heilanden deszelfs liefde tot in 
den dood des kruifes te prediken , heeft hy zulk ene grote 
en fchielyke opwekking befpeurd, dathyen alle leraren 
van zynegezinte, die 'er oog-getuigen van geweeft zyn, 
daarover zeer verbaaft geftaan hebben en Gode de eer 
hebben moeten geven. Jk zoude vele bladzyden moeten 
befchryven, indien ik de veelvuldige fchone voorbeelden 
van dien aart hier plaatfen zoude. Het volgende zy ge^ 
noeg: „ Ik predikte (de Heer Brainerd fpreekt onder 
den sdcnAug. 1745) over Openb.XKih 17. En die dorji 
heeft , kome : en die wil enz. Schoon ik nu deze ftoffe 
niet verhandelen kon op de gewone predik- wyze, de Heer 
gaf my egter kragt en vrymoedigheid , om den dierba- 
ren Heiland op ene enigzins ongewone wyze mynen hoor- 
deren voor te ftellen als enen goedertieren en liefhebben- 
den Zaligmaker, zo dat men ene by zondere opwekking be- 
fpeurde. '' 

In de üJgemeinen Anmerkungen uher diefes Genaden^werk 
wordt bladz. 500 gezegt: „ Dan deze grote opwekkingen 
„ verwonderlyke bekommering der zielen werdt noit door 
5, Schrik- predikatien veroorzaazt; in tegendeel, ik heb 
95 met verwondering opgemerkt, dat, wanneer ik in my- 
5, ne redevoeringen voornamelyk ftaan bleef by de zielroe- 
5, rend^ voorftellinge van enen aan 't kruis geftorven Hei- 
5, land, en deszelfs betoninge in zyn lyden ; als mede by 
5, de overheerlyke heil- goederen van 't Evangelie, en met 
„ welke goedertierenheid, met welke vrye en onverdien- 
5, de barmhartigheid , dezelve door de Goddelyke Genade 
„ aan alle arme, treurende en bekommerde zondaren aan- 
„ geboden worden; zig dan ten eerften een buitengewone 
5, aandoening en opwejdung onder de toehoorderen open- 
^ baarde , enz. " 






$.24. 



Gelleldheid der Grocnl. Gemeente. 327 



' §. 24. 

't Is deze zelve en geen ander grond, die by onze Groen* 
landeren gelegd is , en het weinige , dat tot dus ver uit 
hunne redevoeringen en brieven mede gedeeld is, en ia 
hetbyvoegzel nog volgen zal, kan tot een be wys dienen, 
dat ze op dezen grond in de genade en kennifle der waar- 
heid waffen en toenemen. Dan dewyl deze openbare be- 
lydeniflen niet dan van de gefteldheid zommiger le- 
den der Gemeente getuigen , zo zal ik tans myne gedag- 
ten nopens de Gemeente , dezelve over 't geheel be- 
fchouwd, uiten, naar ik ze door ene dagelykfe verke- 
ring en by verfcheide gebeurteniffen heb leren ken- 
nen. . ^ , , 
Ik heb onderde Groenlanderen wemig of gene voorbeel- 
den van zulke lieden gevonden, die niets hadden dan ene 
levenlofe kenniffe, dewelke, het hart leeg latende, niets 
doet, dan den menfch opblazen , ja menigmaal de ziel 
met een fchadelyk gepeins vervuld. Hiertoe hebben ze 
ook gene aanleiding, want de waarheid wordt eenvoudig, 
fchriftmatig en in diervoegen voorgedragen, dat ze niet 
fiechts tot fchcrpinge van het verfl:and,maar tevens en wel 
voornamelyk tot verbetering van het hart, diene. Men zet 
ze niet aan, om veel van buiten te leren, als waardoor by 
velen, die daartoe gene genegenheid hebben, een af keer 
van de waarheid , en langs dezen weg of ene murmure- 
rende ftompheid , of een verborgen fpitsvinnig en fchade- 
lyk gepeins ontdaan kan. Zy worden door gene eer^g- 
tige jaloersheid tot het leren aangezet , en het fpreekwoord : 
Wie veel fweet ^ wordt veelgeacht; wordt by hen op de 
gceftelyke kenniffe niet toepallelyk gemaakt. 

Des niettegenftaande hebben de meefte gedoopten ene 
fraije letter-kenniffe. Men moet egter een ooderfcheid ma- 
ken tuffchen dezulken, die bejaard by de Gemeente ge- 
komen zyn, en de zulken, die in hunne jonge jaren, of 
als kleine kinderen gedoopt, in de fchool onderwezen, en, 
om zo te fpreken, onder het beltier der Broederen opge- 
waffen zyn. Want de laatften, behalven dat zy dagelyks 
gekatechifeerd worden , waartoe de bejaarden genen tyd 
hebben , kunnen voor het grootfte gedeelte lezen , en ge- 
vol^'elyk, 't geen ze horen , beter verftaan en onthouden. 



i 



Groenlandfche Hiftorfe 



X. B. 



Dus befpeurt men by dezen een merkelyk onderfcheid in 
het toenemen van ene onderfcheidene kenniffe, fchoon 'er 
ook onder de bejaarden zyn, die door ene rype en met 
pyoel van 't hart gepaarde overweging het zo ver gebrast 
hebben , dat men 'er over verbaaft moet ftaan. 

De voorname zaak, op welke de Broeders het by hun- 
ne Groenlanderen , zo wel gedoopten als ongedoopten , 
toeleggen, is het gevoel van 't hart, of de levendige ken- 
mile en eigene bevindinge der Genade Gods in Kriftus. 
By hen, die gedoopt zullen worden moet het zo min aan 
het heilzaam gevoel van 's mcnfchen ellende, gepaard met 
het verlangen naar den Here jeilis en het vertrouwen op 
Cicszelfs verdienden, als aan de nodige kenniffe ontbreken, 
Jiy wien het cerfte t'enemaal ontbreekt, die zoude, fchoon 
hy het iaatfte in ene nog zo ryke mate bezat, by de Mis- 
fionariOen ten aanzien van den doop in gene de minfte aan- 
merking genomen worden ; terwyl ze in tegendeel iemand, 
die waarlyk om genade fchreit , hoe gering deszelfs we- 
tenfcbap voor het overige zyn mogt , aanmerken als 
een tot het koningryk Gods gefchikt^en waardig onder- 
werp, om dat ze van begrip zyn, dat een menfch die dus 
gefkld IS, de regte gefchiktheid heeft, om ryk te worden 
aan allerly kenniiTe en ondervindinge. En ik heb in der 
daad ook bemerkt, dat de Groenlanders niet, dan na der- 
zelver doop, enen regten voortgang in de nodige en nutti- 
ge letter-kennifTe maken ; want dan hebben ze eerft een 
ruim hart , een getrooft gemoed en dus ook kift gekregen 
om alles te leren , wat nuttig is en der lere des Heilands 
tot eer en fieraad ftrekken kan. Voorts heb ik opgemerkt, 
dat de zulken , die by hunnen doop meer gevoel dan ken- 
ms gehad hebben, anderen, by welken het tegendeel plaats 
had, binnenkort voorgekomen zyn; en dat de genen, die 
na hunnen doop ftaan blyven en niet in de genade toene- 
men , ook in de kennifle veragteren. Deze evenredige 
wasdom in genade en l^nniffe is 't geen, waarnaar men 
7Ag ten aanzien der gedoopten rigt, in derzelver beftierin- 
ge en mleidinge in de voorregten en goederen van het rvk 
der <2;enade. ^ 



§.^5- 



Gefleldheid der Groenl. Gemeente. S^9 



Dus leid my de orde tans tot de II. Sacramenten , te we- 
ten den Doop en het Avondmaah 

De H. Doop wordt, of aan kleine kinderen van gelovi- 
ge ouderen , of aan bejaarde perfonen toegediend. 

Wat den Kinder-doop aangaat, zo dra een kmd geboren 
wordt , geeft de vader daarvan aan den Miffionaris berigt, 
en verzoekt , dat zyn kind moge gedoopt worden. En zulks 
wordt niet langer dan tot de naatie algemene vergadering 
(want de doop wordt gewonelyk in tegenwoordigheid der 
ganfche Gemeente bediend) uitgefteld, alzo de Groenlan- 
ders gene toebereidfelen, by voorbeeld tot kinder-maleii 
enz., nodig hebben. Dan byaldien het kind zwak is, 
wordt hetzelve ten eerileh in het huis of de tente der ou- 
deren gedoopt, en is het 's avonds, of üegt weder , dan 
ftelt men 't tot den volgenden morgen uit. De vroed- 
vrouw, die dikwerf door demoeder verzeld wordt, brengt 
het kind, zo naakt als 'tis, (want ze hebben gene luije- 
ren) by de Diakonefe^ die het kind ten doop kleedt, en 
vervolgens aan den Miffionaris, na dat dezelve ene aai> 
fpraak aan de Gemeente , en in 't byzonder aan de kin- 
deren , gedaan heeft , overgeeft, die het door een kort 
gebed met oplegginge der handen inzegent, en vervol- 
gens , onder het uitfpreken van \ gewone Doop formulier, 
N.N. Ik doop u in den name des Vadtrs^ en des Zoons -> en 
des H. Geeftes., in den dood des Heren doopt. Daarna 
wordthet kind ettelykcn mede-arbeideren, als Peten, voor- 
gehouden , die het met oplegginge der handen zegenen. 
Vervolgens wordt deze plechtige handeling met gezang 
geëindigd. 

Des zomers , wanneer de ouders uit zyn en in ten- 
ten wonen , brengen ze de kinderen herwaards ten 
doop , doch in geval van noodzakelykheid , vaart een 
der Miffionariffen naar hen , en bezoekt tevens de hei- 
denen. 

De kleine kinderen van heidenen, zelfs van de zulken 

die by de Gemeente wonen , worden door de Broeders 

niet gedoopt, om dat men nopens derzelver opvoeding 

niet kan verzekerd zyn, eer een van de ouders of beiden 

X5 g^' 



330 



Groenlandiche Hiflorie 



X. B. 



gedoopt, ten minften onder de aanftaande dopelingen aan- 
genomen zyn. En dit al gefchied zynde worden even- 
wel derzelver mede gebragte kinderen, die ouder zyn, 
dan dat men ze als onfchuldige kinderen aanmerken kan, 
met gedoopt, eer dezelvcn de jaren van onderlcheidiDRC 
bereikt en de nodige kennifle verkregen hebben, 

§. 26. 

Ten aanzien van'-dezen en alle bejaarden wordt het yol- 
gende m agt genomen. Wanneer men van hen verdaan heeft, 
dat ze voornemens zyn, ombeftendig by de gelovigen te 
blyven, en niet alleen door de mede-arbeiders verwittigd 
is, dat ze hun verlangen naar den doop dikwils te kennen ge- 
geven, de openbare vergaderingen naarftig bygewoond,en 
hunne bygelovige gewoontens verlaten hebben , en zo wel on- 
der de heidenen als de gelovigen een geregeld leven leiden : 
maar daarenboven by dikwerf herhaalde gefprekken met 
dezelven ook ené innige begeerte by hen befpeurd heeft, 
om hunnen onzaligen toeftand met enen zaligen te verwis- 
felen; zo worden ze door een der Miffionariflen (en indien 
het vroaws-perfonen zyn , door ene DiakonefTe, ten min- 
ften altoos in derzelver tegenwoordigheid) gefproken,en 
dus hun verlangen zo wel als de getuigeniflen der mede- 
arbeideren getoetft. Vervolgens wordt hun verlangen in 
de Conferentie der Duitfche arbeideren door den Miflio- 
naris voorgedragen, en by aldien niemand ietwes tegen de- 
zelven m te brengen heeft , worden ze op den eerftvol- 
genden Gemeente-dag onder de aanftaande dopeUngen aan- 
genomen, enden Herein een gebed aanbevolen. 

Van dien tyd af worden ze eerft als regte leerlingen of 
aanftaande dopelingen aangemerkt, en men kan alsdan ftaat 
daarop maken, dat ze blyven; ( hunne heidenfche bloed- 
verwanten geven ook ten eerften alle hope verloren, om ze 
weer af te trekken) vervolgens worden ze tot de ondcrwy- 
zing der gedoopten mede loegelaten, men bezoekt ze en 
fpreekt meer dan voorheen met hen, ten einde zy van de 
eerfte en voornaamfte gronden des kriftelyken Godsdienfts 
klaare en^onderfcheidene begrippen verkrygen , en voor- 
al leren mogen, om op het inwendig werk des H. Geeftes 

aan 



Gefteldheid der Groen). Gemeente. 331 

aan hunne harten te letten. Men tragt, wel is waar, te- 
vens , om hen ettelyke voorname ftukken der Knftelyke 
Leer, vooral de Apoftolilche Geloofs-belydenifle met de 
verklarins; van Lufber^v^n buiten te doen leren , men eifchc 
zulks egter niet als iet, dat noodzakelyk is, vooral met 
by oude lieden; neen, men vergenoegt zig daar mede, dat ze, 
van 't geen zy van de waarheid begrypen , en van den 
grond der hope, die in hen is, op ene vrye en katecheti- 
fche wyze rekenfchap kunnen geven. En hier omtrent 
ziet men meer op het verlangen en de opregtheid van 't 
hart, dan op de vermogens van 't vcrftand en de geheuge- 
niffe, of llegts op de vaardigheid en gladheid van tong. 

Dat nu onze Miflionariflen zo weinig werk maken van 
het van buiten leren , en zig vergenoegen met 't geen hun- 
ne leerlingen uit de ondervvyzingen voor en na den doop 
onthouden, daar van zalmiffchien dit de reden zyn , dat ze 
met leedwezen gezien hebben, hoe weinig, in 't midden 
der kriftenheid, het moeijelyke en langdurige van buiten 
Ieren , het vaardig opzeggen uit meer of mm kleine en 
grote leer-fchetfen, tot verlichtinge van het verftand,men 
zwyge tot veranderinge van 't hart, of tot een dadelyk en 
wezendlyk kriftendom, gewonelyk toebrengt. En dit zul- 
len ongetwyfelt alle opregte ziel-verzorgers, vooral op de 
dorpen , beft weten en met leedwezen toeftemmen. 

Ondertuftchen moet ik by deze gelegenheid aanmerken, 
dat nu reeds vele Groenlanders van beide kunnen, die by 
de Broeders opgewaffen zyn , en in derzelver fcholen vaar» 
dig hebben leren lezen, vlvtig den ouden m de huizen 
voorlezen, waar door de laatften meer van buiten leren, 
dan wanneer ze tot het van buiten leren , als tot ene 
plicht-oeiFening , op ene meefterachtige wyze aangezet 
worden. Want de genegenheid tot de zaak maakt ze 
ligt. 






$. 27. 



Dewyl het nu dus by onze leerlingen niet zo zeer op 
ene uitgeftrekte kennifle , als op een hartelyk gevoel en 
eenvoudige belydenis van hunnen onzaligen toeftand , ge- 
paard met een opregt verlangen naar de heilgoederen van 
het Koningryke Gods, aankomt, zo kan het gebeuren, dat 




«Hi^HiVi^imVHimii 



mn 



Groenlandfche Hiftorie X. B. 

de een of ander (fchoon zulks zelden gefchiedt) binnen 
vier weken gedoopt wordt, terwyl anderen , by welken 
het gemelde niet befpeurd wordt, jaar en dag naar den 
doop wagten moeten , alzo men niemand geeft , eer hy 
begeert en weet , wat en ten welken eiade hy 'c be- 
geert. 

De Bejaarde- doop wordt niet aan enen enkelen perfoon , 
maar altoos aan velen tevens toegediend. Zulk ene plech- 
tige bediening van den doop wordt gewonelyk verrigt op 
een Gemeente- of enen Feeft-dag , wanneer het ganfche 
volk te huis is , na dat men alvorens met de leerlingen 
nogmaals grondig gefproken en hun voornemen verdaan 
heeft; doch ziekenden die op het uiterfte 'liggen, worden in 
de tegenwoordigheid van zommigen hunner bloed^verwan- 
ten m dêrzelver huizen gedoopt. Na ene aanfpraakaan de 
Gemeente en de Dopelingen moeten dezen ettelyke vragen 
beantwoorden, die ene belydeniffe van hunne ellende, ene 
uiting van dêrzelver verlangen naar het bloed des Hei- 
lands en ene opentlyke betuiging van hun voornemen, ten 
aanzien van hun gedrag in 't toekomende, behelzen. Als- 
dan worden ze door den MiiTionaris , onder oplegginge der 
handen en een hartelyk gebed, van de magt der duifter- 
ïiiffe vry gefproken, en voor een eigendom van den Hei- 
land , als hunnen wettigen Heer enMeefter, verklaard. 
Hierop wordt het water door de dienaren in de zaal ge^ 
bragt, en na dat ettelyke vaarzen, by voorbeeld : 

Het water, 't welk 'er op den floot 
Des fpeers uit Jeius Zyde vloodt , 
Dat zy uw bad , en al zyn bloed 
Verkwik u hart en zin en moed. 

Het oog zietflechts het water-bad. 

Als menfchen water gieten. 
Maar het geloof de kracht bevat 

Van 't Bloed , dat neer komt vlieten, enz. 

gezongen zyn, knielen de dopelingen, ter plaatfe waar het 
water ftaat, neder, en worden door den Miflionaris uit 
een fchotel drie reifen, onder het uitfpreken van het ge- 
wone Formulier, rykelyk begoten. Dit aan allen gefchied 
zynde, wordt een ieder van hen, door de Duitfche arbei- 
ders van deszelfs kunne, onder oplegginge der handen ge- 
ze- 



mff» 






*> '^'^3^^ 



^RFJClj 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 33s 
zeesnd, en, met toewenfchinge van ene euwige bewaring 
der klederen des Heils , beveftigd. (*) , , 

Welken indruk de H.Doop by de Groenlanderen maakt , 
en hoe de meeften in de genade, die ze daarby ontvan- 
gen, voortgaan en toenemen, daar van zal ik , behalven de 
reeds mede gedeelde verblydende voorbeelden, flegts het 
volgende als ene byzondere genade, en tot roem der kragt 
van'sHeilands bloed, nog melden: dat namelyk tot hier 
toe van alle onze gedoopten niet meer dan een enkele ons 
verlaten heeft en tot het heidenfch leven terug gekeerd 
is De Heiland geve, dat de Groenlandfche Zendmge 
in 't vervolg den zelven zegen tot ere van deszelfs won- 
den genieten moge. 

§. 28. 

Metdetoelatinge tot het H. Avondmaal gaat het veel 
langfamer. Want fchoon men ook ten dezen opzigte ge- 
ne grote wetenfchapeifcht, men eifcht egter ene leven- 
dit^ekenniffe, en, behalven een kriftelyk gedrag, voor- 
iil een waarachtig gevoel van de geeftelyke armoede, en 
een innig verlangen naar de Goddelyke heilgoederen. 

Na den aanftaanden Avondmaals- leden een eenvoudig 
begrip van deze grote verborgenheid gegeven te hebben , 
ten welken einde de onderregting meer dan eens herhaald 
wordt, wonen ze de bediening van het H. Avondmaal bet 
eerfte maal flegts als aanfchouwers by. Want voorheen 
hebben ze 'er niets van gezien , om in ene zo gewigtigc 
zaak van alle onnutte, en voor het gemoed zelfs ichade- 
Ivke voorfteUingen en peinzingen bewaard te worden. De 
bediening van 't Avondmaal geëindigd zynde, naderen ze 
tot hunne arbeiders , door welken zy met den kus des 
vedes beveftigd worden in derzelver verwagting, om het 
eerft volgende Avondmaal mede te zullen genieten, gelyk 
ook dadelvk gefchiedt,byaldien intuflchen mets voorvah, 
dat ze nog van deze genade uitfluit. Wanneer ze het eer- 
fte maal het H. Avondmaal genieten zullen , worden ze 
daar toe , onmiddelyk voor het zegenen van brood en wyn, 
met oplegginge der handen ingezegend. 



(*) Zie de XIYde Plaat. 






'VsïS 



§. 29. 




^i^ 



^^^MMH 



IB«i 



$34-. 



Groenlandfche Hiftone 



X. B. 



•5 



Een of twe da^en voor het Avondmaal worden de A- 
vondmaals-leden telkens gefproken. Zy verklaren zk over 
hunne gemoeds-gefteldheid en verlangen ïiaar het Avond- 
maal; IS er iets dat hen terug zou kunnen houden , het 
wordt, naar bevindinge van zaken, of uit den weg ge- 
Tuimd, of men raadt hen, voor dat maal terug te blvven 
Een ieder wordt afzonderlyk, en zomtvds man en vrouw 
tevens, door den Miffionaris en deszelfs vrouw te gelvk 
gefproken. ^ ^ 

Het H. Avondmaal wordt gewonelyk alle maanden van 
aile Avondmaals - leden gehouden. De tafel die in 
plaats van den prediklloel en altaar op de zaal ftaat , 
IS by die gelegenheid met een wit kleed bedekt , en de 
Miffionaris en Diaken zyn gekleed in lange witte klederen, 
hoedanig de koor-hembden zyn, die op vele plaatfen in 
Duitlchland en Engeland gebruikt worden. En dit zyn 
ook alle de byzondere Ceremoniën , die daarby plaats 
hebben. ^ ^ 

m ene korte aanfpraak gefchiedt de opentlyke belyde- 
müevan zonden knielende in een gebed, waarop de ver* 
gevmge m den name van Jefus Kriftus verkondigd wordt. 
Alsdan wordt het brood met de woorden der inzettingc van 
den Here Jefus gezegend, en, onder het zingen van een 
Avondmaals-lied , door twe Diakenen uitgedeeld. De A- 
vondmaals-Ieden blyven, een ieder op zyne plaats , üaan , 
en na dat het gezegende brood uitgedeeld is , vallen ze 
allen onder de woorden: Neem f, eet^ dit is zyn lighaam 
enz. op de kniën, en genieten dit grote goed te aelvk on- 
der ene ftille aanbiddinge. 

Na een kort gezang over het heilig lighaam des Heren , 
wordt de wyn op dezelve wyze gezegend, en den enen na 
den anderen uitgedeeld , terwyl intulfchen liederen van 
den dood des Heren gezongen worden. Ten beiluite ge- 
ven de leden, zo als ze (laan, elkander den kus des vre- 
des. 

Den volgenden morgen vergaderen de Avond maals-leden 
op de zaal. alwaar de aanbiddinge knielende, of, indien 
de plaats zulks gedoogt, op het aangezigt liggende , ge- 
houden w.ordt. Hier laten ze hunne harten in zulke vurige 

zug- 



Öefteldheid der Groenl Gemeente. 335 

nmtingen en ontelbare liefde-tranen uit , dat een hart , 
fchoon het zo hard als een ftecn was, met zonder aandoe- 
nina: zou kunnen blyven. " . . , i, . 

Den zieken wordt hun aandeel naderhand in t huis ge- 
brast; maar men heeft niet de gewoonte het H. Avondmaal 
aan de zulken, die op het uiterfte liggen, toe te dienen, ten 
zy dat het geval op enen gewonen Avondraaals-dag voor- 

'^Uit'de hier boven mede gedeelde berigten van de laatfte 
laren zal men gezien hebben , met hoe veel verlangen de 
Groenlanderen de H. Sacramenten te gemoet zien , en 
welke bvzondere genade in 't midden van hen by het H. 
Avondmaal befpeurd wordt, des ik my daarover tans m t 
brede niet uitlaten zal ^ te meer daar zulks met wel te be- 
fchryven is. 

§. 30. 

Op Witten-donderdag^ als mede kort na dat ze allen 
weer te huis gekomen en in de winter-huizen ingetrokken 
zyn, wordt met het H. Avondmaal nog deze plechtigheid 
,4üaard, dat de Avondmaals-lcden de zogenaamde ^gapen 
of liefdemalen houden, en dat hen de voeten gewaüchen 

J)^ liefdemalen (die wel ook by andere gelegenheden ^ 
by voorbeeld, grote Feeft- en Gedenk-dagen enz., of met 
alle gedoopten, of flegts met een byzonder gedeelte der 
Gemeente , gehouden worden) worden niet gezang begon- 
nen em met zodanige gefprekken , die ter bereiking van het 
oogmerk der vergadering dienftig zyn, onderhouden , en 
zomtyds met ene korte redevoering geëindigd, 3>e fpy- 
zen zyn of gedroogde haringen, of fcheeps-befchuit, die 
hen ten dien einde door den enen of anderen vriend toe- 
gezonden worden. , « n^ , , 

\{ttVoetwafchenv^<^r&t^ in twe afdelingen, eerft by de 
Broeders en daarna by de Zufters door de arbeiders van 
derzelver kunne verrigt. Na het voorlezen der gefchiede- 
niffe dezer plechtigheid uit Joan. XllI, wordt de Heiland 
om vergevinge aangeroepen. Hierop beginnen de Mis- 
fionaris, deszelfs naafte mede- arbeiders , en zomtyds ook 
ettelyke Groenlandfcbe mede-arbeiders, het voetwaflchen, 
^ De 



El 




330 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



De voeten worden, gewaffchen zynde, meteen handdoek 
telkens afgedroogd , terwyl intüffchen ettelyke vaarfen 
van de reiniging door het bloed des Heilands gezongen 
worden. By de Zufters wordt deze plechtigheid door de 
Dlakomjfen en ettelyke Groenlandfche mede - arbcidfter^ 
verrigt, terwyl de Miffionaris de vergadering met het zin- 
gen van vaarfen onderhoudt. 

S. 31. 

Ten tyde, wanneer de Groenlanders , of op derzelver 
uittogt (laan te gaan , of weer te huis gekomen zyn , 
worden niet alleen de Avondmaals-leden , gelyk alle maan- 
den gefchiedt, maar ook de overige gedoopten en leerlin- 
gen, zo wel de jongen als de ouden, gefproken, ten de- 
le, om te vernemen, of, en in hoe ver, ze intuflchen in de 
kenniffe van- en ommegang met den Heiland toegenomen 
hebben; ten dele, om by derzelver uittogt de herinnerin- 
ge van den grond , op welken ze byeen gekomen en ge- 
doopt zyn, in hen te verlevendigen, en hen tot enen ftig- 
telyken wandel onder de heidenen te vermanen; ten dele, 
om by derzelver terug koraft te horen, hoe ze aan hunne 
belofte beantwoord hebben. ''"■ 

Indien nu de ene zig over enige bezwaringe van den an- 
deren te beklagen heeft , wordt het in liefde afgedaan, en 
dus verdere onenigheid voorgekomen. Heeft zig iemand 
te buiten gegaan , hy wordt met den geell der zagtmoe- 
digheid te rcgt gebragt, en tot de nodige voorzigdgheid 
en waakzaamheid vermaand. Dan byaldien iemand, met 
zyn hart van den Here afgeweken «zynde , tegen licht en. 
beter weten gehandeld heeft, zo moet hy een of meermalen 
van 't H. Avondmaal terug bly ven, of wordt naar bevin- 
dinge van zaken , by voorbeeld , zo hy ene openbare er- 
gerniffe gegeven heeft , (hqedanige gevallen 'er egter hoe 
langer hoe weiniger voorkomen ) opentlyk uit de Gemeen- 
te uitgeüoten , tot dat hy zyn hart weer zoekt en vindt, en 
zig, na nieuwe genade ontvangen te hebben, beter ge- 
draagt. 



^2^ 



Gefteldheid der GroenL Gemeente. ^37 



§. 32. 

Hieruit zal men ligtelyk de rcclen kunnen opmaken^ 
waarom de Broeders de in alle tot de Broeder-kerk beho- 
rende en wel ingerichte Gemeenten goedgekeurde Koor- 
verdelingen^ of afzonderingen der bejaarde perfonen van 
beide kunnen, ook in Groenland ingevoerd hebben. De 
droevige ondervindinge van de algemene verdorvenheid 
onder alle volkeren, het zy dat ze in ene koude of h)2te 
lügtftreek wonen, bcfchaafd of lomp, vryè lieden of fla- 
ven zyn , heeft de Opzienders der Broeder-kerk verpligt ^ 
oiii ene tydige afzondering beider kunnen te denken , teil 
einde den regel des Apofteis te ligter te kunnen betragten : 
Dat een iegelyk van u wete zyn vat te bezitten in heilig' 
makinge en ere^ niet in kwade heiveginge der begeerlykbeid 
^Is de beidenen', die God niet kennen. Ten aanzien van de- 
ze verdorvenheid hebben de Broeders de Groenlanderen, 
jiiettegenftaande derzelver naar den fchyn zonderlinge eer- 
baarheid en ingetogenheid, in genen dele beter gevonden, 
en hebben dus getragt, deze verdorvenheid door ene kris- 
telyke ordonnantie of inrichting te beteugelen , fchoon 
men zulks in den eerfïen opÜag aanmerken zoude , als 
iets, dat by zulk een ongebonden ja t' enemaal woeft volk 
onmogelykis. Dan de zalige Judith^ na derzelver terug 
komft uit Europa in 't jaar 1749 > een begin met hare 
koor-verwanten, te weten de jonge dogters , gemaakt heb- 
bende , om in een eigeii en byzondet huis zamen te wo- 
nen , hebbende weduwen, eti eindelyk ook de jongelingen , 
haar voorbeeld gevolgt , en eigene koor-hüizen voor zig 
gebouwd. De ondervinding heeft geleerd , dat dit noeh iti 
derzelver uitwendige huishoudiiige, noch in den dienft by de 
huisgezinnen, gene de minfte zwarigheid veroorzaakt heeft, 
in tegendeel dat daardoor het een en ander in vele opzig- 
ten ligter geworden is ; terwyl de gemelde inrichting zeer 
veel tot den wasdom in de genade en tot bewaringe naar 
ziel en lighaam, vooral by jonge lieden, toebrengt, en 
veelvuldige gevaarlyke aanleidingen tot zonden affnydt* 
In deze huizen wonen , en arbeiden ze voor zig on- 
der het opzigt van een of meer perfonen uit hun mid- 
den ; tragten aan den enen kant de aankomende jongelin* 

UL DeeU ^ gen, 







ef!H0M 



33» 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



gen , en aan den anderen de aankomende meisjes , die 
Biet meer by hunne ouderen wonen, en gedeeltelyk, we- 
gens den arbeid, niet meer zo vlytig in de fcholen kun- 
ren gaan, in 't lezen en de nodige kenniffe te oefFenen , 
dezelven tot den arbeid aan te voeren , en dus met hen 
vp den begonnen weg voort te doen gaan. 

§. 33- 

Volgens deze Koor-afdelingen wordt wekelyks ene by- 
zondere vermaning aan een iegelyk Koor , te weten aan 
dat der kinderen, der ongetrouwde Broederen, der onge- 
huwde Zufteren , der getrouwden , en der weduwen , gehou- 
den, zynde daarenboven een iegelyk Koor in kleinere ge- 
zelichappen van fes tot tien perfonen verdeeld. 

De Koor-vergaderingen worden des zondags door een 
der Miilionarifièn gehouden. In dezelven wordt, na de 
legtvaardigmakinge of vergevinge der zonden uit genade 
door het geloof in Jefus Kriftus als de grondflag van alle 
zaligheid , de op 's Heilands verdienden gegronde Heilig- 
makinge naar ziel en lighaam, door de dagelykfe vernieu- 
winge en befprenginge met het bloed der verzoenin. 
ge allen , en eenen iegelyk naar deszelfs byzondere uit- 
wendige omftandigheden en inwendige vatbaarheid, aan- 
geprezen. 

De Gezelfchappen worden wekelyks een of twemaal, me- 
rendeels door de Groenlandfche mede-arbeideren van die 
afdeling, tot welke het gezelfchap behoort, gehouden, en 
van tyd tot tyd door de Miflionariffen en derzelver Duit- 
fche mede-arbeideren bezogt. 

in deze gezelfchappen wordt niet gepredikt of gekati- 
chifeerd, maar flegts eenvoudig en op ene gemeenfame 
wyze gefproken, terwyl een ieder zegt, hoe hy zyne ge- 
moeds-gefteldbeid vindt, wat hem in den voortgang op den 
wei: der genade tot bevordering of hindering ftrekt, 't geen 
aanleiding geeft den enen te regt tewyzen en te vermanen, 
den anderen aan te moedigen en op te beuren. Nu en dan 
lioiiden de Miffionariflen Conferentien met de beftierders 
der gezelfchappen , om te vernemen, hoe 't met de gezel- 
ichappen gefteld is, en hen tevens nutte erinneringen te 
geven. 

S. 34- 



Gefieidheid der Groenl, Gemeente. 339 

%■ 34. 

Tans zal ik de Koren, naar derzelvei* verdelingen volgens 
den ouderdom , en zo als hen des zondags de ondervvyzin^ 
gen en vermaningen, overeenkomftig met den byzonderen 
Itaat van een ieder, in hunne vergaderingen gefchieden , 
kortelyk in derzelver uitwendige gefteldheid befchryven. 

De ganfch kleine kinderen, dat is de zulken, die nog 
op de armen gedragen en gezogen worden , worden dóór 
de moeders op de zaal gebi-agt , alwaar de l^dillionaris et- 
telyke vaarfen met hen zingt, en aan de moeders eïijge 
nutte erinneringen tot ene kriftclykc opvoeding der kindek- 
ren geeft* • 

Wanneer ze boven vier jaren oud zyn , worden ze on- 
der de kinderen geplaatft, die, zo wel de meisjes, als de 
jongens, hunne byzondere vermaningen hebben, terwyl 
derzelver katechifatien , die alle morgen gehouden wor- 
den , gemeen zyn. Vervolgens hebben ze hunne fcholeQ 
afzonderlyk , in welke ze in 't lezen , en de oudften te- 
vens in 't fchry ven , onderwezen worden. De boeken, die 
ze in de fcholen gebruiken , beftaan uit Groenlandfche 
A. B. C. en leze-boekjes, waarby ettelyke ftigtelyke voor* 
beelden van kleine kinderen gevoegd zyn. Wanneer ze 
verder komen , geeft men hen , den kleinen katechismus 
van Luther^ de vier Evangeliën en de Handelingen der 
Apoftelen , vertaald door den Hoogleraar Paul Egede , en 
behalven deze boeken , die men niet altyd krygen en ge- 
volgelyk hen ook niet altoos geven kan , hebben ze een 
door de Broeders vertaald gezang-boekje , benevens de ly- 
dens-gefchichte en laatfte redevoeringen d^t^ Heilands, 
naar de overeenftemming der vier Evangelie^fchryveren 
in 't jaar 1759 te Utrecht gedrukt. (*). De Groenlande- 
ren gene fchrift hebbende, heeft men de Latynfche lette- 
ren , als de gemakkeiykflen en duideiykften onder hen in- 

ge- 

(*) 'Er zyn wel meer (lukken der H. Schrift, zo wel uit het 
Oude als 't Nieuwe Tedament door de Milïionariiïen vertaald en 
met nut gebruikt^ doch niet gedrukt noch onder de Groenlaride« 
ren ingeyoerd. 

Y ^ 



i 

'M 

m 




340 



Groenlandlche Hiftófie 



X. B. 



gevoerd , en deze leren ze ook zeer net en vry wel naar 
de fchryf-kunde fchryven. De genen , welke luft en be- 
kwaamheid hebben tot de Muzyk, worden afzonderlykin 
dezelve onderwezen. Tegen het eindigen der fchool leren 
ze ene Bybelfche fpreuk , of een vaars uit het gezang- . 
boek , 't geen hen te ligter valt , om dat ze 'er dagc- 
lyks mêe omgaan , en 'er over gekatechifeerd worden. 

's Namiddags is 'er gene fchool, om dat dan niet alleen , 
de Broeders andere bezigheden hebben , maar ook de kin- 
deren hunne ouderen in allerly huiffelyke bezigheden de, 
behulpfame hand moeten bieden, en de jongens zig vooral : 
oeffenenomin den Kajak te varen jpylen te werpen enz. Des 
zomers, wanneer ze met de ouderen uitvaren , wordt 'er . 
in 't geheel gene fchool gehouden. Des niet te min leren 
ze fchielyker dan men 't van Groenlandfche kinderen ver- 
wagten zoude ^ zo dat ik opgemerkt heb , dat zommige 
jongens in enen winter hebben leren lezen , ja dat velen 
onder de aankomende jeugt hunne les te huis voor elkan- 
der opgezegt , en enen ganfchen artykel uit de Kriftelyke 
Geloofs-belydeniffe , en wel den grootften , te weten den 
tweden , in enen dag van buiten geleerd hebben. Dan al- 
les moet zonder dwang gefchieden. Gewonelyk zyn ze 
ook zeer gewillig en begerig om te leren, en worden ette- 
lyken nu en dan moede, ze kunnen niet, dan door vrien- 
delyke woorden, aangemoedigd worden. 

Wanneer ze het twaalfde jaar bereikt hebben , worden 
ze in ene Koor-vergadering onder de aankomende jongelin- 
gen of meisjes aangenomen. Van dien tyd af wonen ze ook 
merendeels in het Koor-huis der ongetrouwde Broederen , 
of in dat der ongehuwde Zujieren* De jongelingen gaan by 
derzelver ouderen ten eten , maar de meisjes halen de le- 
vensmiddelen by de hunnen , en maken ze in haar huis 
klaar : dan zy , die een huisgezin te bedienen of kinde- 
ren op te paflcn hebben , blyven ook des dags by de- 
zelven. 



S- 35^1 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 341 



§• 35. 

Hoe de getrouwden met hunne huisgezinnen by elkan- 
der wonen, hebben we hier boven (*) reeds gemeld: 
tans moeten we nog melden , hoe ze by elkander ko- 
men. 

De Broeders gedogen hier zo min als in de overige Ge- 
meenten , dat ongetrouwde mans- en vrouws-perfbnen , 
behalven in gevallen , die zeer noodzakelyke en burgeriy- 
ke zaken betreffen , enen gemeenzamen en opentlyken , 
veel min enen geheimen , ommegang met elkander heb- 
ben, jaren naar elkander vreijen, en by die gelegenheid 
tot allerhande ergeflyke gefprekken, zo niet zelfs tot da- 
den, aanleiding geven. Geen weduwenaar, vooral indien 
hy kleine kinderen heeft , kan lang zonder ene hulpe 
blyven. En zo dra een ongetrouwd Groenlander hettwin- 
tigfte jaar bereikt heeft , en in ftaat is , om een huisgezin 
te onderhouden, dient men om een huwclyk voor hem te 
denken. Dit is zyner ouderen , en indien hy gene heeft, 
der Leraren poft. Want fchoon het enen iegelyk vry 
ftaat, om zyne gedagten deswegens zelve te kennen te ge- 
ven , het gefchiedt egter zeer zelden , om dat 3e weten , 
dat men voor derzelven beft zorg draagt, en hen niet te 
min alle vryheid laat. Men doet hem dan een voorftel no- 
pen^ de verandering van deszelfs ftand, vraagt hem, ofhy 
zt\{k ene verkiezing reeds gedaan hebbe? zo ja, men neemt 
'er i^eer gaarn genoegen in , byaldien zyne verkiezing niet 
meii, deszelfs geeftelyk en tydelyk welzyn ftrydt , of door 
onbevoegde en onverftandige lieden bepaald is geworden. 
Heeft hy in tegendeel zyn oog nog niet op een byzonder 
voorwerp laten vallen , dan wordt hem een perfoon voor- 
gefteld. En gelyk de Miffionariffen enen Groenlander de 

Elechtige voltrekking van een onbedagtzaam en kwalyk 
eraamd huwelyk weigeren kunnen; zo ftaat het den laat^ 
ftenook vry, om een perfoon, die hem voorgefteld wordt, 
te weigeren. Indien men 't nu, na enigen tyd van beraad, 
nopens de perfoon eens geworden is, 't geen by de mans- 

per- 






o §. 4. eii s. 



Y.3 



I 



34-2 



GroenlandJche Hiftorie 



X. B. 



perfonen weinig zwarigheid ontmoet , dan wordt het aan 
ce vrouws-perfoon voorgefteld. Doch hier doen zig meer 
zwarigheden op. Want fchoon ze niet meer weg lopen , 
de hairen uittrekken of affnyden, en zig door meer Ibort- 
gclyke grollen ^ geiyk de heidenen , wonderlyk en be- 
lachelyk aanftellen , zy weigeren het egter dikwerf vol- 
flrektelyk, en dan is 'er ook verder niets in te doen. Dan 
wanneer het eindelyk zo ver komt, dat twe perfonen in 
tegenwoordigheid hunner bloed-verwanten na ene korte 
aanfpraak verloofd worden, zo. wordt derzelver aanflaandc 
verandering der Gemeente opentlyk bekend gemaakt, en 
derzelver gebed aanbevolen , enigen tyd daarna worden 
ze door den MilTionaris in den name der H Dieëenheid 
getrouwd: waarop ze wederzyds van de Koren , tot v/elke 
ze tot dus verre behoord hebben, by ene maaltyd, te we- 
ten eenieder afzonderlyk van zyn Koor, affcheid nemen, 
en dus met de hartelyke zegenwenfchen dier Koren van 
üand veranderen. 



S- 3ö. 

De Broeders gedogen niet, dat iemand van de hunnen 
ene vrouw uit de heidenen neemt, geven ook gene ge- 
doopte aan een heiden: Kort,zy gedogen diergelyke huwe- 
lyken niet , in de onzekere hope , dat de ongelovige egt- 
genoot door den gelovigen zou kunnen gewonnen wor- 
den. Men vergunt aan niemand, meer dan ene vrouwte 
nemen, noch die te verüoten, welke hy reeds heeft. Het 
band des huwelyks, zelfs by degenen, die, eer ze gelovig 
waren, in 't Heidendom zamen gekomen zyn, fchoon het 
zelve niet in de befte orde gefchied is, wordt by de Broe- 
ders als onverbrekelyk aangemerkt, en dienvolgens verma- 
nen ze diergelyke lieden tot betrachtinge van alle elkan- 
der verfcliuldigde pligten. Ook zullen ze noit toeftaan , 
dat een man , die zyne vrouw, onder het voorgeven, dat 
zy hem hindert , een kriften te worden, verlaat, by hun- 
ne Groenlaiiderenwone; om dathy , onder zulk een voor- 
geven, ligtelyk het oogmerk zou kunnen hebben, ene an- 
dere mifichien gedoopte vrouw, die hem beter behaagde, 
te krygen. Even min zal men ene vrouw, zonder toe- 
ftemming van haar man , aannemen, ten ware, dat hy ze 

ver- 



Gefleldheid der Groenl. Gemeente. 343 

verftoten had. Deze en foortgelyke middelen , om den 
hoop van Kri'ftenen te vermeerderen , en diergelyke uic 
vleefchelyke oogmerken, te^en alle Goddelyke en mcn^ 
fchelyke wetten , gemaakte Profelyten zyn den Broederen 
een gruwel. _ • . ^ . , , 

Dan wanneer heidenfche Egte-heden m behoorlyke orde 
gedoopt en vervolgens beiden ook tot het Q. Avondmaal 
toegelaten zyn, zo worden ze voor de ganfche Gemeente 
tot een Gode welbehagelyk en leden van Kriftus beta- 
melyk huwelyk onder oplegginge der handen ingezegend, 
ef, gelyk de Broeders fpreken , zy ontvangen den zegen 
der Gemeente. 



S- 37. 

Wanneer Egte-Heden door den dood gefcheiden wor- 
den , dan blyft de Weduwenaar in zyne huislioudinge, en 
gaat, indien zyne jaren zulks niet beletten, na enigen tyd 
tot een ander huwelyk over. 

Heeftene Weduwe kleine kinderen , dan blyft ze om der- 
zelveF wille in haar vorig huis, tot dat de kinderen in ftaat 
zyn , om of in het Koor-huis der ongetrouwde Broederen , 
of dat der ongehuwde Zufteren, aangenomen te worden , 
of ook by een huisgezin te dienen. Alsdan gaat zy zelve 
in 't Weduzven-htiis wonen , ten ware , dat ze gehuwde 
kinderen heeft, by welken ze dan blyven mag ter verzor- 
ginge van hare kleine kinds-kinderen , zonder zig met het 
beftier der huishoudinge te moeijen. Daarente<4en neem: 
ene weduwe de huishoudinge voor hare volwaileiie onge- 
trouwde zonen waar, doch altoos in gemeenfchap met dat 
huisgezin , in 't welk dezelven opgevoed zyn ; terwyl de- 
zen weer verpligt zyn , om zulk een huisgezin in deszelfs 
ouderdom te onderiteunen , en de kinderen in hetzelve, zo 
ze nog klein zyn, op te voeden. 

Valt 'er wat na het overlyden van een man te erven , dan 
worden boot , tente en gereedfchap , byaldien 'er gene 
volwaffene zonen voorhanden zyn , aan enen anderen mau 
overgegeven, die daarentegen de v/eduwe verzorgen moet, 
en hare kinderen opvoeden. Het overige goed behoudt de 
weduwe en gebruikt het, naar 't de nooddruft van haar 
en hare kinderen vereifcht. 

Y 4 §. 33- 










'344 



Groenlandfche Hiftorie 



X. B. 



§. 38. 

De Broeders moeten ook in geval van ziekten der Groen- 
landeren lighamelyke Genees-meeilers zyn, en hen, naar 
bevindinge van zaken, of met aderlatinge ter regter tyd\ 
't geen by derzelver , uit een overvloed van bloed en het 
veelvuldige verkouden voortkomende, hete ziekten van ene 
goede uitwerking js ; of met andere toegezondene genees- 
middelen dienen. Men bezoekt ze tevens vlytig en waakt 
ook, des noods zynde , by hen, alzo de Groenlanders wei- 
nig met zieken vi^eten om te gaan. 

Jn hunne ziekten gedragen ze zig zo als het kriftenen 
betaamt, die den dood niet meer vrezen ^ maar verlangen, 
om ontbonden te worden en met Kriftus te?yn; van welke 
vrymoedigheid en verlangen men reeds vele voorbeelden 
gezien heeft , die men by lieden, welke nog onlangs Win- 
de heidenen waren, niet ligtelyk zou verwagt hebben. Ja 
men heeft opgemerkt, dat zommigen , over welken men 
zig na hunnen doop niet regt heeft kunnen verblydcn, 
niet lang voor hunne ziekte dermaten veranderd ^n en 
zulk ene goede hope van ene volkomene verandering ge- 
geven hebben , dat men met vrymoedigheid heeft kunnen " 
2eggen: Einde goed ^ (il goed. 

Wanneer hun einde nadert, wordt hen door enen der 
arbeideren de zegen der Gemeente, onder gezang en ge- 
bed, met oplegginge der handen mede gedeeld. De geeft 
in'sHeilands handen overgegaan zynde, wordt het lyk 
op Groenlandfche manier door de bloed-verwanten ge- 
kleed, en, in plaats van in ene kift gelegt te worden, in 
een vel genaaid. Vervolgens wordt het op de doodbaar 
gelegt, en meteen wit kleed bedekt, op het welk een 
Groenlandfch yaarsje met rode banden geftikt is , en 't 
^een hier op uitkomt: Ik ivord ten grave gedragen gelyk 
^sfus^myn Goden Heer ^ en gelyk hy opgeftaan is^ zo zal 
ik ook opftaan. Na dat 'er op de zaal ene lyk -reden ge- 
houden is, wordi het lyk door vier Grocnlanderen naar 
den kerkhof gedragen , terwyl de Miffionaris vooraan gaat 
en de Groenlanders by paren volgen. Aldaar gekomen 
zynde, cvordt het lyk, onder het zingen van een lied, in het 
graf 5 dat van ftenen opgerekt is, gelegt, en na dat men 

uit 



'^ 



Gefteldheid der Groenl. Gemeente. 345 

uit de L'ttany onder anderen deze woorden gebeden heeft: 
Bewaar ons met de Gemeente der voleindigden , en in V 
hyzonder met onzen Broeder (of Zufter') N. N. in ent 
euivige Gemeen fchap enz. wordt de zegen des Heren uit- 
gefproken , en het graf met brede ftenen en groene zo- 
den gedekt. 

Men neemt het den Groenlanderen niet kwalyk af, 
wanneer ze over het henen gaan van derzelver beminde 
nabeftaanden tranen ftorten , doch de bygelovige gewoon- 
ten, en de Ceremoniën der met veel fchreijen gepaarde 
rouw-vifiten, zo wel in het huis als by het graf, vinden ia 
't geheel gene plaats meer, om dat ze de opftandinge des 
vleefches en een euwig leven geloven. 

§• 39. 

Ten befluite zal ik nog uit het Kerk -boek der Broe- 
deren melden , hoe vele Groenlanders , zechsu;^ het jaar 
1739 tot tegen den herfft 1762, door hen gedo>snt zyn. 
Het getal te Nieuiv - Herrnlmt beloopt een weinige meer 
dan 700, zonder dezulken te rekenen, die zy den voor- 
nialigen Miffionaris Drachart hebben helpen dopen, of die 
ze, by het afzyn van den Deenfchen Miffionaris, verzogt 
zynde, op de volkplanting gedoopt hebben; en die 'er in 
Lichtenfeh nog by gekomen zyn. Van dezen zyn nu reeds 
1250 by den Here; en de Gemeente te Nieuw- Hermbut 
beftaattans, na in den beginne ettelyken naar Lichtenfeh 
te hebben laten gaan, uit 421 gedoopten, onder welken 
zig 174 Avondmaals- leden bevinden. Behalven dezen 
zyn 'er nog 39 leerlingen, en 11 onlangs eerfl aange- 
komenen, zo dat het getal aller inwoneren 471 bedraa^^^t. 

Volgens de Koor- verdelingen zyn 'er tans 111 getrouw- 
de lieden; 3 weduwenaren; 61 weduwen, van welken 46 • 
reeds in 't heidendom weduwen geworden zyn , en als 
zulke met hare kinderen haren toevlugt tot de Broeders 
genomen hebben; het getal der : ongetrouwde Broederen 
benevens zulke jongelingen , ^le reeds in de fchool gaan , 
en in den Kajak leren varen, beloopt loi , en dat der on- 
gehuwde Zufteren met de fchool-meisjes 116. Het getal 
der kleine jongens maakt 31 uit, en dat der kleine meisjes 
^5, dus te zamen 460 zielen. 

Y 5 Te 






m 

m 






^ — ^ 




346 Groenlandfche Hiftorie X. B» 

Te Lichtenfeïs bevonden zig, volgens een in den zomer 
1762 ontvangen berigt, 100 gedoopten, van welken 63 
aldaar gedoopt zyn , doch de overigen zyn van Nieuw- 
Herrnhut dervvaards getrokken. Behalven dezen waren 
'er nog 38 leerlingen, en 30, die eerfrin dit jaar aldaar ge- 
komen zyn, dus te zaraen 168. 'Er bevinden zig 18 ge- 
doopte huisgezinnen, die in twe grote huizen wonen ; on- 
der dezen zyn niet begrepen de ongehuwde vrouws-perfo- 
nen en weduwen , die hare eigene huizen hebben , echter 
onder de huisgezinnen verdeeld zyn, om te dienen en daar- 
door haar beftaan te vinden. 



't Is waar, dit hoopje is maar zeer klein , niet zo wel 
ten aanzien van het Groenlandfche volk, het geen, vol- 
gens de hier boven C^) mede gedeelde rekening, nauwe- 
lyks locoo zielen bedragen mag (want voer zo ver de ge- 
lovige Groenlanderen hier mede vergeleken worden , leve- 
ren ze nogal een aanmerkelyk getal van voor den Heiland 
gewonne zielen uit) maar ten aanzien der ontelbare menig- 
te van ongelovige heidenfche volkeren , in vergel y king 
met welkeu deze Groenlandfche en andere Gemeenten uit 
de heidenen maar ene zeer kleine kudde uitmaken. Dan 
wanneer men de genade , die zig aan en onder dit volk 
openbaart, met aandagt befchouwt, zomoet men zig over 
dit wonder onzer tyden verwonderen, en men leert de oor- 
zaak uit het gewrogte befiuiten. Ik zal my hier omtrentj 
nader verklaren. Dikwerf heb ik, onder de Groenlande 
ren verkerende en op hunne zeden en gedrag lettende , o£ 
flegts het gelaat der gelovigen met dat der ongelovigenj 
vergelykende , by my zelve gedagt, dat zy, diezogaarnj 
slles , wat ze door de reden niet begrypen kunnen, in'^twy-J 
fel trekken, en dekragt van 't Evangelie lochenen, often 
minden dezelve niet toereikende agten, om ene wezendly- 
keen gehele verandering van hart en zeden bydenmenfch 
uitte werken, hier oogfchynelyk van hunne dv/aling zou- 
den kunnen overtuigd worden, door te zien, datmenfchen, 

die 



w— \ 



üi 



Gefleldheid der Groen). Gemeente. 347 

die als Wilden in eene tonielofe vryheid geboren en op- 
gevvailen zyn, die van gene opvoeding, van gene , om zo 
te fpreken , aan de borilen hunner tnoederen ingezogene 
gevoelens, van gene wetten, beloningen, offtraffenietwes 
weten , zig t' enemaal vrywillig , maar door ene hogere 
hand gedreven , onder een voorheen onbekend en onge- 
woon jok buigen , dat is, aan de gehoorzaamheid des ge- 
loofs onderwerpen , en hunne leraren zonder geweld en 
dwang gehoorzamen en volgen. Daar ze anders hunne 
geboorte-plaats noit verlaten, of wanneer ze dezelve verla- 
ten, niet nalaten kunnen van de en© naar de andereplaats, 
in ene gedurige onruft, heen en weer te trekken ; verlaten 
ze tans zeer gewillig en voor altoos hunne geboorte-plaat- 
fen, hunne bloed-verwanten en bekende vrienden, zetten 
zig by hunne leraren met 'er woon neder, en vormen dus 
ene geregelde en yoor zig en andere nutte burgerlyke 
Maatfchappy, enkefen alleen , om het woord des levens 
te horen, waardoor hunne zielen gevoed worden. Men- 
fchen , die anders zo dom en bot , ten minden zo traag , 
zorgeloos en zonder overleg zyn, dat ze over niets den- 
ken , dan 't geen op hunne zintuigen werkt en dezelven 
ftreelt, invoegen velen ze gaarn met de redenlofe dieren 
gelyk (lellen , terwyl 'er in der daad onder hen gevonden 
worden, die geen onderfcheid weten te maken tuffchen 
zig zelven en andere dieren : zulke raenfchen , zeg ik , 
wordendoor ene middelmatige onderwyzing, gepaard met 
de genade en verlichting des H. Geeftes, zo verirandig, zo 
oplettende, zo zorgvuldig en verlicht, dat ze de grootfte 
verborgenheden des geloofs omhelzen, en dezelven in hun- 
ne zielen tot e^e kragt Gods laten worden, zo dat ze daar- 
van de heerlykfte en met geeft en kragt gepaarde getuige- 
nilTen geven kunnen. En daar de Wilden anders zo hard- 
nekkig en onverzettelyk zyn, dat ze zig dikwerf liever zou- 
den laten dood (laan, dan hunnen wil breken, gelyk men 
my ook verzekerd heeft, dat velen, die van de hunnen 
niet hebben kannen verkrygen het geen ze wilden, zig zel- 
ven dood gehongerd, of op ene andere wyze van \ leven 
beroofd hebben ; zo vindt men in tegendeel hy de gedoop- 
ten een week, gezeggelyk en buigzaam gemoed, 't welk 
zig door buitenlanders, die anders van hen gehaat worden , 
door zagtmoedigheid en liefde gemakkelyk laat leiden en be- 
ilieren. En dat dit gene uitwerking der natuur, maar een 







'U 



W: 




348 



Groenlandfche Hiflorie 



X. B. 



gewrogte der genade is, blykt, wanneer men of in open- 
bare vergaderingen , ofinbyzonderegefprekkcn, of ook ia 
aigelcgene plaatfen, zomtyds den een of ander, ja dikwils 
enen der floutften Groenlanderen , onder het gevoel van 
^yne ellende en de heilryke genade onzes Heren Jefus 
Kriftus, in tranen ziet uitbarften. Ja deze zalige verbryze- 
linge des harten, veroorzaakt door het woord des krui fes, 
dat fleenrotfen tot morfel (laat, en tevens het hart ver- 
biydt, neemt men nog duidelyker waar, wanneer het ge- 
beurt, dat de een of ander eens haaftig wordt, en deszelfs — 
natuurlyke eigenzinnigheid vooreen oogenblik de overhand ' 
weer krygt. Want wanneer alle beweegredenen, om hem 
van gedagten te doen veranderen, te vergeeffchzyn, dan 
IS gemeenlyk de herinnering aan den Doop, of aan 't geen 
de Heiland voor ons geleden en aan ons gedaan heeft, en 
hoe men door zulke afwykingen , niet zo zeer menfchen , 
als wel den Heiland en zynen Geeft b'edroeve , het kragt- 
dadigfte middel , het hardnekkig gemoed dermaten te 
vermuuven , dat het verdwaalde fchaapje onder een vloed 
van tranen om vergiffenis bidt en beterfchap belooft. De- 
ze tedere gemoedsgefteldheid, die ik dikwils , zo wel by 
jongen als ouden van beide kunnen, tot myne grote blyd- 
Ichap en met ene innige aandoening myner ziele waarge- 
nomen heb , levert by my een veel bondiger bewys uit 
van de wezendlyke verandering, die doorliet bloed dts 
Heilands in hunne harten en gemoederen gefchied is , dan 
by aldien ze altoos in hunnen wandel zo onberispelyk wa^» 
ren, dat 'er in 't geheel niets by hen gevonden werdt , 't 
geen ene ftofFe van verwyt en beftraffing uitleveren kon. 
Dit toch zoude eer aan enen zagten inborft, aan de goe^ 
de orde en opzigt,of aan de vreze voorfchande en fcha- 
de enz. kunnen toegefchreven worden , terwyl de eerft- 
gemelde tedere gemoedsgefteldheid niet dan uit het ge- 
loof en den diepen indruk van 's Heilands dood en lyden, 
waar door het nieuwe fchepfel deszelfs leven en werk- 
zaamheid ontvangt , voortkomen kan. OndertufTchen 
moet ik niet vergeten aan te merken , dat 'er weini- 
ger afwykingen onder hen voorkomen , dan men ver- 
wagten zoude , en dat ze onder de heidenen een le- 
ven leiden , dat dezen tot ftigtinge en het Evangelie tot 
eere ftrekt. 
Dien volgen^ woydt dit , tqn aanzien van het getal ^ 

kleine 



Gefteldheid der GroetiL Gemeente; 349 

kleine hoopje van gelovige Groenlanderen , benevens de 
overige Gemeenten uit de heidenen , by my aangemerkt 
als een der grootfte werken Gods in onze tydcn , en al& 
een fprekend bewys : 

Dat elk een kan vinden in 't Bloed der Wonden 
Volle vergeeving en reiniging van zonden , 
Wie maar gelooft» 

Dit is van den Here gefcbied -^ en het is wenderlyk in 
fnze ogen. 




EER 



E 



BYVOEGSEL, 

Behelzende enige korte Brieven ^ diefedert 
het jaar 1 755 van Groenlanderen 5 iveU 

ke nog leven y gefchreven zyn. 

Schoon ik lang in bedenken geftaan heb , om iets mede 
te delen uit de brieven der nog in leven zynde Groen- 
landeren , alzo dezelven genoegfaam van enen en denzel- 
ven inhoud zyn, en by zommigen millchien geen gundig 
oordeel vinden zuilen ; ik heb egtcr niet van my verly-y- 
gen kunnen , om al 't geen ik daar van gevonden heb t'e- 
nemaal terug te houden , om dat ik meermaals belpeurd 
heb , dat de brieven van bekeerde Heidenen, en in 't by- 
zonder die der Groenlanderen, velen indruk hebben ge- 
maakt by allen, die 'er iets van gezien of gehoord hebben, 
zo dat ze daardoor niet alleen zyn opgewekt geworden , 
om de genade van den Heiland, die zig onder de wiidfte 
en domile heidenen zo heerlyk bewezen heeft, te roemen 
en te pryzen , maar dat hen ook zodanige brieven verftrekt 
hebben tot befchaming en aanmoediging op hunnen eige- 
nen weg. Lezeren van dien aart zoude , byaldien alle 
brieven, waarvan een vry groot getal voorhanden is, ag- 
ter wegen gelaten wierden , ongetwyfelt iet, en mifTchieii 
juifi: 't geen hen beft fmaakt, ontbreken. Zie daar de 
enigfte reden, waarom hier uit enige brieven korte uit- 
trekfels mede gedeeld worden. Uit vertrouwelyke brie- 
ven, inw^elkenmen gewonelyk gene leerftukken verhan- 
delt , maar flegts van zig zei ven en op enen eenvoudigen 
trant fchryft, kan men, vv^el is waar, niet zien , hoe ver- 
re de fchryvers in de kennis van den ganfchen zamen- 
hang der leer .van 't Evangelie gekomen' zyn ; men kan 
egter den eens geleiden grond daar uit leren kennen, en 
tevens bemerken , hoe op dezen grond verder gebouwd 
wordt. Daar benevens kan men daar uit zeer klaar zien , 
lioe de Groenlanders denken, en in hunne harten gefteld 
zyn. 't Is waar, zommigen kunnen in der daad beter ge- 
field zyn, dan ze zig weten uit te drukken, terwyl het in 
tegendeel ook zou kunnen gebeuren , dat de een of ander 

meer 



Eerfte ByvoegfeL 

meer voorgaf, dan hy dadelyk bezat ; doch het laatfte is 
van de Groenlanderen niet ligt te vermoeden, gemerkt het 
een volk is, dat in deszelfs eigen en natuurlyken aart vry 
eenvoudig en opregt beftaat, en niet ligtelyk in ftaat is, 
om van iets, 't geen zy niet ondervonden of ervaren heb- 
ben , onderfcheidentlyk te fpreken. Zy zouden zig ten 
minften wagten moeten , om aan hunne leraren ietwes te 
zeggen , waar van dezen het tegendeel widen : want deze 
brieven zyn voor het grootlle gedeelte den leraren door 
de Groenianderen woorddyk voorgezegt, om door de eer- 
Iten ingefchrifte gebragt te worden; ettelykcn zyn egter 
door de Groenlanderen zelven gefchreven, en ten aanzien 
van dezen hebben de MiiuonarifTen niets gedaan , dan de- 
zelven te vertalen. 

Ik zal mettwe Groenlandfche brieven beginnen, van 
weiken ik tevens ene woordelyke, en met het oorfpronke- 
lyke zonaukeurig als -immer doenlyk is overeen (temmen- 
de 5 vertaling mede delen zah 






35^' Ecrile Byvoegfel 

Van A een Man te Lichtenfels. 
Jj] ar far a Johannes JJJar/ok! 

^^rlagut terfanéauH , kanogaktikfomik ajfagingma ^puior^ 

fmnaungilara^ 
Tarnima pikfanik tunnmgarparma , 
Annaurfirfum Auanik , Tokkoan^lo 9 Ikkenigh ajokcerfor'- 

tarangma^ ' 

Tamakkoa Okautjïvit kihlikpéêt Umcsttiga taimaney 
Sullilo tamakkoinneit illuarituinnarpaka : 
Adlab tipeitfugluartiffinnaungilanga 
Annaurfiffuh Tokko(Zt , AnnMlo^ Auello , ïkkefaloy 

Kijfïmik tipeitfuktijfmnmanga. 

Um(jstimnut ajulerfomut adlamik piomangUanga 9 

Tamerfa namagaka. 

Affarfet Ajfarftgalo Hannefe NuUiengoalo IlUgceJlugik ta^ 

maunga pirfonga ^ illijfimaueth 
Annaurfirfüblo pekkogaminga^ 
Tunmrfaranga Okaufikfammk Koijftmarfunnut ^ 
Taimatog Nellurfunnut okalluktitaranga tujfarnarfomik 

mamartarnomïglo Umcdtteinnut* 

Imangoak nellyungncerfitfomarpaukit , 

Kannogétomik 'okaufekarpunga , Nellurfunnut okallukuma^ 

hna : Arlagut iUivfifut Nellurfungovlungalo Ajortulliar* 

torfurfunga^ 
Sullilo Illovne uamnik ajungitfokangilanga. 



AnnaurjirJlmaU iijarniarpéinga nennivlungalo , 
Okautjiminik kakoanga kennerkrdlungalo ^ 
Nellurfunnilo pmflpanga 
Opertunnut lllagekfunnullo pljjlllunga. 
Sullilo ajortorojungoama^ 
Annernernik ajokcerfordlungalo , 
Aungminik uhbarpei Ajortika , 
Kivgaiungncerfillungalo Ajortunnut tamannut 
Tokkomullo Tornar fuh pirfauneranullo^ 
Sumikme annaukanga? 



Aung' 



Eerfle Byvoegfd. 



isi 



Myn geliefde en liefhebbende Johannes. ' 

Ik kan niet vergeten, hoe zeer gy my bemind hebt^ toen 

ge hier waart. 
Want ge hebt aan myne ziele voedfel gegeven. 
Door my dikwils onderregt te hebben van 's Heilands bloede 

dood en wonden. 
Deze uwe woorden troffen myn hart dermaten , 
Dat ik in niets anders enig behagen vinden kan: 
Want niet anders kan my verblyden, 
Dan alleen des Heilands dood, zyn lyden , zyn bloed en 

wonden. 
Die alleen kunnen my verheugen. 
Ik wil ook niets anders voor myn arm hart hebben, 
Daaraan heb ik volkomen genoeg. 
Dat ik herwaards gekomen ben in 't gezelfchap van uwen 

en mynen geliefden Hannefe (^Bek') 
En deszelfs huisvrouw, weet gy; ^ ^ 

En dewyl zulks volgens des Heilands wil gefchied is. 
Zo geeft hy my ook woorden aan de gedoopten te fpreken^ 
Als mede , dat ik den heidenen woorden zeggen kan , di© 

aangenaam zyn te horen, en fmakelykvoor hunne harten. 
Een weinigje zal ik u evenwel melden , 
Hoedanige woorden ik gebruik , wanneer ik tot de Hei- 
denen fpreek. 
Dus: eertyds was ik, gelyk gylieden , een onwetend en 

kwaad menfch , 
En ik heb ook tans, uit my zelven, nog niets goeds in 'e 

binnenfte van my. 
De Heiland heeft my egter gezogt en gevonden. 
En door deszelfs woord geroepen en uitverkoren ^ 
En my van de Heidenen vry gemaakt 
En tot de Gemeente der gelovigen gebragt. 
En toen ik nog een elendig menfch was. 
Heeft hy my door zynen Geeft onderregt. 
En myne zonden door zyn bloed afgewafichen ^ 
En heeft my verloft van de flaverny der zonde 
En van den dood en *t geweld des Satans, 
Waardoor heeft hy Hiy dan gekogt ? 

UI. Deel. Z Doot 



354 



Eerfle Byvoegfel. 



Juf7gmitiik nellekangitfomik ^ 

Anniaminiglo pingitjomik Tokkominiglo. 

Okkorfea! Taima aktikfomik Innuit Annaurftrfum fijfauei-i 

pigiomavlugit. 
ifmcBttivJïnik iunntomagujftuk ^ 
Nangminek Wuarfaromarpei^ tipettfuktillupk. 
Taima okallughigaka. 
JSiellungilettog ^ terfanéauït^ Ikkiortikjengoamnik pigauko^ 

Gub pekkurfanik. 
Taurfoma Kenat Saneïo tipeitfugluarpoguk , 
jijfarfuferpugh taurfomunga agliartorpok. 
IJauüngnut illekfillunuglo 

SuUuekfauvut naniarpauvut Annaurfirfivta Ken^tt fané. 

Jjfukkiak nuanekau^ 

Nulliareek ingmingnuk Anaurfirfomnllo innulluarunik pin- 
niakkattigeeklutiglo. 



Kaumarfome 
karföinepunga 



A. K- 



Doot 



Èerfle Byvoegfel. 



355 



Door zyn eigen onwaardeerlyk bloed 

En door zyn onfchuldig lyden en fterven. 

Hoort toch ! zo onbegrypelyk liefheeft de Heiland demen- 
fchen gehad ," om ze tot zyn eigendom te verkrygen. 

Indien ge nu uwe harten aan hem geven wilt. 

Dan zal hy ze zelve toebereiden en u lieden zalig maken. 

Aldus ben ik gewend met hen te fpreken. 

Gy weet ook-, dat ik, toen ge hier waart, ene hulpe ge- 
kregen heb, naar den wil van God, 

Voor wiens aangezicht wy beiden vergenoegd leven , 

En de liefde tot hem neemt by ons beiden toe. 

Onderling zyn we vriendelyk (of gemeenzaam) jegens en 
met elkander* 

En 't geen wy te doen hebben ^ doen we voor ^t aange- 
zicht van den Heiland. 

Ja , t' is waarlyk aangenaam. 

Wanneer egte-lièden zalig met elkander voor den Heiland 
leven , en elkander in alles behulpfaam zyn. 



Ik die te Licbtenfels 
wone. 



A. K» 



Deze Brief was den Mifflonarts ter nafchryvinge woor- 
delyk voorgezegt. Daarentegen hade^n aankomend Groen- 
landfch jongeling aan den zoon van een der M[(Jionaris^ 
fen , die zig toen in een der Kinder-huizen van de Broeder- 
Gemeente bevondt , het volgende zelve gefchreven : 



Z 2 



AlTar- 




35^ 



Eerfte Byvoegfel. 
AfTarfara Jakungoak ! 



'^kfut Umé£ttw^oamne kunttingarhaukiti 

Nellunginnama akfut ajfagangma^ 

Taimaitomiktok akfut ajfauaukit. 

Aglekketit mahnapiaka^ 

Attuardlugullo tipeitfutigaka. 

Annaurjirfuhle Annia^ Tokkoallo^ Ikkilê Ullut nunguUugit 

erkeiginnarpaka 
Tuhfiarbigirfara 

Nuttamik Saimaunermtnik tunntkullunga , 
lJm<zttmgoarallo kerfakullugOi 
Taima erkeiniaruma^ 

Kodünnermit , TïpeitfungnermUlo IJJign puttufimarfut 
' erkinniarpaka 5 
Nellunginnama ^ AJJaurjirfuh Affafufia uautinut angifor- 

fumet, 
Annaurfirfungoara innutUlunga allarfinnaungillara. 
NfiUgle kijfimikuma fummilloneet ikkuma 
NunguUugit UmdHttimne neïjongardlutalo , tipeit-fuktit* 

t ar an ga 
Talmat o g Aniafupa erkeiniarauko 
Üanga pïvlunga taima aktikfomtk anniarmét ; 
Uangale fumik akklnniaifauara iUiortinnik Ekkar* 

fautiniglo 
Tipeitfuktinieijfauara. 

Kyannakau Annaurjirfuh AJfafuJïa 
Angnerumet Innungnut tamanut ailanulk 



E - ' ' ' 0vung^ 

AJfarfamnut Kattengutimnut 

yakomut 
Kablunat Nunametumut^ 



Myfl 



Eerfle Byyoegfel, 



iS7 



Myn lieve poosje l 

•*k omhels u met vele tederheid in myn hart. 

Om dat ik weet, dat ge my zeer bemint, 

Heb ik u insgelyks zeer lief. 

Uwen brief heb ik hier ontvangen , 

En toen ik denzelven las , heeft hy my zeer verblyd. 

Pan aan 's Heilands lyden, doo4 en wonden denk ik al!^ 

dagen en uren. 
En bid hem, 

Dat hy my nieuwe genade geve , 
En myn hart ontvonke. 
Dus aan hem denkende 
Omhels ik zyne doorboorde voeten met innige liefJe-trane^ 

en met vreugde. 
Want ik weet , dat 's Heilands liefde tot ons zeer 

groot is. 
Van den Heiland kan ik, zo lang ik leye, niet weggaan. 
Schoon ik alleen ben , of waar ik my bevinde, 
Hv is my in myn hart altoos naby , en maakt ray ver- 
blyd. 
Dus ook wanneer ik aan zyn^lyden denk, 
Hoe zeer veel hy voor my heeft uitgefraan; 
Dan weet ik niet, waar mede ik hem zal betalen, al *t 

geen hy aan my gedaan heeft. 
En met al 't geen in my is, wil, ik hem gaarn tot vreugde 

leven. 
De liefde des Heilands is waardig, gedankt en geprezen te 

worden, 
^y is tot alle menfehen, opaile aJaatfen, groter dan enig 

ander ding 

Ik ben E - 

Aan mynen lieven Broeder 

yakob 
in \ land der Europeanen. .^ 



zs 



Hter 



358 



Eerfte Ryvoegfeï. 



Hier volgen nu ettelyke korte uittrekfels 
uk Brieven. 



I. Van getrouwde Mannen. 



i< 



lO A. ' Dikwerf komt hetmy in de gedagten, dat 

de Heiland my niet uit de wereld te vergeefs verkozen 
heeft, maar dat ik door mynen wandel zo wel onder de 
^edoopten als onder de heidenen zal zyn als een licht, 
«— Wanneer ik my den Heiland voorftelle, hoe hy in 
deze wereld gewandeld heeft, zo fchaam ikmy , en weet 

niets voor den dag te brengen. — Ik beia een arm 

menfch, en durf niet te min als een klein kind dagelyks 
tot den Heiland naderen. Waar ik my ook immer bevin- 
den mag, ik heb voor ziel en lighaam nergens , in tyd 
en euwigheid, ene veiligere en betere fchuilplaats dan, in 
^s Heilands wonden. Ik gevoel ook , dat my het lighaam 
en 't bloed myns dierbaren Heilands van het grootfte ge- 
wicht en 't leven myncr ziel is. ' Ik ben een 

arm en behoeftig zondaar ; de Heiland veragt my egter 
niet, maar fpyzigt my met zyn lighaam en drenkt my 
met zyn bloed. Hy doodt in my hoe langer hoe meer al 
't geen hem niet behagen kan, en maakt myn hart door 
zyn bloed levendig en brandende van liefde. Dewyl hy 
my nu niet veragt, fchoon ik een elendig en verdorven 
zondaar ben, ZD zal ik Hem ook geduriglyk voor oogen 
hebben. 

clJ) A. De E[,eiland heeft grote dingen aan my 

gedaan , want hy heeft wiy door zyn eigen bloed en dood 
verloll. En dewyl ik hiervan verzekerd ben en zulks in 
myn hart gevoele, zo zal ik hem , al myn leven, daar 
voor danken , en hem noit uit myn gezigt laten ko- 
men, enz. 

De Heiland fchenkt my alles uit genade , daar- 
om zal ik niet meer onvergenoegd zyn. En dewyl ik in 
der daad bevinde, dat ik naar ziel en lighaam verdorven 
ben , zo zal ik al myn vertrouwen in hem Hellen. Want 
zyn bloed ftrekt my tot ene artzeny voor ziel en lig-^ 
haam. enz. 

Voor het tegenwoordige gevoel ik my elendig , 

maar ik gevoel tevens de grote liefde des Heilands in myn 

hart. 



Eerfte Byvoegrel 



35^0 



hart. Dit onderhoudt my en is 't geen waarin ik dagelyks leve. 
Geen ander vergenoegen heb ik. Ik heb my ook over mynen 
Jobm Lodewykz^tx\txh\ydi^totn de Heiland hem dezen 
winter tot zig genomen heeft, wantin zyne handen wees hy 
geduriglyk'sHeilands wonden aan,tot dat hy den geeft gaf.enz. 

Ik kan niet zalig zyn, dan in 't genot van 's Hei- 

lands lyden. Wanneer ik hem niet omhelfen kan , 

of dat hy my niet aan zyne gewondde borft legt, dan ben 
ik niet wel. Maar wanneer ik dat gevoele, dan ben ik 
verblyd. En dewyl zyne liefde tot my zo groot is, zo 
heb ik my ook geheel en al aan hem tot een eigendom 
overgegeven, en alles wat ik doe, zal voor hem zyn, enz. 
. — ^— Ik ben in der daad een arm behoeftig menfch -, 
en fchoon my gene byzondere zaken bewuft zyn , die my 
kwellen of drukken, myne gebreken en misflagen zyn eg- 
ter ontallig. Daarvan moet hy my verlofTen en genezen. 

, Hy heeft my uit loutere genade zyn lighaam en bloed 

gegeven, daardoor is myn hart ontvonkt , en ik heb een 
euwig leven in myne ziel, ook vertrouw ik van hem, dat 
hy my daarin zal doen volharden , en altoos het nodige ge- 
ven. enz. 

3.) Niets dan zyn bloed maakt ons zalig en ver- 
genoegd. Ik bid hem derhalven, dat hy myn hart als een 
vaatje onder zyn kruis gelieve aan te merken, en'tmet vele 
druppelen van zyn bloed te vullen. Want dit in 't hart te 
gevoelen is toch iet dat alles overtreft ; en dikwerf i% 't 
my, als of zyne zyde tans eerft doordoken wierdt. Hier- 
door wordt myn hart levendig gemaakt en verblyd. En dit 
ligt my ook het naaft, waar ik my immer bevinde, het zy 
te huis, op het land, of op de zee. enz. 

■ Ook laat ik u weten, dat de Heiland ons nu reeds 

twe kinderen gegeven heeft. Wy zullen hem bidden, dat 
hy ze tot een eigendom voor hem neme , en we zullen trag- 
ten , om ze voor zyn aangezicht te (lellen, enz. 

- Dewyl de Heiland my door zyn bloed verloft 

heeft, zo wil ik ook gene andere zaligheid hebben , dan 
die daardoor verkregen is. Ik bid hem , dat hy het gevoel 
van zyne wonden geduriglyk in my vernieuwe , en myn 
hart door zyn bloed fteeds in ene brandende liefde jegens 
hem doe leven. Dikwils gevoel ik my zeer arm en elen- 
dig, dan wanneer ik hem in den geelt omhels, zo word 
myn hart vertrooll. De H. Geelt is myn leermeefter, en 
verzorat mv als een moeder haar kind. En alzo hy dtn 
Z 4 dood 



•■^<« 



S6o 



Eerfte Byvoegfel. 



dood en 't lyden van den Here Jefus in myn hart verklaart, 
z ) zal ik zulks ook aan anderen verkondigen. Ik heb myn 
hart en ziel eens vooral aan den Heiland gegeven, en zal 
ze noit wederom nemen. enz. 

4.) C- ^^ ^^"^^ ^^" Heiland van ganfcher 

harte, dat hy my gehoorfaam heeft gemaakt, om zynen 
wille te volgen, enz. 

— Ik heb 't nog niet vergeten , hoe gy my voor et- 

telyke jaren by de wilden Zuidlanderen als uwen Tolk ge- 
bruikt hebt. Schoon ik toen nog zeer flegt was , ik deed 
het egter uit gehoorzaamheid. Tans begin ik te merken , 
dat ik een weinigje meer uit myn hait voortbrengen kan , 
en wanneer ik onder de Wilden kome, zo is de Heiland 
my naby en geeft my ook woorden, om tot hen te fpreken. 
Dan, zo lang ik leef, zal ik wel een arm behoeftig menfch 
blyven, en niet ophouden van hem te bedelen. IntufTchen 
wenen myne ogen reeds van vreugde. Dat hy my door 
zyn bloed verloft heeft, kan ik, zo lang ik leef, noit ver- 
geten. En gelyk hy zyne ogen op my arme elendeling ge- 
flagen heeft , zo zullen myne ogen ook noit van hem ajf» 
2ien. enz. 

-.— GewifTelyk ben ik by den Heiland nog in zeer 

grote fchuld, ik weet hem egter niets te geven, dan myn 
arm verdorven hart. Hy heeft my opgewekt uit den flaap 
der zonde en der verdorvenheid, en ik ken noch in den he- 
mel noch op de aarde enen Heiland, die hem gelyk is. Ik 
heb hem wel nog niet gezien, 't is my eg^r dikwils , als 
of ik hem voor myne ogen zag, en ik zal niet ophouden , 
van my zyn bloedig aangezigt voor te ftellen, tot ik hem 
eens van naby zal kunnen aanfchouwen. Op dit ogenbHk, 
terwyl ik om het bloedigen zweet , dat hy voor myne 
zonden gezweet heeft, denk, vloeijen de tranen uit myne 
ogen dermaten, dat ik u niet veel meer te zeggen weet. 
Gy weet toch zelve, wat men dan gqvoelt. enz. 

-r-^ — -^ Ik heb den Heiland lief, doch zyne liefde tot 
ons is nog veel groter. Hiervan zou ik niets geweten heb- 
ben , had hy my niet tot de Gemeente der gelovigen gei- 
bragt. Hy alleen is 't , die myn hart trooil en ziel en 
h'ghaam bewaart. Dit weten myne Broeders, die hier zyn. 
enz. 

Voor hem houde ik niets verborgen. Hy zal 

my kennen zo als ik ben: want ik weqt, dat ik niet zou. 
kunnen vergenoegd zyn , byaldien ik iets voor hem verber* 



E^rfte Byvoegfel. 



3<5x 



gen wilde. En indien ik hem niet in myn hart gevoelde , 
ik zoude moeten zyn als iemand, die droomt. Myne Broe- 
ders ! gy die in 't Ooften woont , of waar ge ook in de we- 
reld zyt, ik laat u lieden weten , dat ik overal in myne ge- 
beden aan u denk en voor u bid, dat gy u altoos over 
den bloedigen Heiland en deszelfs wonden verblyden moogt , 
't geen ook de grootfte zaak is , waarover wy ons ver- 
blyden kunnen , te weten, dat de Heiland door zyne won- 
den en bloedig doods -zweet ons van de zonde verloft 
.heeft. En nademaal wy en gy hier omtrent het zelve ge- 
voelen , zo kan ik u niet vergeten. Wy zullen hem 

ook danken , en niet vergeten wat hy voor ons gedaan 
en geleden heeft. Dit; zal noit uit onze harten uitgevvifcht 
worden, enz. 

5. ) D, De bloedige Heiland bejiaagt my boven alles : 

doch wanneer ik voor myne Broeders en Zullers een ge- 
tuigenis zal geven van de vreugde en zaligheid in den Hei- 
land, zo gevoel ik nog het gebrek van myn eigen hart , 
ook ontbreken my de woorden. Ik houde my egter vas* 
tiglyk aan hem, fchoon ik myne armoede gevoele. enz. 

— - — — Ik dank den Heiland, dat hy my van de zonde 
verloft en uit de duifternis tot het licht gebragt heeft , en 
tevens in myn hart een gevoel gegeven van zyne bloedige 
verzoening, ik heb niets, waarop ik myn vertrouwen (lel, 
dan den gekruiften Heiland ganfch alleen. En hy blyfc 
my geduriglyk in 't gezigt , fchoon ik my elendig gevoele. 
Indien myne ogen zig m'aar een weinigje van hem afkeer- 
den , ik zoude ten eerften van hem afdwalen. Maar hy 
behoedt , onderhoudt , bewaakt en bewaart myn hart door 
zyn bloed. 

. — De Heiland is myn enigfte toevlugt , daarom zal 

ik my geduriglyk aan hem houden. Want wanneer ik de 
verdorvenheid myner ziel en myns lighaams gevoele, dan 
Jcan ik my zelve niet helpen. Doch dan herinnere ik my 
*t geen hy voor ons gedaan heeft, waardoor hy my tot de 
ware gelukzaligheid brengen en in dezelve bewaren kan. 
Voor hem, die voor my aan 't kruis geklonken werdt, leg 
ik my neder, zo als ik ben; hy alleen kan my verzorgen 
en bewaren , uit zyne wonden wil ik drinken , gelyk een 
. kind aan 's moeders borft. enz. 

-— — — Had ik in 's Heiiands wonden , in deszelfs Hg- 

Iiaum en bloed, gene artze^ny, il^ w^s n^ar ^iei en lighaam 

2^ 5 in 




362 



Eerfte Byvoegfeh 



in gevaar , om in de uiterfte elende te geraken. Dan ik 
vertrouwe het den Heiland toe , dat hy my bewaren zaU 
Wanneer ik zwak ben , zo houde ik my aan zyn dier- 
baar bloed en bid hem , dat hy myn hart daardoor ge- 
lieve te befprengen , en my geduriglyk in ontferminge 
naby te blyven. enz« 

6. ) G. Uwe gedagten zyn my bekend , en ik ken u ook 

van aangezigt. Ik omhels u dan met een innigft gevoe- 
len van onze onderlinge deelgenootfchap in *s Héilands 
wonden, Zy toch zyn 't alleen , die myn hart verbly- 
den. Ach dat ik maar het gevoel van zyn bloed niet 
verlieze ! Waar ik fta of ga , is hv my overal naby en 
omringt my. Ik zal my dan altoos' in hem verblyden , 
en hoe arm ik immer zyn mogt, ik zal my geduriglyk 
tot zyne geopende Zydewjenden, werwaards ikeenenvry- 
en toegang heb. 

7.) Johannes^ die onlangs gedoopt en nu ook reeds ont- 
ilapenis,fchrijft: Ik ben tans ook alhier, en bid den Heiland 
dikwerf met tranen, dat hy myn hart door zyn bloed regt bran- 
dende gelieve te maken. Ik heb myne Leraars lief, en wil 
'myn hart geheel en al aan den Heiland overgeven , en de 
wilde gewoonten laten varen , want daarom ben ik her- 
waards gekomen. (*) 

8. ) Een ander even eens genoemd , en de eerfte , die te 
Licht en feïs gedoopt werdt : 

Ik w^as in der daad een verduifterd , welluftig , boos en 
onwetend menfch, doch de Heiland heeft my door zyn 
woord en Geeft geroepen, verlicht en tot de Gemeente 
gebragt , en nu ook van myne zonden afgewaflchen , waar- 
voor ik hem niet genoeg danken kan. Ik ben nog zeer 
elendig, maar ik kere my veel tot den Heiland enbidhem, 
dat hy myn hart hoe langer hoe meer door zyn bloed ont- 
vonke. enz. 

9O J^^' Schoon ikuin langen tyd niet gezien heb, ik 

heb u egter niet vergeten. Even min kan ik den Heiland, 

zo lang ik leef, vergeten. — ik ben arm, doch 

in 



(*) Men geeft hem het getuigenis, d^t hy aan zyne belofte 
ecrlyk beantwoord heeft, en dat hy een der bruirvbaarite Groen- 
landcrcn zoude geworden zyn , gemerkt hy boveu anderen met 
een fchrander verüand begaafd wa^. 



Eerfle Byvoegfe!. 



3Ö3 



in myne armoede roep ik den Heiland aan, dan wordt ik 
wel te vrede. enz. 

. Dezen winter ben ik dikwils onvernoegd ge- 
weeft , wanneer my het blyven van mynen Zwager in de 
zee in de gedagten kwam. I?och de Heilaiid heeft my 
op ene onuitfprekelyke wyze getrooft. Hy is toch my- 

ne grootfte vernoeginge. ■ — Wanneer ik mynen 

zondigen aart gevoele , dan weet ik genen Behouder, bui- 
len den Schepper, wien ik leef. Was 'er geen 

Heiland, ik zou niets goeds doen: maar dit is myne vreug* 
de , dat hy de elendigen niet veragt. 

Wanneer myn hart zijne armoede gevoelt, 

dan gevoelt het doch ook de genade van den beminnely- 
ken Heiland. Schoon hy reden hadt, om zig, wegensmy- 
ne flegtigheid , van my te onttrekken , hy doet het al 
evenwel niet. Dit doet my verbaaft ftaan.. Daarom zal 
hy ook myn hart geheel en al bezitten, enz. 

10.) Jon. Ik verberg my dageiyks in 's Heilands geo- 
pende zyde , gelyk een vogeltje in de kloven der fteen- 

rotfen, en zyn bloed verkwikt my als een kleinkind. 

Schoon ik in 't ligharaelyke dikwerf gebrek heb, myn hart 
heeft egter altoos zyn deel, en dit maakt, dat ik fteeds 
vernoegd blyve. enz. 

Ik heb myn vertrouwen op den Heiland gefteld 

en de H. Geeft heeft my geduriglyk aan hem hermnerd en 
my een innig vernoegen doen erlangen. Wanneer de Hei- 
land zig zomtyds op ene byzonder gevoelige wyze aan my 
vertegenwoordigt, zo val ik voor zyne doorboorde voeten 
neder en aanbid hem met een vloed van tranen. Ik heb 
hem-, en zal hem noit laten gaan. Dikwerf denk ik: Ach 
boe zullen Vv^e ons toch verblyden , als wy eens by hem 
zullen zyn, en hem zien, geiyk hy is ! Wanneer ik al- 
leen ben of in mynen Kajak roeije, bid en ftort iic dik- 
wils de gedagten van myn hart raet tranen voor hem uit» 
By \ bezoeken onder de heidenen fpreek ik met hen van 
den Heiland: en v/anneer hy myn eigen hart met zyn' 
bloed zegent en zalft , dan horen zy 't ook met aandagt. 
Maar zie ik, datzy 'er niet op letten, dan zwyg jk. Lch- 
ter zal' ik niet ophouden, van den Heiland te ipreeken. 
enz. 

- — -^ \ Is my lief, dat de Heiland my hoe langer hoe 
snéerniYne elende en te kort komingenaar zielen lighaam 
ontdekt ; ik zal, zo lang ik leef, met bidden en fraee- 









.f:;-:- 




3^4 Eerfle ByvoegfcL 

ken by hem aanhouden. Zo dik wils als ik tot zyn h. hg- 
haam en bloed nadere, bid ik hem , al 't geen hem in my 
met behagen kan te doden, en my zo te maken , dat hy zig 
over my verblyden moge: en naderhand dank ik hem, dat 
daardoor altoos iets, dat my niet voegt, weggenomen wordt. 

— Wanneer ik ene flegtigheid in my gewaar worde 

en myne armoede gevoele, dan reikhals ik naar hem, ge- 
lyk een kmd, dat zyne moeder zoekt. En dan kan ik my 
dikwils over hem verblyden, gelyk wanneer ik iet gevon- 
den heb, dat ik met veel verlangen en yver zogt.. Hy is 
myn harte- vriend, en waar ik my bevinde, is 't my als of 
ik met hem fprak* enz. 

— Ik verblyde my altoos, wanneer ik iet van u hoor , 

vooral toen uw brief op den Gemeente-dag en iets uit uwe 

Leerredenen gelezen werdt. ^ By alle ongefteldheid 

myner ziel heb ik my doch altoos verblyd, dat ik als eeix 
arm zondaar voor zyne voeten mag liggen en zyne wonden 
kullen. Van alles wat op de aardeis, is het H. Avond- 
maal my het zaligfte, daar is hy my toch in 't binnenfta 
van myn hart zeer naby. enz. t 

II.) Jon.it Licbterifels. Ik gevoel in myn hart een wei- 
nig van 't geen de Heiland voor my gedaan heeft. Schoon ik 
een zeer (legt en onnut menfch ben, hy geeft my doch 
dikwils van zyn dierbaar bloed , en daardoor verandert 
hy en bereidt my zo als ik zyn zal. enz. 

Ik verblj^de my, wanneer ik hoor, dat gy ons 

allen zo hef hebt: dan de Heiland heeft my nog eer lie? 
gehad. Want toen ik nog onder de Wilden was, en niets, 
van hem gehoord had, heeft hy my reeds gezogt en my 
eindelyk tot de Gemeente gebragt en myne zonden door 
zyn bloed afgewaffchen. Schoon my nog zeer vele flegtig- 
heden aankleven, hyisray egter genadig en^^ergeeft my 
altoos myne misflagen. Dit overwegende fchaam ik my 
voor hem , ik nadere egter altoos als een zondaar weer tot 
hem, en bid hem, dat hy zelve myn hart door zyn bloed 
gelieve te befprengen en zuiver te bewaren, enz. 

12.) L. — -Wetende dat de Heiland my als een zondaar 
aanneemt , verblydt zig myn hart over hem. Doch ik weet 
tevens, dat myn hart niet altoos vurig en brandende is. T>c^ 
is al myn verlangen, dat hy zyne liefde in myn hart uit- 
ftorte, en 't door zyn lighaamen bloed hoe langer hoc meer 
zodanig toebereide, dat het hem welbehagelyk zyn kan. 
enz. 

130 



1 



Éerfte Byvoegrd. 



Z6S 



il. ) Tans gevoel ik in myn hart ganfch wat anders dan 
voorheen. Ach ja ! ik gevoel des Heilands grote genade , 

't seen mv dikwils de ogen nat maakt. Ik wenlch 

met u die in 't ooften wonen, een hart en ene ziel te zyn. 
Zvn bloed heeft ons verenigd. Ach dat ik toch ook zo 
zonder afwifleling kon zalig zyn, gelyk ik Van u hoor. 

IA ■) iV. te Licbtevfeh: Dewyl ik u lieden liefheb, zo 
zal ik umvn gevoelen melden. Ik heb egter niets teberig- 
ten, danvanmyneelende, en 's Heilands genade en liefde 
tot my , als een arm en elendig menich. Ik danke den Hei- 
land met tranen, dat hy my, verloren fchepfel, met heeft 
veragt, maar tot de Gemeente gebragt, door zyn bloed 
eewaflchen, alle zonden vergeven en nu ook met zyn lig- 
Lam en bloed gefpyzigt en gedrenkt. Tans zoude ik gaarn 
voor hem willen leven: dan ik ben nog met ontelbare ge- 
breken en flegtigheden bezet. En dit doet my nog dik- 
werf fchreiien. Doch wanneer ik als een arm zondaar tot 
hem nadere, zo vertrooft hy altoos myn hart weer. En 
wanneer ik vrymoedigheidgevoele, zo yerkondige ik ook 
voor de onwetende, wat hy voor onze zielen gedaan heeft 5 
en 't geen hy in zyn lighaam heeft geleden , om oiize 
lichamen ook te regt te kunnen brengenden hoe kragtdadig 
zvn bloed zy ,om de harde harten der menfchen te Inielten 

en te vermurven. Ik heb ook drie kleine kinderen-, 

en bid u , dat ge derzelver voor den Heiland wilt geden- 
ken. Ik denk ook dikwils aan u, wanneer ik in den ge- 
bede tot den Heiland nadere. ^^ ., , . ^ . . 
" j^ -^ p te Lkhtenjeh: De Heiland is het wit, naar t 
welkik dagelyks jage. Myn hart is nu ook vuriger gewor- 
den dan 't voor een jaar was, na dat hy my met zyn H. 
iiaha'am gefpyzigt heeft. En dewyl ik dagelyks van zyn 
dood en Ivdenhoor, zo neem ik toe in de kenniUeyanhem, 
en lere ook mvne verdorvenheid beter kennen. Ik zal hem 
hoe langer hoe meer lief hebben, om dathy my eerd 

^^W ^ S^—— Voorheen dagt ik, geen kwaad in my te 
hebbén, doch nu doet my de Heiland door^ynen H. Geeft 
hoe langer hoe klaarer zien, dat my ne misflagen ontelbaar 
tvn Dus nadere ik dagelyks tot hem en bid hem , dat hy 
mvn hart en gemoed door zyn bloed gelieve te befprengen. 
Hv herinnert my ooft fteeds aan zyn lyden , en wanneer ik 
Smynen Kajak roeije, zo valt my dikwils hetvaarsje ia 
degedagten: -^^^^ 



"^iM 



s-.-'r 




I 



JB 



366 Eerfle ByvoegfeL 

Laat myne ziele tree voor tree 

Met uwe Ziele gaan , 
Neem ze in uw' Liturgien meê: 

Myn hart heeft iuft daaraan. 

Had ik niets van hem gehoord , ik zoude nog op defii 
dwaalweg heen en weer zwerven. 

17.) S. en deszelfs vrouw, zynde een paar ou- 
de lieden ; 

Schoon de tranen uit onze ogen rollen,* (want ze be- 
gonnen ten eerden te wenen ) ons hart is nogtans zalig. De 
Heiland heeft ons eensgezint en ook onze harten branden- 
de gemaakt, wy bidden hem, dat ze noit koud mogen 
vs^orden. Door zyn bloed kan hy ze wel brandende bewa- 
ren enz. 

Gy zult reeds wel weten, dat de Heiland my en 

de mynen herwaards (naar Licht enfeh^ gebragt heeft. 
Toen we hier kwamen , was het land zonder menfchen , 
en het ontbrak aan alles , wy hadden ook gene vergader- 
plaatfe. Tans ben ik verblyd, dat hier reeds velen zyn, 
die de Heiland door zyn bloed gewaffchen heeft, en ik ben 
ook daarvoor zeer dankbaar, dat gy lieden ons een huis 
hebt gezonden, waar we nu dagelyks van den Heiland ho- 
ren en onze gezelfchappen houden kunnen, enz. 

— Schoon 'my nog veel ontbreekt, ikgevoeleegter, 

dat de Heiland myn hart zeer dikwils doet Imelten , gelyk 
de zon den fneuw. Dan is het , gelyk wanneer men traan iii 
de lampen doet; het brandt desteklarer en ontfteekt tevens 
anderen. Kome ik by de Heidenen, die nog inde duifter- 
nis wandelen, ik verkondigehen , dat de Heiland ze door 
zyn bloed verloft heeft, en dat zy, byaldien ze in hem 
geloven wilden, even zo zalig kunnen zyn, als ik en alle 
gelovigen. Ik zeg hen ook, dat hy m^ uit de duiflernis 
tot het lichtzyner wonden gebragt heeft, en datikmy hem 
dagelyks in zyne bloedige geftalte voorftclle, en hem bid, 
dat hy my lere wandelen voor zyn aangezigt. Ja , zeg ik » 
zo gewond aan zyn geheel lighaam ftelle ik my hem voor, 
zyne handen en voeten met fpykers doorboord, en zynezy- 
de geopend met een fpere, uit welke bloed en water vloeit 
en myn arm hart belproeit. En zo ga ik in 't fpreken tot 
myne landsgenooten voort. Want den Heiland dus heb- 
bende leren kennen , heb ik hem van ganfcher harte lief 
en verblyde my over hem. 

IL Fan 



Eerfte Byvoegrd. 367 

II. Vm Jongelingen^ doch diêfedertten dek opgeims- 
Jen , en ten dek reeds getrouwd zyn. 

j.-) A. — Ik ben een arm jongeling: dan wanneer 

ik my den Heiland voorftelle, zo als hy voor my geftor- 
ven is, dan bid ik dus: Myn lieve Heiland, breng myn hart 
in de regte geftalte! Gy alleen zyt de gene, die my be- 
waren kan. enz. , ,r. 

^ —-Na dat de Heiland my een gevoel van deszelfs 

lyden en derven in 't hart gegeven heeft, bevinde ik, dat 
het kwaad 't geen in my is, gene magt meer over my heeft. 
Ach hoe dank ik hem, dat hy een menfch geworden is, ge- 
lyk ik , en dat hy myne verdorvenheid door zynen dood 
en bloed heeft willen vernietigen. Om de kragt van dit 
bloed bid ik hem dagelyks, dat hy daardoor myn hart was- 

fche en reinige. . Wanneer ik myn hart vraag, dan 

geeft het my dit antwoord: gy hebt hem nog niet lief ge- 
noeg. Zyne grote ontferminge befchaamt en vertrooft • 
my. enz. 

<2.) B. Wamieer myn hart by den Heiland is, en 

omtrent zyn lyden en verdienden verkeert, dan wordt my- X :.4| 

He ziel en myn lighaam van het kwade bewaard. Zon- ^'.>^| 

der zyn bloed ben ik buiten ftaat, om de verdorvenheid, C}^\A 

die in my is, te wederilaan. Ach dat de Heiland my toch ^ > ^^ 

haaft naar ziel en lighaam zynen beeidegelykforaiig make, ;. ^: f^^ 

dan zoude ik myne Broeders enLeraaren niet meer bedroe- ;-, i: ^^ 

ven, wanneer wy in den zomer afwezig zyn. Ik zal der- ' - *' 

halven zyn kruis en lyden regt diep in myn hart laten in- 
prenten , ten einde de gedagtenis daarvan my overal ver- 

zelle 
g/>) ^, j^^ Dewyl de Heiland alle gedagten van myn 

hart kent, zo fpreek ik hem dus aan : Lieve Heiland, gy zyt een 
menfch geweed gelyk ik; gy hebt alle myne leden gedra- 
gen , doch zpnder zonde , maak my derhalven uwenbeelde 
gelykformig , en bewaar my voor alle gevaren naar ziel en ; s'> 

lighaam. • Ik wil met de Broeders in 't ooden een .. t,>^: 

en hetzelve doelwit hebben, en dus, door het bloed des ;->;•; 

Heilands in 't hart gewaflcben zynde , voor den Here wan- , ^^,;:- 

delen. enz. , , v-^;.--' 

—-«— Myne begeerte is, dat hy my met zyn lyden en 

: alle . V '^ 



<::;^ 



1 



3^8 



Éerfte Byvöegfel. 



alle zyne verdienden zo naby zyn mege, als of ik hem zag. 
Want fchoon myne lighamelyke ogen hem niet zien kun- 
nen , myn hart gevoelt egter grote vrymoedighcid , zo 
dra het gewaarwordt, hoe hy aan 't kruis alle myne fchul- 
den op zig genomen heeft. Ach hoe dank ik den Heiland , 
dat hy zyn bloed tot ene verloffing en reiniging voormy en 
alle menfchen geftort heeft, en dat hy my nu daardoor met 
zig verenigen en naar zynen heelde formeeren wil enz. 

J^ ' Ik laat u weten, dat de liefde tot den Hei- 
land in dit jaar, door het gevoel van zyn dood en lyden , 
merkelykinmy toegenomen heeft, en dat myn hart daar- 
door vertrooft is geworden. Anders is 'er niets goeds in 
niy, en wanneer ik niet zyn bloed in myn hart gevoel , dan 
ben ik bedroeft en ontrooftelyk, tot dat de Heiland my *t 
weer klaar maakt, dat hy zyn bloed voor my geftort he^ft. 
Ach hoe dank ik hem, dat hy my uit het duiftere heidendom 
geroepen en zyne verdienften klaargemaakt heeft. Daarom 
zal ik hem myn hart geheel en al tot een eigendom geven, 
en my van alle verdorvenheid , die hem zo veel lydens 

veroorzaakt heeft , laten vry maken. — De Heiland 

heeft zig nu ook over my ontfermt, en my tot de gemeen- 
fchap zyns lighaams en bloeds toegelaten. Hetzalmyfteeds 
in gedagteniffe blyven, dat ik daardoor met hem ver- 
enigd ben. 

5.) M. Ik zal hem niet verlaten , want hy heeft 

my tot zig getrokken : maar ik zal hem bidden, dat hy myn 
hart geheel en al tot zyn eigendom make , om dat hy voor 
myne zonden, die my zo dikwils een benauwd hart gemaakt 
hebben, geftorven is. Dikwils denk ik:wat heeft hy toch moe- 
ten ondervinden, toen hy voor myne zonden aan 't kruis 
hingl^Dan fmelt myn hart, en ik weet niets te zeggen , 
dan hem te bidden, dat hy my geduriglyk beware in 't 
gelovig zien op zyne lydens- geftalte. 

Dewyl hy my met zyn lighaam en bloed gefpy- 

zigt en gedrenkt heeft, zo wil ik een eigendom van hem zyn 
en blyven, en hem bidden, dat hy, zo lang ik leef, zig zo 
aan my vertegenwoordige, als ik hem onder het Avondmaal 
gevoelde, enz. 



m. 





. "•v ••^1. 



Eèrfte Byvoégrél ^6^ 

ÏII Fan etteMe Groenland/che Frouwen. 

: I.) B. — — — te Licht enf els > Ik heb nog niet vergeten { 
^t geen gy ons van den Heiland gezegt hebt: te weten, dat 
wy ten allen tyde,en waar we ons bevinden,, met hem ver^-' 
keren zullen. — Dit heb ik eerft naderhand allengs^ 
kens begrepen en ondervonden. ^ — — Ik kan niet uitdruk-* 
ken, 't geen ik by 't laatfte Avondmaal, zynde juift de tyd 
van 's Heilands lyden , gevoeld heb. Ik gevoelde my zelveti 
zeer zondig en voUvan gebreken en misflagen. Maar de 
Heiland vergaf my alles. Ach hoe dank ik d^n Beiland , dan 
gy lieden ons Leraars hervvaards hebt gezonden, die ons vari 
's Heilands inzettingen ondetregten.' Want by aldien zy 
niet gekomen waren , waar van daaïi zouden wy toch zulksf 
te weten en te verdaan gekregen hebben? Ik bid hem, da^ 
hy my myne elende hoe langer hoe meer ontdekke : dus 
zal ik dan als ene zondareffe tot hem naderen enz. ■ 

^0 5^« — ^-~" 't Geen ik arme en elendige tans in mya' 
hart gevoele, bcftaat hierin : Ik heb ai myn vertrouwen op; 
den Heiland gefteld, en myne begeerte is, dat het bloedig 
Lam my gedurig naby blyv^e. Alle zyne fmarten ,zyn dooA 
én lyden, zullen my altoos in 't hart geVoelig en teyens de 
gerond van alle myne vreugde zyn en blyven; -Ik weet^ 
dat , indien de H. Geeft my niet geduriglyk als ene moeder 

onder zyne ogen hieldt , ik ten eerften in gevaar zoude zyn ^ ->K-'^ 

om in aUe elende te geraken enz. , . ■ ; ^-^^1 

3. } K, -^— - Schoon ik den Heiland niet lighamelyfc ^^''M 

zie, ik denk egter veel aan hem en ftel hem geduriglylc -^^i/i^^ 

voor de ogen myns gemoeds. Hy alleen kan my doorzyit' • v'^TkS 

bloed te regt helpen. Ik gevoel myne armoede en weet,' -*-^^ 

dat tóyne misflagen ontelbaar zyn: doch daarom werp ik -i^^^- 

myn vertrouwen tot hem niet weg, want hy is 't alleen ^' *'::'^?;?* 

die my van^ het kwaad bewaart , en ik heb gene zaligheid •• t >'' 

dan in hem. , , ' ''t-^:-^ 

4..') K, — — « Schoon ik ene zeer geringe Zondarefle ben^ .^i^^ 

de Heiland is egter naar zyne barm^hertigheid myner ziele 'r^^r. 

ilaby, en ik denk dikwerf aan mynen Schepper, die myn ^:''»t'}^ 

hart door zyn bloed heeft doenfmelten. Had ik onderde' 
onwetende moeten blyven,; ik zoude gewiffelyk zeer ge- 
plaagt en veracht zjm geweerc;dan myn getrouwe Heiland 
iieeft my niet veracht. Wa3 hy niet voor Kiy geftorven;^^ 

///. DesL Aa ik; 



..f; "■■ 



1 



370 



Eerfle ByvoegfeL 



ik zoude nog in de duiflernis omzwerven. Dan dewylhy 
geftorven en weer opgedaan is , zo ben ik verblyd. Ik 
heb met vele tranen aangehoord, wat onze Leraars ons, op 
het tegenwoordig Paafch-feeft , van 's Heilands lyden en 
opftandinge voorgelezen en gezegt hebben enz, 

5.) 1^. • te Lichtenfeh : Wanneer ik myne elende eil 

verdorvenheid gevoel, dan weet ik nergens dan tot hem en 
zyne wonden den toevlugt te nemen. Hy heeft reeds om 
ïïiy gedagt en voor niy gezorgt , toen ik nog onder de 

Wilden was. — Toen we voor vier jaren herwaards 

kwamen, zag het liegt uit. ■ ' Dan horende, dat ons 
een huis ter houdinge van de vergaderingen zoude toege- 
zonden worden , konden we de eerfte nagt van vreugde 
niet jlapen. Nu Haat het 'er. Ik dank 'er den Heiland en 
ulieden allen voor. Wy armen hebben in^t geheel niets, 
waardoor wy u enigzins zouden kunnen vergelden, 't geen 
gy aan ons gedaan hebt. enz. 

^ Hy heeft my verkozen , verlicht, vertrooft, en 

laat my dagelyks de aangename woorden van zyne verdien- 
ften horen. Wanneer ik dit alles overwege , dan weet ik 
dikwerf niet, wat ik zeggen zal, vooral wanneer wy het 
H. Avondmaal hebben, alsdan dank ik hem van ganfcher 
harte voor zyn dood en lyden. enz. 

5,) ^, — lkbenvergenoegd,wetendedat de Heiland 

niy liefheeft, en in dankerkentenifTe heb ik hem ook lief. 
Gelyk de vogeltjes zig in de kloven verbergen , zo heb ik 
mynen uit- en ingang in de wonden des Heilands , en ik 
leg myn hart onder des Heilands zyde, alwaar ik mynen 
dorftftille. Wanneer ik hem regt befchouw, dan rollen 
de tranen uit myne ogen, vooral onder het Avondmaa]. Ik 
ben zeer befchaamd en met den diepften eerbied vervuld, 
wanneer ik overwege , dat ik arme en elendige zyn dier- 
baar lighaam en bloed genieten mag, en my daardoor Her- 
ken kan. enz. 

7, ) iS. — x.t Lichtenfeh. Ik heb gene Broeders en Zus- 
ters naar den vleefche , dan ik heb my zeer verblyd , wanneer 
ik uit de brieven vernam, dat ik zo vele Broeders en Zus- 
ters naar den Geeft heb, die-den Heiland toekomen, enz. 

Ik zal u tans weer in 't kortberigten , hoe ik het 

in 't vorig jaar gemaakt heb , en zo wel van myne elende als 
van myn genoegen fpreken. Toen myn zoontje langen tyd 
ziek lag, had ik een zwaar hart. Ik bad den Heiland, ora 
het kindje tot zig te nemen. Hy deedt het ook, en daar- 
voor 



Éerfle ByvoegfeL 



É?i 



voor dank ik hem. By die gelegenheid erinnerde ik my ^ 
hoe bevreeö ik eertyds voor den dood was. Dan onder- 
vonden heïbbende , dat de Heiland den dood door zynen 
dood en lyden te niet heeft gemaakt, zo verblydeikmy; 
en wanneer het hem behagen zal, om my te roepen, dan 
zal ikzyne handen en voeten, ja alle zyne wonden, kus- 
fen gelyk Maria Magdakna deedt. Doch zo lailg ik hier 
nog ben, bid ik hem , dat ik alle dagen, gelyk Blariay 
de zufter van Martha^ aan zyne voeten moge zitten en 
woorden des levens van hem horen, en dat hy my, waii^ 
neer ik opfta of te bed ga , in zyne doods-geftalfe en alle 
zyne wonden gevoelig naby geUeve te zyn, ,, Éo dikwils 
als ik zyne grote liefde tot my , arme zohdarefle , over- 
wege , word ik ?:o befchaamd , dat ik niet weet , wat ik- 
zeggen zal. Want ik heb hem nog op verre na niet lief 
genoeg. En dewyl de Heiland ook mj^nen man tot het 
H. Avondmaal heeft toegelaten , zo ben ik bóiten ftaat ^. 
om heranaar behoren te danken, dathy ons beiden met zyn 
lighaam en bloed fpyzigt en drenkt. Ik dank u lieden ook 
zeer, dat gy ons Leraars hebt gezonden, die ons den reg- 
ten weg dts levens aanwyien , en tot den bloedigeif Hei- 
land leiden , die voor ons geftorvén is, en ons van alle on- 
ze zonden door zyn bloed verlofl: heeft. Tans breek ik af 
en blyve uwe arme zwakke S. K. 

8.) Z. «-— — Ik heb nog niet vergeten, ^t geengy ons 
by uw hier-zyn gezegt hebt. Van 't gezelfchap der mede- 
arbeideren, in 't welk ik na dien tyd gekomen ben, had ik 
toen nog geen begrip; maar om ^s Heiiands wonden dagtik 
veel enwenfchte zeer,om mynhart met zyn bloed vervuld 
te hebben. Ik heb ook in der daad niets, dat my meer ver- 
genoegt, dan de Heiland en zyn lyden, en fchoon ik hem 
niet zie, ik nadere doch in myne armoede tot hem, en hy 
maakt my hoe langer hoe zaliger. Ik zal met myn hart al- 
toos voor hem b!y ven en als een kind van hem lereri enz« 

— — - Ik ben , wel is waar , flegt en arm , egter heb 
ik op de wereld niets nodig, dan my aan den Heiland te 
houden, myn hart verblydt zig ook over niets dan over 
het bloed des Heiiands, en \ aanichotiwen van de tekenen 
der nagelen in zyne handen en voeren. Was hy niet voor 
my aan 't kruis geklonken, ik zoude euvvig hebben moeten 
verloren gaan. In onze vergaderingen gevoel ik de tegen- 
woordigheid deis Heilands in 't midden van ons, dochner- 

Aa a gens 



WM 



y. '^ .i:.: 



m 







MM 



37^ 



Eerfte Byvoegfel. 



gens gevoel ik zyne nabyheid inniger dan onder het H. A- 
vondmaal. enz. 



i.yE. 



1 V. Van ettelyke Wedimen. 



Medearbeidfter onder de Weduwen: 



Ik dank den Heiland onophoiidelyk , dat by my een ge-' 
voel geeft van de armoede myner ziel, en dat ik my als 
ene arme zondareffe aan hem overgeven kan. Wanneer ik 
om den Heiland denk of van hem fpreek , zo wordt myn 
hart terftond zo week , dat myne ogen tranen ftorten. De- 
wyl ik nu dezen winter in enen onafgebrokenen en ver- 
trouwelyken ommegang met den Heiland leef, zo doet hy 
my ook hoe langer hoe klaarer zien , waar ik nog tekort 
kome. Ik weet niet veel te zeggen, maar wanneer ik om . 
dts Heilands liefde in deszelfs lyden denk, dan fta ik ver- 
baaft, Ik zoude niet gaarn in iets , hoe gering ook , van 
den Heiland gefeheiden zyn, en dewyl ik hem zo teder be- 
min, zo omhels ik hem geduriglyk in den geeft. enz. 

-^ — Ik heb mynen bioedigen Heiland van harte lief, 

en al wat ik begere is niets anders dan met hem overal te 

verkeren. Lieve Afferfokl hoe komthet toch, dat 

ik tans, daar ik met u fpreken wil , myne ogen niet droog 
houden kan ? Hoe zal het toch dan zyn , wanneer ik den 
Heiland lighamelyk zal aanfchouwen en met hem fpreken 'i 
wanneer ik aan myne uitvaart denk, zo verblyde ik my 
zeer. enz. 

De Heiland alleen is myn man, en ik bid hem 

dikwils met tranen, dat hy niet om myne ontelbare misfla- 
gen gelieve te denken, maar dat het hem behage,myte be- 
waren in de zalige vereniging met alle myne "Broeders en 
Zufters , die ik gezien en niet gezien heb, en by het ge- 
voel zyner wonden , waar ik als ene grote zondarefle ver- 
gevinge van zonden verkregen heb. eiiz. 

Gy Weduwen, myne geliefde Zufters ! fchoon wynaar't 
lighaam Verre van elkander zyn , wy zyn ons cgter naar 
den geeft" naby, en willen ons over onzen dierbaren Heiland 
verblyden. Myne gebreken en misflagen zyn ontelbaar. De 
H. Geeft toonc my dezelven, ik zoude ze anders niet ken- 
nen; doch ik word 'er altoos over te vrede gcftelt, wan- 
neer ik het lighaam des Heren geniet, en daarvoor dank ik 

hem 



jVj^jj»^ ,■>'*■ 1^^. 



Eerfle Byvoegfel. 



373 



hem met tranen. — Ook dank ik u voor 't geen ge 

ons gezonden hebt : wy hebben niets anders , dat wy 
u daarvoor geven kunnen , dan aan u te fchryven en u hef 
te hebben, want wy zyn in der daad zeer arm. enz. 

%) J' — Ik ondervinde, dat de Heiland met onze 

elende gedult heeft, en ik heb het vertrouwen tot hem , dat 
hy ons door zyn bloed hoe langer hoe aangenamer en rei- 
ner maken zal. Zyne hefde en genade is onuitfprekelyk 
groot. Was zyn bloed 'er niet, ik zoude ten eerden in ge- 
vaar zyn om verloren te gaan , maar ik dank hem , dat hy 
myn hart geduriglyk verlicht en bewaart. Ikbevinde ook, 
dat het de Heiland ganfch alleen is, die my zahg maken 
kan ; want hy heeft myn hart door zyn bloed geheiligd, 
daarvoor dank ik hem met een kinder lyk hart. Schoon ik 
■nu reeds vry oud word , ik maak het egter gelyk de klei- 
ne kinderen, wanneer ze honger hebben, ik ga by de Hei- 
land bedelen, en dan verkwikt hy myn hart door zyn bloed. 
Ik zal hem derhalven onophoudelyk blyven aankleven. 

3.) M. te Lichtenfeh. Schoon ik in der daad van wei- 
nig nut voor den Heiland ben, en zyn hart dik werf door my- 
ïie ilegtigheden bedroefd heb, hy ziet my egter in genade 
aan , 'en wy kunnen niet meer van elkander gefcheiden wor- 
den. Hy heeft veel voor my uitgedaan, des wil ik nu ook 
altoos voor hem leven. enz. 

— Ik gevoel in der daad, dat ik de flegtfte ben on* 

der myne Zuflers, en dat wil ik ook gaarn zyn: want wan- 
neer ik my zo arm en elendig gevoele\ dan vertrooft my de 
Heiland door zyne nabyheid. En dewyl hy iiiy zo lief 
heeft, zo ben ik^zeer befchaaraden myne ziel js met tedere 
gevoelens van nederigheid voor hem vervuld ^ en dankt hem 
voor zyn lyden en alle zyi"^ wonden. 

4.) Z. Ik weet dat ik genen anderen Heiland heb, 

dan den gewondden, die is myn behouder. Ennademaalhy 
my zo Hef heeft gehad en uit de heidenen verkozen, zo wil 
ik hem van ganfcher harte lief hebben. Verblyd u met my. 
Ik ben zeer verblyd by het innig gevoel van myn hart, 
wanneer ik het lighaam des Heren eet , en zyn bloed drink ; 
ik gevoele daarby meer zaligheden, dan ik uitdrukken kan. 
Gy Weduwen, ik kus u allen, als myne geliefde Zufters. 
f)e Heiland is onze man, daarover moeten we ons verbiy- 
den en hem lief hebben, enz. 






Aa 3 




V. Fa^ 



S74 



Eerfle Byyo.egfel, 



V. Van ettelyh ongehuwde Zuften. 

I.) yi. «» Ik was wel gedoopt, toen ge hier waart ^ 

snaar ik had nog geen regt gevoel van den Heiland en zyne ver- 
Öienften, en ik werd dikwerf zeer befchaamd, ziende, dat 
Velen, die na my gedoopt waren , zulke zalige lieden en 
Avondmaals leden werden. Eindeiyk kreeg de Heiland myn 
hart geheel en al , en maakte ray zyns hghaams deelagtigo 
Dit heeft myn hart eeril regt week gemaakt. - — -^ — Wan- 
jieer ik overwege, hoe lief ons de Gemeente heeft, dat ze 
iDns Leraars heeft gezonden, die ons van den Heiland on- 
(derregten, en dat we nu ook boeken bekomen hebben, in 
welken wy 't zelven leren kunnen , dan dank ik den Hei- 
land met tranen. Dezen winter hebben we in ons huis dik- 
wils den halven nagr gelezen, gezongen en met elkander 
daarvan gefproken. enz, • • 

s— Ach, dat onze zin den zin des Heilandshoe langer 
hoegelykformigèr^wierdtlDaannhebbeA we met u enen en 
denzelven zin. Ik houd my aan den Heiland, en zeg hem 
met tranen , 't geen my ontbreekt: hy kan my niet afwy- 
2en, alzo ik van hem alles hebben moet, wat ik nodig heb. 
> ■■ Wy hebben dezen winter dikwils gevoeld , dat 

de Heiland in 't midden van ons is,' en wy danken hem, 
dat hyons zo eensgezind by een vergaderd heeft, enz. 
' > ■ >-^"--— Wanneer ik myn hart voor den Heiland door- 
5Koeke , zo ontdek ik nog ontelbare zaken, over welke ik 
my fchamen moet. Ik bid hem derhalven, dat hy gedu- 
tiglykmet nieuwe genade tot mij kome, en ik dank hem 
voor zyne redding door zyn lyden, als mede voor de ver- 
zorging en den arbeid des H. Geeftes enz. ' 
' ^.) ^.---«— te Z,/(:fo^;?/^/^.-———Wanneerik overweegt 
(3at hy my, en ik niet hem, gezogt en gevonden heeft, zo 
üvordt myn hart vol. van verwondering en dankbaarheid. 
V— — Schoon we naar -t lighaam verre van elkander af zyn, 
öë 'Heiland heeft egter onze gedagten in een middelpunt 
^zamen gebragt Hem allen vertrouwen en leven wy. 
'" 3. ) C. *- — — • te Licht enfeh. Wanneer ik over myne ellen- 
de fchrêi , ben ik doch wel te vrede , wetende , dat de Hei- 
land de elendigen niet veracht , maar dezelven zegent. Ik bid 
|iem dagelyks, dat hy myn hart door zyn bloed believe te 
ialven en te befprengen, ten einde hy my geheel en al tot 



Eerfle Byvoegfel. 



375 



zyn eigendom en zyne woning behouden moge. Geliefde 
Zufters , ik heb u wel noit van aangezicht gezien , maar 
in den geeft ben ik 't met u eens , om den Heiland te le- 
ven, die voor ons geftorven is, ten einde onze zielen en 
lighamen te verloflèn van alles, wat ons verderf bedoelt. 
^ — ^ Ach wat is zyn lighaam en bloed een henielfcU 
voedfel voor myn arm hart. De woorden ontbreken tny, 
wanneer ik zyne grote liefde overdenk. Welk ene liefde , 
dat hy voor ons geftorven is, dat hy ons door zyn bloed 
gekogt en gewaflchen heeft van onze zonden , en in alle 
euwigheid nolt meer om dezelven denken wil. Dank zy 
hem daarvoor in alle euwigheid. 

4.) M. Tb. Ik gevoel in der daad, dat ik een 

arm zondig menfch ben. Wanneer ik aan den Heiland 
denk , dan kan ik van wegens myne gebreken gene woor* 
étn voortbrengen. Ik kan hem egter noit uit myn gezigt 
laten verdwynen, en hy kan my ook niet vergeten, want 
hy heeft my van myne zonden verloft. Wanneer ik in 't 
veld ga en bid , zo gevoele ik zyne nabyheid. Want hy 
veracht de elendigen niet , daarom nadere ik fteeds tot 

hem. Denkt aan ons voor den Heiland, dat hy ons 

altoos met zyn dood en lyden in 't hart gevoelig naby zy, 
dan zullen wy hem tot vreugde leven , en , wanneer we 
tot hem geroepen worden , zyne wonden in handen en 
voeten kuflen voor alle genade, die hy ons bewezen heeft. 



::<' 




Aa 4 



TWE. 




|7^ 

T WE D E 

ÖYVOEGSEL 



f 



Be Mijjlonaris Frederik Böhnifeh op den "liften 
July 1 763 tot zynen Heer henen gedaan zyn- 
de^ zal ik hier nog deszelfs levensloop mede 
delen en daar mede de gefchiedenis aer Zen-- 
dinge eindigen. 

.5, TKben (dus luidt zyn eigen opfle!) den i^den April 
t X ly 10 XQ Kub^ewaÉ in Mor avim gthoren ^ alwaar my n " 
vader molenaar was , die my naar zyne kennifTe getrouwelyk 
tot de vreze des Heren aanmaande. Ik had 'er wel weinige 
:^enegenHeid toe , doch toen ik enigzins verftand kreeg, werd 
ik zeer ongeruft, vooral wanneer ik om de^ dood dagt, en 
ging dikwils ganfch alleen in^t veld fchreien, zonder regt 
te weten waarom. Toen ik in'tjaar if 21^ omtrentPaafchen, 
ï^/anneer de grote opwekking in Moravien befpeurd werdt, 
voor het fierfte niaalia en^ vergadering der Broederen kwam^ 
en den zaligen getuige dts Htrtx\\^ Melchior Nitfchman^ 
hoorde l]3reken én bidden, werd ik zo innig en gevoelig ge- 
troffen , dat myn hart in een tranenvloed weg fmolt. Ik 
ïiam terftond het befluit, om uit het land te gaan en kinde- 
ren van God op te zoeken , en ging dagelyks 's morgens en 
^s avonds met mynen vader Matthjs Bohmfch in den tuin; 
waar we knielende, het aangezicht naar Saxen kerende, ba- 
den , dat het Gode behagen mogt ons derwaards te brengen. 
Het eerfte gezelfchap ,'t welk derwaards vlugtte , wilde my 
ïiiet mede nemen, om rayne ouders van droefheid en ver* 
antwoordinge te bewareUc Dan met veel aanhouden my aan 
eenander gezelfchap opgedrongen hebbende, vertrok ik 
met het zelve 's nagts van den zondag voor paafchen in 't 
jaar 1725. Op den eerflen paafch-dag hoorden we te Fan- 
ten de eerde iw/Z-^r/^ predikatie, en kort daarna den zali- 
gen dienlVknegt des Heren , Magïfter Schwedler , te N ieder- 
'wiefe , wiens gebed een ganfch byzonderen indruk op myn 
liart maakte. Den eerlkn zondag na paafchen kwamen tö 



Twede Byvoegfel 377 

^perfhoUdorf in de katechifatie (of repetitie der predikatie) 
Van den Heer Predikant Kot he ^ alwaar wy de ö;an(che Ge- 
meente van Herrnhut aantroffen. Ik was wel zeer verblyd, 
datdeHeikmdniy , volgens de begeerte van myn hart, naar 
Herrnhut gebragt had: dan ten aanzien van 't uitwendige 
2ag ik op deze plaats, waar alles nog vry woeft en ledig uit- 
zag, weinig kans om myn beftaan te vinden. Myn voorne- 
men was het linneweven te leren , doch dewyl ik by dit 
• handwerk niet gezond was, werd ik als medehelper by de 
kinderen in het' toenmalig weeshuis geplaatft. Danhetkwy- 
^nen nog (ieed^ toenemende , leerde ik het tuinieren. Intus- 
fchendeed ik vier reizen naar Moravien^ en bragtop de 
derde vyf perfonen, onder welke zig myn jongde broeder 
bevondt, mede. 

Wanneer in 't jaar 1 731 , na de terug koraft van den Here 
Graaf uit Kopenhagen^ van de Negers en Groenlanders ge- 
fproken werdt; gevoelde ik een hevig verlangen , om naar 
Groenland te gaan : en wanneer ik dit aan Broeder Matth<z- 
us St ach ^ die met my aan den Kerkhof werkte , ontdekt 
had, zo vernam ik tot myne blydfchap, dat hy even eens 
gezint was. Dienvolgens gaven wy onze gedagten der Ge- 
meente door enen brief te kennen , en gingen llilletjes met 
ons werk voort, inafwagtinge van te zien wat uitdeGroen- 
Jandfche Zendinge worden zoude, ik verzelde' Broeder 
Chriftoph Demutb op deszelfe reis naar Fruljfen en Ut- 
4hauen , om de Saltzhurgfche Emigranten te bezoeken. 
OndertuiTchen was Mattb(eus Stach in 't jaar 1733 ^^^^^ 
GrQeniandvtnroVkm^ enin'tjaar 1734 werd ikmetBroe- 
der Joban Bek hem derwaards na gezonden. Schoon we nu 
vonden, dat de heidenen, in een omtrek van vele mylen , 
uitgeftorven waren, wy maakten egter een verbond, 't welk 
•wy ondertekenden , dat wy , al was het, dat geen Groen- 
landerzig binnen tien jaren bekeren goude , den moed eg- 
ter niet zouden opgeven , maar by hen uithouden , zo lang 
wy leven zouden. Het gebrek aan levens middelen , de 
moeijelyke en gevaarlykezee-reifen, om leeftogt te zoeken, 
de veragting van onze buurlieden , de hoon en lagen der 
lieidenen , die tegen ons vooringenomen waren en ons niet 
begeerden agn te horen , de moeijelyke taal, en vele in- en 
uitwendige zwarigheden , wilden my wel dikwilsden moed 
üoen verliezen , en bragten myn hart , vooral in 't jaar 
1737, wanneer ik het lied: Hier zyn wy ^ uw' Gezel- 
' '\ . A a 5 . . len 



.*».,' .''1^; 



- '^ "•>■ 



•.".V » V 



.f. :■ 




378 Twede Byvoegfel. 

lenenz. (*) maakte, in grote benauwtheid. Dan de le- 
vendige hoop , om nog eens een hoopje van gelovige Groen- 
landeren rondom ons te zien, en de grote hefde tot deze Wil- 
den, welken ik gaarn den Heiland in *t hart had willen in- 
fchryven,fterktemy altoos weer en deedt my alle moeijelyk- 
heden doorflaan. Toen de Heiland ons nu den eerfteling, 
Samuel Kajarnak ^ fchonk, dagt ik van vreugde gelyk Si- 
mmon: „ Nu Here! wil ik gaarn in vrede henen gaan, want 
myne ogen hebben uwe zaligheid onder deze heidenen ge- 
zien, "" Dan deze vreugde duurde niet lang. Onze Samuel 
vlugtte voor de moordenaren. Ook werden wy door aller- 
lei valfche tydingen van 't verongelukken van den Here 
Graaf, op deszelfs reis naar St. Thomas^ verfchrikt , en 
inoellen dikwerf horen, dat het nu ook met onze Zendinge 
liaaft zoude gedaan zyn. Dan door de gezegende viptatie 
van den^ Eerwaarden Broeder Grasman^ by wiens hier-zyn 
ik met Zufter Jmm Stach in den egt verbonden werd , en 
door de kort daarop gevolgde grote opwekking onder de 
heidenen werden we tot onzen arbeid ongemeen aangemoe- 
digd. Dan nademaal ik het reeds negen jaren in velerly 
zware omftandigheden van binnen en buiten op mynen poll 
uit gehouden had, zo deed ik i743enereis mix Duitfchland ^ 
om my by de Gemeente te fterken. Hoe vele genade de 
Heiland my aldaar heeft laten genieten, en hoe dikwils ik 
voor zyne voeten van vreugde en ootmoedige dankerkente- 
nis in tranen, als 't ware ,weg gefmolten ben, zal ik noit 
en nimmer vergeten. Intuffchen volgde myne vrouw ganfch 
alleen my agter na en bragt onze twe eerfte kinderen in 
de kinder-huizen der Broeder-kerk. In 't jaar 1745 vertrok- 
ken wy van Amflerdam met een tot de walvifch-vangft ge- 
fchikt fchip, op 't welk ik de plaats van Schips-predikant 
waarnemen moed; en kwamen dus in Groenland terug, al- 
waar wy de volgende jaren met onze lieve Groenlanderen 
enen zeer zaligen tyd hadden. In't jaar 1749 kregen wy 
voor \ twede maal verlof, om tot een bezoek naar Europa 
te komen. Wy vertrokken eerft naar Penfilvanien^ alwaar 

wy 



(*) Onze zalige Btoeder heeft verfcheide liederen vervaerdigc! , 
doch ik heb niet meer dan het hier gemelde aan 't einde van 't 
jaar 1737 laten drukken, om dat daarin de toenmalige (laat der 
Zendinge levendig uitgedrukt is. 



Twede ByvoegfeL 375 

3«ry üiet alleen de GQmtQmentc Be^bkb^m ^ Nazareth^ Gna- 
%ndaal ^ Cbrifliansbron enz. bezogten, maar ook met de 
indinner-Gemeente, te Gnadenbutten ^^n dQ Maboni^ het 
H. Avondmaal genoten, en ene bediening van den Doop by- 
^voonden. Van daar vertrokken wy naar Engeland ^tuwtx- 
den in 't buis des zaligen Ordinarius te London naar ziel en 
iigbaam vier maanden verkwikt. Vervolgens bezogten wy 
in 't jaar 1750 de Gemeenten in de Nederlanden^ Duitfch-^ 
land en Silejien^ en zagen met vele verwondering al bet goe- 
de , dat de Heer binnen zulken korten tyd aan zyn volk ge- 
daan hadt. Het 6>/?ö^^ te ^^r/^3'bygewoond hebbende, ver- 
trokken wy weer 1751 met nieuwen moed en genade tot on- 
zen arbeid gefterkt. En de plaatfe van Broeder ^^.'^in de ja- 
yen 1757 en 1758 moetende vervangen, bewees zig de ge- 
nade des Heren by alle myne onmagt en onbekwaamheid 
zeer kragtdadig aan myn hart;en myn ttamelend getuigenis 
san de heidenen werdt met kragtcn genacle van den Here 
agtervolgd, In 't jaar 1759 werd ik weer door Broeder Bek 
Vervangen, en reisde voor het derdemaal nzdxHerrnbut^ 
alwaar ik , vooral door de leerredenen van den zaligen Or- 
didinarius velen zegen genoot. Dan hoe had ik kunnen 
denken V dat ik in^de m.aand May 1760 de gebeenten van 
dezen eerwaarden Man zou helpen ter ruft brengen ! De- 
ze gebeurtenis v/as my ongemeen fmartelyk en koftte my 
ontelbare tranen. Doch de Heiland trooflte myn hart, en 
gaf my ene levendige verzekering , dat 't geen hy door dezen 
^ynen uitverkoren dienüknegt begonnen hadt,niet zou bly- 
Ven liggen , maar door deszeifs opvolgers uitgevoerd wor- 
den. Met deze hoop vertrok ik 17Ó1 weer naar Groen- 
land, en kwam met myn gezelfchap den iften Auguftus be- 
houden te Nieuw-Herrnbut aan. '.' Tot dus verre de eige- 
ne woorden des overledenen. 

Op deze zeer langdurige en gevaarlyke reis , was hy al- 
toos vrolyk en v/el te vrede: by geloofde egter,datzewaar- 
fchynelyk de laatfte zyn zaude, waarom hyookzeerveel om 
zyne ontbinding fcheen te denken. Van de laatfte urenen 
leerredenen des zaligen Ordinarius verhaalde hy zyneii 
reisgezel , den Schryver dezer Gefchiedenis , die daarby 
niet tegenwoordig was geweeft, veel en dikwils, 't geen 
altoos met natte ogen gefchiedde. Hy was den meeften tyd 
met het lezen der jongfte fchriften van den Ordinarius be- 
zig, en eindigde gewone^yk met ftilletjes het een of ander 
Vaarsie te zingen, vooral uit de liederen van den zaligen 
^ - ' Graa 






p 



^ 



2oB Twede ByvöegfeL 

Grzzï Chriftian Renatus^ in de welken hy enenzonderlingeii 
fmaakvondt. Zynamtin Groenland aan vaarde hy op nieuw 
met een nederig maar gelovig hart, en deszelfs redevoerin- 
gen, van welken de aanpryzinge der onuitfprekelyke lief- 
de des Heren , met welke hy zyne arme fchepfelen tot in 
den dood liet had gehad , de voorname inhoud was, waren 
gezalfd , hartelyk , teder en dik wils met tranen verzeld. Voor- 
al zogthy de gemoeds-gefteldheid der Groenlanderen, hooft 
voor hooft te leren kennen , menfchelyke zwakheden van 
dadelyke trouwioosheden te ondcrfcheiden , en de perfo- 
nen overeenkom ftig met deze onderfcheiding zagtof ernftig 
te behandelen, doch altoos zo, dat hy allen met zagtraoe- 
digheid en liefde zogt te winnen. In deszelfs zamenfpraken 
met de Groenlandfche mede- arbeiders openbaarde zig een 
geeft der bedaardheid en zalvinge. Hy boorde ze met re- 
duit en vriendelykhcid aan , riedt hen ten befte ,'verblydde 
2ig wanneer het wel ging, zonder egter neêrflagtig te wor- 
den, wanneer het niet naar wenfch onder 't volk gefteld 
was: hy toonde hen den oorfpronk der verwarringen, gaf 
hen nutte regelen, en moedigdeze aan tot getrouwheid en 
een goed voorbeeld. ïn de Conferentie met zyne Europe- 
aanfche mede-arbeiders, toonde hy tegen een ieder ene 
vredelievende en edelmoedige infchikkelykheid, des hy 
met gene ftyf hoofdige onverzettelykheid op zyn gevoelen 
en manier van denken ftaan bleef, maar in tegendeel hy 
zogt altoos alles uit den weg te ruimen, waardoor de liefde 
en de eendragt zoude kunnen geftoord worden. Zyn amt 
onderde Groenlanderen lag hem, vooral in deze laatfte jaren 
zeer na aan 't hart; dikwils zag men hem alleen gaan , en 
zo wel zyne eigene noden als die der Gemeente den Hei- 
land met tranen voordragen. Vooral zogt hy te beletten , 
dat de Groenlandfche Gemeente niet mogt vermeerderd 
worden met zodanige lieden , die niet uit geeftelyke maar 
fiegts uit iighamelyke behoeftigheid den toevlugt tot de 
Broeders namen : uit dien hoofde was hy in t onderzoeken 
van derzelver beweegredenen zeer naukeurig , en nam in 
dezelven geen genoegen, ten zy hy overtuigd werdt, dat 
zy in der daad door het Evangelie getroffen en door ditn 
geeft van God opgewekt waren. In 't uitwendige hielp 
hy zyne Broeders , zo veel het zyne kragten en andere 
bezigheden gedoogden, met een gewillig en vrolyk hart. 
In Auguftus 17612 in zekere bezigheden uit ge weeft zyn- 
de kwam hy in regenagtig weer door nat te huis en klaag.- 

de 




Twede ByvoegfeL 



S^t 



de over hooftpyn. Men riecit hem , by zulken weder , dat 
hier de meefte ziekten veroorzaakt, in huis te blyven. Dan 
de kortheid des.tyds, binnen welken zyne Broeders met 
zo veel en allerlei arbeid klaar moeilen zyn, dreef hem ge- 
durig weer naar buiten. Vooral deedt hy in den herflt des 
gemelden jaars ettelyke reizen naar de eilanden, om de 
zieken Groenlanderen gceftelyk en lighamelyk te bedienen; 
want hy was tevens hun gewoon Arts. De hooftpynen kwa- 
men tegen het einde van 't jaar weer, en zo hevig, dathy 
gewonelyk de predikatie en andere vergaderingen met eea 
omzwagtelt hooft houden moert. Hierby kwam in May 
1763 een gezwel aan 't hooft, 't welk hem dermaten aan- 
taftte, dat hydikwerfnauwelykszyner zinnen magtig was. 
Niettemin zettede hy zynen arbeid onder de Groenlande- 
ren, by welken zyne laatfte getuigeniffen in ene onuitwis- 
fchelyke gedagteniffe blyven zullen, tot drie weken voor 
zyn einde, met vele getrouwheiden groten zegen voorts 
Den laden July wilde hy , door een Groenlander verzeld, 
ene wandeling op het veld doen : dan in 't af klimmen vau 
ene rots werdt hy door ene duizeling overvallen , en kreeg 
in 't vallen ene wonde aan 't hooft. Hierdoor raakte hy 
t' enemaal bedlegerig. Hy gaf niet alleen zyn verlangen 
naar^maar tevens zyne verzekering van deszelfs kort aan- 
gaande ontbinding te kennen: hy zugtede dikwils tot den 
Heiland^ en was zeer getrooft en geduldig, kon egter wei- 
nige woorden byeen brengen. In den nagt van den lóden 
July werdt hy wat fterker *» eü fprak veel met zynen Amts- 
broeder, die by hem waakte. Daarop liet hy zyne vrouw ^ 
die ook ziek was, roepen, hy fprak hartelyk en met het 
teder gevoel van iemand, die zig zelve als een zondaar kent, 
met haar , beval haar en hare kinderen aan de verzorging en 
bewaring des Heren ,en eindelyk gaf hy haar en het onlangs 
geboren zoontje , onder oplegginge der handen , zynen zegen^ 
wenfch. Wanneer men hem hierop een weinig brood en 
wyn ter verkwikking gaf, herinnerde hy zig de grote gena- 
de en eer, die hy hadt gehad, door deH. Sacramenten aan de 
Groenlanderen toegediend te hebben, en badt denHeibnd 
tevens oni vergevinge over alle misflagen in zyn amt. En 
wanneer zyn Amts-broeder hem de goedheid en menfch- 
iievendbeid der Heilandsindagtig maakte, antvvoord'Je hy: 
., ja zo is het ook! dus heeft hy zig akoos aan my bewe- 
zen. " Van toen af bragthy den meeflen tyd in ftille za- 
menfprakeu met den Heiland door , v/aarvan mm egter 
1 wei. 




'■•1^ 



382 Twedc Byvoegfe!. 

weinig verftaan kon. Alieenlyk hoorde men hem dikwils 
zeggen : ,, De Heiland bezoekt my dikwerf, en zal my 
haaft tot zig nemen. " Den i24(len Juiy genoot hy voor 't 
laatft het H. Avondmaal, en lag vervolgens den meeften 
tyd in enen diepen flaap totj den ^Sften ]uly , wanneer hy , 
onder het zingen voor zyn bed , dikwerf begon mee aan te 
heffen. Den 29ften July gaf hy met ene gebroke ftemnie 
te kennen , dat de Heiland reeds naby was, om hem te ha- 
len , en te vier uren 's namiddag vericheen het uurtje, in 't 
welk hy zynen geeft onder een lieflyk gezang en den zegen 
zyner Broederen aan zynen getrouwen Schepper en Verlos- 
fer overgaf, in den ouderdom van omtrent 54 jaren, waar- 
van hy 29 in den dienft onder de Groenlanderen en 23 in 
een vergenoegd en met Skinderen gezegend huwelyk toege- 
bragt hadt. 

Kort daarna wèrdt de Groenlandfche Gemeente, of zo ve- 
len als 'er tans, zynde juift de tyd van den drukften arbeid^ 
te huis waren , byeen geroepen, en hen het onïflapen van' 
hunnen tot hiertoe getrouwen Leraar, zynde de eerfte, die, 
in de dartig jaren van het hier begonnen werk der Zendin- 
ge, tot den Here henen gegaan is, bekend gemaakt. Een 
van liefde en fmartondermengd teder ge voel, per ftte hen de 
tranen uit de ogen. Vervolgens werden twe Groenlanders 
met brieven naar de veertig mylen noordwaards^ van hier 
gelegene volkplanting Zudbay afgezonden, om, ware het 
mogelyk , deze tyding nog met het aldaar liggende fchip 
naar Europa te doen komen, 't geen ook gelukt is. Onder- 
tuflchen kwamen alle onze Groenlanders , als mede vele na- 
burige heidenen, uit de eilanden tot de aanftaande begraffe- 
nis herwaard, in welker tegenwoordigheid het lyk dezes 
eerwaarden Getuigen van 's Heerendood onder de Groen- 
landeren, na ene redenvoering van den Miffionaris Ballen-^ 
horjl , op den Groenlandfchen kerkhof begraven werdt 
Z'^ne gedagtenijfe is in zegeninge ! 



EINDE 

Fan V tiende en laatfte Bmh 



De 



De Plaaten betref enck* 



I. De Kaart van Groenland wordt gcplaatfl: achter 

de Voorrede van den Schryver. 
IL De Weft-kuft van Groenland, of der Straate Da- 
vis, van Bal?-Rivier af tot aan de Ys-bijnk, te 
plaatfen tegen over bladz. 8. van het cerfle DeeL 
Nieuw-heiTnhut enLichtenfels vertoont de XIL en 
Xlllde Plaat. 
IIL Een Groenlanden , komende uit Zee, en draagen- 
de den Kajak met den arm, nevens een Groen- 
landfch Huis en een Zeehond. Tegen over bladz, 
155 van het eerfte Deel. 
IV. Eene Groenlandfche Vrouw , een Kind in haar 
kleed op den rugge, een Frouwen-fnes in de rech- 
te hand, een Wateremmer in de flinke hebbende; 
verder een Tente mtt een geopend Voorhangfel, 
als ook eenige Zee-vogelen* Tegen over biadz, 
1 56. van het eerfte DeeL 
V.enVLDoorfneede van een Groenlandfch Huis en des- 
zelfs platte Grond. Tegen over bladz. 158 van 
het eerfte Deel. 
VIL Pylen , die tot de Water-jsgt gebruikt worden^ 
Tegen over bladz. 165 van het eerfte Deel. De 
verklaaring zie daar in de Note, 
VUL Umiakoï Vrouwen-boot j tegen over bladz, 168 
van het eerfte Deel. 
IX. De Vrouwen-^boot in de Doorfnede , tegen over 

bladz. 168 van het eerfte DeeL 
X. Een Groenlander in den Kajak of Mans-boot , die 
eenen Zeehond werpt. Tégen over bladz. 170 
van het eerfte DeeL 
XL Een Kajak in de Doorfnede. Tegen over bladz. 

170 van het eerfte DeeL 
XIL JNieuw-Herrnhut in Groenland. 

I. Het Woon-huis, in wiens groote Zaalede Ver- 
gaderingen gehouden worden. 
fu Derechte Vleugel, waarin het School-vertrek, 
de Keuken, Bakkerye, en Bron zich bevindt. 

3. De flinke Vleugel , of het Europcefehe Pro- 
viant- en Hout-huis. 

4. De Tuin. 

5. 'tRiviertje. 



ó. Het Europeefche Boot-huis. 



7. Groen- 



7. Groenlandfche Huizen. 

8. Het Proviaiu-huis der Groenlanderen. 

9. De ruft-plaatfen der OntHaapenen (zi^ platte 
Grond van Nieuw-herrnhut op de kaart van de 
We(l-kuft) 

Te plaatien tegen over bladz. ^294 van het derde 
Deel. 
XIll. Lichtenfels in Groenland. 

I. Het Huis, waarin de Zaale voorde Vergade- 
ringen. 
52. De Tuin. 

3. Huizen der Groenlanderen. 

4. Tenten. Zie platte Grond van Lichtenfels op 
de kaarte van de Weft-kuft. 

5. Weg-wy2er voor de Schippers. 

6. Ruft-plaatfen der Ontftaapenen. 

7. Het oude Groenlandfche Huis , Akommiok , 
waarvan deze plaats de naam heeft. 

Wordt geplaatil tegen over bladz. ^269 van het der- 
de Deel. 
XiV. Bediening van den heiligen Dobp. Tegen over 
bladz. 332. van het derde Deel. 



CORRIGENDA 

In het derde Deel van bladz. 147 tot 15-5 en van 180 tot 

195 5 in plaats van : Gefchiedenijfe van Nieuw-Herrifhut^ 
lees het opfchrift van ieder rechte bladzyde : Gefchiede- 
mjfevan Lichtenfels. 





'.'- <- 






mu 



.^.ï^-..,:^^: 



''v*-:lrt: 












V t ■"- »V ■ '.■ ' ■•■■ • 



M. 





W > ^" ^" ' " ^ A 



' ^ m^ m I u ■%»■■ » 



i- - : V. ' ' ^ ' " ■ ! 





► . » ï .' '^ . - 






•.f ;.^v' 





















iV .■■■■'. 



X ^" •& ** . ^ t 









I